vonnis RECHTBANK DEN HAAG Team handel Vonnis van de meervoudige kamer van 17 mei 2017 in zaak C/09/437955 / HA ZA 2013-210 van 1. de rechtspersoon naar buitenlands recht FKP SOJUZPLODOIMPORT, 2. de rechtspersoon naar buitenlands recht FGUP VO SOJUZPLODOIMPORT, beide gevestigd te Moskou, Russische Federatie, eiseressen in conventie, verweersters in reconventie, procesadvocaat: mr. J.A. Dullaart, tegen 1. de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid SPIRITS INTERNATIONAL B.V., gevestigd te Rotterdam, 2. de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid SPIRITS PRODUCT INTELLECTUAL PROPERTY B.V., gevestigd te Delft, 3. de rechtspersoon naar buitenlands recht, S.P.I. SPIRITS (CYPRUS) LIMITED, gevestigd te Limassol, Cyprus, 4. de rechtspersoon naar buitenlands recht ZAO SOJUZPLODIMPORT, gevestigd te Moskou, Russische Federatie, gedaagden in conventie, eiseressen in reconventie, procesadvocaat: mr. R.P.J. Ribbert. Eiseressen worden hierna tezamen aangeduid als FKP cs en ieder apart als FKP en FGUP. Gedaagden tezamen worden aangeduid als Spirits cs en ieder apart als Spirits International, Spirits Product, Spirits Cyprus respectievelijk ZAO. Spirits International en Spirits Product worden gezamenlijk aangeduid als Spirits IntPro. Spirits Product en Spirits Cyprus worden gezamenlijk aangeduid als Spirits ProCy. De zaak is inhoudelijk behandeld voor FKP door mrs. J.C.H. van Manen en L.E. Fresco, en voor Spirits cs door mrs. R.P.J. Ribbert en J.M. Brölmann, allen advocaat te Amsterdam. 1De procedure 1.1. Het verloop van de procedure blijkt uit: de dagvaarding van 20 november 2012 tevens inhoudende een vordering tot het treffen van een voorlopige voorziening voor de duur van de procedure; de akte overlegging producties van FKP van 5 juni 2013 met producties genummerd 1 tot en met 198; de tussenvonnissen in het bevoegdheidsincident van 14 mei en 30 juli 2014 en de daarin genoemde stukken; - het vonnis in het bevoegdheidsincident van 8 oktober 2014 waarin de rechtbank zich onbevoegd heeft verklaard om kennis te nemen van de tegen ZAO gerichte inbreukvordering (vordering IV) en de tegen ZAO gerichte vordering tot schadevergoeding en/of winstafdracht (vordering VII) en de zaak voor wat betreft de tegen Spirits International gerichte vordering tot nietigverklaring (vordering III) van de (hierna nader te omschrijven) Jongere Merkregistraties heeft verwezen naar de rechtbank Rotterdam; de conclusie van antwoord in het incident ex art. 223 Rv tevens houdende conclusie van antwoord in conventie en conclusie van eis in reconventie van 17 november 2014, met producties 1 tot en met 225; het tussenvonnis in het incident tot het treffen van een provisionele maatregel van 1 juli 2015 en de daarin genoemde stukken; de conclusie van repliek in conventie tevens conclusie van antwoord in reconventie van 20 mei 2015, met producties 202 tot en met 239; de conclusie van dupliek in conventie tevens conclusie van repliek in reconventie van 12 augustus 2015, met producties 226 tot en met 249; de conclusie van dupliek in reconventie van 23 september 2015; de akte houdende overlegging aanvullende producties en aanvulling gronden van FKP van 10 juni 2016, met producties 240 tot en met 261; de akte houdende overlegging producties van Spirits cs van 10 juni 2016, met producties 250 tot en met 281; de aanvullende kostenstaat van FKP van 9 juni 2016. 1.2. Partijen hebben hun standpunten mondeling bepleit tijdens het pleidooi op 10 juni 2016. De pleitnotities behoren tot de processtukken. 1.3. Tot slot is een datum voor het wijzen van vonnis bepaald. 1.4. Nadat de rechtbank aan partijen te kennen had gegeven dat de definitieve vonnisdatum 17 mei 2017 was, hebben Spirits cs bij brief van 9 mei 2017 verzocht om ‘heropening’ van het onderzoek in verband met documenten waarover zij intussen de beschikking had gekregen. FKP had geen toestemming gegeven om deze brief aan de rechtbank te zenden. Zij heeft eveneens bij brief van 9 mei 2017 bezwaar gemaakt tegen kennisname van dit bericht door de rechtbank en heeft zich ook op inhoudelijke gronden verzet tegen de inhoud van de brief van Spirits cs. De rechtbank heeft partijen op 10 mei 2017 laten weten dat op 17 mei 2017 vonnis wordt gewezen. 2. De feiten in alle zaken 2.1. FKP en FGUP zijn Russische staatsondernemingen. FKP houdt zich bezig met de exploitatie van (merken voor) Russische wodka en andere voedingsmiddelen van Russische origine. 2.2. Spirits International en Spirits Product houden zich bezig met het verwerven en exploiteren van – voor zover hier van belang – wodkamerken. Spirits Cyprus, een dochtermaatschappij van Spirits International, levert en distribueert wodka onder de hierna in 2.95 en 2.96 nader beschreven woord- en/of beeldmerken STOLICHNAYA en MOSKOVSKAYA. Zij doet dat onder meer in Denemarken, Frankrijk, Ierland, Italië, Noorwegen, Spanje, Portugal, Zweden, Zwitserland, het Verenigd Koninkrijk, Cyprus, Polen en Tsjechië. Deze landen worden hierna tezamen aangeduid als: ‘de betrokken landen’. Spirits Cyprus is ook actief in de Benelux en andere landen. 2.3. Spirits cs exploiteren en distribueren ook wodka onder het teken ‘Stoli’, bijvoorbeeld op de hieronder weergegeven wijze op hun website. 2.4. Spirits International en Spirits Product maken deel uit van de in S.P.I. Group S.a.r.l. (hierna: SPI Group). Deze groep is in 1997 opgericht door [A] (hierna: [A] ). Ten tijde van de oprichting behoorden tot deze groep (in ieder geval) de hierna te noemen VZAO (voorheen VAO) en ZAO. Later is de rechtsvorm van ZAO gewijzigd in OAO. VZAO en OAO behoren nog altijd tot de SPI Group. Ter aanduiding van de verschillende rechtspersonen uit de SPI Group gebruikt de rechtbank steeds de naam dan wel de rechtsvorm van deze rechtspersonen in de desbetreffende periode. 2.5. In 1966 is in de USSR de staatsonderneming ‘VO Sojuzplodoimport’ opgericht. VO Sojuzplodoimport was verantwoordelijk voor de import en export van voedingsmiddelen, waaronder wodka. Op 5 januari 1990 is de naam ‘VO Sojuzplodoimport’ gewijzigd in ‘VVO Sojuzplodoimport’. De afkorting VVO stond in de Sovjet-Unie voor “All-Union” buitenlandse handelsassociatie. Hierna wordt ‘VVO’ gebruikt ter aanduiding van deze staatsonderneming onder zowel de naam VO Sojuzplodoimport als onder de naam VVO Sojuzplodoimport. 2.6. In de periode 1967-1970 heeft VVO in de USSR op eigen naam registraties voor verschillende wodkamerken voor de USSR verricht bij het Russische merkenbureau Rospatent, voor zover hier van belang voor StolIchnaya (nr. 38388), MoskovSkaya (nr. 38327) en SPI (nr. 34475). Deze merken worden hierna ook tezamen aangeduid als: ‘de Russische merken’. 2.7. Na registratie van de Russische merken in de USSR heeft VVO op eigen naam de in 2.95 en 2.96 nader beschreven STOLICHNAYA EN MOSKOVSKAYA merken in de betrokken landen geregistreerd. 2.8. In 1973 heeft VVO twee Benelux-merken voor waren in klasse 33 (wodka) gedeponeerd, te weten: het beeldmerk ‘Moskovskaya (Osobaya Vodka)’ (Moskovskaya Russian Wodka label), gedeponeerd op 18 april 1973, registratienummer 318390; het beeldmerk ‘Stolichnaya’ (Stolichnaya Russian Wodka label), gedeponeerd op 18 april 1973, registratienummer 318391. Voor de afbeeldingen van de beeldmerken verwijst de rechtbank naar hetgeen hierna is opgenomen sub 2.97. Deze merken worden hierna ook tezamen aangeduid als ‘de VVO-Beneluxmerken’. 2.9. In de jaren ‘80 van de vorige eeuw heeft VVO de naam ‘Stoli’ gebruikt in reclamecampagnes voor Stolichnaya wodka in het buitenland. In 1983 heeft VVO het merk Stoli gedeponeerd in de Verenigde Staten van Amerika. 2.10. Op 6 maart 1990 is de USSR-eigendomswet afgekondigd met regels voor private eigendom. 2.11. Op 12 juni 1990 heeft de Russische Socialistische Federatieve Sovjetrepubliek (hierna: RSFSR) zich, onder leiding van de tot voorzitter van de opperste Sovjet van de RSFSR gekozen Boris Jeltsin (hierna: Jeltsin), onafhankelijk verklaard. 2.12. Op 19 juni 1990 is de USSR-Resolutie nr. 590 afgekondigd met regels voor privatisering van staatsondernemingen. 2.13. Op 16 augustus 1990 is de USSR-Resolutie nr. 835 over liberalisering van de USSR-economie afgekondigd. 2.14. Op 20 september 1990 vond een vergadering plaats van het werknemerscollectief van VVO. De notulen vermelden – voor zover hier van belang: “During the meeting: A report was made describing the creation of the joint-stock company Plodoimport on the basis of the all-Union association Sojuzplodoimport (…) [B] told about the economic prerequisites for the participation in a joint-stock company and about the advantages of working in a joint-stock company. He provided information about other founders and shareholders of the company and answered questions which were raised by the employees of the Association. It was decided: to accept the proposal, prepared by the Administration and the Board of Sojuzplodoimport labour collective; to approve the creation of the joint-stock company Plodoimport on the basis of the All-Union association Sojuzplodoimport” 2.15. Er is een document getiteld “Joint Decision of the Sojuzplodoimport labour collective and the State Commission of the USSR Council of Ministers and food supply” (hierna: ‘het gezamenlijk besluit van 20 september 1990’). Dit document luidt – voor zover hier van belang – als volgt: “In order to improve external economic activities by the transformation of the forms of ownership in accordance with the “Regulations for joint-stock companies and companies with limited liability” which were ratified by the resolutions of the USSR Council of Ministers on 19 June 1990 (No 590) and on 16 August 1990 (No 835 “On measures to liberalize the national economy”), the Sojuzplodoimport labour collective and the State Commission of the USSR Council of Ministers on food supply have worked out a joint decision : 1. To transform the all-Union independent economic association Sojuzplodoimport into the independent economic joint-stock company Sojuzplodoimport.” 2.16. Bij brief van 21 september 1990 heeft VVO aan de minister van landbouw van de USSR geschreven: “In pursuance with the Resolution of the USSR Council of Ministers 19 June 1990 No 590 (…) and in fulfillment of the Resolution of the USSR Council of Ministers of 16 August 1990 No. 835 (…) the council of the work collective took a decision on the creation of a foreign trade joint-stock company (with) preliminary name <Plodoimport>.” 2.17. Bij brief van 11 oktober 1990 heeft VVO aan de plaatsvervangend voorzitter van het hiervoor sub 2.15 genoemde Staatscomité (hierna: het Staatscomité) geschreven – voor zover hier van belang: “Being governed by decrees of the USSR Council of Ministers No. 590 of June 19, 1990 and No. 835 of August 16, 1990, the All-Union Foreign Economic Association “Sojuzplodoimport”(VVO “Sojuzplodoimport”) is doing preliminary work aimed at its corporization under the tentative name of Foreign Economic Joint Stock Company Plodoimport (VAO Plodoimport). VAO Plodoimport shall be the successor to VVO “Sojuzplodoimport” (…) A draft of the VAO’s Articles of Incorporation is enclosed. (…) On September 20 this year, a meeting of the VVO “Sojuzplodoimport” work collective took an unanimous decision as to the corporization of this Association, the latter being one of the necessary formal conditions for establishment of VAO Plodoimport. After reaching a favourable decision by the State Committee we are planning to hold a meeting of founding members in October to enter into the agreement which will define a team-work procedure aimed at establising a joint stock company and holding a foundation conference of VAO Plodoimport. Awaiting your decision.” 2.18. Bij brief van 5 november 1990 heeft het Staatscomité het volgende geantwoord: “The State Commission of the USSR Council of Ministers on food supply has considered the proposal submitted by the all-Union association Sojuzplodoimport concerning the reorganization of the association into a joint-stock company in accordance with the USSR Council of Ministers resolutions of 19.06.90 No 590 and 16.08.90 No 835. There is no strong objection to such reorganization. [opmerking rechtbank: dit is de door FKP in het geding gebrachte vertaling. De door Spritis cs in het geding gedrachte vertaling van deze brief vermeldt in plaats van deze laatste zin: “There is no objection in principle to such reorganization”] However, the final decision on the issue about establishment of a joint-stock campany will be made only after the President’s decree “On the authority of the USSR State Property Fund” and the resolution of the USSR Supreme Soviet “On the regulation of the proporty rights and the property of State organizations” have been issued. These documents will indicate organizations which shall have the right to transfer state property to joint-stock companies. The draft of the company’s Charter shall also comply with the above-mentioned documents.” 2.19. Op 19 december 1990 vond de oprichtingsvergadering plaats van VAO “Plodoimport”. Deze werd bijgewoond door een vertegenwoordiger van het Staatscomité. De notulen van deze vergadering vermelden onder meer: “All-union association Sojuzplodoimport has been in the process of changing its status since the middle of 1990. The joint-stock form of ownership is regulated by the resolution of the USSR Council of Ministers No 590 of 19 June 1990. This is the fundamental document. Moreover, several resolution drafts have been drawn up by the USSR Council of Ministers (7 variants) that determine the reorganization of the State independent economic associations and other state organisations into independent joint-stock companies. The latest version of the resolution prepared and agreed by several state bodies, is currently under consideration within the government and it is expected to be issued in the near future. (…) [B] made a report on the arrangements necessary for the organization of the Constituent assembly (…) It was decided to hold the Constituent assembly in Moskou in mid February 1991.” 2.20. Vanaf december 1990 is RSFSR wet- en regelgeving afgekondigd voor oprichting en eigendom van ondernemingen en voor eigendom en transformatie van staatsondernemingen. Het gaat – voor zover van belang – om RSFSR resolutie nr. 570 van 5 december 1990, RSFSR decreet nr. 601 van 25 december 1990, de eveneens op 25 december 1990 uitgevaardigde RSFSR-wet “On enterprises and entrepreneurship” en RSFSR resolutie nr. 1104 van 25 april 1991, “On measures for preparation of state and municipal property privatization processes on RSFSR territory”. 2.21. Op 20 mei 1991 hebben VVO en het RSFSR ministerie van buitenlandse economische zaken een overeenkomst gesloten, waarvan artikel 8 luidt: “In the event of (VVO) being reorganized into a joint-stock company or into an other form, the RSFSR Ministry of Foreign Economic Affairs shall have a right to participated(
