RECHTBANK DEN HAAG Zittingsplaats Amsterdam Bestuursrecht zaaknummer: NL 16.3618 V-nummer: [volgnummer] uitspraak van de enkelvoudige kamer voor vreemdelingenzaken van 21 maart 2017 in de zaak tussen [de man] , geboren op [geboortedatum] 1988, van Iraakse nationaliteit, eiser (gemachtigde: mr. F.K.H. Blom), en de staatssecretaris van Veiligheid en Justitie, verweerder (gemachtigde: mr. F. Gerritsen). Procesverloop Bij besluit van 8 november 2016 (het bestreden besluit) heeft verweerder de aanvraag van eiser van 16 oktober 2014 tot verlening van een verblijfsvergunning voor bepaalde tijd als bedoeld in artikel 28 van de Vreemdelingenwet (Vw) 2000 afgewezen. Op 30 november 2016 heeft de rechtbank het beroepschrift van eiser ontvangen. Verweerder heeft een verweerschrift ingediend. Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 17 februari 2017. Eiser is verschenen, bijgestaan door zijn gemachtigde. Verweerder is vertegenwoordigd door zijn voornoemde gemachtigde. De rechtbank heeft het onderzoek ter zitting gesloten. Overwegingen 1.1 Eiser heeft meerdere aanvragen om verlening van een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd ingediend. Eiser is tussen 29 juni 2007 en 22 november 2008 in het bezit geweest van een verblijfsvergunning asiel op grond van artikel 29, eerste lid, aanhef en onder d, van de (oude) Vw 2000 in verband met het categoriale beschermingsbeleid voor asielzoekers uit (Centraal-)Irak. 1.2 Aan de onderhavige aanvraag heeft eiser de verslechterde veiligheidssituatie in Irak ten grondslag gelegd. 2. Verweerder heeft zich in het bestreden besluit en het daarvan deel uitmakende voornemen op het standpunt gesteld dat eiser niet kan worden aangemerkt als een vluchteling in de zin van het Vluchtelingenverdrag. Volgens het beleid van verweerder is in de provincie [naam provincie] , waaruit eiser afkomstig is, sprake van een uitzonderlijke situatie zoals bedoeld in artikel 29, eerste lid, aanhef en onder b, van de Vw 2000. Verweerder heeft zich echter op het standpunt gesteld dat Bagdad-stad als vestigingsalternatief aan eiser kan worden tegengeworpen. 3. Eiser voert aan dat verweerder ten onrechte heeft overwogen dat er voor hem een vestigingsalternatief bestaat in Bagdad-stad. Eiser stelt dat hij zich als Koerdische soennitische moslim uit [woonplaats] niet in Bagdad-stad kan vestigen. Eiser voert hiertoe aan dat hij geen familieleden heeft in Bagdad, niet goed Arabisch spreekt en er geen aanzienlijke Koerdische soennitische gemeenschap is in Bagdad. Verder blijkt uit het Algemeen ambtsbericht Irak van november 2016 dat toegang tot Bagdad-stad geenszins gewaarborgd is. 4. De rechtbank stelt voorop dat uit de rechtspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State volgt dat het aan verweerder is om aan de hand van de over het land van herkomst beschikbare informatie te bepalen of een vlucht- of vestigingsalternatief aanwezig is. Het is vervolgens aan de vreemdeling om aannemelijk te maken dat dit vlucht- of vestigingsalternatief in zijn geval niet aanwezig is en dat van hem niet verlangd kan worden dat hij zich elders in het land vestigt. Zie bij wijze van voorbeeld de uitspraak van 31 augustus 2010 (ECLI:NL:RVS:2010:2188). 5.1 Naar het oordeel van de rechtbank heeft verweerder onvoldoende gemotiveerd dat Bagdad-stad als vestigingsalternatief aan eiser kan worden tegengeworpen. Hiertoe overweegt de rechtbank als volgt. 5.2 Met eiser is de rechtbank van oordeel dat uit de gehoren niet kan worden afgeleid dat eiser voldoende Arabisch spreekt om zich staande te houden in Bagdad-stad. Hiertoe acht de rechtbank van belang dat uit het eerste gehoor van 20 februari 2006 blijkt dat eiser heeft aangegeven een klein beetje Arabisch te spreken. In het gehoor van 29 juni 2007 heeft eiser in het Arabisch met de tolk gesproken, maar hierbij heeft eiser aangegeven dat de tolk rustig moet praten. Dat eiser zich tijdens een gehoor wellicht kan redden in het Arabisch, mits de tolk rustig praat, geeft evenwel niet zonder meer aanleiding voor de conclusie dat hij zich daarom ook in een Arabisch sprekend gebied als Bagdad-stad staande kan houden. In alle andere gesprekken met verweerder heeft eiser bovendien Koerdisch dan wel Nederlands gesproken. De rechtbank acht verder nog van belang dat verweerder niet heeft onderzocht of eiser als gevolg van zijn matige beheersing van de Arabische taal mogelijk in Bagdad-stad opvalt en in hoeverre eiser daarmee wordt blootgesteld aan een risico op ernstige schade als bedoeld in artikel 3 van het Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden (EVRM). 5.3 Verder is de rechtbank van oordeel dat verweerder onvoldoende heeft gemotiveerd dat sprake is van een gemeenschap waar eiser op kan terugvallen in Bagdad-stad. Niet in geschil is dat eiser een Koerdische soennitische moslim is. Uit het algemeen ambtsbericht Irak van november 2016 blijkt dat in Bagdad-stad naar schatting nog ruim driehonderdduizend Koerden wonen. Deze Koerden zijn bijna uitsluitend Fayli Koerden, die doorgaans sjiitisch zijn. Verweerder heeft onvoldoende onderbouwd dat er ook voor eiser, als een soennitische Koerd, een gemeenschap is waarop hij kan terugvallen. 5.4 Verweerder heeft in reactie op eisers stelling dat hij lang in Nederland heeft verbleven verwezen naar overwegingen 83 en 107 (
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.