RECHTBANK DEN HAAG Zittingsplaats Amsterdam Bestuursrecht zaaknummer: AWB 17/11794 V-nummer: [xxx.xxx.xxxx] uitspraak van de enkelvoudige kamer voor vreemdelingenzaken van 13 oktober 2017 in de zaak tussen [naam eiseres] geboren op [geboortedatum 1] 1941, van Syrische nationaliteit, eiseres (gemachtigde: mr. L.M. Weber), en de staatssecretaris van Veiligheid en Justitie, verweerder (gemachtigde: mr. J. Krabbenborg). Procesverloop Bij besluit van 31 augustus 2016 (het primaire besluit) heeft verweerder de aanvraag van eiseres van 4 maart 2016 tot verlening van een machtiging tot voorlopig verblijf (mvv) in het kader van nareis afgewezen. Het daartegen gemaakte bezwaar is bij besluit van 12 mei 2017 (het bestreden besluit) ongegrond verklaard. Op 8 juni 2017 heeft de rechtbank het beroepschrift van eiseres tegen dit besluit ontvangen. Verweerder heeft een verweerschrift ingediend. De mondelinge behandeling heeft plaatsgevonden op 3 oktober 2017. Eiseres en verweerder zijn vertegenwoordigd door hun gemachtigden. Ook was ter zitting aanwezig [de persoon] (referent) en M.N. Nouri, tolk in de Arabische taal. Overwegingen 1. Eiseres beoogt verblijf bij haar zoon, referent, die in Nederland verblijft op grond van een verblijfsvergunning asiel. Referent is geboren op [geboortedatum 2] 1971. Eiseres woonde in Syrië samen met referent en het gezin van referent bestaande uit zijn echtgenote, [naam] , en hun drie zonen [kind 1]
(2007), [kind 2]
(2010)en [kind 3]
(2012). De echtgenote en de kinderen van referent hebben zich in februari 2017 bij referent gevoegd nadat aan hen een mvv nareis is verleend door verweerder. Alleen aan eiseres, die samen met het gezin van referent om een mvv nareis had verzocht, is de gevraagde mvv geweigerd. De echtgenoot van eiseres is overleden. De gemachtigde van eiseres heeft onweersproken gesteld dat er in Syrië geen familie meer is die voor eiseres kan zorgen. Eiseres is oud en haar medische toestand is slecht. Dit is onderbouwd met stukken.
- Verweerder heeft de aanvraag van eiseres afgewezen omdat zij niet behoort tot de personen die in aanmerking komen voor een afgeleide asielvergunning als bedoeld in artikel 29, tweede lid, van de Vreemdelingenwet (Vw)
- Eiseres is namelijk de moeder van de meerderjarige referent. Verweerder heeft het tegen het primaire besluit gemaakte bezwaar kennelijk ongegrond verklaard.
- In artikel 29, tweede lid van de Vw 2000 is bepaald dat een verblijfsvergunning voor bepaalde tijd als bedoeld in artikel 28 kan worden verleend aan de hierna te noemen gezinsleden, indien deze op het tijdstip van binnenkomst van de in het eerste lid bedoelde vreemdeling behoorden tot diens gezin en gelijktijdig met die vreemdeling Nederland zijn ingereisd dan wel zijn nagereisd binnen drie maanden nadat aan die vreemdeling de verblijfsvergunning voor bepaalde tijd, bedoeld in artikel 28, is verleend: a. de echtgenoot of het minderjarige kind van de in het eerste lid bedoelde vreemdeling; b. de vreemdeling die als partner of meerderjarig kind van de in het eerste lid bedoelde vreemdeling zodanig afhankelijk is van die vreemdeling, dat hij om die reden behoort tot diens gezin; c. de ouders van de in het eerste lid bedoelde vreemdeling, indien die vreemdeling een alleenstaande minderjarige is in de zin van artikel 2, onder f, van Richtlijn 2003/86/EG van de Raad van 22 september 2003 inzake het recht op gezinshereniging (PbEU 2003, L 251). Eiseres betwist niet dat zij als ouder van een meerderjarige referent niet valt binnen de kring van personen bedoeld in artikel 29, tweede lid, van de Vw
- Eiseres heeft aangevoerd dat zij op grond van de Gezinsherenigingsrichtlijn is aan te merken als gezinslid. Eiseres heeft in Syrië altijd bij referent en zijn gezin gewoond en referent heeft altijd voor haar gezorgd in materiële en sociale zin. Er is sprake van een hoge mate van afhankelijkheid tussen eiseres en referent. Daarom had verweerder verblijf moeten toestaan.
- Voorop staat dat een EU-richtlijn geen directe werking heeft. Voor zover in de beroepsgrond van eiseres gelezen moet worden dat de Gezinsherenigingsrichtlijn niet of onjuist is geïmplementeerd overweegt de rechtbank het volgende. Uit de uitspraak van de Afdeling Bestuursrechtspraak van de Raad van State (Afdeling) van 23 november 2015 (ECLI:NL:RVS:2015:3712) volgt dat de Gezinsherenigingsrichtlijn geen verplichting bevat voor lidstaten om in het verblijf van nareizende ouders van een meerderjarige te voorzien. De beroepsgrond slaagt niet.
- Eiseres heeft verder aangevoerd dat verweerder ten onrechte het standpunt heeft ingenomen dat de vraag of het niet toestaan van verblijf aan eiseres in strijd is met artikel 8 van het Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden (EVRM) niet aan de orde is.
