← Nederland

ECLI:NL:RBDHA:2017:587

vonnis RECHTBANK DEN HAAG Team handel zaaknummer / rolnummer: C/09/499740 / HA ZA 15-1271 Vonnis van 25 januari 2017 in de zaak van [297 EISERS] eisers, advocaten mr. I.P.C. Sindram en mr. L.M.M. Rohof te Nijmegen, tegen de publiekrechtelijke rechtspersoon DE STAAT DER NEDERLANDEN, zetelende te Den Haag, gedaagde, advocaten mr. G.J.H. Houtzagers en mr. E.H.P. Brans te Den Haag. Partijen zullen hierna eisers en de Staat genoemd worden. INHOUDSOPGAVE 1De procedure………………………………………………………………………… 1 2De feiten….….………………………………………………………………………..1 Q-koorts .….……………………………………………………………………….. 1 betrokken instanties.……………………………………………………………….. 2 2005/2006.….……………………………………………………………………… 3 2007..….…………………………………………………………………………… 4 2008..….…………………………………………………………………………… 9 2009..….……………………………………………………………………………16 2010..….……………………………………………………………………………22 onderzoeken……………………………………………………………………….. 24 3Het wettelijk instrumentarium voor de bestrijding van infectieziekten………… 25 aanwijzing besmettelijke dierziekte……….………………………………………. 25 voorschriften voor besmettelijke dierziekten: meldplichten en verplaatsingsverbod……………………..……………………………………….... 27 bevoegdheid minister LNV tot het stellen van regels en het treffen van maatregelen.….…………………………………………………………………… 28 4Het geschil…….……………………………………………………………..…........ 30 5De beoordeling….…………………………………………………………..…......... 30 A. Inleiding….…………………………………………………………..…........... 30 B. Algemene overwegingen en toetsingskader….…………………………........... 31 C. Onrechtmatig handelen….…………………………………………………...... 34 bekendheid bij de Staat van het gevaar van Q-koorts en de kans op een omvangrijke uitbraak van deze ziekte in Nederland………………………….. 34 C1. Eerste hoofdverwijt: maatregelen waren onvoldoende en te traag…………….37 algemene overwegingen over het treffen van maatregelen met betrekking tot Q-koorts………………….................................................................................. 38 (

  1. i)bronopsporing en meldplicht…………………........................................... 41 (
  2. a)juli 2007…………………...................................................................... 42 (
  3. b)oktober 2007…………………............................................................... 43 (
  4. c)juni 2008…………………..................................................................... 44 meldplicht te lankmoedig?…………………............................................... 45
  5. ii)geen vervoersverbod bij de uitbraak in Herpen maar pas eind 2009…….. 45 iii) hygiëne- en mestmaatregelen…………………........................................ 47 (
  6. a)hygiënemaatregelen…………………................................................... 48 (
  7. b)mestmaatregelen…………………........................................................ 51
  8. iv)vaccinatie…………………........................................................................ 52
  9. v)tankmelktest………………….................................................................... 54 (
  10. a)de beschikbaarheid en de inzetbaarheid van de tankmelktest…………54 (
  11. b)niet meteen in 2007 invoeren van de verplichte tankmelktest………... 56 (
  12. c)“niets doen” met de onderzoeksresultaten van december 2008 ……….51 (
  13. vi)fokverbod en ruimen………………………………………………..…….. 61 tussenconclusie………………….................................................................62 C2. Tweede hoofdverwijt: onvoldoende voorlichting.............................................. 62 (
  14. i)stellingen eisers………………………………............................................ 62 (
  15. ii)beoordelingskader………………………………………………………… 62 (iii) communicatiebeleid………………………………………………………. 64 (
  16. iv)informatie over besmet verklaarde bedrijven…………………………….. 66 tussenconclusie ……………………………............................................ 67 D. Slotsom…………………………………………………………………………. 67 E. De proceskosten………………………………………………………………… 67 6De beslissing…….……………………………………………………………..…...... 67 1De procedure 1.1. Het verloop van de procedure blijkt uit: de dagvaarding van 2 november 2015, met producties; de conclusie van antwoord, met producties; het tussenvonnis van 13 april 2016, waarbij een comparitie van partijen voor een meervoudige kamer is bevolen; het proces-verbaal van comparitie van 17 oktober 2016 en de daarin genoemde stukken. 1.2. De advocaten van partijen zijn in de gelegenheid gesteld opmerkingen te maken bij het, buiten hun aanwezigheid opgemaakte, proces-verbaal van de comparitie van 17 oktober 2016. Mr. Sindram heeft van deze gelegenheid gebruikgemaakt bij brief van 23 november 2016. Dit vonnis wordt gewezen met inachtneming van zijn opmerkingen. 1.3. Ten slotte is vonnis bepaald op heden. 2De feiten Q-koorts 2.1. Q-koorts is een infectieziekte die van dieren op mensen kan worden overgedragen, een zogenoemde zoönose. De verwekker van Q-koorts is het micro-organisme Coxiella burnetii (hierna: C. burnetii). 2.2. Q-koorts bij de mens is in Nederland sinds 1978 aangifteplichtig op grond van de Infectieziektenwet respectievelijk de Wet Publieke Gezondheid (WPG). 2.3. In 2007-2010 heeft zich in Nederland een Q-koorts-epidemie voorgedaan, waarbij veel mensen als gevolg van besmetting met C. burnetii ziek zijn geworden. In 2007 werden 168 humane besmettingen met C. burnetii (hierna: ziektegevallen) gemeld. Het aantal meldingen liep in 2008 op tot 1.000 en in 2009 tot 2.354. In 2010 daalde het aantal gemelde ziektegevallen naar 504. In de daaropvolgende jaren 2011 tot en met 2015 werden respectievelijk 81, 66, 19, 26 en 23 ziektegevallen gemeld. Er zijn als gevolg van de epidemie naar schatting 75 mensen overleden aan Q-koorts. 2.4. Eisers zijn vrijwel allemaal besmet (geweest) met C. burnetii en hebben ziekteverschijnselen van Q-koorts ontwikkeld. Enkele eisers zijn nabestaanden van personen die als gevolg van zo een besmetting zijn overleden. 