RECHTBANK DEN HAAG Zittingsplaats Rotterdam Team Bestuursrecht 3 zaaknummer:AWB 16/16521 uitspraak van de meervoudige kamer van 17 mei 2017 in de zaak tussen
(2003)van de Internationale Arbeidsorganisatie (IAO), het Verdrag inzake het vergemakkelijken van het internationale verkeer ter zee (FAL-Verdrag) en het ter zake strekkende nationale recht, toestaan het grondgebied van de lidstaten binnen te komen door aan land te gaan om in de gemeente waar hun vaartuig heeft aangelegd of in een aangrenzende gemeente te vertoeven, of het grondgebied van de lidstaten te verlaten door terug te keren naar hun schip, zonder dat zij zich bij een grensdoorlaatpost hoeven te melden, op voorwaarde dat zij voorkomen op de bemanningslijst van het vaartuig waartoe zij behoren en dat die lijst eerder door de bevoegde autoriteiten is gecontroleerd. Dit belet niet dat, op basis van een beoordeling van het binnenlandseveiligheidsrisico of het risico van illegale immigratie, zeelieden door de grenswachters aan een controle overeenkomstig artikel 7 worden onderworpen voordat zij aan land gaan.” 6.
- Niet is in geschil dat de haven van Rotterdam een buitengrens is als bedoeld in artikel 2, aanhef en onder 2, van de Schengengrenscode en dat het schip aan boord waarvan eisers zich begaven uitsluitend of in hoofdzaak is bestemd voor de vaart ter zee en dus ook voor vertrek uit Nederland. Vaststaat ook dat eisers de grensdoorlaatpost aan de Neckarweg of de St. Jobsweg te Rotterdam zijn gepasseerd. Verweerder heeft voorts niet weersproken dat eisers zich als zeelieden in het bezit van een zeemansboekje aan boord van hun schip begaven. De rechtbank is van oordeel dat bij de aanmonstering van eisers sprake was van overschrijding van de buitengrens en uitreis als bedoeld in artikel 10, eerste lid, van de Schengengrenscode. Daartoe wordt het volgende overwogen. In samenhang gelezen volgt uit de artikelen 4, eerste lid, en 10, eerste lid, van de Schengengrenscode dat het bij in- en uitreis afstempelen van de reisdocumenten van onderdanen van derde landen in beginsel geschiedt bij het overschrijden van de buitengrenzen via de grensdoorlaatposten. In artikel 2 van de Schengengrenscode is niet nader gedefinieerd wanneer sprake is van in- of uitreis, dan wel van het overschrijden van de buitengrenzen. Nu het in dit geval om zeelieden gaat, ligt het in de rede om hiervoor aansluiting te zoeken bij de specifieke bepalingen in de Schengengrenscode over zeelieden. Uit de uitzondering die in artikel 10, derde lid, aanhef en onder c, en bijlage VII van de Schengengrenscode voor passagierende zeelieden wordt gemaakt voor wat betreft het afstempelen van hun reisdocumenten en de verplichting de buitengrenzen via de grensdoorlaatposten te overschrijden, leidt de rechtbank af dat de Europese wetgever het van en aan boord gaan door zeelieden van een in een zeehaven gelegen zeeschip ziet als overschrijding van de buitengrens. Immers, nu alleen bij overschrijding van de buitengrens melding bij een grensdoorlaatpost en afstempeling van de reisdocumenten is voorgeschreven, ligt het niet in de rede dat daarop een uitzondering wordt gemaakt als van overschrijding van deze grens met het van en aan boord gaan geen sprake is. Dat de Europese wetgever het van en aan boord gaan door zeelieden ziet als overschrijding van de buitengrens wordt onderstreept door de in bijlage VII gebruikte bewoordingen, waaruit volgt dat het grondgebied wordt binnengekomen door aan land te gaan en het grondgebied wordt verlaten door terug te keren naar het schip. Dat in het geval van eisers geen sprake was van terugkeer na passagieren, leidt voor de rechtbank niet tot een ander oordeel over de betekenis van de aanmonstering van eisers voor hun verblijf binnen het Schengengebied. Steun voor haar oordeel vindt de rechtbank niet alleen in hetgeen hiervoor is overwogen over de uitzondering die in artikel 10, derde lid, aanhef en onder c, en bijlage VII van de Schengengrenscode voor passagierende zeelieden wordt gemaakt, maar ook in Verordening (EG) nr. 810/2009 (PB 2009 L 243; de Visumcode). In die verordening zijn in artikel 36 en bijlage IX voorschriften opgenomen voor de afgifte van een doorreisvisum aan de grens aan transiterende visumplichtige zeevarenden, die net als eisers via een luchthaven de lidstaat binnenkomen teneinde aan te monsteren op een schip waarop zij als zeevarende zullen werken. Op grond van bijlage