← Nederland

ECLI:NL:RBDHA:2017:2559

RECHTBANK DEN HAAG Zittingsplaats Middelburg Bestuursrecht Zaaknummer: AWB 17/1473 uitspraak van de voorzieningenrechter van 14 maart 2017 in de zaak tussen [verzoeker] en [verzoekster], verzoekers, gemachtigde: mr. drs. J.M. Walls, en Het bestuur van het Centraal orgaan Opvang Asielzoekers, verweerder. Procesverloop Bij (mondeling) besluit van 19 januari 2017 heeft verweerder het verstrekken van dagkaarten voor het openbaar vervoer voor bezoek aan de rechtbank op 20 januari 2017 geweigerd. Verzoekers hebben op 19 januari 2017 tegen dit besluit bezwaar gemaakt. Verzoekers hebben op datzelfde moment de voorzieningenrechter verzocht om een voorlopige voorziening te treffen. Bij besluit van 19 januari 2017 heeft verweerder de primaire beslissing herroepen en bevestigd dat de dagkaarten voor verzoekers voor het bijwonen van de zitting van 20 januari 2017 alsnog vergoed worden. Op 8 februari 2017 hebben verzoekers het verzoek om een voorlopige voorziening ingetrokken en de voorzieningenrechter verzocht verweerder te veroordelen in de proceskosten. Verweerder heeft hierop bij brief van 20 februari 2017 gereageerd. Partijen hebben toestemming gegeven uitspraak te doen zonder het houden van een zitting. Overwegingen

  1. Ingevolge artikel 8:84, vijfde lid, gelezen in samenhang met artikel 8:75a, eerste lid, Algemene wet bestuursrecht (Awb) kan de voorzieningenrechter, in geval van intrekking van het verzoek om een voorlopige voorziening omdat het bestuursorgaan geheel of gedeeltelijk aan de indiener van het verzoek is tegemoetgekomen, het bestuursorgaan op verzoek van de indiener bij afzonderlijke uitspraak met toepassing van artikel 8:75 Awb in de kosten veroordelen, indien daarom tegelijk met de intrekking van het beroep is verzocht.
  2. De voorzieningenrechter stelt vast dat verweerder, nadat verzoekers een voorlopige voorziening hadden gevraagd, aan hun bezwaar is tegemoetgekomen en alsnog de dagkaarten heeft verstrekt. Dit heeft ertoe geleid dat verzoekers tot intrekking van het verzoek tot het treffen van een voorlopige voorziening zijn overgegaan, waarbij is verzocht om verweerder in de proceskosten te veroordelen.
  3. Nu aan het in artikel 8:75a, eerste lid, Awb gestelde is voldaan acht de voorzieningenrechter termen aanwezig verweerder op grond van artikel 8:75a, eerste lid, Awb te veroordelen in de kosten die verzoekers in verband met de behandeling van het verzoekschrift redelijkerwijs hebben moeten maken. Deze kosten stelt de voorzieningenrechter op grond van het Besluit proceskosten bestuursrecht voor de door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand vast op € 495,- (1 punt voor het indienen van het verzoekschrift). Beslissing De rechtbank veroordeelt verweerder in de door verzoekers gemaakte proceskosten tot een bedrag van € 495,-. Deze uitspraak is gedaan door mr. B.F.Th. de Roos, voorzieningenrechter, in aanwezigheid van S.A.K. Kurvink, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 14 maart
  4. Afschrift verzonden aan partijen op: Rechtsmiddel Tegen deze uitspraak staat geen rechtsmiddel open.

🔗 Naar officiële bron

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.