2.5. C. burnetii is zeer besmettelijk en kan vele diersoorten infecteren. Het inademen van een besmet aerosol (vocht- of stofdeeltje) wordt beschouwd als de belangrijkste besmettingsroute. Bij dieren verloopt de infectie met deze bacterie veelal zonder symptomen. Wel kan Q-koorts bij kleine herkauwers, zoals geiten en schapen, leiden tot abortussen. Bij abortussen scheiden de besmette dieren zeer hoge concentraties C. burnetii uit. Daarnaast scheiden besmette dieren de bacterie met tussenpozen uit via urine, ontlasting en melk. 2.6. Humane besmetting met Q-koorts manifesteert zich in verschillende vormen. In de meeste gevallen (zo’n 60%) verloopt de ziekte zonder klachten. In de rest van de gevallen vertonen geïnfecteerde personen wel ziekteverschijnselen, in de regel met een griepachtig ziektebeeld. In een kleine minderheid van de gevallen heeft de ziekte een ernstig beloop, zelfs met de dood tot gevolg. Bij één tot vijf procent van de geïnfecteerde personen ontwikkelt zich chronische Q-koorts. 2.7. In de periode van 1978 tot en met 2006 werden gemiddeld twintig tot 25 gevallen van humane besmetting met Q-koorts per jaar gemeld (waarbij de aantallen varieerden tussen 1 en 32 per jaar). Het ging vooral om besmettingen van mensen die zich beroepsmatig met vee(teelt) bezighielden, zoals veehouders, dierenartsen en slachthuispersoneel. Voor 2007 waren in Nederland geen gevallen bekend van besmetting met dodelijke afloop. betrokken instanties 2.8. De Gezondheidsdienst voor Dieren (GD) is een private onderneming die werkt in opdracht van de rijksoverheid, maar ook voor productschappen, veehouders en dierenartsen. De GD is verantwoordelijk voor de monitoring van de diergezondheid. Sinds 2003 voert de GD in opdracht van het (toenmalige) ministerie van Landbouw Natuur en Voedselkwaliteit (ministerie van LNV, nu het ministerie van Economische Zaken (EZ)), het Productschap Zuivel en de Productschappen Vee, Vlees en Eieren een landelijk prevalentieonderzoek (monitoring) uit naar een aantal dierziekten bij rundvee, varkens, pluimvee en kleine herkauwers. Voor iedere sector bestaat een begeleidingscommissie aan wie de resultaten van de monitoring per kwartaal worden voorgelegd. Voor kleine herkauwers is dat de Begeleidingscommissie Monitoring Dierziekten Kleine Herkauwers (MDKH), waarin naast vertegenwoordigers van het ministerie van LNV en de productschappen ook de Voedsel- en Warenautoriteit (VWA, per 1 januari 2012 opgegaan in de Nederlandse Voedsel en Warenautoriteit (NVWA)), en Land- en Tuinbouworganisatie Nederland (LTO Nederland) vertegenwoordigd zijn. Als de monitoringsresultaten daarvoor aanleiding geven, besluiten het ministerie van LNV en de productschappen over te nemen vervolgstappen. De GD vervult daarbij een adviserende rol. 2.9. De GD voert ook werkzaamheden uit voor de VWA die de veiligheid van voedsel en consumentenproducten en de gezondheid van dieren bewaakt. Zij is het centrale meldpunt voor consumenten, bedrijven en laboratoria uit binnen- en buitenland. De VWA beoordeelt mogelijke risico’s op basis van wetenschappelijke kennis en ervaring en heeft tot taak om over bestaande en gesignaleerde risico’s te communiceren. 2.10. Behandelend artsen moeten op grond van de in 2.2 genoemde wettelijke aangifteplicht (vermoedens van) humane besmetting met Q-koorts melden bij de GGD. De GGD, die zorgtaken uitvoert op het gebied van de volksgezondheid, gebruikt uit de meldingen verkregen informatie om maatregelen te kunnen nemen, de bron op te sporen en om mensen op te sporen die in contact zijn geweest met een ziek of geïnfecteerd persoon. Ook geeft de GGD de geanonimiseerde gegevens van de meldingen door aan het Centrum Infectieziektebestrijding (CIb) van het Rijksinstituut voor Volksgezondheid en Milieu (RIVM). 2.11. Het RIVM is een onafhankelijk kennis- en onderzoeksinstituut dat onder de minister van Volksgezondheid, Welzijn en Sport (VWS) ressorteert en dat gevraagd en ongevraagd advies kan geven op het gebied van gezondheid en milieu. Eén van de taken van het RIVM is het signaleren of een landelijke dreiging ontstaat op het gebied van infectieziekte en het informeren van de Staat daarover. Het centrum Landelijke Coördinatie Infectieziektebestrijding (LCI), onderdeel van het CIb, voert deze taak uit. Als het gaat om zoönosen, werken de GD en het CIb (LCI) samen. 2.12. Bij een dreigende epidemie roept het CIb het Outbreak Management Team (OMT) bijeen. Het OMT wordt voorgezeten door de directeur van het CIb en bestaat in de regel uit tien tot twintig personen: een aantal vaste leden en – afhankelijk van de infectieziekte – deskundigen op het gebied van de (dreigende) infectieziekte en gezondheidszorg. Het OMT adviseert over de bestrijding van de (dreigende) epidemie en brengt advies uit aan het Bestuurlijk afstemmingsoverleg infectieziektebestrijding (BAO). In het geval van een (potentiële) crisis op het terrein van de infectieziekten beoordeelt het BAO de voorgestelde maatregelen op bestuurlijke haalbaarheid en wenselijkheid en brengt naar aanleiding van het overleg daarover zijn bevindingen over aan de minister van VWS. 2.13. Het BAO wordt voorgezeten door de directeur-generaal Volksgezondheid van het ministerie van VWS en bestaat verder uit de directeur van het CIb, een vertegenwoordiger van de directie Publieke Gezondheid van het ministerie van VWS, een vertegenwoordiger van de Inspectie voor de Gezondheidszorg, door de minister te benoemen vertegenwoordigers van de Geneeskundige Hulpverleningsorganisatie in de Regio (GHOR)-burgemeesters, GGD-Nederland en de Vereniging van Nederlandse Gemeenten, de bij het onderwerp van de vergadering betrokken lokale bestuurders en zij die op uitnodiging van de voorzitter van het BAO de vergaderingen bijwonen. 2.14. De ministers van VWS en LNV kunnen vervolgens bij een (dreigende) epidemie, met gebruikmaking van het daarvoor geldende juridisch instrumentarium (zie hierna hoofdstuk 3), maatregelen treffen. Tijdens de Q-koorts-epidemie heeft de voorzitter van het BAO door de minister van VWS gedelegeerde besluiten genomen over de aanpak van de epidemie en vervulde hij een coördinerende rol. 2005/2006 2.15. Volgens de halfjaarlijkse rapportage “Monitoring Dierziekten Kleine Herkauwers, tweede half jaar 2005” van de GD was bij drie grote geitenbedrijven in Nederland C. burnetii aangetoond in de ontstoken placenta van geiten die hadden geaborteerd. Het betrof onderzoeksmateriaal uit 2001 (een bedrijf) en 2005 (twee bedrijven). Deze onderzoeksresultaten waren verkregen met behulp van een nieuwe histologische techniek (weefselonderzoek), die vanaf 2005 kon worden toegepast. In Nederland kon tot 2005 Q-koorts bij geiten alleen worden vastgesteld door serologisch onderzoek (bloedonderzoek naar antistoffen en antigenen) en werd de diagnose feitelijk niet gesteld bij geiten. 