← Nederland

ECLI:NL:RBDHA:2017:4356

Rechtbank DEN HAAG Enkelvoudige kamer Rekestnummer: HA RK 16-580 Zaaknummer: C/09/522312 Datum beschikking: 16 maart 2017 Beschikking op het op 24 november 2016 ingekomen verzoekschrift van: [verzoeker] verzoeker, wonende te [woonplaats] (Egypte), advocaat mr. M. Adnyana-Flipse te Utrecht. tegen DE STAAT DER NEDERLANDEN, (Ministerie van Veiligheid en Justitie, Immigratie- en Naturalisatiedienst, verder te noemen “de IND”), zetelende te ’s-Gravenhage, belanghebbende, vertegenwoordigd door mr. R.Y. Reckers. Procedure De rechtbank heeft kennisgenomen van de stukken, waaronder: - het verzoekschrift; - de brief van 3 februari 2017 van de zijde van de IND, met bijlagen. Verzoek en het standpunt van de IND Het verzoekschrift strekt, naar de rechtbank begrijpt, tot vaststelling van het Nederlanderschap op grond van artikel 17 Rijkswet op het Nederlanderschap (RWN). De IND stelt zich op het standpunt dat verzoeker nog steeds in het bezit is van de Nederlandse nationaliteit, nu de inname en het vervallen verklaren van het aan verzoeker verstrekte Nederlandse paspoort geen omstandigheid betreft die op grond van hoofdstuk 5 RWN het verlies van het Nederlanderschap met zich meebrengt. Feiten - Verzoeker is geboren op [geboortedatum] uit het op [huwelijksdatum] te [huwelijksplaats] (Turkije) gesloten huwelijk tussen [vader] (vader) en [moeder] (moeder). - Op 30 november 1994 is door de vader van verzoeker een verzoek om naturalisatie, waarbij tevens is verzocht om medenaturalisatie van verzoeker, ingediend. Verzoeker verbleef op dat moment in Nederland en bezat sinds 7 juni 1995 een geldige verblijfsvergunning. - Bij Koninklijk Besluit van 11 augustus 1995 is de vader van verzoeker genaturaliseerd, waarbij verzoeker is meegenaturaliseerd. - Op 8 april 2014 heeft verzoeker bij de Nederlandse ambassade in [woonplaats verzoeker] een aanvraag voor een Nederlands paspoort ingediend, welk paspoort in eerste instantie aan verzoeker is verstrekt, met afgiftedatum 9 april 2014 en geldig tot 9 april 2024. - Bij brief van 14 mei 2014 heeft de Nederlandse ambassade in [woonplaats verzoeker] namens de Minister van Buitenlandse Zaken aan verzoeker meegedeeld dat zijn Nederlandse paspoort, op grond van opname van zijn personalia in verband met artikel 23 van de Paspoortwet in het Register Paspoortsignaleringen, is ingehouden en het voornemen bestaat dit vervallen te verklaren. - Bij beslissing van 19 juni 2014 is het aan verzoeker verstrekte Nederlandse paspoort, geldig tot 9 april 2024, op grond van het bepaalde in artikel 23 juncto artikel 45, tweede lid, van de Paspoortwet vervallen verklaard. - Bij beschikking van 6 oktober 2014 heeft de Minister van Buitenlandse zaken het tegen de beslissing van 19 juni 2014 gerichte bezwaarschrift niet-ontvankelijk verklaard, omdat het niet door verzoeker was ondertekend. De beschikking is onherroepelijk geworden, nu hiertegen geen rechtsmiddel is aangewend. Door verzoeker is vervolgens geen nieuwe aanvraag ingediend. Beoordeling Voor de rechtbank staat vast dat verzoeker de Nederlandse nationaliteit heeft verkregen op 11 augustus 1995 omdat hij heeft gedeeld in de naturalisatie van zijn vader. In hoofdstuk vijf van de RWN staan bepalingen opgenomen op grond waarvan het Nederlanderschap kan worden verloren. De inname en het vervallen verklaren van het Nederlandse paspoort van verzoeker door de Minister van Buitenlandse Zaken is geen omstandigheid die daarin is opgenomen en brengt dus niet het verlies van het Nederlanderschap van verzoeker met zich mee. Verzoeker is dus nog steeds in het bezit van de Nederlandse nationaliteit. De rechtbank zal het verzoek dan ook toewijzen. Beslissing De rechtbank: stelt vast dat [verzoeker] sinds 11 augustus 1995 (en nog steeds) in het bezit is van de Nederlandse nationaliteit; wijst af het meer of anders verzochte. Deze beschikking is gegeven door mr. S.M. Westerhuis-Evers, bijgestaan door mr. M. Molenaar als griffier en uitgesproken ter openbare terechtzitting van 16 maart 2017.

🔗 Naar officiële bron

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.