- d)therein as a founder.” 2.22. Op 1 juli 1991 is een USSR Privatiseringswet aangenomen. 2.23. Op 3 juli 1991 is een RSFSR privatiseringswet aangenomen. 2.24. Er is een brief van 22 juli 1991 van VVO aan de minister van buitenlandse economische zaken van de RSFSR, waarin staat – voor zover van belang: “Please be informed that by a decision of the work collective of (VVO) and with an approval of the USSR State Committee of Food Products the said association shall be reorganized into the Foreign Economic Joint-Stock Company < Sojuzplodoimport>. The constituent conference will be held on 5 September inst. (…) One of the founders of the company is the USSR State Committee on Food Products. Expressing the wish of the work collective and the association to consolidate mutually advantageous coorporation with the republican management bodies and first of all with your ministry and guide by article 8 of the General Agreement between RSFSR Ministry of foreign economic relations and (VVO) of 20 May 1991, we ask kindly to consider the possibility of joining (VAO) and purchase from 10 to 100 shares as the shareholder may think fit.” 2.25. Op 7 augustus 1991 heeft Rospatent – op verzoek van het RSFSR ministerie van landbouw – de registratie van de Russische merken doorgehaald (“annuled” in de Engelse vertaling) omdat deze merken geen onderscheidend vermogen zouden hebben vanwege het gebruik ervan door tientallen distilleerderijen. 2.26. Van 19 tot 23 augustus 1991 vond de zogenoemde “augustus putch” plaats, waarbij onder meer het parlementsgebouw in Moskou is bestormd. 2.27. Op 5 september 1991 vond de oprichtingsvergadering plaats van de Joint Stock Company VAO Sojuzplodoimport (hierna: VAO). Aan deze vergadering namen geen vertegenwoordigers van het Staatscomité noch functionarissen van de RSFSR deel. De vergadering besloot unaniem: “To create the Foreign Economic Joint Stock Company Sojuzplodoimport” 2.28. Voorts zijn de statuten van VAO vastgesteld “by Constitutive Conference of (VAO)”. Artikel 2 van de Statuten bepaalt: “(VAO) shall constitute a legal entity and operate in accordance with USSR and RSFSR law on joint stock companies, and also with these articles.” Artikel 5 van de statuten vermeldt: “(VAO) is a legal successor of (VVO)” 2.29. Op 4 oktober 1991 zijn de statuten van VAO goedgekeurd door de onderminister van buitenlandse economische zaken van de USSR. 2.30. Op 4 november 1991 zijn vrijwel alle USSR-ministeries opgeheven. 2.31. Nadat de RSFSR staatkundig is overgegaan in de Russische Federatie, is Boris Jeltsin (hierna: Jeltsin) op 6 november 1991 president van de Russische Federatie geworden. 2.32. Op 8 december 1991 hebben Jeltsin en de presidenten van Oekraïne en Wit-Rusland besloten de USSR te ontbinden. 2.33. Op 22 december 1991 hebben elf voormalige USSR-republieken het Gemenebest van Onafhankelijke Staten (GOS) opgericht. 2.34. Op 25 december 1991 is toenmalig Sovjetleider Michail Gorbatsjov afgetreden. Op 26 december 1991 bestond de USSR niet meer. 2.35. Op 25 december 1991 is een aanvraag tot registratie van VAO ingediend bij de Registratiekamer te Moskou. Voor zover van belang luidt deze als volgt: “Please register the newly established Foreign Economic Joint Stock Company of Closed Type Soyuzplodoimport (…). The newly established VAO Soyuzplodoimport consists of 52 members. (…) The enclosure contains the documents prepared in accordance with the Decree of the Council of Ministers of the RSFSR No 601 of 25.01.1990 (...) and in accordance with the Regulations on the Procedures for Registration of Enterprises in Moscow (…).” 2.36. Er is een op 26 december 1991 gedateerde “Application for creation of Foreign Economic Joint-Stock Company of closed type “Sojuzplodoimport” (VAO Sojuzplodoimport)” die voor zover van belang als volgt luidt: “1. All-Union Foreign Economic Association <Sojuzplodoimport> (…) do hereby express their intention to create in the city of Moscou a joint-stock company of closed type which official name will be VAO <Sojuzplodoimport> (…) 5. Each founder undertakes to pay not less than 50% of the value of shares within 30 days from the date of registration of the company and to pay the oustanding amount within one year from the moment of activity of the company.” VVO is de eerste in de opsomming van oprichters/aandeelhouders van VAO, met ruim 28% van de aandelen. 2.37. Op 13 januari 1992 is een “Application for creation of Foreign Economic Joint-Stock Company of closed type “Sojuzplodoimport” (VAO Sojuzplodoimport)” ingediend bij de Registratiekamer te Moskou. Deze is identiek aan de registratieaanvraag van 26 december 1991, met dien verstande dat er minder oprichters/aandeelhouders worden genoemd. VVO wordt weer als eerste genoemd in de opsomming van oprichters/ aandeelhouders. 2.38. Op 20 januari 1992 heeft de Registratiekamer te Moskou een “temporary registration certificate”, nr. 7600, afgegeven dat vermeldt: “After examining the founding documents regarding the creation, in the city of Moscow, of the Foreign Economic Joint Stock Company “Sojuzplodoimport” (closed type) The Moscow Registration Office had registered, in the city of Moscow, the Foreign Economic Joint Stock Company “Sojuzplodoimport” (closed type)” 2.39. Een door de Registratiekamer te Moskou afgegeven certificaat van registratie van VAO, met registratienummer 007.600, vermeldt: “Date of registration: 20th of January, 1992 Recorded in the Register of the RSFSR No. Code OKPO-01860302 The present Certificate gives the right to operate in accordance with the constitutive documents on the basis of the legislation in force.” Het genoemde OKPO-nummer is het OKPO-nummer van VVO. 2.40. Vanaf januari 1992 heeft VAO de bedrijfsactiviteiten overgenomen van VVO. Ook nam zij een deel van de contracten met distributeurs van VVO over en sloot zij nieuwe overeenkomsten, met de mededeling dat zij rechtsopvolger van VVO was, danwel dat de naam van VVO was gewijzigd in VAO. 2.41. VAO nam ook schulden van VVO over en is na 1992 herhaaldelijk veroordeeld tot betaling van schulden van VVO. 2.42. Op 21 februari 1992 heeft VVO een licentie verleend aan de Australische distributeur Caldbeck Pty Ltd (hierna: Caldbeck), onder meer voor het in Australië geregistreerde merk Stolichnaya. 2.43. Op 14 april 1992 heeft de Registratiekamer te Moskou een certificaat afgegeven dat luidt: CERTIFICATE Issued to confirm that on April 14, 1992 Foreign-economic Joint-Stock Company “Sojuzplodoimport” (…) is included in the State Register of Participants in Foreign-Economic relations of RSFSR under No AO-1145/I0322 (…)” 2.44. Op 5 juni 1992 is de rechtspersoon naar Russisch recht TOO Implod opgericht. 2.45. Op 7 augustus 1992 heeft de Kamer van Koophandel te Moskou het volgende certificaat afgegeven: “VAO “Sojuzplodoimport”is the successor to VVO (V/O) “Sojuzplodoimport”. VAO “Sojuzplodoimport” is a juridical person under law of Russian Federation. In accordance with law of Russian Federation VAO “Sojuzplodoimport” is registered in Moscow Chamber of Registration under No. 007.600 and in State Register of participants on foreign economic affairs of Russia Frederation under No. AO-1145/10222. (…)” 2.46. Op 3 september 1992 heeft VVO het in de Verenigde Staten geregistreerde wodkamerk Russkaya aan PepsiCo verkocht en overgedragen. 2.47. Op 14 september 1992 heeft VAO een licentieovereenkomst gesloten met Caldbeck over de Australische merken Stolichnaya en Moskovskaya. 2.48. In de periode tussen eind 1992 en begin 1993 rees in onder meer de Verenigde Staten, bij PepsiCo, en in Australië, bij Caldbeck, de vraag of VVO dan wel VAO rechthebbende was van de daar geregistreerde nationale wodkamerken. Dit heeft geleid tot gerechtelijke procedures in die landen. Daar hebben medewerkers en bestuurders van VAO onder ede verklaard dat VAO na een voltooide transformatie rechtsopvolger was van VVO. Ook zijn in het kader van die procedures juridische opinies uitgebracht, waarin werd geconcludeerd dat VAO na transformatie rechtsopvolger van VVO was. In deze procedures is in de periode 1993-1995 geoordeeld dat VAO rechtsopvolger van VVO was en rechthebbende van de nationale merken in kwestie. 2.49. Op 16 oktober 1992 heeft Rospatent de volgende verklaring afgegeven: “This confirms that, with respect to registrations abroad for the trademarks for the Russian vodkas “STOLICHNAYA”, “MOSKOVKAYA”(…), in the name of (VVO), the full and rightful succesor of which is (VAO), the exclusive right to them resides only in (VAO)” 2.50. Op 22 oktober 1992 heeft de minister van landbouw van de Russische Federatie een schriftelijke verklaring afgegeven, die luidt: “(VAO) is a legal entity in the Russian Federation and is the successor to its Soviet predecessor (VVO) (VAO) had the right to export Russian vodka in the United States under the following trademarks: STOLYCHNAYA (…)” 2.51. Op 28 oktober 1992 heeft de “first deputy” van het ministerie van buitenlandse economische zaken van de Russische Federatie een hieraan gelijkluidende verklaring afgegeven aan PepsiCo. 2.52. Op 22 april 1993 vond een aandeelhoudersvergadering plaats van VAO. VVO is toen uitgesloten als aandeelhouder van VAO: “(VVO) (…) shall be excluded from the shareholding structure of (VAO)” TOO Implod werd een van de nieuwe aandeelhouders. 2.53. De notulen van deze aandeelhoudersvergadering vermelden voorts: “The application for registration of Soyuzplodoimport Foreign Economic Joint-Stock Company (Revision No. 2) and the amended Articles of Association of Soyuzplodoimport Foreign Joint-Stock Company shall be deemed to be approved.” 2.54. Op 27 april 1993 heeft de Kamer van Koophandel te Moskou het volgende certificaat afgegeven: “The Russian Federation Chamber of Commerce and Industry confirms hereby that under the Russian Law “About Undertakings and Privat Business”as well as the Resolution of the Council of Ministers of RSFSR approven on December 25, 1990, N601 VVO “Sojuzplodomiport was reorganized and is now named as joint stock company “Sojuzplodoimport”. With this reorganization VVO “Sojuzplodoimport”and undertook all obligations and rights, including the rights to the trade marks of VVO “Sojuzplodoimport”. 2.55. Een “Application for registration of Foreign Economic Joint Stock Company Sojuzpoldoimport (VAO Sojuzplodoimport) (Wording/Redraft No 2”) van 2 juli 1993 vermeldt onder meer: “The Founders being the legal entities named in Appendix No 1 hereto have agreed to found the Foreign Economic Joint Stock Company Sojuzplodoimport (VAO Sojuzplodoimport) which will be set up by transforming the All-Union Foreign Economic Association Sojuzpoldoimport (VVO Sojuzplodoimport). VAO “Sojuzplodoimport” is a legal successor of VVO Sojuzplodoimport. Als eerste op de lijst van oprichters/aandeelhouders staat TOO Implod genoemd. VVO komt niet voor op deze lijst. 2.56. Op 20 juli 1993 is om wijziging van de tenaamstelling (van VVO naar VAO) gevraagd van een aantal nationale merken in het Verenigd Koninkrijk. 2.57. In juli 1993 heeft de vice-president van de Russische Federatie opdracht gegeven om de Russische merken op naam van VAO te registreren. 2.58. Op 8 april 1994 heeft Jeltsin opdracht gegeven tot herstel van de (registratie van
- de)Russische merken en om de voorzitter van Rospatent het recht te verschaffen om de in 2.25 bedoelde doorhalingsbesluiten uit 1991 te herzien en te herroepen. 2.59. Op 6 mei 1994 heeft Rospatent het besluit tot doorhaling van de Russische merken herroepen en deze merken geregistreerd op naam van VAO. Dit herroepingsbesluit verwijst naar een gezamenlijk verzoek daartoe van de Russische Frederatie en VAO. 2.60. In de periode 1994-1996 is verzocht om wijziging van de tenaamstelling van VVO in VAO van de nationale merken in de andere betrokken landen, afgezien van Cyprus. 2.61. Op 26 juni 1996 is de rechtsvorm van VAO gewijzigd in VZAO (hierna zal VAO ook wel ‘VZAO’ genoemd worden als wordt gedoeld op VAO na 26 juni 1996). 2.62. In 1996 is [A] in dienst getreden bij VAO/VZAO. In april 1997 is hij toegetreden tot de Raad van bestuur van VZAO, eerst als lid en daarna, in mei 1997, als voorzitter. [A] en een aantal investeerders zijn in 1997 aandeelhouders van VZAO geworden. 2.63. In oktober 1997 is de rechtspersoon naar Russisch recht 'ZAO Sojuzplodimport' (hierna: ZAO) opgericht, met [A] als voorzitter van de Raad van Bestuur. 2.64. In 1997 is SPI Group opgericht, die aandelen verkreeg in onder meer VZAO en ZAO. [A] was (mede) bestuurder van SPI Group. 2.65. VZAO heeft bij overeenkomst van 26 december 1997 merkrechten verkocht aan ZAO. In de bijlage van 12 januari 1998 bij deze overeenkomst staat dat deze overdracht ook gold voor alle buitenlandse merkregistraties en dat alle licentie- en wodkaproductieovereenkomsten en alle buitenlandse merken door VZAO aan ZAO worden overgedragen. Hierna zijn de merken in de betrokken landen op naam van ZAO gezet. 2.66. In 1999 is Spirits Cyprus opgericht. Zij werd belast met de distributie van onder meer Stolichnaya en Moskovskaya wodka in (onder andere) de betrokken landen. 2.67. Op 11 januari 1999 ontving ZAO een brief van de minister van Economische Zaken van de Russische Federatie waarin werd gevraagd te bewijzen dat haar bedrijfsactiviteiten legaal waren. 2.68. Op 25 februari 1999 deed de Russische Federatie navraag bij Rospatent over de Russische merken. 2.69. Op 2 maart 1999 is Spirits International opgericht als de naamloze vennootschap Spirits International N.V. [A] hield de meerderheid van de aandelen. 2.70. Op 30 maart 1999 is een verzoek tot wijziging van de tenaamstelling (van VVO naar VAO) van het nationale merk Stolichnaya ingediend in Cyprus. 2.71. Op 12 april 1999 heeft ZAO diverse merkrechten, waaronder de Russische merken en de merken in de betrokken landen, verkocht aan Spirits International. De merkregistraties zijn per land vermeld in verschillende bijlagen bij de overeenkomst. 2.72. Op 28 mei 1999 is in Rusland vervolging ingesteld tegen [C] , een van de bestuurders van VZAO en ZAO. 2.73. In de periode van eind mei 1999 tot en met december 1999 zijn vele stukken in beslag genomen bij ZAO door Russische autoriteiten. 2.74. Op 18 augustus 1999 heeft het Russische openbaar ministerie Rospatent gevraagd de juridische status van de registraties van de Russische merken te onderzoeken, hetgeen leidde tot het antwoord (van 10 september 1999) dat de registaties volgens de toen geldende regels waren geschied. 2.75. Op 31 december 1999 heeft Jeltsin ontslag genomen als president van de Russische federatie en is hij opgevolgd door Vladimir Poetin (hierna: Poetin). 2.76. Bij brief van 4 februari 2000 heeft de procureur-generaal van het Russische openbaar ministerie Poetin verzocht de Russische merken onder staatscontrole te brengen en de registraties uit 1994 ongedaan te laten maken, omdat de Russische merken eigendom van de Russische Federatie waren. 