Grosse afgegeven aan mr. B.J. Groenhuijzen op Rechtbank Den Haag Zittingsplaats ’s-Gravenhage Rolnummer: 6390845 RL EXPL 17-25771 Vonnis van de kantonrechter in de zaak van: 1 [eiser 1]
- [eiser 2]
- [eiseres 1]
- [eiseres 2] tegen 1 [gedaagde 1]
- [gedaagde 2] , in haar hoedanigheid van borgsteller Het procesverloop Eisende partij heeft gevorderd zoals beschreven in de dagvaarding, waarvan een gewaarmerkt afschrift aan dit vonnis is gehecht en waarnaar wordt verwezen voor wat betreft de namen en woonplaatsen van partijen en de namen van de gemachtigde(n). Gedaagde partij is daarop niet verschenen en heeft ook anderszins niet gereageerd. De voorgeschreven termijnen en formaliteiten zijn in acht genomen. Tegen gedaagde partij is daarom verstek verleend. Beoordeling van het geschil De vordering komt de kantonrechter niet onrechtmatig of ongegrond voor, zodat deze bij verstek wordt toegewezen als hierna te vermelden, met dien verstande dat de wettelijke rente zal worden toegewezen als hierna vermeld. De door eisende partij gevorderde machtiging om de ontruiming zelf uit te voeren, zal worden afgewezen, omdat de bevoegdheid tot reële executie van de veroordeling tot ontruiming reeds voortvloeit uit de artikelen 555 e.v. juncto artikel 444 van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering. Beslissing De kantonrechter,
- ontbindt de huurovereenkomst tussen partijen;
- veroordeelt gedaagde partij sub 1 om het gehuurde binnen 3 dagen na betekening van het vonnis met al de zijnen/haren en het zijne/hare te verlaten en te ontruimen en met afgifte van de sleutels ter vrije beschikking van de eisende partij te stellen;
- veroordeelt gedaagde partij sub 1 om tegen bewijs van kwijting aan de eisende partij te betalen de som van € 3133,65 vermeerderd met de wettelijke rente over € 2711,55 vanaf de dag der dagvaarding tot de dag der voldoening en voorts te betalen een bedrag van € 615,37 voor iedere maand, gedurende welke gedaagde partij het gehuurde ingegane maand vanaf 1 november 2017 in bezit zal houden, een ingegane maand voor een volle gerekend;
- veroordeelt gedaagde partij sub 2 om tegen bewijs van kwijting aan de eisende partij te betalen de som van € 3133,65 en voorts te betalen een bedrag van € 615,37 voor iedere maand, gedurende welke gedaagde partij het gehuurde ingegane maand vanaf 1 november 2017 in bezit zal houden, een ingegane maand voor een volle gerekend, met een maximum van € 3.500,00;
- veroordeelt gedaagde partij sub 1 in de kosten van het geding, tot hiertoe aan de zijde van de eisende partij vastgesteld op € 455,11, waaronder € 175,00 als vergoeding voor de gemachtigde van de eisende partij;
- verklaart dit vonnis uitvoerbaar bij voorraad;
- wijst af het meer of anders gevorderde. Dit vonnis is gewezen door mr. C.M. Derijks, kantonrechter, en in het openbaar uitgesproken op 24 oktober
- de griffier, de kantonrechter,