2.16. In de halfjaarlijkse rapportage “Monitoring Dierziekten Kleine Herkauwers, eerste half jaar 2006” van juni 2006 meldde de GD dat op zes andere geitenbedrijven dan de drie bedrijven uit de voorgaande halfjaarlijkse rapportage besmetting met Q-koorts is vastgesteld. Op drie van deze zes bedrijven kwamen ernstige abortusproblemen voor. De GD heeft over deze bevindingen opgemerkt: “Het is op dit moment niet duidelijk of sprake is van uitbreiding van Q-fever bij geiten of dat een betere diagnostiek meer gevallen aan het licht brengt.” 2.17. Deze rapportage vermeldt verder dat familieleden die op bezoek waren geweest bij een geitenhouder, bij wiens geiten zich veel abortusgevallen voordeden, ziek zijn geworden. Zij bleken Q-koorts te hebben. De geitenhouder en zijn gezinsleden vertoonden zelf geen ziekteverschijnselen. De GGD was bij deze casus betrokken. De rapportage vermeldt niet waar het bedrijf zich bevond en welke GGD betrokken was, wel dat het ging om “geitenbedrijven in het zuiden des lands” en dat er “zieke mensen” waren. 2007 2.18. Op 25 mei 2007 heeft het Bernhovenziekenhuis te Oss bij GGD Hart voor Brabant (hierna: GGD HvB) melding gedaan van een cluster van longontstekingen, waarbij de patiënten niet goed reageerden op antibiotica. Het ziekenhuis verzocht de GGD HvB de situatie te onderzoeken. 2.19. Op 29 mei 2007 heeft een huisarts uit Herpen bij de GGD HvB een cluster patiënten met longklachten gemeld. Deze huisarts en zijn collega’s hadden ongewoon veel patiënten met longontsteking in hun praktijk: in drie weken tijd zagen zij tien patiënten met longontsteking. Vier van deze patiënten zijn in het ziekenhuis opgenomen. De waarschijnlijkheidsdiagnose was een infectie met mycoplasma pneumoniae, een bacteriesoort die veelal de verwekker is van longontsteking en die leidt tot ziekteverschijnselen die vergelijkbaar zijn met die van Q-koorts. 2.20. Op 11 juni 2007 heeft de GGD HvB deze vier (vermoede) gevallen van Q-koorts gemeld aan het LCI, die de meldingen heeft geanalyseerd en tot de conclusie kwam dat zij vielen binnen de marges van de jaarlijkse incidentie van Q-koorts (het aantal nieuwe ziektegevallen per tijdseenheid, per aantal inwoners). Het CIb heeft geadviseerd tot verhoogde alertheid. 2.21. Tijdens telefonisch contact op 21 juni 2007 tussen de GGD HvB en de huisartsenpraktijk in Herpen, heeft de huisarts gemeld dat in zijn praktijk ongeveer honderd patiënten ongewone longklachten hadden. 2.22. Toen de GGD HvB op 29 juni 2007 telefonisch contact zocht met de huisartsenpraktijk in Herpen, hoorde zij dat er die week geen nieuwe ziektegevallen waren bijgekomen. 2.23. Op 11 juli 2007 bleken er dertien tot zestien Q-koorts patiënten te zijn en werd vermoed dat meer patiënten geïnfecteerd waren. Dat was aanleiding voor het LCI en de VWA om een regionaal bestrijdingsoverleg Q-koorts te organiseren, waarbij ook de GGD, CIb en GD betrokken waren. 2.24. Op 17 juli 2007 heeft de GD aan de GGD informatie verstrekt over het voorkomen van Q-koorts bij geitenbedrijven in Nederland aan de hand van de eerste twee cijfers van de postcode van die bedrijven. Daaruit bleek dat naast de in 2005 en 2006 aangetoonde besmetting op twee, respectievelijk zes bedrijven, in 2007 – tot dan toe – op zeven bedrijven besmetting met C. burnetii was aangetoond. 2.25. Deze besmette bedrijven zijn ook genoemd in de rapportage “Monitoring Dierziekten kleine herkauwers, eerste halfjaar 2007” van de GD, die constateerde dat de uitbraken werden gekenmerkt door het optreden van verwerpen (spontane abortus). De GD constateerde verder dat deze uitbraken van Q-koorts voornamelijk hadden plaatsgevonden in het zuiden van het land. 2.26. Ten aanzien van de dertien bedrijven, waarbij in 2006 en 2007 een besmetting is vastgesteld, is de GD in juli 2007 een onderzoek gestart waarbij onder meer de relatie tussen besmette bedrijven en humane besmettingen met Q-koorts werd onderzocht (het zogenoemde dertienbedrijvenonderzoek). De bedrijven zouden worden bezocht en risicofactoren zouden worden geïnventariseerd met behulp van vragenlijsten. 2.27. Op 19 juli 2007 heeft het LCI het zogenoemde “Q-overleg Brabant” georganiseerd in het Bernhovenziekenhuis te Oss, met als doel de situatie te evalueren. Bij deze bijeenkomst waren specialisten uit het ziekenhuis, de GGD, het RIVM en externe deskundigen aanwezig. Tijdens dit overleg werd geconstateerd dat de verheffing van Q-koorts waarschijnlijk verspreid was over de hele provincie Noord-Brabant, met een verhoogde concentratie rond Herpen. Als potentiële bron werden geitenbedrijven aangemerkt. 2.28. Op 23 juli 2007 is het OMT voor het eerst met betrekking tot Q-koorts bijeengekomen. Het OMT constateerde dat tussen 1 januari 2007 en 23 juli 2007 32 meldingen waren gedaan van Q-koorts in de provincie Noord-Brabant. Buiten deze provincie waren, verspreid over het land, nog vijf andere gevallen van Q-koorts gemeld. Het OMT-verslag vermeldt voorts: “Sinds drie weken zijn er geen nieuwe gevallen meer geconstateerd. Dit in combinatie met het feit dat de meeste gevallen eind mei, begin juni gemeld zijn is aanleiding voor het OMT om te denken dat de epidemie over haar hoogtepunt heen is.” 2.29. Ten aanzien van de veterinaire aspecten verzocht het OMT het ministerie van LNV om als opdrachtgever van de GD de specifieke bedrijfsgegevens van het jaar 2007 over Q-koorts bij schapen en geiten ter beschikking te stellen, om hiermee het zoeken naar de bron en het aantonen van de transmissieweg mogelijk te maken. Daarnaast vond het OMT dat een structurele monitoring moest worden opgezet om systematisch informatie te verzamelen over alle bedrijven waar Q-koorts een probleem vormt. De GD, het CIb en de VWA zouden alle betrokkenen bijeenroepen en een plan van aanpak opstellen. 