IX van de Visumcode kunnen de bevoegde autoriteiten op de luchthaven van binnenkomst van de lidstaat aan de grens, met afstempeling van de reisdocumenten, overgaan tot afgifte van een visum aan deze zeevarenden, waarbij het toegestane verblijf overeenkomt met wat nodig is voor het doel van de doorreis en als eindbestemming van de reis de haven waar wordt aangemonsterd heeft te gelden. Uit het feit dat het visum aan de zeevarenden uitsluitend wordt verleend voor hun reis van de luchthaven naar de haven waar zij aanmonsteren, valt op te maken dat de aanmonstering door de Europese wetgever wordt gezien als overschrijding van de buitengrens en uitreis als bedoeld in artikel 10, eerste lid, van de Schengengrenscode. Voor het standpunt van verweerder dat om van overschrijding van de buitengrens en uitreis te kunnen spreken tevens vast moet staan dat de zeevarende op korte termijn na aanmonstering de haven met het schip zal verlaten, bieden de Schengengrenscode en de Visumcode geen aanknopingspunten. Integendeel, indien de Europese wetgever dit standpunt zou onderschrijven, zou het in de rede hebben gelegen dat deze voorwaarde ook zou gelden voor afgifte van het doorreisvisum aan zeevarenden. Afgifte van een visum uitsluitend voor (legale) doorreis naar de haven is immers weinig zinvol, indien de zeevarende na aanmonstering op het aldaar gelegen schip alsnog illegaal in de lidstaat verblijft als hij niet op korte termijn de haven met het schip verlaat. 6.
- Uit het voorgaande volgt dat het betoog van eisers slaagt. Nu eisers met de aanmonstering op hun schip Nederland zijn uitgereisd had in hun grensoverschrijdingsdocument een uitreisstempel moeten worden geplaatst. Dat is hen ten onrechte geweigerd.
- Het beroep, voor zover ingediend door eisers, is gegrond, het bestreden besluit moet worden vernietigd en de weigering uitreisstempels in de paspoorten van eisers te plaatsen moet worden herroepen. Gezien hetgeen hiervoor in rechtsoverweging 5 is vastgesteld, bestaat geen aanleiding daarbij te bepalen dat verweerder alsnog uitreisstempels plaatst in de paspoorten van eisers.
- Nu het beroep gegrond is moet verweerder het griffierecht vergoeden.
- De rechtbank veroordeelt verweerder op grond van artikel 7:28, tweede lid, van de Awb en artikel 8:75, eerste lid, van deze wet in de door eisers in administratief beroep en beroep gemaakte proceskosten. Nu de onderhavige zaak en de gelijktijdig behandelde zaken met zaaknummers AWB 16/16525, AWB 16/17721 en AWB 16/17723 zowel in administratief beroep als in beroep als samenhangende zaken als bedoeld in artikel 3 van het Besluit proceskosten bestuursrecht moeten worden aangemerkt, stelt de rechtbank deze in verband met de door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand gemaakte kosten vast op € 2.970,- (1 punt voor het indienen van het administratief beroepschrift, 1 punt voor het indienen van het beroepschrift, 1 punt voor het bijwonen van de hoorzitting op 21 april 2016 en 1 punt voor het verschijnen ter zitting van de rechtbank, met een waarde per punt van € 495,- en wegingsfactor 1,5 omdat het aantal samenhangende zaken vier is), welk bedrag gelijkelijk over de vier zaken moet worden verdeeld. Anders dan eisers, ziet de rechtbank geen aanleiding om het gewicht van de zaak als zwaar of zeer zwaar aan te merken. Beslissing De rechtbank: - verklaart het beroep, voor zover ingediend door eiseressen, ongegrond, - verklaart het beroep, voor zover ingediend door eisers, gegrond, - vernietigt het bestreden besluit, - verklaart het administratief beroep gegrond en herroept de weigering uitreisstempels in de paspoorten van eisers te plaatsen, - bepaalt dat deze uitspraak in de plaats treedt van het vernietigde besluit, - bepaalt dat verweerder het griffierecht vergoedt, - veroordeelt verweerder in de proceskosten tot een bedrag van € 2.970,-, gelijkelijk te verdelen over deze zaak en de zaken met zaaknummers AWB 16/16525, AWB 16/17721 en AWB 16/
- Deze uitspraak is gedaan door mr. E.R. Houweling, voorzitter, en mr. A. Hello en mr. I.S. Vreken-Westra, leden, in aanwezigheid van mr. M.J.F.J. van Beek, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 17 mei
- griffier de griffier is verhinderd te tekenen voorzitter Afschrift aan partijen verzonden op: Rechtsmiddel Tegen deze uitspraak kan binnen vier weken na de dag van verzending daarvan hoger beroep worden ingesteld bij de Raad van State.