2.77. De procureur-generaal van het Russische openbaar ministerie heeft bij brief van 8 februari 2000 aan Rospatent verzocht om de registratie van de Russische merken op naam van VAO ongedaan te maken, met als reden dat de directeur van Rospatent de bevoegdheid miste de doorhalingen te herstellen. 2.78. Hierop heeft Rospatent op 18 februari 2000 besloten tot ongedaanmaking van de registraties van de Russische merken op naam van ZAO en tot ongedaanmaking van de op 6 mei 1994 doorgevoerde herroeping van de doorhaling van de Russische merken. Vervolgens is dit besluit door ZAO aangevochten, waarna het is vernietigd. 2.79. Bij brief van 19 februari 2000 heeft de minister van binnenlandse zaken van de Russische Federatie Poetin gevraagd maatregelen te nemen tegen VZAO en ZAO, aangezien het transformatieproces gebrekkig was verlopen. Daarnaast heeft hij voorgesteld een nieuwe staatsentiteit op te richten die de merken zou houden. 2.80. Op 6 maart 2000 heeft het plaatsvervangend hoofd van de presidentiële administratie een brief aan Poetin gestuurd, waarin stond dat de eigendom van de merken een kwestie van nationaal belang was. Bijgesloten was een concept presidentieel besluit dat onder meer vermeldde: “Check the legality of incorporation in January 1992 mainly on the basis of state property of the USSR and RSFSR of closed joint stock company “Sojuzplodoimport”. 2.81. Op 13 maart 2000 heeft Poetin het volgende decreet uitgevaardigd: “I ask you urgently to take measures to restore and protect the state’s rights of intellectual ownership as regards the production and distribution of vodka products, and to identify and take legal action against those individuals who are implicated in the violation of these rights.” 2.82. In 2000 is een strafrechtelijke procedure gestart tegen OAO Plodovaya Komanya, de rechtsopvolger van VZAO. Dit heeft geleid tot nietigverklaring van de transformatie van VVO naar VAO en van de overdracht van de merken van VVO naar VAO. Deze nietigheid is in stand gebleven in de daarover in de Russische Federatie gevoerde hoger beroeps- en herzieningsprocedures. Het EHRM heeft de door OAO ingediende klacht hierover bij arrest van 7 juni 2007 ongegrond verklaard. 2.83. Het decreet van het ministerie van landbouw van de Russische Federatie van 22 februari 2001 vermeldt: “About GP VVO “Sojuzplodoimport” (…) 2. In accordance with the requirements of the civil Code of the Russian Federation GP VVO “Sojuzplodoimport” gets the status of the Federal State Unitary State Enterprise [FGUP, toevoeging rechtbank] based on the right of economic conducting and further is called the Federal State Unitary Enterprize “Sojuzplodoimport”. The Federal State Unitary Enterprize “Sojuzplodoimport” is under the powers of the Administration of organisations of the federal property.” 2.84. Op 18 april 2001 is VVO weer ingeschreven door de Registratratiekamer te Moskou. 2.85. Op 28 juni 2001 zijn de aangepaste statuten van FGUP goedgekeurd en op 2 juli 2001 is FGUP geregistreerd door de Registratiekamer te Moskou. 2.86. De algemeen directeur van FGUP heeft op 2 augustus 2001 het volgende verzoek gedaan aan de Russische Staat: “The intellectual property included trademarks for alcoholic and other products which had been registered by (VVO) during the period 1969-1990 on the territory of the USSR and abroad. Based on this fact, the enterprise is now facing the task of performing actions for restoration of the rights for the state trademarks and assets vested in (VVO). The above actions will involve significant funds as well as specialists which presently are not available to (FGUP). At the same time, the actions for restoration of the trademark rights should be started in the shortest possible time. In the light what is mentioned above I kindly ask you to withdraw from (FGUP) the international trademarks as well as the trademarks registered with Rospatent and national patent offices of foreign states with the subsequent transfer to another state enterprise in compliance with the procedure set forth by the Russian legislation. (FGUP) declares its consent for the withdrawal of the mentioned trademarks.” 2.87. Bij decreet van 29 december 2001 is FKP opgericht. De Russische Federatie heeft de statuten van FKP op 11 maart 2002 goedgekeurd. Artikel 8 van de statuten van FKP bepaalt: “The Enterprise shall in its own name aquire property and personal non-property rights and bear responsibilities, sue and be sued in the court of law and court of arbitration [opmerking rechtbank: in de door Spirits cs overgelegde vertaling “an Arbitrazh court”] persuant with the laws of the Russian Federation and other legal acts” 2.88. Artikel 11 van de Statuten bepaalt dat FKP bevoegd is: “
- i)using in accordance with established procedure the trade marks of strong drinks, alcoholic products and other foodstuffs as well as tobacco products (hereinafter referred to as the products)
- j)protection and restoration of the Russian manufacturers’ violated rights to trade marks of any products” 2.89. De statuten van FKP zijn op 9 april 2002 geregistreerd. 2.90. Op 11 oktober 2002 is Spirits Product opgericht. 2.91. Spirits International heeft vervolgens merken overgedragen aan Spirits Product, die daarna weer een groot aantal van deze merken aan Spirits International heeft overgedragen. 2.92. In 2007 is de rechtsvorm van Spirits International gewijzigd van N.V. naar B.V. 2.93. In juni en juli 2007 zijn opnieuw in het kader van strafrechtelijke procedures in verband met de overgang van de merken van VVO naar VAO huiszoekingen gedaan bij ZAO en zijn stukken in beslag genomen door Russische autoriteiten. 2.94. De inschrijvingen van de in 2.95 en 2.96 beschreven merken zijn telkens vernieuwd door de ten tijde van de vernieuwing geregistreerde merkhouder. 2.95. De volgende merken zijn nu op naam van Spirits International geregistreerd. Deze merken zijn gedeponeerd door VVO en vervolgens is voor al deze merken een wijziging van de tenaamstelling geregistreerd, waarbij VAO als nieuwe merkhouder is geregistreerd. Denemarken het Deense woord/beeldmerk (SPI logo), op 28 mei 1969 gedeponeerd en vervolgens ingeschreven onder nummer VR 1971 01522, voor waren en diensten in de klassen 5, 29, 30, 31, 32 en 33; het Deense woord/beeldmerk (Stolichnaya Russian Wodka label), op 9 april 1973 gedeponeerd en vervolgens ingeschreven onder nummer VR 1974 00977, voor waren en diensten in de klasse 33; het Deense woord/beeldmerk (Moskovskaya Russian Wodka label), op 9 april 1973 gedeponeerd en vervolgens ingeschreven onder nummer VR 1974 00979, voor waren en diensten in de klasse 33; Frankrijk het Franse woord/beeldmerk (Stolichnaya Russian Wodka label), op 11 februari 1985 gedeponeerd en vervolgens ingeschreven onder nummer 1342790, voor waren en diensten in de klasse 33; het Franse woord/beeldmerk (Moskovskaya Russian Wodka label), op 27 augustus 1986 gedeponeerd en vervolgens ingeschreven onder nummer 1368767, voor waren en diensten in de klasse 33; Ierland het Ierse woord/beeldmerk (Stolichnaya Russian Wodka label), op 13 juli 1976 gedeponeerd en vervolgens ingeschreven onder nummer 100087, voor waren en diensten in de klasse 33; het Ierse woord/beeldmerk (Moskovskaya Russian Wodka label), op 13 juli 1976 gedeponeerd en vervolgens ingeschreven onder nummer 100086, voor waren en diensten in de klasse 33; Italië het Italiaanse woord/beeldmerk (Stolichnaya label), op 30 januari 1960 gedeponeerd en vervolgens ingeschreven onder nummer 1415594, thans ingeschreven onder nummer 160208, voor waren en diensten in de klasse 33; i. het Italiaanse woord/beeldmerk (Moskovskaya label), op 30 januari 1960 gedeponeerd en vervolgens ingeschreven onder nummer 1415593, thans ingeschreven onder nummer 160206, voor waren en diensten in de klasse 33; Noorwegen het Noorse woord/beeldmerk (Stolichnaya Russian Wodka label), op 6 april 1973 gedeponeerd en vervolgens ingeschreven onder nummer 91028, voor waren en diensten in de klasse 33; het Noorse woord/beeldmerk (Moskovskaya Russian Wodka label), op 6 april 1973 gedeponeerd en vervolgens ingeschreven onder nummer 95508, voor waren en diensten in de klasse 33; Spanje het Spaanse woord/beeldmerk (Moskovskaya Russian Wodka label), op 19 juni 1974 gedeponeerd en vervolgens ingeschreven onder nummer M0757128, voor waren en diensten in de klasse 33; Portugal het Portugese woord/beeldmerk (Stolichnaya Russian Wodka label), op 3 november 1977 gedeponeerd en vervolgens ingeschreven onder nummer 196.493, voor waren en diensten in de klasse 33; het Portugese woord/beeldmerk (Moskovskaya Russian Wodka label), op 3 november 1977 gedeponeerd en vervolgens ingeschreven onder nummer 196.494, voor waren en diensten in de klasse 33; Zweden het Zweedse woord/beeldmerk (Stolichnaya Russian Wodka label), op 27 maart 1973 gedeponeerd en vervolgens ingeschreven onder nummer 144 734, voor waren en diensten in de klasse 33; het Zweedse woord/beeldmerk (Moskovskaya Russian Wodka label), op27 maart 1973 gedeponeerd en vervolgens ingeschreven onder nummer 145 360, voor waren en diensten in de klasse 33; Zwitserland het Zwitserse woord/beeldmerk (Stolichnaya Russian Wodka label), op 17juli 1973 gedeponeerd en vervolgens ingeschreven onder nummer 271373, voor waren en diensten in de klasse 33; het Zwitserse woord/beeldmerk (Moskovskaya Russian Wodka label), op 17juli 1973 gedeponeerd en vervolgens ingeschreven onder nummer 271372, voor waren en diensten in de klasse 33; Verenigd Koninkrijk het woord/beeldmerk (Moskovskaya Russian Wodka label) met gelding in het Verenigd Koninkrijk, op 3 juni 1969 gedeponeerd en vervolgens ingeschreven onder nummer 943498, voor waren en diensten in de klasse 33; het woord/beeldmerk (logo SPI) met gelding in het Verenigd Koninkrijk, op 3 juni 1969 gedeponeerd en vervolgens ingeschreven onder nummer 943496, voor waren en diensten in de klasse 32; het woord/beeldmerk (logo SPI) met gelding in het Verenigd Koninkrijk, op 3 juni 1969 gedeponeerd en vervolgens ingeschreven onder nummer 943497, voor waren en diensten in de klasse 33; het woord/beeldmerk (Stolichnaya Russian Wodka label) met gelding in het Verenigd Koninkrijk, op 11 september 1972 gedeponeerd en vervolgens ingeschreven onder nummer 998200, voor waren en diensten in de klasse 33; Cyprus het Cypriotische woord/beeldmerkStolichnaya, op 25 november 1983 gedeponeerd en vervolgens ingeschreven onder nummer 24353, voor waren en diensten in de klasse 33; 2.96. De volgende merken zijn nu op naam van Spirits Product geregistreerd. Deze merken zijn gedeponeerd door VVO en vervolgens is voor al deze merken een wijziging van de tenaamstelling geregistreerd, waarbij VAO als nieuwe merkhouder is geregistreerd. Polen het internationale woord/beeldmerk (Stolichnaya Russian Wodka label) met gelding in Polen, op 17 april 1991 gedeponeerd en vervolgens ingeschreven onder nummer 571311 (B), voor waren en diensten in de klasse 33; Tsjechië het internationale woord/beeldmerk (Stolichnaya Russian Wodka label) met gelding in Tsjechië, op 17 april 1991 gedeponeerd en vervolgens ingeschreven onder nummer 571311 (D), voor waren en diensten in de klasse 33. Deze merken worden hierna tezamen met de in 2.95 opgesomde merken aangeduid als: ‘de merken’. 2.97. Waar hiervoor bepaalde logo’s of labels zijn vermeld, zijn de hieronder weergegeven (woord-)beeldmerken bedoeld: SPI logo: Stolichnaya Russian Wodka label: Stolichnaya label: Moskovskaya Russian Wodka label: Moskovskaya label: 2.98. Daarnaast zijn de volgende twee Beneluxmerken op naam van Spirits Product geregistreerd: het Beneluxwoord/beeldmerk (SPI logo), op 14 december 2001 gedeponeerd en vervolgens ingeschreven onder nummer 705064, voor waren en diensten in de klassen 32, 33 en 35: het Beneluxwoordmerk “SPI”, op 12 juli 2002 gedeponeerd en vervolgens ingeschreven onder nummer 709611, voor waren en diensten in de klassen 35 en 39. Deze twee merkregistraties worden hierna aangeduid als “de jongere Beneluxmerk-registraties”. 3Het geschil in conventie en in (voorwaardelijke) reconventie 3.1. Na de gedeeltelijke onbevoegdverklaring en verwijzing in het vonnis in het bevoegdheidsincident vorderen FKP cs in conventie – na wijziging van eis – samengevat dat bij uitvoerbaar bij voorraad verklaard vonnis: I primair Spirits International wordt bevolen alle noodzakelijke handelingen te (doen) verrichten om de merkregistraties voor SPI, Stolichnaya en Moskovskaya binnen veertien dagen na betekening van dit vonnis op naam te doen stellen van, althans over te dragen aan, FKP, met de bepaling dat het vonnis onder toepassing van artikel 3:300 BW (zo nodig) in de plaats treedt van het schriftelijke verzoek van Spirits International aan de merkenbureaus van de betrokken landen om de tenaamstelling te wijzigen; subsidiair voor recht wordt verklaard dat niet Spirits International maar FKP rechthebbende op deze merkregistraties is, althans dat die merkregistraties aan FKP toebehoren; II primair Spirits Product wordt bevolen alle noodzakelijke handelingen te (doen) verrichten om de merkregistraties voor SPI, Stolichnaya en Moskovskaya binnen veertien dagen na betekening van dit vonnis op naam te doen stellen van, althans over te dragen aan, FKP, met de bepaling dat het vonnis onder toepassing van artikel 3:300 BW (zo nodig) in de plaats treedt van het schriftelijke verzoek van Spirits Product aan de merkenbureaus van de betrokken landen om de tenaamstelling te wijzigen; subsidiair voor recht wordt verklaard dat niet Spirits Product maar FKP rechthebbende op deze merkregistraties is, althans dat die merkregistraties aan FKP toebehoren; III de nietigheid wordt uitgesproken van de jongere Beneluxmerkregistraties en de doorhaling daarvan wordt gelast; IV Spirits cs worden verboden inbreuk te maken op de merken in de betrokken landen; telkens op straffe van verbeurte van een dwangsom; V voor recht wordt verklaard dat de koopovereenkomst tussen ZAO en Spirits International van 12 april 1999 nietig is; VI Spirits cs hoofdelijk worden veroordeeld tot betaling aan FKP van bij staat op te maken vergoeding van schade die FKP heeft geleden als gevolg van de inbreuk op de merken en het onrechtmatig handelen van gedaagden en/of tot afdracht van de in de betrokken landen met gebruikmaking van de merken gerealiseerde winst; VII hoofdelijke veroordeling van gedaagden in de overeenkomstig artikel 1019h Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering (Rv) te begroten proceskosten. 