← Nederland

ECLI:NL:RBDHA:2017:16362

beslissing WRAKINGSKAMER VAN DE RECHTBANK DEN HAAG Meervoudige wrakingskamer Wrakingnummer 2017/13 zaak-/rekestnummer: C/09/529377 / KG RK 17-503 zaaknummer hoofdzaak: SGR AWB 16/7919 datum beschikking: 12 april 2017 BESLISSING op het schriftelijke verzoek tot wraking ingevolge artikel 8:15 van de Algemene wet bestuursrecht in de zaak van: [verzoekster] B.V., gevestigd te [vestigingsplaats] , vertegenwoordigd door: [vertegenwoordiger] , verzoekster, strekkende tot wraking van: mr. S.E. Postema, rechter in de rechtbank Den Haag, hierna te noemen: de bestuursrechter. Belanghebbende is: De inspecteur van de Belastingdienst, Gemachtigde: P.A.M. Ernster. 1De voorgeschiedenis en het procesverloop 1.1 In de hoofdzaak heeft de Belastingdienst het bezwaar van verzoekster tegen de aanslag vennootschapsbelasting voor het jaar 2014 en de daarbij in rekening gebrachte belastingrente ongegrond verklaard. Verzoekster heeft beroep ingesteld tegen dit besluit. 1.2 De griffier van de rechtbank heeft verzoekster bij brief van 12 januari 2017 uitgenodigd om op 2 februari 2017 om 12.20 uur aanwezig te zijn bij de behandeling van haar beroep door een enkelvoudige kamer. In deze brief staat tevens vermeld dat binnen een week na de datum van de uitnodiging kan worden verzocht om wijziging van de datum en het tijdstip van de zitting. 1.

  1. Bij brief van 20 januari 2017 heeft verzoekster de bestuursrechter verzocht om uitstel van de zitting. Zij heeft hierbij aangegeven dat de tijd tot de zitting te kort is om zich goed op de zaak te kunnen voorbereiden. Bij brief van 23 januari 2017 is het verzoek om uitstel afgewezen. 1.
  2. Verzoekster heeft de bestuursrechter vervolgens gewraakt. Bij beschikking van 20 februari 2017 (met zaak-/rekestnummer C/09/526402 /KG RK 17/188, wrakingnummer 2017/3) heeft de wrakingskamer dit verzoek afgewezen. 1.5 Bij brief van 21 maart 2017 heeft verzoekster de bestuursrechter opnieuw gewraakt. 2De mondelinge behandeling van het wrakingsverzoek Op 3 april 2017 is het wrakingsverzoek ter zitting van deze wrakingskamer behandeld. Verzoekster heeft zich laten vertegenwoordigen door haar gemachtigde. De bestuursrechter en de belanghebbende zijn, met bericht, niet verschenen. 3Het standpunt van verzoekster Aan het wrakingsverzoek ligt ten grondslag dat de bestuursrechter het verzoek om uitstel van de zitting ten onrechte heeft afgewezen, nu verzoekster tijdig daarom had verzocht. De bestuursrechter heeft ten onrechte zonder overleg een datum van de zitting bepaald en het verweerschrift eerst zeven dagen voor de zitting aan verzoekster toegezonden. Verzoekster stelt dat zij hierdoor onvoldoende tijd heeft om het verweerschrift te bestuderen en een reactie op te stellen. Verzoekster voert aan dat de bestuursrechter aan de Belastingdienst wel op diens verzoek uitstel heeft verleend voor het indienen van het verweerschrift. 4Het standpunt van de bestuursrechter De bestuursrechter berust niet in de wraking. Zij stelt dat de wrakingskamer al beslist heeft over het eerder ingediende wrakingsverzoek, dat ook zag op het niet verlenen van uitstel voor de zitting van 2 februari
  3. Dat aan de Belastingdienst wel op diens verzoek van 21 december 2016 uitstel voor het indienen van verweer is verleend, betreft een zuiver procedurele beslissing. 5De beoordeling 5.
  4. Ingevolge artikel 8:16, vierde lid, van de Awb wordt een volgend verzoek om wraking van dezelfde rechter niet in behandeling genomen, tenzij feiten of omstandigheden worden voorgedragen die pas na het eerdere verzoek aan de verzoeker bekend zijn geworden. 5.
  5. Verzoeker heeft voor de tweede maal een wrakingsverzoek gericht tegen dezelfde rechter. De grondslag van het tweede wrakingsverzoek is in essentie gelijk aan de redenen die aan de eerdere wraking ten grondslag zijn gelegd. De omstandigheid, dat de bestuursrechter naar aanleiding van een verzoek van 21 december 2016 aan de belanghebbende uitstel voor het indienen van verweer heeft verleend, was al bekend ten tijde van het eerdere wrakingsverzoek en is daarom geen nieuw feit in de zin van voormeld artikel. 5.
  6. Het wrakingsverzoek wordt niet-ontvankelijk verklaard. 6De beslissing De wrakingskamer: - verklaart het verzoek tot wraking niet-ontvankelijk; - bepaalt dat het proces in de hoofdzaak wordt voortgezet in de stand waarin het zich bevond ten tijde van het indienen van het wrakingsverzoek; - beveelt dat (een afschrift van) deze beslissing met inachtneming van het bepaalde bij artikel 8:18, derde lid, van de Algemene wet bestuursrecht wordt toegezonden aan: • de verzoekster, • de belanghebbende en • de bestuursrechter Deze beslissing is gegeven door mr. J.G.J. Brink, mr. A.M.H. van der Poort-Schoenmakers en mr. D.G.J. Dop, rechters, in tegenwoordigheid van mr. M.E. Stikvoort-Ydema, griffier, en in het openbaar uitgesproken op 12 april 2017.

🔗 Naar officiële bron

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.