RECHTBANK DEN HAAG Bestuursrecht zaaknummer: SGR 16/2140 uitspraak van de enkelvoudige kamer van 17 maart 2017 in de zaak tussen [eiser] Ltd.e.a., eiser (gemachtigde: mr. B. Jongmans), en De raad van bestuur van de kansspelautoriteit, verweerder (gemachtigde: mw. J.P. Alspeer). Procesverloop Bij besluit van 25 juni 2015 (het primaire besluit) heeft verweerder een bestuurlijke boete opgelegd. Bij besluit van 11 februari 2016 (het bestreden besluit) heeft verweerder het bezwaar van eiser ongegrond verklaard en ambtshalve het boetebesluit herroepen. Eiser heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld. Verweerder heeft een verweerschrift ingediend. Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 9 februari
- Eiser heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde. Tevens is verschenen mr. [naam 1] en [naam 2]. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde en mr. drs. [naam 3]. Overwegingen
- De rechtbank overweegt als volgt. Het bestreden besluit bevat weliswaar de overweging dat de bezwaren van eiser ongegrond zijn verklaard, maar houdt als beslissing in dat na een ambtshalve toets verweerder heeft geconcludeerd tot herroeping van het boetebesluit. De rechtbank overweegt dat nu het bestreden besluit inhoudt dat het boetebesluit van 25 juni 2015 is herroepen en verweerder aldus volledig tegemoet is gekomen aan de bezwaren van eiser, niet valt in te zien dat eiser nog procesbelang heeft bij zijn beroep tegen het bestreden besluit. Voor zover eiser stelt dat zijn procesbelang is gelegen in een oordeel van de rechtbank over het al dan niet terecht ongegrond verklaren van zijn bezwaargronden overweegt de rechtbank dat de rechtsbescherming ingevolge de Algemene wet bestuursrecht (Awb) niet is bedoeld uitsluitend ter verkrijging van een principiële uitspraak als door eiser voorstaat. Hierbij acht de rechtbank van belang dat verweerder ter zitting heeft bevestigd dat niet in geschil is dat het primaire besluit onrechtmatig is genomen. Dat eiser procesbelang zou hebben omdat verweerder ten onrechte geen proceskosten in de bezwaarfase heeft toegekend, kan niet worden gevolgd. Ingevolge artikel 7:1, derde lid van de Awb dient het verzoek tot vergoeding van kosten door de belanghebbende te worden gedaan vóórdat het bestuursorgaan op het bezwaar heeft beslist. De rechtbank overweegt dat niet uit het dossier blijkt dat eiser of zijn gemachtigde een verzoek daartoe in de bezwaarfase hebben gedaan. Ook ter zitting heeft gemachtigde niet duidelijk kunnen maken op welk moment sprake zou zijn van een dergelijk verzoek. In de brief van 8 februari 2016 die de gemachtigde ter zitting heeft aangewezen als een verzoek tot proceskosten, kan naar het oordeel van de rechtbank slechts een onderbouwing van het verzoek tot schadevergoeding worden gelezen.
- Het beroep is gelet op het voorgaande niet-ontvankelijk.
- Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding. Beslissing De rechtbank verklaart het beroep niet-ontvankelijk. Deze uitspraak is gedaan door mr. J.M. Ghrib, rechter, in aanwezigheid van C.A.Y. Morison-Libourel, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 17 maart
- griffier rechter Afschrift verzonden aan partijen op: Rechtsmiddel Tegen deze uitspraak kan binnen zes weken na de dag van verzending daarvan hoger beroep worden ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State. Als hoger beroep is ingesteld, kan bij de voorzieningenrechter van de hogerberoepsrechter worden verzocht om het treffen van een voorlopige voorziening of om het opheffen of wijzigen van een bij deze uitspraak getroffen voorlopige voorziening.