3.2. FKP baseert haar vorderingen – samengevat – op de volgende grondslagen. FKP is de rechtmatige houder van de merken. Spirits IntPro zijn nooit de rechtmatige houders van de merken geworden, omdat die merken nooit zijn overgegaan onder algemene titel van VVO naar VAO. VVO is niet volgens het toepasselijke recht van de RSFSR, maar overigens ook niet volgens het recht van de USSR, getransformeerd van staatsonderneming naar private rechtspersoon. VAO is een afzonderlijke rechtspersoon en VVO is daarnaast als rechtspersoon blijven bestaan. VVO is later getransformeerd tot FGUP, die afstand heeft gedaan van haar rechten, waarna de Russische Staat ze aan FKP in beheer heeft gegeven. ZAO en Spirits cs hebben derhalve niet verkregen van een beschikkingsbevoegde. Zij kunnen geen beroep doen op een verkrijging te goeder trouw omdat ze niet te goeder trouw waren. Op de goederenrechtelijke aspecten van deze zaak is Nederlands recht van toepassing. FKP is gerechtigd de registraties in overeenstemming te brengen met haar gerechtigdheid tot de merken en kan als merkhouder Spirits cs verbieden de merken te gebruiken. Spirits cs maken inbreuk op haar merkrechten. 3.3. Spirits cs voeren verweer in conventie en vorderen in voorwaardelijke reconventie – voor zover in conventie wordt geoordeeld dat FKP cs vorderingsgerechtigd zijn en de vorderingen ter zake de gestelde gebreken in de privatisering van de VVO tot VAO niet zijn verjaard – dat: I voor recht wordt verklaard dat: a. ZAO de merken rechtsgeldig van VZAO heeft verworven, subsidiair dat ZAO de merken te goeder trouw heeft verworven; b. Spirits International de merken rechtsgeldig van ZAO heeft verworven, subsidiair dat Spirits International de merken te goeder trouw heeft verworven; en c. Spirits cs de rechthebbenden op de merken zijn; II FKP en FGUP ieder worden verboden Spirits cs van merkinbreuk te betichten en ter zake rechtsmaatregelen te treffen, op straffe van verbeurte van een dwangsom van EUR 100.000 per schending van het gegeven verbod, althans, zulks naar keuze van Spirits cs, per dag dat de schending van het gegeven verbod voortduurt; III FKP en FGUP worden geboden om met onmiddellijke ingang te staken en gestaakt te houden de inbreuk op de merkrechten van Spirits cs, direct of via een natuurlijke of rechtspersoon die op enigerlei wijze met FKP en FGUP is verbonden, inclusief het aanbrengen van de merken of bijbehorende tekens op goederen als bedoeld in de Nice Classificatie van goederen, klassen 32 en/of 33 of soortgelijke goederen, of om dergelijke goederen die de merken of soortgelijke tekens dragen aan te bieden, op de markt te brengen, te koop aan te bieden, te distribueren, importeren of exporteren of op andere wijze te verhandelen of daarvoor reclame te maken in de landen Groot-Brittannië, Ierland, Frankrijk, Italië, Denemarken, Zwitserland, Portugal, Polen, Spanje, Cyprus, Tsjechië, Zweden en Noorwegen, een en ander op straffe van verbeurte van een dwangsom van EUR 100.000 voor iedere dag dat FKP en FGUP nalaten volledig aan het gegeven gebod te voldoen; en IV voorwaardelijk, voor zover enige of meerdere vorderingen van FKP cs geheel of gedeeltelijk worden toegewezen, FKP en FGUP hoofdelijk worden veroordeeld aan Spirits cs te betalen een vergoeding – nader op te maken bij staat en te vereffenen volgens de wet en ten titel van schade, ongerechtvaardigde verrijking of anderszins rechtens – ter zake van de waardevermeerdering van de merken in de periode 1997 tot en met de dag van het vonnis. een en ander met hoofdelijke veroordeling (in conventie en in (voorwaardelijke) reconventie) van FKP cs tot vergoeding van de proceskosten van Spirits cs op grond van artikel 1019h Rv. 3.4. Spirits cs baseren hun vorderingen – samengevat – op de volgende grondslagen. Spirits IntPro zijn de rechtmatige houders van de merken. De merken zijn overgegaan onder algemene titel van VVO naar VAO. VVO is volgens het toepasselijke recht van de USSR getransformeerd van staatsonderneming naar private rechtspersoon. ZAO en Spirits Intternational hebben derhalve verkregen van een beschikkingsbevoegde. Zij waren bovendien te goeder trouw, zodat er ook een volmaakte verkrijging is als ZAO de merken niet beschikkingsbevoegd zou zijn geweest. Op de goederenrechtelijke aspecten van deze zaak is het recht van de dertien landen waar de merken gelden van toepassing. Volgens die rechtsstelsels is aan de vereisten voor verkrijging en goede trouw voldaan. Voor zover dat niet zo zou zijn, zijn de vorderingen van FKP cs in ieder geval verjaard en heeft zij haar rechten verwerkt. Spirits IntPro kunnen als merkhouders FKP cs verbieden de merken te gebruiken. FKP cs maken inbreuk op hun merkrechten. 3.5. FKP cs voeren gemotiveerd verweer tegen de vorderingen in (voorwaardelijke) reconventie. 3.6. Op de standpunten van partijen wordt hierna – voor zover relevant – ingegaan. 4De beoordeling I Inleiding in conventie en (voorwaardelijke) reconventie in alle zaken 4.1. Deze procedure betreft nationale merkregistraties in de dertien betrokken landen. De merken zijn gedeponeerd door VVO. Vanaf 1994 is de tenaamstelling van de depots gewijzigd naar VAO. De merken zijn nu geregistreerd op naam van Spirits International en Spirits Product. Daarnaast gaat deze procedure over de jongere Beneluxmerkregistraties op naam van Spirits Product. 4.2. De geldigheid van de merken in de betrokken landen staat niet ter discussie; die van de jongere Beneluxmerken, waarvan nietigverklaring wordt gevorderd, wel. Ten aanzien van de merken in de betrokken landen wensen partijen aan beide zijden dat de door hen gestelde rechtstoestand als de werkelijke rechtstoestand wordt vastgesteld, waarbij FKP cs onder meer vorderen dat Spirits IntPro worden geboden mee te werken aan wijziging van de tenaamstelling of overdracht van de merken. Voorts wensen partijen aan beide zijden dat de wederpartij(
- en)word(t)(
- en)verboden (verder) inbreuk te maken op de merken en schadeplichtig word(t)(
- en)bevonden. 4.3. Vele geschilpunten in deze zaak moeten worden beoordeeld naar buitenlands recht. Het toepasselijk recht moet aan de hand van de naar Nederlands internationaal privaatrecht geldende verwijzingsregels ambtshalve worden vastgesteld door de rechtbank, die ook het aldus op grond van deze verwijzingsregels toepasselijk buitenlands recht ambtshalve dient toe te passen. De rechtbank dient zelfstandig de inhoud van het toepasselijk buitenlands recht vast te stellen. Zij mag de inhoud van het buitenlands recht niet als feit laten bewijzen door partijen, getuigen of deskundigen. Dat betekent dat de rechtbank geen rechtsregel schendt door geen buitenlandse deskundigen als getuigen te horen over de inhoud van het buitenlands recht, zoals Spirits cs voorstaan. Integendeel, zij zou daarmee de voor haar geldende regel schenden dat zij het recht niet als feit door getuigen mag laten bewijzen. 4.4. Bij de zelfstandige, ambtshalve vaststelling van de inhoud van het buitenlands recht dient de rechtbank het beginsel van hoor en wederhoor toe te passen. De partijdiscussie aan de hand van het door de rechtbank vast te stellen toepasselijk buitenlands recht is, in het bijzonder daar waar het recht van de dertien betrokken landen geldt, pas in een laat stadium van de procedure gevoerd. Ten aanzien van een aantal onderwerpen is deze achterwege gebleven, omdat partijen zich nog niet hebben uitgelaten over de relevante inhoud van het toepasselijk (buitenlands) recht. 4.5. Tegen deze achtergrond kondigt de rechtbank nu reeds aan dat zij partijen op onderdelen nog in de gelegenheid zal stellen om een nadere toelichting te geven over de inhoud van het toe te passen buitenlands recht. Onder XIII zal de rechtbank instructies geven over het verdere verloop van de procedure. 4.6. Daarvoor komen achtereenvolgens aan de orde: II de bevoegdheid van deze rechtbank III gezag van gewijsde van de beslissingen in de Rotterdamse procedure? IV de merken: USSR staatseigendom, gedeponeerd door VVO V vorderingsgerechtigdheid FKP cs VI transformatie van VVO naar VAO met overgang onder algemene titel van de merken? VII nietigheid van de overeenkomst tussen ZAO en Spirits International? Deze geschilpunten zijn relevant voor de beoordeling van alle vorderingen. Daarna zal de rechtbank eerst de (geschilpunten over
- de)vorderingen met betrekking tot de merken in de betrokken landen beoordelen, te weten: VIII verkrijging te goeder trouw van de merken door ZAO en Spirits International? IX de primaire vorderingen I en II in conventie X de inbreukvorderingen in conventie en in reconventie XI de schadevorderingen in conventie en in reconventie Bij bespreking van deze vorderingen zal steeds worden stilgestaan bij het toepasselijk recht, de naar het toepasselijk recht geldende grondslagen en het beroep op verjaring en rechtsverwerking van Spirits cs. Vervolgens (onder XII) komt aan de orde vordering III in conventie met betrekking tot de jongere Beneluxmerkregistraties op naam van Spirits Product. II De bevoegdheid van deze rechtbank 4.7. Spirits cs stellen opnieuw de bevoegdheid van deze rechtbank ter discussie. Zij verzoeken de rechtbank om terug te komen van de beslissing daarover in het tussenvonnis in het bevoegdheidsincident van 14 mei 2014, die in hun optiek blijk geeft van een onjuiste uitleg van artikel 23 EEX-Vo (oud). 4.8. In eenzelfde instantie kan worden teruggekomen van in tussenvonnissen vervatte bindende eindbeslissingen. Dat zijn in een tussenvonnis, in de overwegingen opgenomen uitdrukkelijk en zonder voorbehoud genomen beslissingen op een geschilpunt. Het oordeel waarnaar Spirits cs verwijzen is zo’n in een tussenvonnis (in het incident) opgenomen bindende eindbeslissing over het door hen genoemde onderwerp. Mede op grond daarvan is vervolgens in het eindvonnis in het bevoegdheidsincident van 8 oktober 2014 echter een in het dictum vervat eindoordeel in het bevoegdheidsincident gegeven. Daarmee is het bevoegdheidsincident in deze instantie afgedaan. Tegen de beslissing over de bevoegdheid en de daaraan ten grondslag gelegde overwegingen kan alleen in hoger beroep worden opgekomen. In deze instantie bestaat geen ruimte voor de door Spirits cs gevraagde heroverweging van deze beslissing over de bevoegdheid van de rechtbank. Daarmee is het lot van dit verzoek van Spirits cs gegeven. III Gezag van gewijsde van de beslissingen in de Rotterdamse procedure ? 4.9. FKP heeft in 2003 tegen Spirits International een procedure aanhangig gemaakt bij de rechtbank Rotterdam, die op 14 juni 2006 een tussenvonnis heeft gewezen. Het gerechtshof Den Haag heeft bij arrest van 24 juli 2012 geoordeeld op het appel tegen dit tussenvonnis. In de vervolgens aanhangig gemaakte cassatieprocedure heeft de Hoge Raad op 20 december 2013 arrest gewezen. Dit arrest is gevolgd door het op 25 maart 2015 gewezen eindvonnis van de rechtbank Rotterdam. De appelprocedure tegen dit eindvonnis is thans aanhangig bij het gerechtshof Den Haag. Deze procedure wordt hierna aangeduid als ‘de Rotterdamse procedure’. 4.10. De Rotterdamse procedure gaat over op naam van Spirits International staande Beneluxmerken voor onder meer Moskovskaya en Stolychnaya wodka, waaronder de VVO-Beneluxmerken. Deze Beneluxmerken zijn tezamen met de merken in de betrokken landen overgedragen van VZAO aan ZAO en vervolgens aan Spirits International. 4.11. FKP cs beroepen zich op gezag van gewijsde van de bindende eindbeslissingen uit de Rotterdamse procedure. Hoewel FKP cs steeds spreken over het gezag van gewijsde van ‘het Rotterdamse vonnis’ hebben zij bij het inroepen van gezag van gewijsde onmiskenbaar ook het oog op de beslissingen in de tussenarresten van het gerechtshof en de Hoge Raad, die over meer onderwerpen hebben beslist dan de rechtbank. 4.12. Het betoog van Spirits cs dat aan de beslissingen in tussenvonnissen geen gezag van gewijsde kan toekomen alvorens eindvonnis is gewezen, gaat ten onrechte eraan voorbij dat gezag van gewijsde ook betrekking kan hebben op in tussenvonnissen vervatte dragende overwegingen. Of en in hoeverre de in de Rotterdamse procedure gegeven bindende eindbeslissingen vatbaar zijn voor heroverweging zoals Spirits cs betogen, is niet relevant voor het antwoord op de vraag of de beslissingen het door FKP ingeroepen gezag van gewijsde hebben. Daarvoor gelden de volgende eisen: de beslissingen 1) zijn vervat in een in kracht van gewijsde gegaan vonnis (of arrest) en 2) betreffen de rechtsbetrekking in geschil 3) tussen dezelfde partijen. Aan de eerste twee eisen is voldaan ten aanzien van een aantal beslissingen in het tussenvonnis en in de tussenarresten. Aan de laatste eis voor Spirits International voldaan. De rechtbank licht dat als volgt toe. 4.13. Een vonnis heeft kracht van gewijsde als daartegen geen gewone rechtsmiddelen openstaan en het dus niet meer kan worden aangetast door een van deze rechtsmiddelen. Nu zowel Spirits International als FKP de door de rechtbank geboden mogelijkheid van tussentijds appel tegen het tussenvonnis hebben benut, kan geen hoger beroep meer worden ingesteld tegen het tussenvonnis van de Rotterdamse rechtbank. De beslissingen uit het tussenvonnis waartegen niet is gegriefd hebben daarmee kracht van gewijsde. Datzelfde geldt voor de beslissingen in het in appel gewezen arrest waartegen niet in cassatie is opgekomen. Op de andere beslissingen is in cassatie beslist. Dat betekent dat de tot en met het tussenarrest van de Hoge Raad genomen beslissingen in de Rotterdamse procedure kracht van gewijsde hebben. 4.14. Gezag van gewijsde komt toe aan beslissingen over de rechtsbetrekking in geschil die dragend zijn voor de beslissing. Naast de beslissingen op de vordering zelf gaat het om beslissingen op voorvragen. In de Rotterdamse procedure is tot en met het tussenarrest van de Hoge Raad een aantal dragende beslissingen genomen, dat ook ziet op de rechtsbetrekking die hier in geschil is. Het gaat – voor zover hier van belang – om de beslissing dat FKP vorderingsgerechtigd is en de beslissing over de geldigheid van de transformatie van VVO naar VAO. Deze punten hebben voor de Beneluxmerken en de merken in de betrokken landen dezelfde feitelijke en juridische grondslag en betreffen daarmee dezelfde rechtsbetrekking. Dat geldt niet voor de andere beslissingen uit de Rotterdamse procedure, zoals die over de goederenrechtelijke aspecten van de overdracht van de Beneluxmerken, verjaring van de vorderingen en rechtsverwerking. Deze vragen zijn in de Rotterdamse procedure beantwoord naar Nederlands recht, maar moeten voor de merken in de betrokken landen worden beoordeeld naar het recht van de hierna sub 4.93 te noemen rechtsstelsels. Deze beslissingen uit de Rotterdamse procedure hebben dus geen gezag van gewijsde in de zaak tussen FKP en Spirits International. 4.15. Spirits cs hebben het gelijk aan hun zijde met hun standpunt dat gezag van gewijsde alleen aan de orde kan zijn tussen FKP en Spirits International, niet tussen de andere partijen in deze procedure, FGUP, Spirits Product en Spirits Cyprus. De rechtbank zal de andere zaken ten volle beoordelen aan de hand van de daarover gevoerde partijdiscussie. In de optiek van FKP cs is dit louter “een herhaling van zetten”. Ook als dat zo zou zijn, neemt dat niet weg dat in deze procedure deze partijen voor het eerst in rechte strijden over deze onderwerpen. 