2.30. Ten aanzien van de informatievoorziening adviseerde het OMT – samengevat – informatieverstrekking aan de medische beroepsgroepen door middel van brieven, een kort artikel in het Nederlands Tijdschrift voor Geneeskunde, en een brief aan de dierenartsen, met afschrift aan de veehouders. Daarnaast adviseerde het OMT publieksvoorlichting met een persbericht van de GGD HvB, die woordvoerder was over deze uitbraak. 2.31. Het BAO heeft ook op 23 juli 2007 vergaderd. Over het onder 2.29 genoemde advies van het OMT heeft het BAO het volgende besproken: “LNV zegt toe de gegevens die beschikbaar gesteld kunnen worden door te geven aan CIb. Echter GD is een particulier bedrijf dus eerst moet uitgezocht worden welke gegevens beschikbaar kunnen komen. Binnen één week zal er meer duidelijkheid zijn.” en: “Punt van aandacht is dat bepaalde soorten van veehouderij, zoals geitenhouderij, het laatste decennium veel intensiever is geworden. Dit brengt mogelijk risico’s met zich mee. (…) Afspraak is dat op basis van de uitkomsten van het voorgaande punt (gegevens van GD/LNV naar CIb) bezien wordt of er een structurele monitoring zoals hierboven bedoeld is, moet worden opgezet. VWA merkt op dat het belangrijk is kennis te nemen van uitbraken in andere Europese landen. Op dit moment is echter het positief identificeren van de bron het belangrijkste; “first things first”. 2.32. Het besluit van de voorzitter van het BAO over de veterinaire aspecten luidt: “Voor wat betreft het eerste punt wordt het advies van het BAO gevolgd: dat wil zeggen dat de beschikbare gegevens binnen een week door LNV geleverd worden. Het tweede punt wordt, afhankelijk van de uitkomsten van het eerste, in een later stadium nader besproken.” 2.33. Het advies van het OMT over de publieksinformatie heeft het BAO niet overgenomen: “In afwijking van het voorgaande adviseert het BAO om het publiek niet actief te informeren over deze uitbraak. De reden is dat Q-koorts normaal gesproken altijd voorkomt in Nederland en dat het vergroten van alertheid bij de medische beroepsgroepen voldoende is. De verheffing van het aantal uitbraken lijkt immers al over het hoogtepunt heen te zijn, sinds drie weken zijn er geen nieuwe gevallen gemeld. Daarnaast is er op een aantal vragen t.a.v. de gevolgen voor mensen (nog) geen antwoord dus het moet vermeden worden onnodig onrust te creëren. Wel is afgesproken dat er Q & A’s klaar liggen op het moment dat de brieven aan de medische beroepsgroepen uitgaan, omdat het denkbaar is dat wanneer grote groepen (para)medici geïnformeerd worden, het bericht toch ook onder het publiek bekend wordt. De Q & A’s zullen door CIb worden opgesteld in samenwerking met GGD HvB en in overleg met DVC (van VWS) en LNV” De voorzitter van het BAO heeft volgens het advies van het BAO besloten. 2.34. Overeenkomstig het BAO besluit (zie 2.33) hebben de GD, de VWA en het CIb op 14 augustus 2007 via de Koninklijke Nederlandse Maatschappij voor Diergeneeskunde een informatiebrief over Q-koorts gestuurd aan de Nederlandse dierenartsen en is op 8 september 2007 een artikel in het Nederlands Tijdschrift voor Geneeskunde, van de hand van J.E. van Steenbergen e.a. verschenen, met de titel “Een uitbraak van Q-koorts in Nederland – mogelijk verband met geiten”. 2.35. Op 12 september 2007 is het CIb in samenwerking met de GGD HvB, het Microbiologisch Laboratorium in ’s-Hertogenbosch en de gemeente Oss een “Q-koorts onderzoek” gestart in Herpen en omgeving, in de vorm van een steekproef onder bewoners waarbij hen werd gevraagd bloed af te geven en een vragenlijst in te vullen. Doel van het onderzoek was te achterhalen welke risicofactoren mogelijk een rol hadden gespeeld bij de Q-koorts uitbraak in Herpen en omgeving. Begin maart 2008 zijn de resultaten bekend geworden. 2.36. Op 14 september 2007 heeft de GGD HvB vastgesteld dat er op dat moment 47 bewezen gevallen van Q-koorts waren. Daarnaast waren er 24 waarschijnlijke gevallen en ook 24 mogelijke gevallen van Q-koorts. De GGD heeft een geografisch overzicht gemaakt van potentiële bronnen in de buurt van Tilburg en Goirle. De GGD heeft dit overzicht doorgegeven aan de VWA, met de toelichting dat het niet ging om één specifiek verdacht bedrijf. 2.37. Op 3 oktober 2007 is het OMT voor de tweede maal bijeengekomen. Het OMT constateerde dat tussen 1 januari 2007 en 24 september 2007 82 ziektegevallen waren gemeld. Het advies van het OMT vermeldt onder meer: “De epidemie in Herpen lijkt voorbij. De recente gevallen in andere gebieden kunnen mogelijk voor een deel verklaard worden door verhoogde aandacht voor de ziekte. Het is niet onwaarschijnlijk dat er nog steeds verhoogde blootstelling is. Met het begin van het lammerseizoen 2008 is opnieuw verhoogde blootstelling te verwachten.” Het OMT heeft in verband hiermee aan het CIb geadviseerd om de kennis aan professionals in de gezondheidszorg te vergroten door publicaties in medische tijdschriften en – samengevat – het aanbieden en het aanpassen van protocollen en richtlijnen. Het BAO, dat op 4 oktober 2007 bijeenkwam, heeft dit advies overgenomen en de voorzitter van het BAO heeft volgens het advies besloten. 2.38. Over de vraag of breed onderzoek nodig was bij veehouderijen in de provincie Noord-Brabant om inzicht te krijgen in het voorkomen van Q-koorts en de risicofactoren adviseerde het OMT: “Het OMT stelt vast dat het onbekend is welke bedrijven een potentiële bron zijn voor verspreiding. Kennis over de verspreiding onder dieren is essentieel voor het vroeg opsporen en bestrijden van de ziekte onder de mensen. Om tijdig op de hoogte te kunnen zijn van de problematiek onder dieren adviseert het OMT om, vóór de aanvang van het lammerseizoen 2008, Q-koorts bij dieren aangifte- en/of meldingsplichtig te maken. Zodra op een bedrijf Q-koorts is vastgesteld moet dit gemeld worden aan de GGD die vervolgens de behandelaren in de regio informeert om verhoogd alert te zijn op Q-koorts bij de mens. Het OMT constateert dat er geen inzicht is in welke maatregelen effectief zijn om verspreiding naar de mens te beperken en adviseert met spoed breed aanvullend onderzoek op dit terrein.” 2.39. Het BAO heeft deze conclusie van het OMT onderschreven, met de opmerking: “Of die gegevens via een aangifte- en/of meldingsplicht bekend worden of op een andere wijze worden verzameld is een kwestie waar LNV zich over moet beraden. Daarnaast is het van groot belang dat die gegevens gedeeld worden met het Clb (in het BAO van 23 juli zijn hier reeds afspraken over gemaakt).” 