- Ook deze beroepsgrond slaagt niet. Het beroep van eiseres op artikel 8 van het EVRM kan, zoals verweerder terecht heeft gesteld, niet inhoudelijk worden beoordeeld in het kader van een aanvraag tot een mvv nareis. Zo blijkt uit vaste jurisprudentie van de Afdeling (zie onder meer de uitspraken van 19 oktober 2010, ECLI:NL:RVS:2010:BO1555 en 23 januari 2013, ECLI:NL:RVS:2013:BZ0424) dat de Vw 2000 buiten artikel 29, eerste lid, aanhef en onder e en f, van de Vw 2000 (oud) (thans artikel 29, tweede lid, van de Vw 2000) geen grond biedt voor verlening van een verblijfsvergunning asiel ter bescherming van ‘family life’, als bedoeld in artikel 8 van het EVRM en dat de beoordeling van de toepassing van artikel 8 van het EVRM buiten voormelde bepalingen plaats dient te vinden in een procedure omtrent de verlening van een verblijfsvergunning regulier.
- Eiseres heeft ten slotte aangevoerd dat verweerder toepassing had moeten geven aan artikel 4:84 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) omdat sprake is van zulke bijzondere omstandigheden dat vasthouden aan de beleidsregels onevenredig is in verhouding tot de met de beleidsregel te dienen doelen.
- Met betrekking tot het beroep van eisers op de inherente afwijkingsbevoegdheid van verweerder, overweegt de rechtbank dat met toepassing van artikel 4:84 van de Awb enkel kan worden afgeweken van beleid en niet van een wettelijke bepaling. Nu eiseres niet voldoet aan één van de bij de wet in artikel 29, tweede lid, van de Vw 2000 gestelde eisen, is de rechtbank van oordeel dat het beroep op de inherente afwijkingsbevoegdheid niet slaagt.
- De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.
- Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding. 12.1 De rechtbank overweegt ten overvloede nog het volgende. Op grond van de stukken en de verklaringen van partijen ter zitting stelt de rechtbank vast dat eiseres, die 76 jaar oud is en medische problemen heeft, in Syrië geen familieleden meer heeft die voor haar kunnen zorgen. De familieleden van eiseres zijn namelijk in Nederland en Amerika. Ook stelt de rechtbank vast dat eiseres in Syrië lange tijd deel heeft uitgemaakt van het gezin van referent en zijn vrouw en kinderen, die nu allemaal rechtmatig in Nederland verblijven bij referent. Ter zitting is ook vast komen te staan dat voor Syrië nog steeds vanwege de algehele geweldssituatie het beleid geldt dat asielzoekers een status krijgen op grond van artikel 29, eerste lid, aanhef en onder b van de Vw 2000 (behoudens contra-indicaties). Als eiseres als asielzoeker hier te lande bescherming zou hebben gevraagd, dan zou zij, conform dit beleid, een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd hebben gekregen. Ter zitting is toegelicht dat zij vanwege haar leeftijd en slechte gezondheid de ‘Balkanvluchtroute’ niet kan maken. Referent heeft ter zitting toegelicht dat hij er welbewust van heeft afgezien om haar mee te nemen op deze hachelijke reis. Op grond van de stukken en het verhandelde ter zitting komt het de rechtbank voor dat tussen eiseres en referent en zijn gezin sprake is van ‘more than the normal emotional ties, involving further elements of dependency’ als bedoeld in de jurisprudentie van het Europees Hof voor de Rechten van de Mens onder artikel 8 van het EVRM. 12.2 De rechtbank wijst verder op de slotakte van het Vluchtelingenverdrag, die een aanbeveling aan de verdragsluitende partijen bevat die als volgt luidt: “Considering that the unity of the family, the natural and fundamental group of society, is an essential right of the refugee, and that such unity is constantly threatened, and Noting with satisfaction that, according to the official commentary of the ad hoc Committee on Statelessness and Related Problems the rights granted to a refugee are extended to members of his family, Recommends Governments to take the necessary measures of protection of the refugee’s family, especially with a view to:
(1)Ensuring that the unity of the refugee’s family is maintained particularly in cases where the head of the family has fulfilled the necessary conditions for admission to a particular country […]” 12.3 Ook de Gezinsherenigingsrichtlijn maakt op zichzelf genomen – met facultatieve, in Nederland niet geïmplementeerde – bepalingen mogelijk dat een ouder zich voor gezinshereniging voegt bij een meerderjarige referent. De Uniewetgever heeft dus wel aan deze situatie gedacht en een juridisch kader geboden. 13. Op grond van dit alles verzoekt de rechtbank verweerder om een door de advocaat in te dienen aanvraag mvv op grond van artikel 8 van het EVRM welwillend en voortvarend te beoordelen. Beslissing De rechtbank verklaart het beroep ongegrond. Deze uitspraak is gedaan door mr. H.J.M. Baldinger, rechter, in aanwezigheid van mr. B.V.A. Corstens, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 13 oktober 2017 griffier rechter Afschrift verzonden aan partijen op: Tegen deze uitspraak kunnen partijen binnen vier weken na de dag van verzending daarvan hoger beroep instellen bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (adres: Raad van State, Afdeling bestuursrechtspraak, Hoger beroep vreemdelingenzaken, Postbus 16113, 2500 BC 's-Gravenhage). richtlijn 2003/86/EG van de Raad van 22 september 2003 inzake het recht op gezinshereniging.