4.16. Partijen wijzen alle op het risico dat het voorgaande leidt tot tegenstrijdige beslissingen. Dat risico is inherent aan de processuele keuze van FKP cs om de vordering subsidiair door FGUP in te stellen en in deze procedure ook Spirits Product en Spirits Cyprus te betrekken. De mogelijkheid van tegenstrijdige uitspraken is deel van het systeem van het toepasselijke Nederlands burgerlijk procesrecht, dat niet ten doel heeft tegenstrijdige uitspraken te voorkomen. Wel strekken voeging en gelijktijdige afdoening van zaken ertoe tegenstrijdige beslissingen tegen te gaan. FKP cs hebben getracht dit te bewerkstelligen door het tegelijk dagvaarden van Spirits cs, waardoor sprake is van subjectieve cumulatie van de vorderingen in de zaken. Deze subjectieve cumulatie van vorderingen laat onverlet dat tegenstrijdige beslissingen genomen kunnen worden indien daarvoor grond is. De in één dagvaarding aangebrachte zaken van twee eisers tegen drie gedaagden blijven immers verschillende zaken, met hun eigen materiele en processuele merites. IV De merken: USSR staatseigendom, gedeponeerd door VVO 4.17. Partijen nemen beide tot uitgangspunt dat VVO bevoegd was de merken in de betrokken landen te registreren. De merken waren ten tijde van de registratie staatseigendom van de USSR. VVO was door en ten behoeve van de USSR belast met het beheer van de merken. Op grond van artikel 94 van het in 1964 ingevoerde Russische Burgerlijk Wetboek (RBW 1964), tweede volzin (in de Nederlandse vertaling) gold daarvoor het volgende (onderstreping toegevoegd): “Het ter beschikking van Staatsorganismen gestelde Staatsvermogen bevindt zich onder het operatief beheer van die organismen. Ze oefenen het recht uit om die zaak te bezitten, ervan te genieten, erover te beschikken binnen de bij de wet gestelde perken, overeenkomstig de oogmerken van hun activiteit, de bij planning voorziene taken en de bestemming van de zaak.” 4.18. Staatsondernemingen, die staatsorganismen waren zoals bedoeld in artikel 94 RBW 1964, konden optreden als ware zij eigenaar van het aan hen toegewezen staatsvermogen; de hiervoor geciteerde, door de rechtbank onderstreepte rechten van staatsondernemingen waren namelijk gelijk aan de rechten van een eigenaar binnen het communistische bestel, die in artikel 92 RBW 1964 waren omschreven als: “het recht, zijn zaak te bezitten, ervan te genieten, erover te beschikken, binnen de bij de wet gestelde perken.” 4.19. Hieruit volgt dat – naar ook niet in geschil is – de USSR rechthebbende (eigenaar) was van de merken, terwijl de VVO op grond van artikel 94 RBW 1964 bevoegd was te handelen als ware zij eigenaar van het aan haar toegewezen staatseigendom. Spirits cs wijzen er terecht op dat VVO geen eigenaar van de merken was. Dat doet niet af aan de hiervoor geduide bevoegdheid van VVO om ten aanzien van het haar toegewezen staatseigendom te handelen als ware zij eigenaar, bijvoorbeeld door de merken te registreren, te exploiteren en te handhaven in de betrokken landen. 4.20. Niet in geschil is dat nadat de USSR ophield te bestaan, staatseigendommen zijn overgegaan naar onder meer de RSFSR, die op grond van de soevereiniteitsverklaring van 12 juni 1990 bij wet van 31 oktober 1990 alle USSR staatseigendom op haar grondgebied tot eigendom van de RSFSR had verklaard. Niet in geschil is dat daaronder ook de merken vielen, als die nog staatseigendom waren op het moment dat de USSR ophield te bestaan en de Russische Federatie haar als staat opvolgde. V Vorderingsgerechtigdheid FKP cs 4.21. FKP cs stellen dat de Russische Federatie steeds rechthebbende van de merken is gebleven en het beheer en de exploitatie daarvan uiteindelijk heeft opgedragen aan FKP, die nu procedeert op basis van een eigen recht en daarnaast als staatsonderneming handelt ten behoeve en in het belang van de Russische Federatie. FGUP is alleen partij in deze procedure voor het geval zou worden geoordeeld dat FKP niet (volledig) vorderingsgerechtigd zou zijn. in de zaken van FKP en Spirits International 4.22. In de zaak van FKP tegen Spirits International heeft de beslissing in de Rotterdamse procedure dat FKP vorderingsgerechtigd is gezag van gewijsde. De vordering van FGUP tegen Spirits International zal daarom worden afgewezen. in de zaken tegen Spirits ProCy 4.23. FKP treedt in deze procedure in eigen naam op als Russische staatsonderneming. Spirits ProCy betwisten de vorderingsgerechtigdheid van FKP in de eerste plaats door aan te voeren dat de merken onder algemene titel zijn overgegaan van VVO naar VAO bij een rechtsgeldige transformatie, waarna de VVO is opgehouden te bestaan. Het geschil over de vraag of een rechtsgeldige transformatie heeft plaatsgehad van VVO naar VAO en of VVO na januari 1991 nog bestond wordt hierna beoordeeld. Veronderstellenderwijs uitgaande van de stellingen van FKP dat geen rechtsgeldige transformatie heeft plaatsgehad, VVO is blijven bestaan en dat ZAO en Spirits International geen beroep kunnen doen op bescherming voor een verkrijger te goeder trouw, is de Russische Federatie eigenaar gebleven van de merken. Niet in geschil is dat VVO in deze veronderstellenderwijs aangenomen situatie een ‘lege huls’ was omdat VAO vanaf januari 1992 haar activiteiten had overgenomen. In die situatie wordt van belang of FKP en/of FGUP vorderingsgerechtigd is. omzetting van de VVO in FGUP? 4.24. FKP cs stellen dat VVO in 2001 is omgezet in FGUP. De gestelde omzetting van VVO in FGUP valt binnen de reikwijdte van de in artikel 3 lid 3 aanhef en sub f Wet Conflictrecht Corporaties (WCC), thans 10:119 aanhef en sub f BW genoemde beëindiging van het bestaan van de corporatie. Dit wordt beheerst door het op de corporatie (de VVO) toepasselijk recht. Dat is Russisch recht, aangezien de VVO is opgericht naar het recht van de USSR en volgens haar oprichtingsakte zetelde te Moskou (zie artikel 2 WCC, thans artikel 10:118 BW). 4.25. Spirits ProCy betwisten de gestelde omzetting van VVO naar FGUP door te verwijzen naar de feitenvaststelling in het Rotterdamse vonnis, die inhoudt dat “op 22 februari 2001 is de (FGUP) opgericht.” Deze verwijzing kan hen niet baten, nu het gerechtshof in het hoger beroep tegen dit vonnis heeft overwogen (onder 4.1) “Behoudens voor zover daarvan in de hierna volgende feitenvaststelling wordt afgeweken, gaat het hof derhalve uit van de feiten zoals door de rechtbank vastgesteld in rechtsoverweging 1.1 tot en met 1.51 van het bestreden vonnis, alsmede van hetgeen in hoger beroep als niet (voldoende) betwist als vaststaand dient te worden beschouwd zoals weergegeven in de hierna volgende feitenvaststelling.” Vervolgens concludeert het gerechtshof onder 7.13: “Aangenomen moet dus worden dat VVO in 2001 werd omgedoopt tot FGUP; vgl. ook rechtsoverweging 26 van het arrest van het EHRM van 7 juni 2007.” 4.26. Spirits ProCy wijzen voorts erop dat de registratie van VVO niet voldeed aan de wettelijke vereisten en, zoals verwoord in de door haar als productie overgelegde opinie van haar deskundige M. Newcity “smacks heavily of improper influence by higher agencies of the Russian government”. Verder voeren zij aan dat uit de inschrijving in het Unified State Register of Juridical Persons blijkt dat FGUP is opgericht als nieuwe rechtspersoon en geen rechtsopvolger van VVO is, aangezien de vraag hoe FGUP is ontstaan is beantwoord met “creation” (oprichting), waar bij omzetting “reorganization” vermeld had moeten worden. 4.27. Dit verweer kan Spirits ProCy niet baten, aangezien de (wijze van) registratie van VVO en FGUP en de met het oog daarop verstrekte gegevens niet doorslaggevend zijn voor de vraag of VVO is omgezet in FGUP. 4.28. De door FKP cs gestelde omzetting van VVO naar FGUP wordt bevestigd door het Decreet nr. 192 van 22 februari 2001 van het ministerie van landbouw van de Russische Federatie, waarin deze is vastgelegd. 4.29. Spirits ProCy hebben hun standpunt dat niet het ministerie van landbouw maar het ministerie van handel de bevoegde instantie was voor omzetting van de VVO naar de FGUP na betwisting daarvan door FKP cs niet herhaald. Het moet er dus voor worden gehouden dat zij dit verweer – dat zij overigens op geen enkele manier hadden geconcretiseerd of onderbouwd – hebben laten varen. 4.30. Gezien het voorgaande neemt de rechtbank als vaststaand aan dat VVO is omgezet in FGUP. 4.31. Niet ter discussie staat dat een omzetting van VVO naar FGUP een overgang onder algemene titel inhoudt naar het op de overdracht van de vermogensbestanddelen van VVO naar FGUP toepasselijke Russisch recht. Deze overgang onder algemene titel wordt in Nederland erkend indien het recht dat ingevolge Nederlands internationaal privaatrecht van toepassing is op de overdracht van de betrokken vermogensbestanddelen van VVO een dergelijke overgang onder algemene titel erkent. Niet in geschil is dat dit naar Nederlands en Russisch recht het geval is. 4.32. Bij deze overgang onder algemene titel is niet de eigendom van de merken overgegaan. Dat kon niet, alleen al omdat VVO geen eigenaar van de merken was. De merken waren – in de veronderstellenderwijs aangenomen situatie dat geen geldige transformatie had plaatsgehad en de merken niet te goeder trouw waren verkregen door ZAO – in 2001 nog altijd Russisch staatseigendom. Wat overging was de toewijzing van dit staatseigendom en de daarbij behorende rechten en plichten, gemodificeerd naar het voor FGUP geldende wettelijke regime en de inhoud van de aangepaste statuten van FGUP. 4.33. Relevant in dit verband is dat ook de ‘nieuwe’ verschijningsvormen van staatsondernemingen in de Russische Federatie, FGUP en FKP, geen eigenaar zijn van het hen toegewezen staatseigendom. Artikel 113 van het in 1995 ingevoerde Russische Burgerlijk Wetboek (RBW 1995) bepaalt – voor zover hier van belang –: “A unitary enterprise is a commercial organisation which has not been granted the right of ownership of the property assigned to it by the owner.” Artikel 2 van de in 2002 ingevoerde Wet op de Staatsondememingen, die de materie uitgebreider regelt, herhaalt dit en bepaalt: “The property of a unitary enterprise is ownership of the Russian Federation (...) On behalf of the Russian Federation, the rights of the owner of the property of a unitary enterprise are exercised the bodies of state power of the Russian Federation (...) within the competence established by the acts that determine the status of said bodies (...).” 4.34. De slotsom van het voorgaande is dat FGUP bij de omzetting van VVO naar FGUP, de aan VVO verleende rechten tot beheer van staatseigendommen verkreeg. ‘terugnemen’ merken door de Russische Federatie en onderbrengen van de merken in FKP 4.35. FKP cs stellen dat de Russische Federatie de merken op verzoek van FGUP heeft teruggenomen en heeft ondergebracht in FKP. Niet in geschil is dat de Russische Federatie daartoe bevoegd is. Spirits ProCy voeren echter aan dat FKP geen bewijs heeft overgelegd “waaruit blijkt dat FKP de vermeende eigenares zou zijn geworden van de merken”. Dit is een onvoldoende gemotiveerde betwisting van de stelling van FKP dat de Russische Federatie de merken heeft teruggenomen van FGUP en vervolgens heeft toegewezen aan FKP, waarbij – zoals hiervoor is overwogen – de eigendom van de merken bij de Russische Federatie bleef berusten, aangezien FKP als staatsonderneming geen eigenaar kan zijn van het haar toegewezen staatseigendom. bevoegdheid FKP tot het instellen van de vorderingen 4.36. Hiervoor is reeds aan de orde geweest dat staatseigendom toebehoort aan de Russische Federatie, die dit kan toedelen aan staatsondernemingen. Artikel 214, lid 4, van het RBW 1995 bepaalt: “Property held in State ownership are assigned to state enterprises and institutions for possession, use and disposition in accordance with the present code (articles 294 en 296).” De laatstgenoemde artikelen bepalen – voor zover van belang –: “A (treasury) enterprise [‘schatkistonderneming’, te weten een FKP, toevoeging rechtbank] (...) with regard to the property granted to them exercises the rights of possession, use and disposition of such property within the limits established by the law and in accordance with the purposes of their activitities, the tasks assigned to them by the owner and the designated purpose of the property” 4.37. Niet betwist is dat FKP in haar hoedanigheid van Russische staatsonderneming die het beheer (operative management) voert over het aan haar toegewezen staatseigendom, bevoegd is op eigen naam op te treden met betrekking tot de merken. Dat blijkt ook uit haar statuten, die – anders dan Spirits ProCy betogen – geen territoriale beperking bevatten: dit volgt niet uit het door hen aangehaalde artikel 8 van de Statuten van FKP. De daarin genoemde bevoegdheid om in rechte op te treden is niet beperkt tot de door Spirits ProCy in dit verband genoemde “Arbitrazh Courts”, maar is algemeen geformuleerd, met deze gerechten als voorbeeld. Ook overigens is er geen enkele grond om daar waar de merken over de hele wereld – zonder geldige transformatie en zonder verkrijging te goeder trouw van ZAO en Spirits International – Russisch staatseigendom zijn en het beheer van merkrechten bij uitstek bestaat uit handhaving daarvan – onder meer door in rechte op te treden – te veronderstellen dat FKP in dit opzicht over een (zeer) beperkte territoriale bevoegdheid zou beschikken. 4.38. Zoals hiervoor is overwogen, is de Russische Federatie in de veronderstellenderwijs aangenomen situatie eigenaar gebleven van de merken, die aan FKP zijn toegewezen. FKP is daarmee niet gerechtigd te vorderen dat de eigendom van de merken aan haar wordt overgedragen en om te vorderen dat de merken aan haar toebehoren, in de zin dat daarmee zou worden vastgesteld dat zij eigenaar van de merken is. De daarop betrekking hebbende onderdelen van vordering I en II moeten worden afgewezen. 4.39. Wel is FKP als staatsonderneming gerechtigd in eigen naam de merken te registreren en handhaven en in verband daarmee rechtsvorderingen in te stellen. De overigens ingestelde vorderingen vallen binnen de reikwijdte van deze bevoegdheid 4.40. Als staatsonderneming behartigt FKP ook de belangen van de Russische Federatie, die geen partij is in deze procedure, maar die vanwege deze behartiging van zijn belangen door FKP, wel moet worden geacht gebonden te worden aan de uitkomst van deze procedure. Spirits cs kan zich in deze prodecure bovendien beroepen op verweren die zij jegens de Russische Federatie kan voeren. 4.41. Uit het vorengaande vloeit voort dat de voorwaarde waaronder FGUP haar vorderingen heeft ingesteld, namelijk dat geoordeeld zou worden dat FKP niet (volledig) vorderingsgerechtigd zou zijn, niet intreedt. De vorderingen van FGUP liggen voor afwijzing gereed. 