vonnis RECHTBANK DEN HAAG Team handel zaaknummer / rolnummer: C/09/401063 / HA ZA 11-2268 Vonnis van 12 april 2017 in de zaak van [eiser] , wonende te [woonplaats] , gemeente [gemeente] , eiser, advocaat voorheen mr. A.A.Vogelsang te Meppel, thans mr. R.F. Dirkzwager te Meppel, tegen de naamloze vennootschap NATIONALE-NEDERLANDEN SCHADEVERZEKERING MAATSCHAPPIJ N.V., gevestigd te Den Haag, gedaagde, advocaat mr. H.J. Arnold te Den Haag. Partijen zullen hierna [eiser] en Nationale-Nederlanden genoemd worden. 1De procedure 1.1. Het verloop van de procedure blijkt uit: het tussenvonnis van 16 december 2015 en de daaraan ten grondslag liggende processtukken; het deskundigenbericht van 2 oktober 2016 van prof. dr. [de deskundige] , psychiater (hierna: [de deskundige] ), dat op 5 oktober 2016 ter griffie is gedeponeerd; de conclusie na deskundigenbericht van de zijde van [eiser] ; de conclusie van antwoord na deskundigenbericht van de zijde van Nationale-Nederlanden. 1.2. Ten slotte is een (nadere) datum voor vonnis bepaald. 2De verdere beoordeling 2.1. Centrale vraag in het geschil is of [eiser] aan de litigieuze brand op 27 augustus 2006 merkelijke schuld heeft in de zin van de tussen partijen geldende polisvoorwaarden. Zoals in het tussenvonnis van 17 april 2013 is overwogen, rust de bewijslast van deze stelling op Nationale-Nederlanden. Indien Nationale-Nederlanden slaagt in het bewijs van deze stelling, brengt dat met zich dat zij niet is gehouden de schade die [eiser] als gevolg van de brand heeft geleden, te vergoeden. Na een ingewonnen deskundigenbericht heeft de rechtbank in haar tussenvonnis van 24 juni 2015 bewezen geacht dat de brand is veroorzaakt door brandstichting (ro. 2.5), en wel door [eiser] (ro. 2.6). Daarmee stond vast dat sprake was van merkelijke schuld aan de zijde van [eiser] , waartegen hij vervolgens tegenbewijs mocht leveren. Hij heeft daartoe diverse producties in het geding gebracht en voorts aan de rechtbank verzocht om een psychiatrisch rapport te laten uitbrengen door een onafhankelijke deskundige. Na uitvoerige e-mailcorrespondentie over de persoon van de deskundige is (met uitdrukkelijke instemming van [eiser] en een verklaring van geen bezwaar door Nationale-Nederlanden) uiteindelijk bij vonnis van 16 december 2015 [de deskundige] als deskundige benoemd. Het deskundigenbericht is vervolgens door hem, met inachtneming van de vereisten, op 2 oktober 2016 uitgebracht. 2.2. In zijn conclusie na deskundigenbericht heeft [eiser] (nogmaals) uitvoerig betoogd dat de brand niet is veroorzaakt door brandstichting door hem. [eiser] gaat daarbij (wederom) uitgebreid in op hetgeen hem ertoe zou hebben bewogen om zowel aan zijn vriendin, als een toenmalige kennis én de politie te verklaren dat hij de brand heeft aangestoken, terwijl dit volgens hem niet waar is. [eiser] verzoekt om thans te worden toegelaten tot het leveren van getuigenbewijs, met het doel aan te tonen dat hij de brand niet heeft gesticht. Hieromtrent overweegt de rechtbank als volgt. 2.3. In het tussenvonnis van 24 juni 2015 heeft de rechtbank, zoals hiervoor in 2.1 is overwogen, bewezen geacht dat de brand is veroorzaakt door brandstichting, en wel door [eiser] . Deze bewezenverklaringen zijn aan te merken als bindende eindbeslissingen. Dat brengt met zich dat de rechtbank op die beslissingen in haar eindvonnis in beginsel niet zal kunnen terugkomen, en dat die beslissingen dus slechts kunnen worden bestreden door aanwending van een bij de wet aangegeven rechtsmiddel. 2.4. De eisen van een goede procesorde kunnen evenwel meebrengen dat de rechter, aan wie is gebleken dat een eerdere door hem gegeven, maar niet in een einduitspraak vervatte, eindbeslissing berust op een onjuiste feitelijke of juridische grondslag, bevoegd is om - nadat partijen de gelegenheid hebben gekregen zich dienaangaande uit te laten - over te gaan tot heroverweging van die eindbeslissing, teneinde te voorkomen dat hij op een ondeugdelijke grondslag een einduitspraak zou doen (HR 25 april 2008, ECLI:NL:HR:2008:BC2800). Voor het heroverwegen van een beslissing enkel en alleen op basis van nadere argumenten (die ook eerder hadden kunnen worden aangedragen), is in een eindvonnis geen plaats. 