2.40. De voorzitter van het BAO heeft hierop besloten: “LNV komt binnen 5 dagen met een voorstel voor verzameling van gegevens over verspreiding onder dieren (al dan niet door middel van een aangifte- en/of meldingsplicht).” 2.41. Ten aanzien van de vraag welke veterinaire bestrijdingsmaatregelen mogelijk waren, constateerde het OMT dat er geen inzicht was in welke maatregelen effectief zijn om verspreiding naar de mens te beperken. Zij adviseerde: “om reeds voor aanvang van het komende lammerseizoen (voorlopige) veterinaire hygiënemaatregelen te treffen op basis van literatuuronderzoek en ervaringen uit het buitenland om de kans om blootstelling bij de mens te verkleinen.” 2.42. Het BAO heeft dit advies overgenomen en de voorzitter van het BAO heeft besloten dat het ministerie van LNV en VWA de te nemen hygiënemaatregelen moesten inventariseren en vóór 21 oktober 2007 moesten komen met een overzicht van hygiënemaatregelen. 2.43. Over de noodzaak van aanvullende communicatie naar het veld en het publiek vermeldt het OMT-advies dat er geen nieuwe informatie te melden is voor het algemene publiek, en: “Voor professionals is dit anders, omdat er klaarblijkelijk nog steeds blootstelling is en de kans op blootstelling in 2008 onverminderd aanwezig is, ook in andere regio’s dan Noord-Brabant. Professionals zullen gericht worden geïnformeerd, met oog op snelle en adequate diagnose en behandeling van te verwachten nieuwe patiënten. Naar het zich laat aanzien is Q-koorts een (nieuw) volksgezondheidsprobleem waarover nog onvoldoende bekend is in Nederland. Om de omvang, de consequenties bij de mens en de bestrijdingsmogelijkheden in kaart te brengen is multidisciplinair, gecoördineerd, humaan en veterinair onderzoek nodig. Het Clb neemt de verantwoordelijkheid het noodzakelijke onderzoek te coördineren.” 2.44. Het hierop gegeven BAO-advies luidt als volgt: “Het BAO neemt het advies van het OMT over. De Q&A’s Q-koorts staan op de website van het RIVM. Alle voorlichtingsdiensten zouden een link daarnaar moeten hebben. (...) De situatie op kinderboerderijen moet nader bekeken worden op noodzaak van aanpassingen. En van belang is dat goed met het publiek wordt gecommuniceerd wanneer de resultaten van het gezondheidsonderzoek bekend worden. Met name omdat hieruit zal blijken dat de plek waar iemand woont het belangrijkste risico vormt voor het besmet raken met Q-koorts.” 2.45. De voorzitter van het BAO heeft dit advies overgenomen met de volgende aantekeningen: “- Alle Instellingen en organisaties die op hun website informatie hebben staan over Q-koorts zouden moeten doorlinken naar de Q&A’s van het RIVM. - De VWA bekijkt de richtlijn kinderboerderijen op eventuele benodigde aanpassingen. - De communicatie naar het publiek bij publicatie van het gezondheidsonderzoek Herpen wordt voorbereid door GGD HvB.” 2.46. De brief van 25 oktober 2007 van de directeur Voedselkwaliteit en Diergezondheid van het ministerie van LNV (hierna: directeur VD) aan de voorzitter van het BAO bevat een uitwerking van de afspraken die tijdens de vergaderingen van het BAO op 23 juli en 4 oktober 2007 waren gemaakt en die het ministerie van LNV betroffen. Voor zover relevant houdt deze brief het volgende in: “Bronopsporing Op dit moment bevindt het onderzoek bij geiten- en schapenbedrijven met klinische verschijnselen, waarbij Q-koorts is gediagnosticeerd, zich in een eindfase; 13 bedrijven zijn geïnventariseerd. Door de GD wordt met onderzoekers van het (...) (RIVM) samengewerkt hij de bewerking van data en de rapportering. Dit onderzoek is door LNV gefinancierd. Ik beschouw onze verplichtingen ter zake als afgesloten. Plan van aanpak In het BAO-verslag van 23 juli jl. is opgenomen dat de GD, Clb en de VWA een plan van aanpak zullen opstellen, op basis van hierboven genoemd onderzoek. Hieronder treft u het plan van aanpak aan van de GD en de VWA. Dit plan zal nog worden afgestemd met het Clb. 1. Prevalentie-onderzoek bij schapen- en geitenbedrijven. Dit zal mogelijk een steekproef zijn van ongeveer 400 bedrijven; in 2006 is een dergelijk prevalentie-onderzoek bij runderen uitgevoerd; dit zal deze winter een vervolg krijgen. 2. Een literatuuronderzoek naar interventiestrategieën, zodat voor de aanvang van het komend lammerseizoen duidelijk is welke (voorlopige) veterinaire hygiëne-maatregelen getroffen kunnen worden om de kans op blootstelling bij de mens te verkleinen; de verwachting is dat dit onderzoek medio december 2007 gereed is. 3. Onderzoek naar risicofactoren, zoals de mate en duur van uitscheiding van de bacterie op geitenbedrijven met abortus. De GD zal de bij hen bekende nieuwe klinische uitbraken van Q-koorts doorgeven aan de VWA en afspraken maken voor nader onderzoek. 4. Validatie van de PCR-methode in diverse matrices (zoals stof), alsmede genotyperingsmethodieken op omgevingsmateriaal.” 2.47. De in het plan van aanpak onder 4. bedoelde ‘PCR-methode’ is de zeer gevoelige Polymerase Chain Reaction, de basismethode voor moleculair-genetisch diagnostisch onderzoek, waarvoor een test voor DNA van C. burnetii was ontwikkeld. 