beslissing WRAKINGSKAMER VAN DE RECHTBANK DEN HAAG Meervoudige wrakingskamer Wrakingnummer 2017/12 zaak-/rekestnummer: 529348/ KG RK 17-499 kenmerk/zaaksnummer: SGR 16/6905 datum beschikking: 4 april 2017 BESLISSING op het schriftelijke verzoek tot wraking ingevolge artikel 8:16 van de Algemene wet bestuursrecht, in de zaak van: [verzoeker] wonende te [woonplaats], verzoeker, strekkende tot wraking van: mr. E. Rabbie, mr. O. van der Burg en mr. S.J. Hoekstra-van Vliet, rechters in de rechtbank Den Haag. Belanghebbende is: De inspecteur van de Belastingdienst, Gemachtigden: dhr. S.J. van Dam en mevr. Peters. 1De voorgeschiedenis en het procesverloop In de hoofdzaak heeft de Belastingdienst het bezwaar van verzoeker tegen de aanslag inkomstenbelasting en premie volksverzekeringen 2013 en de aanslag inkomensafhankelijke bijdrage Zorgverzekeringswet, ongegrond verklaard. Verzoeker heeft beroep ingesteld tegen dit besluit. De hoofdzaak is op 2 maart 2017 ter zitting behandeld door mr. T.A. de Hek (hierna: de bestuursrechter). Bij brief van dezelfde datum, door de rechtbank ontvangen op 6 maart 2017, heeft verzoeker de bestuursrechter gewraakt. Op 20 maart 2017 is het wrakingsverzoek ter zitting van de (eerste) wrakingskamer behandeld. Bij brief van 21 maart 2017, door de rechtbank ontvangen op 23 maart 2017, heeft verzoeker de leden van de wrakingskamer gewraakt. Op 3 april 2017 is het verzoek tot wraking van de leden van de wrakingskamer ter zitting van de (tweede) wrakingskamer behandeld. 2De mondelinge behandeling van het wrakingsverzoek Op 3 april 2017 is het wrakingsverzoek ter zitting van deze wrakingskamer behandeld. Verzoeker is verschenen. De belanghebbende heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigden. De bestuursrechter is verschenen. De gewraakte leden van de (eerste) wrakingskamer zijn, met bericht, niet verschenen. 3Het standpunt van verzoeker Verzoeker heeft aan het wrakingsverzoek ten grondslag gelegd dat hij in het kader van de behandeling van zijn eerste wrakingsverzoek geen verweerschrift van de bestuursrechter per post heeft ontvangen en ook niet tijdens de zitting overhandigd heeft gekregen. Verzoeker stelt dat het standpunt van mr. T.A. Hek en de daaruit voortvloeiende informatie die tijdens de zitting behandeld dient te worden, hem is onthouden in de eerste wrakingszaak. Hiermee heeft de wrakingskamer de schijn van partijdigheid gewekt, aldus verzoeker 4Het standpunt van de gewraakte leden van de (eerste) wrakingskamer De gewraakte leden van de (eerste) wrakingskamer berusten niet in de wraking. Zij hebben zich op het standpunt gesteld dat het verzoek feitelijke grondslag mist, aangezien de bestuursrechter voorafgaand aan de zitting van 20 maart 2017 geen reactie heeft gestuurd op het tegen hem gerichte wrakingsverzoek. Van het onthouden van enig processtuk aan verzoeker is geen sprake en een grond om (de schijn van) vooringenomenheid van de wrakingskamer aan te nemen, ontbreekt dan ook, aldus de (eerste) wrakingskamer 6De beoordeling 6.
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.