2.5. [eiser] miskent met zijn stellingname dat de beslissing van de rechtbank om bewezen te verklaren dat de brand is veroorzaakt door brandstichting niet geheel of gedeeltelijk is gegrond op eerdere verklaringen hierover van [eiser] . De rechtbank is namelijk tot die beslissing gekomen op grond van de conclusies van het deskundigenbericht van brandexpert [X] . [X] heeft de feitelijke situatie ter plaatse tijdens en na de brand in ogenschouw genomen en geconcludeerd dat andere brandoorzaken, waaronder blikseminslag, redelijkerwijs konden worden uitgesloten. De rechtbank heeft de conclusies van [X] genoegzaam aannemelijk geacht, ook na weging van de bezwaren hiertegen van [eiser] (zie ro. 2.5 van het tussenvonnis van 24 juni 2015). Pas nadat de rechtbank dus op basis van forensisch onderzoek bewezen heeft geacht dat de brand was ontstaan door brandstichting, heeft zij vervolgens de verklaringen van [eiser] over brandstichting als een van de omstandigheden meegenomen bij het oordeel dat [eiser] de brand moet hebben gesticht (zie ro. 2.6 van het tussenvonnis van 24 juni 2015). 2.6. Uit hetgeen [eiser] in zijn conclusie van antwoord na deskundigenbericht naar voren heeft gebracht, blijkt niet dat deze bewezenverklaringen door de rechtbank zijn gegrond op een onjuiste feitelijke of juridische grondslag. Het betoog van [eiser] komt erop neer dat de rechtbank op de bewezenverklaringen zou moeten terugkomen op basis van (reeds eerder door [eiser] gebruikte) argumenten, die hij (nader) heeft uitgewerkt en die volgens hem worden ondersteund door verklaringen van personen die hij thans wenst te laten horen als getuigen. Daarvoor bestaat echter, zoals hiervoor in ro. 2.4 is overwogen, geen gelegenheid bij dezelfde instantie. [eiser] wordt derhalve op dit punt (in deze instantie) reeds hierom niet tot het leveren van (tegen)bewijs toegelaten. 2.7. Het vorenstaande leidt ertoe dat de rechtbank blijft bij al hetgeen zij in het tussenvonnis van 24 juni 2015 heeft overwogen en beslist. De rechtbank volhardt eveneens bij hetgeen zij heeft overwogen en beslist in het tussenvonnis van 16 december 2015, namelijk dat voorshands bewezen wordt geacht dat [eiser] aan de brand merkelijke schuld heeft in de zin van de polisvoorwaarden, behoudens door hem te leveren tegenbewijs. Over afwezigheid van merkelijke schuld heeft de rechtbank in ro. 2.8 van het tussenvonnis van 24 juni 2015 overwogen dat als iemand niet bij machte is om alternatieven tegen elkaar af te wegen en op basis daarvan keuzes te maken, ook niet gesproken worden van willens en wetens handelen. Er is van een zodanige stoornis van de geestvermogens sprake als iemand zijn daden en de gevolgen daarvan niet kan overzien, door een stoornis ieder inzicht mist in het geoorloofde of ongeoorloofde van zijn handelen of door deze stoornis buiten staat was om anders te handelen dan hij heeft gedaan. 2.8. In het tussenvonnis van 16 december 2015 heeft de rechtbank aan [de deskundige] opgedragen onderzoek in te stellen en een schriftelijk en met redenen omkleed antwoord te geven op de volgende vragen: Leed [eiser] ten tijde van de brand op 27 augustus 2006 aan een stoornis van zijn geestesvermogens? Zo ja, welke diagnose volgens de DSM stelt u? Wat is uw beschrijvende diagnose? Zo ja, kunt u de mate van (on)toerekeningsvatbaarheid aangeven? Indien sprake is van gedeeltelijke (on)toerekeningsvatbaarheid, kunt u deze vaststellen met een zo nauwkeurig mogelijk bepaald percentage? Heeft u nog overige opmerkingen die voor de beoordeling van de zaak van belang kunnen zijn? 2.9. [de deskundige] heeft op vraag 1 geantwoord dat hij geen aanwijzingen heeft gevonden dat er bij [eiser] ten tijde van de brand op 27 augustus 2006 sprake is geweest van een stoornis van zijn geestesvermogens. De vragen 2, 3 en 4 behoefden derhalve geen beantwoording. [de deskundige] heeft op vraag 5 geantwoord dat hij geen aanvullende opmerkingen had. [de deskundige] heeft zijn bevindingen en conclusie als volgt gemotiveerd. 