2.48. Onder het kopje “Informatieverstrekking” vermeldt de brief van 25 oktober 2007 verder: “De heer J.E. van Steenbergen van de (LCI) heeft aangegeven, dat op dit moment kan worden volstaan met informatieverstrekking door de GD over de bij hen bekende nieuwe klinische uitbraken van Q-koorts in een geanonimiseerde vorm (2-cijferige postcode). Op korte termijn zal, met het LCI verder overleg gevoerd worden omtrent meldingen aan het LCI. De GD zal bij de verstrekking van de uitslag aan de veehouder en de dierenarts het advies geven met de huisarts, respectievelijk de GGD, dan wel het LCI contact op te nemen. Ook worden aan VWS de resultaten van de basismonitoringsgegevens, die door de GD worden verzameld, ter beschikking gesteld. Op dit moment is onvoldoende informatie voorhanden om een besluit te nemen over een wettelijke meldings/aangifteplicht voor Q-koorts bij dieren. Momenteel lijkt ons een vrijwillige melding effectiever. In dit verband zal contact worden gezocht met de runder-, schapen- en geitensector om op vrijwillige basis melding te maken van bedrijven met klinische verschijnselen van Q-koorts. (...) Het doel dat we gezamenlijk nastreven bij deze ziekte is hetzelfde, namelijk dat er zo min mogelijk verspreiding van deze ziekte van veehouderijbedrijven plaatsvindt naar de mens en dat de gevolgen van een eventuele blootstelling zo gering mogelijk zijn. Het is op dit moment nog zoeken naar de beste oplossingen, gezien de vele onbekende aspecten rond deze ziekte. Onderzoek en optimaal gebruik van onze beider kennis en ervaring met deze ziekte moet ons verder brengen. (…)” 2.49. Op 11 december 2007 heeft de VWA overleg gevoerd met betrokkenen (het ministerie van LNV, het ministerie van VWS, de GD, het Centraal Veterinair Instituut (CVI), het RIVM/CIb), waarbij naar aanleiding van het BAO-besluit van 4 oktober 2007 aan de orde werd gesteld: “Het doorgeven van adressen van veehouders waar de GD Q-koorts heeft vastgesteld – gedetailleerder dan op tweecijferige postcode – aan het CIb, blijft een probleem” In dit overleg is besloten dat de directeur VD “de juridische mogelijkheden om dit alsnog te realiseren” zal toetsen. 2008 2.50. Op 28 februari 2008 heeft de GD aan alle schapen- en geitenhouders in de provincie Noord-Brabant de door het ministerie van LNV en de VWA opgestelde folder “Verwerpen: verminder het risico voor mens en dier!” gestuurd. De folder bevat informatie over Q-koorts en de te nemen maatregelen, gericht op het reduceren van de dan bekende risico’s. 2.51. Op 29 februari 2008 is naar aanleiding van deze folder een informatief nieuwsbericht op www.rijksoverheid.nl geplaatst. Daarin is het publiek geïnformeerd over de mogelijkheid om het risico van een infectie met Q-koorts zoveel mogelijk te beperken. 2.52. Begin maart 2008 zijn de resultaten van het “Q-koorts onderzoek” in Herpen en omgeving (zie 2.35) bekend geworden. Uit het onderzoek, waarvoor 571 mensen een vragenlijst invulden en 487 deelnemers bloed hebben laten afnemen, bleek – voor zover hier van belang –:
  17. i)van de 467 personen waarbij bloed is afgenomen hadden 353 personen (76%) geen Q-koortsinfectie doorgemaakt;
  18. ii)de andere 24% van de personen bij wie bloed was afgenomen had wel een Q-koorts infectie doorgemaakt: deze 24% is onderverdeeld in 8% (38 personen) die vóór 2007 een Q-koorts infectie had gehad en 16% (76 personen) die in 2007 geïnfecteerd was geraakt; iii) de bron van de Q-koorts epidemie zich bevond in een gebied aan de oostelijke kant van Herpen, waarbij de onderzoeksresultaten niet naar één specifiek bedrijf of perceel als locatie van de bron wezen;
  19. iv)verspreiding van de bacterie zeer waarschijnlijk heeft plaatsgevonden via de lucht, waarbij het uitzonderlijk warme weer voor de tijd van het jaar en de daarmee samenhangende droogte daar mogelijk een belangrijke rol hadden gespeeld.
  20. v)daarnaast een duidelijk verhoogd risico was voor deelnemers die contact hebben gehad met landbouwproducten zoals mest, hooi en stro. 2.53. Het onderzoek liet geen verband zien tussen het oplopen van de infectie en diverse activiteiten in de buitenlucht, zoals wandelen, fietsen, en buiten sporten, of met specifieke consumptie van rauwmelkse producten of met een bezoek aan de kinderboerderij of de jaarlijkse markt die op 20 mei 2007 had plaatsgevonden. 2.54. Het RIVM concludeerde dat de oorzaak van de Q-koortsuitbraak in Herpen en omgeving waarschijnlijk moest worden gezocht in een combinatie van de uitzonderlijk warme en droge aprilmaand in 2007 en de grote aantallen abortussen in (open) geitenstallen die het gevolg waren van een infectie met C. burnetii. Als risicofactoren werden verder gezien contact met landbouwhuisdieren, stro, geboortematerialen en mest, maar ook roken. Het RIVM adviseerde aanvullend onderzoek naar de risicofactoren en de preventieve maatregelen. 2.55. Deze onderzoeksresultaten zijn op 3 maart 2008 per brief aan de deelnemers van het onderzoek gecommuniceerd en op 5 maart 2008 publiekelijk bekend gemaakt. 2.56. Op 14 maart 2008 is de in 2.50 bedoelde folder landelijk verspreid onder de schapen- en geitenhouders. De informatie uit de folder is integraal geplaatst op de website van de GD. 2.57. In maart 2008 is het rapport over het dertienbedrijvenonderzoek, “Q-fever op 13 melkgeitenbedrijven” verschenen. Daaruit volgde dat:
  21. i)patiënten met Q-koorts in de regio Herpen altijd binnen een straal van vijf kilometer tot het dichtstbijzijnde besmette geitenbedrijf woonden. De gemiddelde afstand van een humaan geval tot een willekeurig geitenbedrijf was twaalf kilometer;
  22. ii)in de regio ‘buiten Herpen’ patiënten niet dichter bij met Q-koorts besmette bedrijven woonden dan bij bedrijven zonder een besmette status; iii) er een mogelijke indicatie was dat patiënten in de regio Herpen besmet zijn geraakt vanuit een geitenbedrijf met klinische Q-koorts;
  23. iv)het oorzakelijk verband tussen de humane Q-koorts uitbraak en abortusproblemen op een geitenbedrijf bij Herpen in dit onderzoek niet was aan te tonen. 2.58. Tijdens het signaleringsoverleg van het RIVM op 29 mei 2008 bleek dat de GGD HvB in de periode van 1 januari 2008 tot en met 29 mei 2008 75 meldingen van Q-koorts had ontvangen, waarvan de diagnose bevestigd is met laboratoriumonderzoek. De eerste ziektedag van de meeste van deze gevallen lag in de maanden april tot en met mei 2008. 2.59. Deze toename van het aantal meldingen en de berichtgeving in de pers leidden tot een afstemmingsoverleg van de ministeries van VWS en LNV, de GD, de GGD en het RIVM op 29 mei 2008. Daar is afgesproken dat het ministerie van LNV vóór 9 juni 2008 een notitie zou opstellen met alle voor- en nadelen van een (veterinaire) meldingsplicht en ook een notitie waarin maatregelen voor mestverwerking werden weergegeven. 