4.42. Onbesproken kan blijven of, zoals FKP cs stellen en Spirits ProCy betwisten, FKP ook aan de opvolgende decreten waarin haar procesbevoegdheid is bevestigd, de bevoegdheid ontleent om deze procedure te voeren. VI Transformatie van VVO naar VAO met overgang onder algemene titel van de merken ? in de zaak van FKP en Spirits International 4.43. In deze zaak heeft de beslissing in de Rotterdamse procedure dat geen geldige transformatie heeft plaatsgehad van VVO naar VAO gezag van gewijsde. Geen gezag van gewijsde heeft de in die procedure genomen beslissing over de vraag of ZAO en Spirits International zijn aan te merken als verkrijgers te goeder trouw. Dat zal hierna worden besproken. in de zaken tegen Spirits ProCy toepasselijk recht 4.44. De vraag of VVO is getransformeerd naar VAO is naar Nederlands internationaal privaatrecht de vraag of omzetting van VVO naar VAO heeft plaatsgehad. Deze vraag valt binnen de reikwijdte van de in artikel 3 lid 3 aanhef en sub f WCC, thans artikel 10:119 aanhef en sub f BW genoemde beëindiging van het bestaan van de corporatie, die wordt beheerst door het op de corporatie toepasselijk recht. Dat is Russisch recht, aangezien VVO is opgericht naar het recht van de USSR en volgens haar oprichtingsakte zetelde te Moskou (zie artikel 2 WCC, thans artikel 10:118 BW). inroepen geldigheid transformatie verjaard ? 4.45. Spirits ProCy betogen dat het recht van FKP om zich te beroepen op ongeldigheid van de transformatie van VVO naar VAO naar het daarop toepasselijk Russisch recht is verjaard. Omdat de transformatie wordt beheerst door Russisch recht, moet ook naar Russische maatstaven worden beoordeeld of de Russische Federatie of andere derden nog kunnen klagen over eventuele gebreken aan de transformatie, aldus Spirits ProCy, die voorts meer in den brede betogen dat de hele overgang onder algemene titel vanwege de gestelde transformatie wordt beheerst door het Russische verjaringsregime. 4.46. Dit standpunt van Spirits ProCy gaat niet op. FKP heeft geen rechtsvordering tot ongeldigverklaring of nietigverklaring van de transformatie ingesteld. De ingestelde vorderingen I en II strekken – samengevat – tot herstel van de door FKP gestelde werkelijke rechtstoestand van de merken. Voorts betreffen de vorderingen van FKP inbreukvorderingen en vorderingen tot betaling van schadevergoeding. De vorderingen zijn alle gegrond op de stelling dat de Russische Federatie steeds rechthebbende is gebleven van de merken in de betrokken landen, waartegen Spirits ProCy zich onder meer verweren door aan te voeren dat de merken bij transformatie van VVO naar VAO onder algemene titel zijn overgegaan. Het geschil over transformatie van VVO naar VAO betreft enkel een schakel in de motivering van het verweer van Spirits ProCy. De enkele stelling van FKP dat geen transformatie heeft plaatsgehad is noch naar Nederlands, noch naar Russisch recht aan verjaring onderhevig. transformatie beheerst door recht van de USSR of de RSFSR ? 4.47. Partijen twisten over de vraag welk Russisch recht de gestelde transformatie van VVO naar VAO beheerst. Volgens FKP is dat het recht van de RSFSR. Niet in geschil is dat naar dat recht geen geldige transformatie heeft plaatsgehad. Spirits ProCy betogen dat de gestelde transformatie werd beheerst door het recht van de USSR en naar dat recht rechtsgeldig heeft plaatsgehad. Als dat laatste klopt, moet vervolgens worden uitgezocht welk van de twee rechtsstelsels destijds geldend Russisch recht was. Dit nader onderzoek kan achterwege blijven als ook naar USSR-recht geen rechtsgeldige transformatie heeft plaatsgehad; in dat geval is de uitkomst onder beide rechtsstelsels hetzelfde en kan in het midden blijven of de transformatie werd beheerst door het recht van de RSFSR dan wel de USSR. rechtsgeldige transformatie naar USSR-recht ? 4.48. Het relevante USSR-recht is neergelegd in de wet van 6 maart 1990 (“Union of the Soviet Socialist Republics Law on property in the USSR”) en is verder uitgewerkt in de resolutie van de USSR-raad van ministers nr. 590 d.d. 19 juni 1990 (“On validation of regulations on joint-stock companies and limited liability companies and of regulation on securities” – hierna resolutie nr. 590). Volgens het USSR-recht dienden de volgende stappen te worden doorlopen om een staatsonderneming te transformeren in een private onderneming: er moest een gezamenlijk besluit worden genomen van het bevoegde overheidsorgaan en de werknemers om het staatsbedrijf te transformeren; het aandelenkapitaal van het nieuwe bedrijf diende te worden vastgesteld op basis van de totale waarde van het bezit van de onderneming, waarbij de waardebepaling diende te geschieden door een commissie bestaande uit vertegenwoordigers van het arbeidscollectief, het bevoegde staatsorgaan en de relevante financiële instanties; de aandelen dienden te worden uitgegeven via openbare inschrijving of aan personen en entiteiten die samen het arbeidscollectief en het bevoegde staatsorgaan vormden; er diende een aandeelhoudersvergadering bijeen geroepen te worden om de statuten van de private onderneming aan te nemen en bestuurders te benoemen; het getransformeerde bedrijf moest worden geregistreerd bij de registratiekamer te Moskou. Met de registratie verkreeg het getransformeerde bedrijf rechtspersoonlijkheid. 4.49. De vijfde stap van registratie is een constitutief vereiste voor transformatie onder het USSR-recht. Met deze stap hield de getransformeerde staatsonderneming op te bestaan en werd de voormalige staatsonderneming als getransformeerde private onderneming voortgezet. 4.50. Uit hetgeen partijen betogen volgt dat de rechtbank niet toe behoeft te komen aan een inhoudelijke toets van de vraag of er volgens de toepasselijke wettelijke vereisten een transformatie tot stand is gekomen, omdat de rechtbank reeds op andere gronden tot het door hen bepleitte oordeel kan komen. Deze andere gronden zal de rechtbank om die reden eerst beoordelen. uitspraken buitenlandse rechters en EHRM 4.51. Ter onderbouwing van hun standpunten halen partijen uitspraken van buitenlandse rechters aan over de geldigheid van de transformatie. Terecht beroepen zij zich niet op gezag van gewijsde van deze beslissingen in procedures waarbij veelal andere partijen betrokken zijn en die gaan over andere nationale merkregistraties. Anders dan Spirits ProCy betogen, leiden de artikelen 32 en 33 EEX-Vo (oud) niet tot ‘automatische’ gebondenheid van de rechtbank aan de door hen genoemde beslissingen van rechters uit landen binnen het toepassingsgebied van de EEX-Vo. Deze artikelen uit de EEX-Vo, die gelden voor procedures tot erkenning van in het buitenland gewezen vonnissen, vinden namelijk geen toepassing in deze procedure, die niet de erkenning van de aangehaalde vonnissen tot inzet heeft. 4.52. In het verlengde van het voorgaande kan FKP niet worden gevolgd in haar betoog dat de nietigverklaring van de transformatie en de overgang van de merken van VZAO naar ZAO – die ook de merken in deze procedure zou betreffen – in de Russische strafprocedure tegen OAO zou moeten ‘doorwerken’ in deze procedure en als uitgangspunt zou moeten gelden voor de beoordeling. De rechtbank is ook niet gebonden aan het arrest van het EHRM op de klacht van OAO in een zaak tegen de Russische Federatie, waarnaar FKP verwijst: dit arrest is gewezen tussen partijen die geen partij zijn in deze procedure, naar aanleiding van een klacht tegen de Russische Federatie. 4.53. Ook de stukken met betrekking tot de strafrechtelijke procedure van het Russische openbaar ministerie en de stukken met betrekking tot de in het Verenigd Koninkrijk gevoerde uitleveringsprocedure van [A] laat de rechtbank buiten beschouwing. Dit zijn ten behoeve van andere procedures, met andere wettelijk kaders, opgestelde documenten die niet doorslaggevend zijn voor de beoordeling van de in deze procedure voorliggende geschilpunten naar het daarop toepasselijk recht. De rechtbank laat hetgeen partijen over de relevantie en de juistheid van deze stukken naar voren brengen voor wat het is. bewijsnood Spirits ProCy ? 4.54. Spirits ProCy voeren onder verwijzing naar de strafvorderlijke beslagen op documenten van eind mei 1999-2000 en van juni-juli 2007, aan dat zij in bewijsnood verkeren, in het bijzonder met betrekking tot de transformatie van VVO naar VAO. 4.55. De rechtbank stelt vast dat Spirits ProCy desalniettemin in staat is gebleken de rechtbank in ruime mate van schriftelijke bewijsstukken te voorzien, ook over de gestelde transformatie van VVO naar VAO. Spirits ProCy laten na concreet aan te duiden welke relevante (categorieën) documenten in beslag zijn genomen. De opinie van Gladyshev waarnaar zij in dit verband verwijzen vermeldt slechts een veronderstelling dat relevante documenten in beslag zijn genomen, zonder concreet aan te duiden om welke documenten het zou kunnen gaan: “Given the comprehensive nature of removal of documents from the premises of (ZAO) one should assume that the crucial documents relating to the transformation (...) have been taken.” Deze enkele, niet nader geconcretiseerde veronderstelling is onvoldoende om in algemene zin te kunnen concluderen dat Spirits ProCy in bewijsnood verkeren en daar enige consequentie aan te verbinden bij de vaststelling van de relevante feiten en omstandigheden. Dit geldt temeer daar het gaat om beslagen bij ZAO, niet VZAO, terwijl moet worden aangenomen dat VAO (later VZAO) in 1992 bij het overnemen van de activiteiten van de VVO ook de administratie van VVO zal hebben overgenomen met daarin alle relevante stukken over de gestelde transformatie. de betekenis van de registratie van de VAO bij de Registratiekamer te Moskou 4.56. Spirits ProCy wijzen erop dat de Registratiekamer te Moskou belast is met het onderzoeken van en het vaststellen dat de documentatie van een transformatie aan de wettelijke eisen voldoet en registratie kan weigeren aan een onderneming, die daartegen in rechte kan opkomen. Zij betogen dat uit de registratie van VAO in 1992 blijkt dat de voor transformatie relevante documentatie, toen in ieder geval compleet was en door de Registratiekamer als volledig en wetsconform is beoordeeld. Het nu ontbreken van (volledige) documentatie over de transformatie is het gevolg van toedoen van de Russische Federatie en moet voor risico blijven van FKP, aldus Spirits ProCy, die voorts betogen dat vanwege de registratie en het daaraan voorafgaande onderzoek door de Registratiekamer, de rechtsgeldigheid van de transformatie als uitgangspunt moet worden genomen. 4.57. De rechtbank volgt Spirits ProCy niet in dit betoog en overweegt daartoe als volgt. 4.58. Paragraaf 9 van het USSR-decreet nr. 590 vermeldt de documenten die moeten worden ingediend bij de registratie-aanvraag. Dat zijn:
- a)de registratieaanvraag;
- b)notarieel gelegaliseerde afschriften van de oprichtingsdocumenten;
- c)een afschrift van het gezamenlijk besluit van het arbeiderscollectief en het bevoegde Staatsorgaan. Deze documenten vormen het schriftelijk bewijs van stap 1 en stap 4 van het transformatieproces naar USSR-recht en de aanvraag voor stap 5. Ook als de complete voor registratie vereiste documenten zijn ingediend, kan op basis daarvan dus niet worden vastgesteld dat alle stappen uit de USSR- transformatieprocedure (ook stap 2 en 3) zijn doorlopen. Gesteld noch gebleken is dat andere documenten behoefden te worden overgelegd bij de registratieaanvraag, noch dat dit feitelijk is gebeurd bij de aanvraag tot registratie van VAO. 4.59. Uit het voorgaande volgt dat het ten behoeve van de registratie van VAO uit te voeren onderzoek van de Registratiekamer op grond van de ingediende documenten niet kan leiden tot de conclusie dat alle vereiste stappen van de USSR-transformatieprocedure zijn doorlopen. Dit reeds staat eraan in de weg dat de rechtbank op grond van de registratie door de Registratiekamer als vaststaand aanneemt dat VVO volgens het USSR-recht is getransformeerd naar VAO. 4.60. Voorts wijst FKP terecht erop dat in eerste instantie uit de registratie zelf niet ondubbelzinnig kon worden afgeleid dat VAO de getransformeerde VVO was. Dat stond alleen vermeld in de bij de aanvraag overgelegde statuten van VAO Die omstandigheid en het feit dat VAO hetzelfde OKAP-nummer (het registratienummer bij de Registratiekamer) had als VAO – hetgeen weer wel kan duiden op rechtsopvolging en daarmee op transformatie – zijn echter niet voldoende om de conclusie te rechtvaardigen dat er een rechtsgeldige transformatie heeft plaatsgevonden. 4.61. Voor het eerst in april 1992 vermeldden de door de Registratiekamer afgegeven certificaten VAO als rechtsopvolger van VVO. Daarvoor vermeldden deze certificaten alleen dat VAO was geregistreerd; zij konden evenzeer betrekking hebben op een nieuw opgerichte private rechtspersoon. Dat laatste stemt overeen met de registratieaanvragen: de registratieaanvraag van 25 december 1991 verwijst niet naar de relevante USSR of RSFSR regels over transformatie van staatsondernemingen, alleen naar RSFSR resolutie nr. 601 die ziet op aandelenvennootschappen. De daarop volgende aanvragen – waarvan die van 26 december 1991 volgens Spirits ProCy een aanvulling is op die van 25 december 1991 – vermeldden evenmin iets over transformatie; daarin stond alleen dat VVO en anderen VAO hadden opgericht. de jarenlang breed bestaande en – ook door de Russische Federatie uitgedragen – opvatting dat VAO de rechtsopvolger van VVO was 4.62. Spirits ProCy benadrukken dat in de jaren ’90 van de vorige eeuw velen, ook overheidsfunctionarissen en bewindslieden uit de toenmalige Russische regeringen, ervan uitgingen dat VAO de rechtsopvolger van VVO was en dat de rechten op de wodkamerken aan VAO toebehoorden. VAO is toen ook in vele officiële stukken aangeduid als rechtsopvolger van VVO en rechthebbende van de merken. De Russische Federatie heeft VAO in 1993-1994 gesteund bij het herstel van de inschrijving van de in 1991 doorgehaalde Russische wodkamerken Stolychnaya en Moskovskaya. In 1996 heeft de vice-minister van economische zaken van de Russische Federatie nog bevestigd dat VAO rechthebbende was op de Russische merken Stolychnaya en Moskovskaya. 4.63. Deze in de jaren ’90 van de vorige eeuw, wijdverbreid levende en ook door en namens de Russiche Federatie actief uitgedragen opvatting dat VAO de rechtsopvolger was van VVO is echter, net zo min als de registratie van VAO, doorslaggevend voor de vraag of VVO is getransformeerd naar VAO. Dat geldt eens temeer nu deze bij velen levende veronderstelling mede kan worden verklaard door het gegeven dat VAO de activiteiten van VVO had voortgezet en zich presenteerde als rechtsopvolger van VVO. 4.64. Spirits ProCy zien het handelen van de Russische Staat tot 1999/2000, in het bijzonder de steun aan het herstel van de registratie van de Russische merken op naam van VAO en het actief uitdragen dat VAO na transformatie rechthebbende van de merken was, als ‘erkenning’ van het bestaan van VAO als rechthebbende van de merken. Anders dan zij betogen, volgt uit deze actieve steun en de tot 1999/2000 gehuldigde opvatting van de Russische Federatie niet dat ‘dus’ de transformatie voltooid en rechtsgeldig is. Iets anders is of dit handelen van de Russische Federatie tot 1999/2000 consequenties moet hebben voor de vraag of de door haar gepretenteerde rechten op de merken nu nog kunnen worden ingeroepen. Die vraag zal nog aan de orde komen, aangezien Spirits ProCy ook op deze omstandigheden hebben gewezen bij hun beroep op verkrijging te goeder trouw van de merken door ZAO en Spirits International en ter onderbouwing van hun beroep op verjaring en rechtsverwerking. 