Rechtbank DEN HAAG Enkelvoudige Kamer 6x Rekestnummer: FA RK 16-6123 Zaaknummer: C/09/516232 Datum beschikking: 17 juli 2017 Scheiding Beschikking op het op 8 augustus 2016 ingekomen verzoek van: [Y ] de man, wonende te [woonplaats ] , advocaat: mr. E.J. Kim-Meijer. Als belanghebbende wordt aangemerkt: [X] , de vrouw, wonende te [woonplaats ] , Zwitserland, doch feitelijk verblijvende in India, advocaat: mr. M. Braat te Den Haag. Procedure De rechtbank heeft kennisgenomen van de stukken, waaronder: het verzoekschrift; de brief met bijlagen d.d. 28 augustus 2016 van de zijde van de man; de brief met bijlage d.d. 14 oktober 2016 van de zijde van de man; het verweerschrift; het aanvullend verzoekschrift met bijlagen; het f-formulier d.d. 13 juni 2017 met bijlage van de zijde van de vrouw. Op 19 juni 2017 is de zaak ter terechtzitting van deze rechtbank behandeld. Hierbij zijn verschenen: de man met zijn advocaat en mr. F. Borger-van der Burg-Holstege als advocaat van de vrouw. Als tolk is verschenen voor de man: mevrouw [naam tolk] . Van de zijde van de vrouw zijn pleitnotities overgelegd. Verzoek en verweer Het verzoek strekt thans tot echtscheiding, met nevenvoorziening tot vaststelling van de vermogensrechtelijke afwikkeling van de gevolgen van de echtscheiding conform het voorstel van de man, een en ander voor zover mogelijk met uitvoerbaarverklaring bij voorraad en kosten rechtens. De vrouw voert verweer, welk verweer hierna – voor zover nodig – zal worden besproken. Zij heeft de rechtbank primair verzocht zich onbevoegd te verklaren ter zake van het door de man ingediende verzoek tot echtscheiding, subsidiair verzoekt de vrouw de behandeling van de zaak aan te houden tot er duidelijkheid bestaat over de vatbaarheid van de Indiase uitspraak voor erkenning. Feiten Blijkens de huwelijksakte zijn partijen gehuwd op [huwelijksdatum] 2005 te [huwelijksplaats] , India. Zij zijn de ouders van de volgende thans nog minderjarige kinderen: · [minderjarige 1] geboren op [geboortedatum] 2009 te [geboorteplaats] ; · [minderjarige 2] , geboren op [geboortedatum] 2014 te [geboorteplaats] , Zwitserland. De minderjarigen verblijven thans bij de vrouw. Partijen oefenen het gezamenlijk gezag over de minderjarigen uit. De man heeft de Nederlandse nationaliteit en de vrouw heeft de Indiase nationaliteit. De minderjarigen hebben de Nederlandse nationaliteit. Beoordeling Rechtsmacht De rechtbank dient eerst haar rechtsmacht te onderzoeken. Van de zijde van de man is aangevoerd dat de Nederlandse rechter bevoegd is om van het verzoekschrift tot echtscheiding van de man kennis te nemen. Gezien de voorwaarden van artikel 10:57 van het Burgerlijk Wetboek (BW) zou een Indiase echtscheidingsbeschikking in Nederland niet in aanmerking komen voor erkenning. Immers, de Indiase rechter kan zijn bevoegdheid niet baseren op een internationale aanvaardbare grond. De bevoegdheidsgrond van de Indiase rechter moet conform artikel 3 lid 1 Brussel II-bis zijn en daarvan is hier geen sprake. Met name zijn partijen niet beiden in het bezit van de Indiase nationaliteit en verzoekster heeft geen gewone verblijfplaats in India voor een periode van zes maanden voorafgaand aan de indiening van het verzoekschrift tot echtscheiding in India. Dit betekent dat de Nederlandse rechter de Nederlandse procedure kan voortzetten ondanks de in India lopende procedure. Immers, er zal geen sprake zijn van tegenstrijdige beslissingen, omdat een eventuele beslissing in India in Nederland niet zal worden erkend. Conform artikel 10:56 BW is Nederlands recht van toepassing op het verzoek tot echtscheiding van de man. Van de zijde van de vrouw is aangevoerd dat de Nederlandse rechter, gelet op het bepaalde in artikel 12 Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering (Rv), geen rechtsmacht heeft om te oordelen over het geschil tussen partijen, nu door de vrouw op 1 juli 2015 in India een verzoek tot echtscheiding aanhangig is gemaakt en derhalve eerder dan het door de man bij deze rechtbank op 8 augustus 2016 ingediende verzoekschrift tot echtscheiding met nevenvoorzieningen. Door de vrouw is het in India ingediende verzoekschrift overgelegd, alsmede het bewijsstuk betreffende het op 3 februari 2017 ingediende hoger beroep in India, nadat de rechter in eerste aanleg in India op 24 januari 2017 het verzoek van de vrouw heeft afgewezen. Nu de Indiase rechter bevoegd is om kennis te nemen van het door de vrouw ingediende verzoekschrift tot echtscheiding met nevenvoorzieningen, dient de Nederlandse rechter zich onbevoegd te verklaren. Namens de vrouw is aangevoerd dat de Indiase uitspraak voor erkenning vatbaar zal zijn, gelet op het bepaalde in artikel 10:57 BW. De rechtbank overweegt ten aanzien van de rechtsmacht als volgt. De rechtbank dient de in artikel 12 Rv vervatte litispendentieregeling toe passen ter beantwoording van de vraag over haar rechtsmacht. Indien een zaak voor een rechter van een vreemde staat aanhangig is gemaakt en daarin een beslissing kan worden gegeven die voor erkenning en, in voorkomend geval, voor tenuitvoerlegging in Nederland vatbaar is, kan de Nederlandse rechter bij wie nadien een zaak tussen dezelfde partijen over hetzelfde onderwerp is aangebracht, ingevolge genoemd artikel de behandeling aanhouden totdat daarin door de rechter van een vreemde staat is beslist. Indien die beslissing voor erkenning en, in voorkomend geval, voor tenuitvoerlegging in Nederland vatbaar blijkt te zijn, verklaart de Nederlandse rechter zich onbevoegd. De ratio van artikel 12 Rv is om een meer efficiënte procesvoering te bevorderen en beoogt tevens tegenstrijdige beslissingen te voorkomen. Artikel 12 Rv schept verder een discretionaire bevoegdheid de behandeling aan te houden totdat een buitenlandse beslissing is gegeven. De vraag die moet worden beantwoord is of een Indiase uitspraak tot toewijzing van het verzoek tot echtscheiding van de vrouw, welke verzoek thans in hoger beroep bij de Indiase rechter aanhangig is, in Nederland kan worden erkend en ten uitvoer gelegd. Op grond van artikel 10:57 BW wordt een in het buitenland na een behoorlijke rechtspleging
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.