2.10. In het rapport neemt [de deskundige] , vanuit zijn kennis van relevante ziektebeelden, als uitgangspunt dat aan de voorwaarden voor de psychische toestand (als hiervoor beschreven in ro. 2.7) die tot ontoerekeningsvatbaarheid, alleen wordt voldaan bij “ernstige psychische ontregelingen, zoals die kunnen voorkomen bij psychoses die gepaard gaan met wanen of met manische of depressieve stemmingsontregelingen”. Daarnaast kan volgens [de deskundige] “een dissociatieve toestand zoals bijvoorbeeld een ‘fugue’ worden overwogen” (telkens pagina 10 deskundigenrapport). 2.11. Op basis van de verslaglegging van de psychische zorgverleners met wie [eiser] contact heeft gehad kort na de brand en op grond van verklaringen van [eiser] zelf, acht [de deskundige] “het (…) wel aannemelijk dat [ [eiser] ] destijds zo gespannen is geweest dat van een ‘aanpassingsstoornis’ mocht worden gesproken”. (pagina 11 in samenhang met pagina 9, eerste alinea deskundigenrapport). “Daarmee wordt gedoeld op stressvolle omstandigheden die iemand op een bepaald moment niet goed aankan, zoals dat dan blijkt uit emoties of gedrag” (pagina 9 deskundigenrapport). Uit het deskundigenrapport van [de deskundige] maakt de rechtbank op dat hij een aanpassingsstoornis niet aanmerkt als een “echte psychiatrische stoornis” (pagina 9 deskundigenrapport). [de deskundige] schrijft voorts: “de omstandigheden die tot uitsluiting van merkelijke schuld kunnen leiden, zijn bij een aanpassingsstoornis niet te verwachten” (pagina 10 deskundigenrapport). 2.12. [de deskundige] heeft zijn antwoord dat hij geen aanwijzingen heeft gevonden dat er bij [eiser] ten tijde van de brand op 27 augustus sprake is geweest van een stoornis van zijn geestesvermogens, als volgt nader toegelicht: “Er zijn (…) geen aanwijzingen dat er in de periode direct na de brand bij betrokkene verschijnselen zijn waargenomen van psychose (dat wil zeggen van verlies van greep op de werkelijkheid), van effecten van drugs of alcohol, van een manische of depressieve stemmingsontregeling, of van pathologische angst.” (pagina 9 deskundigenrapport). Volgens [de deskundige] hebben de psychische zorgverleners met wie [eiser] contact heeft gehad kort na de brand geen waarnemingen vastgelegd die in die richting wijzen, en heeft een psychiater die [eiser] in 2007 heeft onderzocht op verzoek van een arbeidsongeschiktheidsverzekeraar evenmin een andere psychische aandoeningen dan een aanpassingsstoornis gediagnostiseerd (pagina 9 deskundigenrapport). Volgens [de deskundige] komen “ook uit [ [eiser] zijn] eigen verhaal (…) geen aanknopingspunten naar voren voor een identificeerbare psychiatrische aandoening vóór de brand” (pagina 9 deskundigenrapport). 2.13. [de deskundige] schrijft dat het “buitengewoon onaannemelijk [is] dat iemand [van een dissociatieve toestand] slechts éénmaal in zijn leven last zou hebben gehad. Bovendien leidt zo’n toestand als regel niet tot zulk doelgericht handelen als waarvan in casu sprake zou zijn geweest. Ook in het kader van narcolepsie is dat laatste niet te verwachten” (pagina 10 deskundigenrapport). [de deskundige] schrijft daarnaast nog “Omdat [ [eiser] ], voor zover na te gaan, alweer sinds jaren adequaat functioneert, kan ook niet van een persoonlijkheidsstoornis worden gesproken. Een persoonlijkheidsstoornis uit zich namelijk in permanente problemen op alle terreinen van het leven” (pagina 8 deskundigenrapport). 2.14. [eiser] heeft in zijn conclusie na deskundigenbericht - zakelijk weergegeven - de volgende bezwaren tegen het rapport van [de deskundige] geuit:
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.