← Nederland

ECLI:NL:RBDHA:2017:16364

beslissing WRAKINGSKAMER VAN DE RECHTBANK DEN HAAG Meervoudige wrakingskamer Wrakingnummer 2017/4 zaaknummer: 526435 / KG RK 17-200 rolnummer: 5559593 CV EXPL 16/6709 datum beschikking: 23 februari 2017 BESLISSING op het schriftelijke verzoek tot wraking ingevolge artikel 37 van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering in de zaak van: [verzoeker] , wonende te [woonplaats] , verzoeker strekkende tot wraking van: mr. E.J. van der Molen, kantonrechter in de rechtbank Den Haag. Belanghebbende is: [belanghebbende] , advocaat: mr. J.W. Bruidegom 1De voorgeschiedenis en het procesverloop 1.

  1. Verzoeker heeft in de bodemzaak van de belanghebbende een bedrag gevorderd van € 7.221,27 in verband met - kort samengevat weergegeven - onjuist en onprofessioneel handelen naar aanleiding van een door verzoeker ingediende klacht tegen mr. [naam] , advocaat. De kantonrechter heeft verzoeker in de gelegenheid gesteld een conclusie van repliek in te dienen. Vervolgens heeft verzoeker de kantonrechter schriftelijk gewraakt. 1.
  2. De wrakingskamer heeft kennis genomen van het wrakingsverzoek, de schriftelijke reactie van de rechter, de aanvulling op het wrakingsverzoek van 14 februari 2017 en de reactie van de belanghebbende. 2De mondelinge behandeling van het wrakingsverzoek Op 20 februari 2017 is het wrakingsverzoek ter zitting van deze wrakingskamer behandeld. Verzoeker, de gewraakte rechter en de belanghebbende zijn, met bericht, niet verschenen. 3Het standpunt van verzoeker Aan het wrakingsverzoek is - verkort en zakelijk weergegeven - het volgende ten grondslag gelegd. De gewraakte rechter is volgens verzoeker geen serieuze rechter. Hij concentreert zich op nevenfuncties en doet het rechtspreken ‘erbij’. Deze omstandigheden zijn volgens verzoeker nog erger dan vermeende partijdigheid. 4Het standpunt van de kantonrechter De kantonrechter berust niet in het wrakingsverzoek. Hij heeft zich op het standpunt gesteld dat, voor zover verzoeker beoogt te betogen dat hij de schijn van partijdigheid heeft gewekt door de zaak aan te houden voor repliek en geen comparitie na antwoord te gelasten, dit een processuele beslissing is geweest die niet tot wraking kan leiden. Voor zover verzoeker beoogt te betogen dat zijn nevenfuncties de schijn van partijdigheid wekken, nu hij hiervoor bezoldigd wordt, heeft de kantonrechter gesteld dat hij voor zijn nevenfuncties geen bezoldiging ontvangt. 5De beoordeling 5.
  3. Bij de beoordeling van een beroep op het ontbreken van onpartijdigheid van de rechter in de zin van art. 6, eerste lid, EVRM dient uitgangspunt te zijn dat een rechter uit hoofde van zijn aanstelling moet worden vermoed onpartijdig te zijn, tenzij zich een uitzonderlijke omstandigheid voordoet die een zwaarwegende aanwijzing oplevert voor het oordeel dat een rechter jegens een rechtzoekende een vooringenomenheid koestert, althans dat de bij een rechtzoekende dienaangaande bestaande vrees objectief gerechtvaardigd is. 5.
  4. Van een gebrek aan onpartijdigheid kan, geheel afgezien van de persoonlijke instelling van de betrokken rechter, ook sprake zijn indien bepaalde feiten of omstandigheden grond geven te vrezen dat het een rechter in die omstandigheden aan onpartijdigheid ontbreekt. Alsdan dient de rechter zich van een beslissing in de hoofdzaak te onthouden, want rechtzoekenden moeten in het rechterlijk apparaat vertrouwen kunnen stellen. Daarom valt onder omstandigheden ook rekening te houden met de uiterlijke schijn. 5.
  5. De wrakingskamer heeft kennis genomen van de inhoud van het wrakingsverzoek. De wrakingskamer ziet hierin geen feiten of omstandigheden die grond geven te vrezen dat het de rechter aan onpartijdigheid ontbreekt, dan wel dat de rechter de schijn van partijdigheid heeft gewekt. 6De beslissing De wrakingskamer: - wijst het verzoek tot wraking af; - bepaalt dat het proces in de hoofdzaak wordt voortgezet in de stand waarin het zich bevond ten tijde van het indienen van het wrakingsverzoek; - beveelt dat (een afschrift van) deze beslissing met inachtneming van het bepaalde bij artikel 39, derde lid, van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering wordt toegezonden aan: • de verzoeker; • de belanghebbende, p/a mr. J.W. Bruidegom; • de kantonrechter mr. E.J. van der Molen. Deze beslissing is gegeven door mr. J.A. van Steen, mr. F.J. Verbeek en mr. R. Cats, rechters, in tegenwoordigheid van mr. M.E. Stikvoort-Ydema als griffier en in het openbaar uitgesproken op 23 februari 2017.

🔗 Naar officiële bron

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.