2.60. Op 3 juni 2008 is het OMT bijeengekomen en daarna op 5 juni het BAO. Toen was bekend dat in de periode van januari 2008 tot en met 2 juni 2008 149 gevallen van Q-koorts waren gemeld. Over dezelfde periode had de GGD HvB 100 meldingen van laboratorium-bevestigde Q-koorts ontvangen. De meldingen waren diffuus verspreid en bestreken het hele werkgebied van de GGD HvB, met een concentratie in het noordoostelijk deel van de provincie Noord-Brabant. De GGD Nijmegen had ook dertien laboratorium bevestigde meldingen van Q-koorts in 2007 ontvangen, in een gebied dat grenst aan de provincie Noord-Brabant. Een derde van deze meldingen betrof in het ziekenhuis opgenomen patiënten. In 2007 betrof de helft van de meldingen in het ziekenhuis opgenomen patiënten. Vastgesteld werd dat er vooralsnog geen duidelijke bronnen waren. 2.61. Over de vraag of voldoende gegevens beschikbaar waren om de dan bestaande verheffing van Q-koorts als een regionaal probleem aan te duiden vermeldt het OMT-advies: “Op grond van de beschikbare gegevens is duidelijk dat er sprake is van een regionaal verhoogde incidentie van Q-koorts in Noord-Oost Brabant, een gebied dat moeilijk afgrensbaar is. Het gebied omvat 1 miljoen inwoners. Deze verheffing is diffuus in tegenstelling tot de gelokaliseerde uitbraak in Herpen in 2007. Daarnaast speelt alertheid onder behandelaars vanwege de verheffing vorig jaar mogelijk een rol bij het toegenomen aantal vragen voor Q-koorts diagnostiek. Bron- en contactopsporing leveren geen eenduidige bron op. Het lijkt erop dat meerdere bronnen voor deze verheffing verantwoordelijk zijn.” 2.62. Het OMT heeft dit advies als volgt aangevuld naar aanleiding van vragen in het BAO: “De regionale verheffing wordt deels veroorzaakt doordat meer diagnostiek plaatsvindt in de regio; er wordt eerder aan Q-koorts gedacht als gevolg van de aandacht die hiervoor is geweest naar aanleiding van de uitbraak in Herpen in 2007. Het OMT ziet de aanwezigheid van geitenbedrijven in Brabant als een zeer waarschijnlijke bron van de verheffing. Daarnaast vermoedt het OMT dat mest een rol heeft bij de overdracht van dier op mens. Vastgesteld is dat direct contact met dieren, stro of mest kan leiden tot Q-koorts; de mensen die nu besmet raken blijken echter niet een dergelijk contact gehad te hebben, maar wonen wel in de buurt van geitenbedrijven. Het OMT acht een relatie met (het uitrijden) van mest een mogelijke verklaring voor de huidige toename van Q-koorts, hoewel dit niet vastgesteld is. Onderbouwing hiervan wordt moeilijk omdat de typeringsmethode niet goed genoeg is om op mest toe te passen en er dus geen vergelijking te maken is met de bacterie die de mensen ziek maakt.” 2.63. Ten aanzien van aanvullende preventieve veterinaire maatregelen heeft het OMT geadviseerd: “Het OMT is van mening dat Q-koorts in Brabant een relatief groot medisch probleem aan het worden is dat krachtige preventieve maatregelen noodzakelijk maakt. De veterinaire maatregelen zoals nu getroffen zijn onvoldoende. Risicoreductie is noodzakelijk in deze. Het OMT acht het dringend noodzakelijk dat er een veterinaire meldingsplicht komt voor Q-koorts besmettingen. Dat biedt meer mogelijkheden voor het nemen van maatregelen met betrekking tot het mestbeleid.” 2.64. Het BAO was het met het OMT eens dat Q-koorts in de provincie Noord-Brabant een relatief groot medisch probleem aan het worden was en dat preventieve maatregelen nodig waren. Echter: “de ingezette onderzoeken hebben tot op heden geen aanknopingspunten geboden om gerichte maatregelen tegen de transmissie van dier op mens te kunnen nemen. Tegelijkertijd hoeft er niet altijd 100 procent zekerheid te zijn over een oorzaak om maatregelen af te kondigen. Het ministerie van LNV zal op 9 juni een notitie over meldingsplicht voor Q-koorts en een notitie over maatregelen ten aanzien van mest gereed hebben. LNV zal de komende dagen gebruiken om de verschillende mogelijkheden goed te bestuderen en te onderbouwen. Vervolgens zal overlegd worden tussen LNV en VWS en zal besluitvorming plaatsvinden over de te nemen maatregelen.” 2.65. Over de vraag of aanvullende communicatie over de verheffing van Q-koorts nodig is naar professionals in het veld en het algemene publiek vermeldt het advies van het OMT: “De behandelaars (huisartsen, gynaecologen en verloskundigen) zijn door de GGD geïnformeerd. Daarnaast hebben de GGD HvB en de GGD Nijmegen via de pers de verheffing naar het algemene publiek gecommuniceerd. Er zijn Q&A’s ontwikkeld die op de diverse websites beschikbaar zijn voor het publiek. Ten aanzien van het algemene publiek adviseert het OMT geen verdere maatregelen. Wel adviseert het OMT het CIb om via de vereniging van de gynaecologen (de NVOG) de beroepsgroep op de hoogte te brengen (via de website) van de Q-koorts problematiek welke potentieel ook gevolgen kan hebben voor de rest van Nederland.” 2.66. Het BAO heeft dit OMT-advies overgenomen en heeft aanvullend afgesproken dat er een gezamenlijke woordvoeringslijn komt op lokaal, regionaal en landelijk niveau voor de periode totdat besluitvorming heeft plaatsgevonden over veterinaire maatregelen (zo spoedig mogelijk na 9 juni 2008). “Deze lijn bestaat uit de stand van zaken, maatregelen die al zijn genomen en aangegeven wordt dat op dit moment wordt geïnventariseerd welke aanvullende maatregelen genomen kunnen worden die de transmissie van dier op mens kunnen doorbreken. Na besluitvorming over aanvullende veterinaire maatregelen volgt en nieuwe woordvoeringslijn afhankelijk van de besluitvorming. De woordvoerders van LNV en VWS nemen het initiatief.” 2.67. De voorzitter van het BAO heeft alle hiervoor genoemde adviezen van het BAO overgenomen. 