4.65. Spirits ProCy achten nog van belang dat VAO de facto een door de RSFSR gecontroleerd bedrijf bleef, omdat de resterende aandelen, naast de 30% van het arbeiderscollectief, in bezit waren van andere staatsbedrijven. Dit aandeelhouderschap van deze andere staatsbedrijven zegt echter niets over het al dan niet juist en volledig doorlopen van het transformatieproces volgens het USSR-recht. Integendeel, het feit dat VVO één van de aandeelhouders van VAO was, wijst veeleer erop dat geen geldige transformatie heeft plaatsgehad. de intentie om VVO te transformeren naar een private onderneming en de mededelingen daarover van (functionarissen van) VAO 4.66. Uit de in het geding gebrachte stukken kan worden afgeleid dat onmiskenbaar de intentie bestond om VVO te transformeren naar een private onderneming: snel nadat dit mogelijk werd, is die intentie uitgesproken en ook aan andere relevante personen en intenties kenbaar gemaakt. Deze vaststaande en door Spirits ProCy benadrukte intentie, die ook daarna – en mogelijk tot eind december 1991, toen de aanvraag voor registratie van VAO werd gedaan, heeft bestaan – is een relevante omstandigheid bij de beoordeling van de gestelde transformatie, maar is op zich niet voldoende om de transformatie vast te kunnen stellen. 4.67. De vermelding in de statuten van VAO en andere van VAO afkomstige stukken dat zij rechtsopvolger van VVO is, zijn alle van VAO zelf afkomstige mededelingen over haar rechtspositie, waaraan geen doorslaggevende betekenis kan worden gehecht voor de vraag of alle stappen van het USSR-transformatieproces zijn doorlopen. Dat geldt ook voor het gegeven dat functionarissen van VAO in 1993-1995 in buitenlandse procedures onder ede hebben verklaard dat VAO na een rechtsgeldige transformatie rechthebbende was van de nationale merken waarover die procedures gingen. andere transformaties van staatsbedrijven 4.68. Partijen wijzen op andere al dan niet juist en volledig doorlopen transformaties van USSR-staatsondernemingen naar private bedrijven en de ‘revindicaties’ van andere voormalige USSR-staatsondernemingen. Deze zijn echter niet relevant voor de in deze procedure te beantwoorden vragen, die dienen te worden beantwoord op grond van de relevante feiten en omstandigheden met betrekking tot de gestelde transformatie van VVO naar VAO. schriftelijke verklaringen van direct bij de gestelde transformatie en bij de VVO en VAO betrokken personen 4.69. De rechtbank slaat geen acht op de door partijen overgelegde schriftelijke verklaringen van een aantal direct bij de gestelde transformatie en bij de VVO en VAO betrokken personen. Deze verklaringen vermelden in de regel geen redenen van wetenschap en evenmin de feiten en omstandigheden waarop de door deze personen gemaakte gevolgtrekkingen zijn gebaseerd. Voorts laten de verklaringen in een aantal gevallen voortschrijdend inzicht zien over (de kwalificatie van) de gebeurtenissen, zonder dat duidelijk is welke verklaring voor juist dient te worden gehouden. Dat geldt ook voor de verklaringen die onder ede zijn afgelegd in buitenlandse procedures in de periode 1993-1995 of gelijkluidend zijn aan destijds onder ede afgelegde verklaringen. Deze verklaringen hebben in deze procedure dezelfde bewijskracht als de andere, niet onder ede afgelegde verklaringen: het is in deze procedure allemaal schriftelijk bewijs met vrije bewijskracht. 4.70. Nu de rechtbank deze verklaringen buiten beschouwing laat, behoeven de opmerkingen van partijen over de mogelijke redenen voor het afleggen van de ene of de andere (tegenstrijdige) verklaring en dit voortschrijdend inzicht over de kwalificatie van de gebeurtenissen geen bespreking. is de USSR-transformatieprocedure doorlopen ? 4.71. De rechtbank komt nu toe aan de vraag of het hele transformatieproces naar USSR recht (zoals beschreven in 4.48) is doorlopen. FKP heeft het gelijk aan haar zijde met haar stelling dat dit niet is gebeurd. De rechtbank overweegt daartoe als volgt. 4.72. De eerste stap in het USSR-transformatieproces is het gezamenlijk besluit van het arbeiderscollectief en het relevante Staatscomité. FKP betwist de echtheid van het gezamenlijke besluit van 20 september 1990. Dit geschilpunt kan gelet op het navolgende onbesproken blijven. 4.73. Vast staat dat het arbeiderscollectief in september 1990 heeft besloten dat zij wilde overgaan tot privatisering van VVO. Het was onbetwist toen de intentie van VVO om te transformeren naar een private onderneming. Dit staat ook in de brief van VVO aan het Staatscomité van 11 oktober 1990 (zie 2.17). Uit het antwoord daarop van het Staatscomité van 5 november 1990 (zie 2.18) kan – in beide vertalingen – worden afgeleid dat het Staatscomité in beginsel positief stond tegenover privatisering van VVO. Wel stelde het Staatscomité als (nadere) voorwaarde dat zou worden voldaan aan de in die brief genoemde aanstaande regelgeving en dat de statuten van het geprivatiseerde bedrijf daarmee in overeenstemming zouden zijn. Niet in geschil is dat het Staatscomité deze voorwaarde kon verbinden aan haar toestemming. Eerst op 1 juli 1991 is nadere USSR-regelgeving over eigendom en transformatie van staatsbedrijven afgekondigd. Partijen nemen tot uitgangspunt dat deze USSR-regelgeving nooit feitelijk van kracht is geworden. Of dat klopt, behoeft niet te worden uitgezocht, aangezien niet in geschil is dat de gestelde transformatie niet aan de eisen van deze door te voeren USSR-regelgeving voldeed. 4.74. Dit een en ander betekent dat de voorwaarde waaronder deze toestemming is gegeven nooit is vervuld en nooit is voldaan aan alle voorwaarden van de in 4.48 beschreven eerste stap. Dit geldt ook als de door het Staatscomité gestelde voorwaarde geacht moet worden ook betrekking te hebben gehad op de RSFSR-regeling over eigendom en privatisering die vanaf december 1990 was afgekondigd. Niet in geschil is dat de RSFSR-privatiseringsprocedure nooit volledig en juist is doorlopen. 4.75. De derde en vierde stap van het USSR-privatiseringsproces zijn het uitgeven van de aandelen en een oprichtingsvergadering. De aandelen moeten hetzij worden uitgegeven aan de in het gezamenlijk besluit genoemde aandeelhouders, hetzij bij openbare inschrijving worden aangeboden. Geen van beide is gebeurd. De aandeelhouders van VAO zijn niet genoemd in het gezamenlijk besluit. Spirits ProCy voeren onweersproken aan dat de aandelen zijn aangeboden door uitnodigingen te verzenden aan niet nader geduide andere staatsbedrijven en mogelijk geïnteresseerde investeerders. Deze wijze van benaderen van mogelijk geïnteresseerde investeerders kan niet gelden als een openbare inschrijving. 4.76. FKP wijst voorts terecht erop dat alleen de statuten die tijdens de oprichtingsvergadering van VAO zijn vastgesteld vermelden dat VAO rechtsopvolger is van VVO. Niet blijkt dat dit tijdens de oprichtingsvergadering met zoveel woorden is besproken, terwijl VVO als eerste genoemd staat in de bij de notulen gevoegde lijst van oprichters en aandeelhouders van VAO. De bij de oprichtingsvergadering vastgestelde hoedanigheid van aandeelhouder van VVO is niet verenigbaar met transformatie van VVO naar VAO, waarbij VVO ophoudt te bestaan op het moment dat de transformatie is voltooid (zie ook hierna). Er heeft derhalve wel een oprichtingsvergadering plaatsgevonden, maar de besluiten daarin behoren niet tot een transformatieproces van VVO naar VAO. Van een oprichtingsvergadering als bedoeld in de vierde stap lijkt daarmee geen sprake. 4.77. De laatste constitutieve stap in het USSR-transformatieproces, registratie van VAO, heeft plaatsgehad op 20 januari 1992, derhalve nadat de USSR heeft opgehouden te bestaan. Volgens Spirits ProCy staat dit niet in de weg aan een geldige transformatie naar USSR-recht. Voor zover zij heeft bedoeld te betogen dat de registratie is afgerond met het doen van de aanvragen voor registratie op 25 en 26 december 1991, kan dat standpunt niet worden gevolgd. Niet de aanvraag maar de registratie door de Registratiekamer is een constitutief vereiste. Voor zover dit standpunt impliceert dat het USSR-recht na de val van de USSR van toepassing bleef op transformaties van staatsondernemingen die op 25 december 1991 nog niet waren afgerond, kan het ook niet slagen, nu gesteld noch gebleken is van eerbiedigende werking van de relevante bepalingen van USSR-recht. Integendeel, de RSFSR heeft al voor het verdwijnen van de USSR de suprematie van haar grondwet en haar recht afgekondigd voor zijn grondgebied en de privatisering van staatseigendom gereguleerd, onder meer in de RSFSR privatiseringswet van 1 juli 1991. 4.78. Spirits ProCy verwijzen in dit verband naar de continuïteitsleer bij opvolging van staten, die – kort gezegd – inhoudt dat de opvolgende staat in de door de verdwijnende staat aangegane rechten en verplichtingen treedt en gehouden is de rechtshandelingen, verricht in het tijdperk en onder het recht van de verdwijnende staat na transitie te respecteren. Zij verwijzen in algemene zin naar dit leerstuk, zonder te concretiseren waarom dat naar het recht van de Russische Federatie geldt en het door hen gewenste gevolg heeft. Dit reeds staat in de weg aan het honoreren van het standpunt van Spirits ProCy. Bovendien kan een lopend transformatieproces niet worden aangemerkt als een door de USSR aangegane verplichting, die de Russische Federatie op grond van de continuïteitsleer dient te eerbiedigen. Dat – naar FKP ook niet heeft betwist – voor de val van de USSR gedane aanvragen tot registratie van ondernemingen dienden te worden uitgevoerd (indien en voor zover deze aan de gestelde eisen voldeden) is geen grond om te concluderen dat een ten tijde van de val van de USSR nog niet afgeronde transformatie door de RSFSR als geldig moet worden aanvaard. Dat geldt ook als de privatiseringshandelingen, zoals volgens Spirits ProCy het geval is, ‘nagenoeg geheel’ waren voltooid in het USSR-tijdperk, dat eindigde op het moment dat de USSR met ingang van 26 december 1991 ophield te bestaan. 4.79. De door Spirits ProCy genoemde omstandigheid dat de RSFSR zelf pas vanaf december 1992 begon te worden erkend in de internationale gemeenschap, is in dit verband niet relevant, net zo min als de vraag of het al dan niet te wijten is aan VAO dat registratie pas na de val van de USSR plaatsvond dan wel of VAO er alles aan heeft gedaan om een en ander rond te krijgen voordat de USSR ophield te bestaan. 4.80. De slotsom is dat niet is voldaan aan de in 4.48 opgesomde stappen 1, 3, en 5 die volgens het recht van de USSR vereist zijn voor een transformatie van een staatsonderneming naar private rechtspersoon, terwijl de vierde stap is uitgevoerd op een wijze die ook niet te rijmen valt met een transformatie. voortbestaan VVO na 20 januari 1992 4.81. Een tweede grond om te concluderen dat geen geldige transformatie van VVO naar VAO heeft plaatsgehad, is dat VVO na 20 januari 1992 is blijven voortbestaan. VVO was tot de vergadering van aandeelhouders van 22 april 1993, toen zij uit die hoedanigheid werd ontheven, aandeelhouder van VAO, met ruim 28% van de aandelen. Zoals hiervoor is overwogen, is dit niet verenigbaar met een geldige transformatie, die tot gevolg zou hebben gehad dat VVO niet meer bestond. 4.82. Spirits ProCy hebben het bij de oprichting van VAO noemen van VVO als aandeelhouder verklaard door aan te voeren dat VVO een ‘parkeerplaats’ was voor de aandelen van het arbeiderscollectief omdat nog geen nieuwe rechtspersoon was opgericht waarin deze aandelen konden worden ondergebracht. Zij verwijzen naar de opinie van Newbury waarin het aandeelhouderschap van VVO wordt aangeduid als: “merely a notational convenience – a method to list shares that had been reserved for a company that would hold their shares”. Dit verweer is echter innerlijk tegenstrijdig. Als een parkeerplaats nodig was voor de aandelen in VAO, kon de volgens Spirits ProCy van VVO in VAO getransformeerde rechtspersoon niet die ‘parkeerplaats’ vormen. Dan zou zij immers de aandelen in zichzelf houden. 4.83. Het standpunt van Spirits ProCy laat bovendien onverlet dat VVO na oprichting van VAO bleef bestaan en gaat eraan voorbij dat niets in de weg stond aan aandeelhouderschap van het werknemerscollectief of de individuele werknemers. Er was dus geen enkele noodzaak voor het ‘parkeren’ van de aandelen van het arbeiderscollectief bij VVO in afwachting van de oprichting van TOO Implod. Daarnaast is onduidelijk waarom TOO Implod pas in juni 1992 is opgericht, terwijl het arbeiderscollectief al in september 1990 had besloten VVO te privatiseren. Dat, zoals Spirits ProCy onder verwijzing naar de opinie van Newbury aanvoeren, destijds vaak TOO’s werden opgericht door arbeiderscollectieven en dat de TOO als rechtsvorm populair was vanwege de beperkte aansprakelijkheid van de aandeelhouders, verklaart mogelijk de keuze voor deze rechtsvorm, maar niet waarom het nodig was dat de aandelen van het arbeiderscollectief eerst geruime tijd werden gehouden door VVO. 4.84. In de eind april 1993 ingediende herziene versie van de oorspronkelijke registratieaanvraag staat TOO Implod als eerste vermeld in de lijst van oprichters en aandeelhouders, in de plaats van VVO die in deze aanvraag niet wordt vermeld. De registratie van VAO is vervolgens aangepast aan deze nieuwe versie van de aanvraag. Volgens Spirits ProCy betekent dit dat VVO ‘juridisch gezien’ nooit geregistreerd is als aandeelhouder van VAO of zelfs als tijdelijke plaatsvervanger. Dit staat echter niet in de opinie van Newbury waarnaar zij ter onderbouwing van dit standpunt verwijzen. Newbury schrijft: “This sequence of events clearly indicates that TOO Implod replaced [onderstreping rechtbank] “VVO Sojuzplodoimport” in the list of shareholders.” Dat VVO later ‘op papier’ als aandeelhouder van VAO is vervangen door TOO Implod doet niet af aan het gegeven dat zij die hoedanigheid ruim een jaar heeft gehad. Dat geldt ook als een en ander met terugwerkende kracht zou zijn aangepast. 4.85. Dat VVO gedurende lange tijd niet geregistreerd was in het handelsregister en haar OKAP-nummer is gebruikt bij registratie van VAO – hetgeen weer wel kan wijzen op rechtsopvolging en dus transformatie – betekent niet zonder meer dat VVO op 20 januari 1992 is opgehouden te bestaan. Hieruit kan alleen worden afgeleid dat zij niet geregistreerd was als onderneming en geen handelsactiviteiten kon ontplooien. 4.86. Vaststaat dat VAO vanaf januari 1991 handelsactiviteiten van VVO heeft overgenomen en schulden van VVO heeft voldaan. Niet in geschil is dat VVO op een gegeven moment geen betaalrekeningen meer aanhield en niet meer aan de verplichtingen voldeed die op Russische ondernemingen rustte, zoals het betalen van belasting en rapportageverplichtingen aan de autoriteiten. Gesteld noch gebleken is echter dat naar het toepasselijk Russisch recht het enkele niet actief zijn van een (staats)onderneming – en het feitelijk voortzetten van de activiteiten door een andere onderneming – betekent dat de rechtspersoon is opgehouden te bestaan. Het niet betalen van belasting en het niet nakomen van de rapportageverplichtingen, betekent slechts dat VVO de voor haar geldende voorschriften niet naleefde, niet dat zij niet langer bestond. Naast het eerder genoemde aandeelhouderschap in VAO wijzen – integendeel – omstandigheden als het in 1992 nog sluiten van overeenkomsten door VVO erop dat VVO na 20 januari 1992 (de datum van registratie van VAO) nog bestond. slotsom transformatie VVO naar VAO 4.87. Nu niet alle stappen van de USSR-transformatieprocedure zijn doorlopen en VVO na 20 januari 1992 nog bestond, luidt de slotsom dat VVO niet volgens het USSR-recht is getransformeerd naar VAO. Gelet op hetgeen hiervoor sub 4.47 is overwogen, behoeft ook niet nader te worden onderzocht of de transformatie werd beheerst door dit recht of het recht van de RSFSR. in alle zaken 4.88. Niet in geschil is dat zonder geldige transformatie geen overgang onder algemene titel van de merken van VVO naar VAO heeft plaatsgehad. De merken zijn ook niet op andere wijze onder algemene of andere titel overgegaan van VVO naar VAO, die dus vanaf januari 1992 zonder grond pretendeerde rechthebbende te zijn van de merken, die Russische staatseigendom waren gebleven. VII Nietigheid van de overeenkomst tussen ZAO en Spirits International ? 4.89. FKP roept de nietigheid van de koopovereenkomst tussen ZAO en Spirits International in. Deze koopovereenkomst bevat een rechtskeuze voor Nederlands recht. Het geschil over de geldigheid van deze overeenkomst wordt daarom beheerst door Nederlands recht. 4.90. FKP stelt dat “de verkoop van verduisterde/gestolen goederen (...) evident in strijd (
- is)met de goede zeden en/of de openbare orde in de zin van art. 3:40 lid 1 BW.” en wijst erop dat Spirits International wist dat ZAO de merken niet rechtsgeldig had verkregen. 4.91. Een rechtshandeling die door inhoud of strekking in strijd is met de openbare orde of de goede zeden is op grond van artikel 3:40, lid 1, BW nietig. ‘Openbare orde’ in de zin van art. 3:40 lid 1 BW is een open norm waarvan de invulling in beginsel aan de rechter is voorbehouden. Daarbij geldt als uitgangspunt dat de openbare orde de fundamentele beginselen van de rechtsorde en algemene belangen van fundamentele aard omvat. De ‘goede zeden’ verwijzen naar het maatschappelijke oordeel over wat hoort of niet hoort, of de moraal. De geldigheid van een overeenkomst die naar inhoud of strekking mogelijk in strijd is met de openbare orde of de goede zeden moet naar het tijdstip van het verrichten van de rechtshandeling beoordeeld worden. 4.92. Zonder nadere toelichting kunnen de vaststaande feiten de door FKP gewenste gevolgtrekking niet dragen. Dat geldt ook in het geval zou komen vast te staan dat ZAO niet beschikkingsbevoegd was ten aanzien van de merken toen zij deze verkocht aan Spirits International. Het sluiten van een overeenkomst met een beschikkingsonbevoegde kan bij bekendheid met die beschikkingsonbevoegdheid in de weg staan aan verkrijging te goeder trouw, maar is onvoldoende voor nietigheid. FKP, op wie de stelplicht en bewijslast rust, laat na haar hiervoor onder 4.90 genoemde stelling verder te concretiseren. Dit had wel van haar verwacht kunnen worden, zeker in het licht van de gemotiveerde betwisting van deze stelling door Spirits cs. Vordering V wordt daarom afgewezen. VIII Verkrijging te goeder trouw van de merken ? in alle zaken toepasselijk recht 4.93. Het geschil over de vraag of ZAO en Spirits International een beroep kunnen doen op bescherming als verkrijger te goeder trouw van de merken ziet op een goederenrechtelijk aspect van deze overdrachten van de merken. Het gaat om de goede trouw van ZAO en Spirits International bij verkrijging van de merken toen deze aan hen werden overgedragen. Dit staat los van de merkenrechtelijke kwade trouw die aanwezig kan zijn bij het doen van een merkdepot. 4.94. Tussen partijen is in geschil welk recht van toepassing is op deze vraag. Naar het oordeel van de rechtbank dient naar Nederlands internationaal privaatrecht voor de goederenrechtelijke aspecten van de overdracht van merken te worden aangeknoopt aan het nationale recht van het land voor het grondgebied waarvoor de merkenrechtelijke bescherming wordt ingeroepen (lex loci protectionis). Met die aanknoping wordt allereerst aansluiting gezocht bij de aanknoping voor zakelijke rechten (waarin volgens Nederlands IPR de lex rei sitae van toepassing is). Deze aanknoping lijkt voorts de heersende leer te zijn in de literatuur en is tot uitgangspunt genomen in de artikelen 3:102 en 3:301 van de (niet bindende) Principles on Conflict of Laws in Intellectual Property (CLIP). Bovendien wordt die aanknoping ook in andere Europese rechtsstelsels toegepast, zo blijkt uit die literatuur, wat leidt tot internationale uniformiteit. Dit beginsel is ook toegepast door het Hof Den Haag in de Rotterdamse procedure (zie r.o. 8.1 van het arrest). Of Spirits International de merken te goeder trouw verkregen heeft, zal de rechtbank dus beoordelen naar Deens recht (merken a tot en met c), Frans recht (merken d en e), Iers recht (merken f en g), Italiaans recht (merken h en i), Noors recht (merken j en k), Spaans recht (merk l), Portugees recht (merken m en n), Zweeds recht (merken o en p), Zwitsers recht (merken q en r), het recht van het Verenigd Koninkrijk (merken s tot en met v), Cypriotisch recht (merk w), Pools recht (merk
- x)en Tsjechisch recht (merk y). 4.95. Het standpunt van FKP cs dat dit geschilpunt wordt beheerst door Nederlands recht gaat uit van een andere, niet toepasselijke verwijzingsregel waarbij wordt aangeknoopt bij het recht dat de overeenkomst beheerst. FKP wijst daarbij erop dat een aanknoping aan de lex loci protectionis inefficiënt is, omdat daarmee een bundel van rechten ieder op verschillende wijze beoordeeld zal worden. In een situatie als de onderhavige, waarin sprake is van overdrachten van merken voor verschillende territoria, kan dat ertoe leiden dat sommige overdrachten wel geldig zijn en andere niet. Dat argument overtuigt de rechtbank niet. Daar staat immers tegenover, dat bij de door FKP voorgestane aanknoping aan het recht dat van toepassing is op de overeenkomst van overdracht, bij opvolgende overdrachten op ieder daarvan een ander rechtsstelsel van toepassing zou kunnen zijn. In dat opzicht biedt aanknoping aan de lex loci protectionis juist meer rechtszekerheid; het territorium van een merkrecht wijzigt immers niet. Anders dan FKP betoogt, is evenmin grond om aan te knopen bij Nederlands recht vanwege nauwe verbondenheid met Nederland. Voor zover een nauwe verbondenheid al afwijking van de lex loci protectionis zou rechtvaardigen, is onvoldoende het enkele feit dat deze nationale merken zijn verkocht in een door Nederlands recht beheerste overeenkomst aan een in Nederland zetelende rechtspersoon naar Nederlands recht. 4.96. De rechtbank volgt evenmin Spirits cs in hun aanvankelijke betoog over de toepasselijke verwijzingsregel en het – in hun optiek – toepasselijke Russisch recht. Dit betoog is gebaseerd op een (partij)deskundigenbericht waarin kritiek wordt geuit op de door het Haagse gerechtshof in de Rotterdamse procedure toegepaste verwijzingsregel. Voor zover hier van belang wordt in dit stuk betoogd dat accessoire aanknoping had dienen plaats te vinden aan het Russisch recht, nu alle relevante aanknopingsfactoren wijzen op de toepasselijkheid van dat recht. Voor zover al via accessoire aanknoping tot een toepasselijk recht op de goede trouw bij deze verkrijging gekomen zou moeten worden, zou dat overigens niet leiden tot toepasselijkheid van Russisch recht, maar evenzo van de rechtsstelsels van de betrokken landen waar de merkrechten zijn geregistreerd en kunnen worden uitgeoefend. Overigens lijkt Spirits cs dit standpunt bij pleidooi te hebben verlaten en zich onder overlegging van een deskundigenverklaring van prof. mr. X.E. Kramer op het standpunt te hebben gesteld dat de lex loci protectionis het juiste aanknopingspunt vormt. 4.97. Dat – zoals Spirits cs terecht opmerken – hier drie verschillende overdrachten van de merken aan de orde zijn – eerst onder algemene titel van VVO naar VAO bij de gestelde transformatie en vervolgens twee keer onder bijzondere titel bij de verkoop van de merken – laat onverlet dat de goederenrechtelijke vraag naar de goede trouw van de verkrijgers wordt beheerst door de hiervoor onder 4.93 genoemde rechtsstelsels. Voor zover Spirits cs mede wensen te betogen dat moet worden aangeknoopt bij het recht dat de overeenkomsten in kwestie beheerst, gaan zij gelijk FKP cs niet uit van de juiste verwijzingsregel, zoals hiervoor reeds is overwogen onder 4.95. goede trouw bij verkrijging van de merken ? 4.98. Het zwaartepunt van de partijdiscussie over goede trouw bij verkrijging van de merken heeft gelegen bij (de betekenis van) de daarvoor mogelijk relevante feiten en omstandigheden. De discussie over dit geschilpunt is niet gevoerd aan de hand van het onder 4.93 aangeduide daarop toepasselijk recht. In een aantal opinies is aandacht besteed aan (de mogelijkheid van) verkrijging te goeder trouw van merken in (één of meerdere van) de desbetreffende rechtsstelsels. Dat neemt niet weg dat partijen zich nog niet volledig hebben uitgelaten over het op dit geschilpunt toepasselijk recht van de dertien betrokken landen en de toepassing daarvan. De rechtbank zal partijen, eerst Spirits cs, derhalve alsnog in de gelegenheid stellen zich daarover uit te laten. 4.99. Bij deze uitlatingen dienen partijen uit te gaan van de in dit vonnis vastgestelde feiten en het oordeel over de geldigheid van de transformatie van VVO naar VAO. Partijen kunnen zich ook uitlaten over de betekenis daarvan voor de beoordeling (indien relevant naar het toepasselijke recht) van de goede trouw van ZAO en Spirits International bij verkrijging van de merken naar het daarop toepasselijk recht. Indien en voor zover aan de orde kunnen partijen hun standpunten aanpassen aan dit toepasselijk recht. In dat verband kunnen zij zich bijvoorbeeld uitlaten over de betekenis naar het toepasselijk recht van het gegeven dat het gaat over overdrachten binnen de SPI Group en hetgeen zij over en weer naar voren hebben gebracht over de relevantie en de inhoud van de wetenschap van [A] en de, voorafgaand aan het door hem verwerven van aandelen in VZAO, uitgevoerde due diligence. Indien partijen de opvatting huldigen dat hun standpunten over de hoogte van de kooprijzen en de merkregistraties van belang zijn naar het toepasselijk recht, dienen zij hun standpunten daarover (verder) te concretiseren. 4.100. Gezien het voorgaande wenst de rechtbank van partijen per land een uiteenzetting van de toepasselijke rechtsregels op verkrijging te goeder trouw van merken van een niet beschikkingsbevoegde vervreemder. 4.101. De in reconventie voorwaardelijk ingestelde vordering tot betaling van schadevergoeding – die aan de orde is indien en voor zover Spirits International niet geldt als verkrijger te goeder trouw – doet de vraag rijzen of en in hoeverre de toepasselijke rechtsstelsels in zo’n geval ruimte bieden voor toekenning van schadevergoeding aan Spirits IntPro. Partijen hebben zich daarover niet uitgelaten. Zij zullen om proceseconomische redenen in de gelegenheid worden gesteld dat bij dezelfde akte te doen. 4.102. Nadat partijen zich hebben uitgelaten over de inhoud van het recht dat verkrijging te goeder trouw van ZAO en Spirits International beheerst en de toepassing daarvan, zal de rechtbank daarover in een volgend vonnis beslissen. Eerst dan en na beoordeling van het beroep van Spirits IntPro op verjaring en rechtsverwerking zal de rechtbank vaststellen wie nu als rechthebbende heeft te gelden van de merken in de betrokken landen. 4.103. Om redenen van proceseconomie zal de rechtbank de resterende geschilpunten in conventie en in (voorwaardelijke) reconventie thans reeds voor zover mogelijk behandelen. Uit een aantal overgelegde legal opinions en eigen ambtshalve verricht onderzoek van de rechtbank naar het toe te passen recht, komt namelijk naar voren dat het niet zeker is dat alle betrokken rechtsstelsels de bescherming van een verkrijger te goeder trouw van merken kennen dan wel voorzien in een daaraan gelijk te stellen rechtsfiguur. Dat betekent dat (in ieder geval) voor die landen de toewijsbaarheid van de vordering mogelijk afhangt van de vraag of het beroep van Spirits cs op verjaring en rechtsverwerking opgaat. 4.104. Spirits cs hebben zich in conventie in algemene zin beroepen op verjaring en rechtsverwerking van ‘de vorderingen’ en hebben dit verweer voor een aantal (onderdelen) van de vorderingen nader uitgewerkt. Gezien de kennelijke strekking van het betoog van Spirits cs, gaat de rechtbank ervan uit dat zij zich op het standpunt stellen dat alle (onderdelen van
- de)vorderingen in conventie verjaard zijn en/of dat FKP haar rechten dienaangaande heeft verwerkt. Daarmee komt de rechtbank nu toe aan de bespreking van de vorderingen en de daartegen gevoerde verjarings- en rechtsverwerkingsverweren. in conventie IX de primaire vorderingen I en II in de zaken tegen Spirits IntPro 4.105. De primaire vorderingen I en II bestaan uit drie onderdelen, te weten
- i)een gebod om mee te werken aan het op naam van FKP stellen van de merken althans
- ii)een gebod om mee te werken aan overdracht van de merken, met iii) bepaling dat het vonnis onder toepassing van artikel 3:300 BW (zo nodig) in de plaats treedt van het schriftelijk verzoek van Spirits International dan wel Spirits Product aan de merkenbureaus van de betrokken landen om de tenaamstelling te wijzigen. 4.106. Hiervoor onder 4.38 is reeds overwogen dat FKP niet bevoegd is tot het instellen van een vordering waarin Spirits International en Spirits Product worden geboden mee te werken aan overdracht van de merken aan FKP (onderdeel ii). Daarbij is overwogen dat in zoverre deze primaire vorderingen voor afwijzing gereed liggen. 4.107. Daarmee resteren de twee andere onderdelen de primaire vorderingen I en II:
- i)het gevorderde gebod aan Spirits International en Spirits Product om mee te werken aan wijziging van de tenaamstelling, met
- ii)bepaling dat het vonnis onder toepassing van artikel 3:300 BW (zo nodig) in de plaats treedt van het schriftelijk verzoek van Sp