2.68. Het in 2.64 bedoelde besluit van het BAO heeft geleid tot de notitie van de directeur VD aan de minister van LNV van 6 juni 2008, die – voor zover hier van belang – als volgt luidt: “Meldplicht is een al langer gekoesterde wens vanuit de hoek van volksgezondheid. Hiermee verbonden is de problematiek van de gegevensuitwisseling tussen GD en RIVM, waarbij RIVM op een gedetailleerder niveau gegevens van besmette bedrijven wenst te ontvangen. Een meldplicht zou hier de weg vrij voor kunnen maken. LNV heeft tot nu toe het standpunt ingenomen dat een meldplicht niet veel zou toevoegen aan wat we op dit moment doen en dat het zelfs eerder een negatieve invloed zou kunnen hebben op de medewerking van veehouders. Nu echter in deze nota maatregelen voorgesteld worden op bedrijven met Q-koorts, is een aanwijzing van Q-koorts in de Regeling preventie, bestrijding en monitoring van besmettelijke dierziekten, zoönosen en TSE’s (Regeling preventie) noodzakelijk, teneinde hier een juridische basis voor te geven. Hiermee wordt de meldplicht voor houders en dierenarts automatisch van toepassing. De aanwijzing geschiedt op basis van veterinaire overwegingen en niet op basis van volksgezondheidoverwegingen. Dan had de Minister van VWS op grond van een “ernstig gevaar voor de volksgezondheid” aanwijzing van Q-koorts aan u moeten verzoeken. De minister van VWS zou hiertoe wel bereid zijn. De melkgeitensector en de melkschapensector echter zo’n etiket opleggen lijkt disproportioneel. In de toelichting op de aanwijzing zal echter wel naar het serieuze volksgezondheidsprobleem worden verwezen.” 2.69. Verder heeft de directeur VD “als zinvolle voorlopige maatregel op basis van het voorzorgsbeginsel” voorgesteld een verbod voor de duur van drie maanden op te leggen voor het uitmesten van potstalmest van bedrijven waar een ernstige besmetting was vastgesteld en om een bezoekersverbod aan die bedrijven op te leggen voor dezelfde periode. 2.70. In de Regeling van de Minister van LNV van 9 juni 2008, nr. TRCJZ/2008/1622, houdende aanwijzing van Q-koorts als besmettelijke dierziekte (Stcrt. 2008, 109), is Q-koorts aangewezen als besmettelijke dierziekte. Dit is gebeurd door toevoeging van deze ziekte aan de Regeling preventie, bestrijding en monitoring van besmettelijke dierziekten, zoönosen en TSE’s (Stcrt. 2005, 120), hierna: de Regeling preventie. 2.71. In de Regeling van de Minister van LNV van 12 juni 2008, nr. TRCJZ/2008/1645, houdende maatregelen ter preventie van Q-koorts (Stcrt. 2008, 112) is de Regeling tijdelijke maatregelen dierziekten uitgebreid met een paragraaf over Q-koorts, waarin voor de periode van 90 dagen gerekend vanaf het tijdstip waarop de verdenking van besmetting met Q-koorts is ontstaan, de volgende maatregelen zijn voorgeschreven: het verbod om mest te verwijderen uit een stal waar verdachte dieren zijn of worden gehouden; het verbod voor bezoekers (afgezien van – samengevat – strikt noodzakelijke bezoekers) van een bedrijf waar verdachte dieren zijn of worden gehouden, om de stal waar deze dieren zijn of worden gehouden te betreden. 2.72. In de eerste helft van 2008 heeft de GD de diagnose abortus als gevolg van Q-koorts op vijf melkgeitenbedrijven en op één melkschapenbedrijf vastgesteld. 2.73. Op 22 juli 2008 heeft in Utrecht een rondetafelconferentie plaatsgevonden, georganiseerd door het RIVM/CIb samen met de Gezondheidsraad. Aanwezig waren nationale en internationale experts. Aanleiding voor de bijeenkomst was de toename van het aantal ziektegevallen in 2007 en 2008 en het doel was om te adviseren over mogelijke maatregelen ‘aan humane zijde’ (op het gebied van de volksgezondheid). 2.74. Over deze conferentie is in het OMT-advies van 30 juli 2008, onder het kopje “samenvatting situatie” opgemerkt: “Tijdens de conferentie bleek dat de transmissieroute van geïnfecteerde dieren naar de mens nog onduidelijk is. De relatie met besmette geitenbedrijven werd ook door de aanwezige veterinair deskundigen aanwezig geacht, maar onbekend is waarom rond sommige besmette bedrijven een Q-koorts epidemie onder de mensen voorkomt, en bij andere bedrijven niet. Er is nog geen inzicht of verschillen in bedrijfsvoering een rol spelen. Ook is niet bekend hoe de Q-koorts zich verspreidt onder de geiten, en of maatregelen, zoals het vaccineren van dieren zoals in Frankrijk gebeurt, ook in Nederland van meerwaarde kunnen zijn. (...)” 2.75. Op 30 juli 2008 is het OMT bijeengekomen en de dag daarna het BAO. Vanaf 3 juni 2008 was het aantal ziektegevallen gestegen van 149 naar 686. De meldingen waren diffuus verspreid over de oostelijke helft van de provincie Noord-Brabant en Zuid-Gelderland, met een concentratie in het noordoosten van de provincie Noord-Brabant (het gebied tussen Herpen, Zeeland, Schaijk en Balgoij). Na afkondiging van de meldingsplicht was één bedrijf gemeld met Q-koorts. In totaal waren in 2008 vijf nieuwe bedrijven met Q-koorts bekend geworden. Het OMT concludeerde: “De epidemie lijkt over haar hoogtepunt heen. Er is sprake van multipele bronnen, maar de infectiedruk lijkt te dalen. De OMT leden konden geen eenduidige verklaring geven over de oorzaak van deze epidemie. Alhoewel het niet met 100% zekerheid is aangetoond, is het aannemelijk dat de geitenbedrijven de bron zijn. Dit probleem vereist een gezamenlijke aanpak van de ministeries van VWS en LNV. Om antwoord te geven op een aantal onzekere factoren wordt nader onderzoek geadviseerd. Maar op korte termijn zijn echter wel maatregelen van belang om de transmissiekans naar de mens te reduceren.” 2.76. Het BAO-advies vermeldt in aanvulling op de gegevens in het OMT-advies onder meer: “De Nederlandse situatie is niet te vergelijken met andere uitbraken. Wereldwijd is dit de grootst beschreven uitbraak in de literatuur. (...) Het OMT acht het aannemelijk dat in Nederland clusters verband houden met de geitenhouderijen, waar door verwerpingen ten gevolge van Q-koorts grote hoeveelheden Coxiella burnetii bacterien opgehoopt liggen in de potstallen. Sinds invoering van de meldplicht voor geitenhouderijen (10 juni 2008) heeft er 1 melding plaatsgevonden (melding op basis van toegenomen % verwerpingen/lammerseizoen is vrijwel voorbij). Totaal zijn er 5 meldingen in 2008. Als veehouderij zich meldt is onduidelijk welke maatregelen (muv uitrijverbod) zijn genomen om probleem te bestrijden. (...) De hypothese is dat Q-koorts endemisch is genesteld en zich uitbreidt. In 2009 moet wellicht rekening worden gehouden met een groter probleem, dat moeilijk beheersbaar zal zijn. (...)” 2.77. Over de vraag welke veterinaire maatregelen mogelijk zijn om de overdracht van C. burnetii in Nederland te stoppen van dieren naar mensen en van de omgeving naar mensen, heeft het OMT geadviseerd de volgende maatregelen voor bedrijfsmatige geitenhouders te nemen: op korte termijn alle geitenbedrijven in het gebied met de hoogste incidentie, en met een straal van 10 kilometer in de omgeving, bezoeken om te inventariseren hoe de hygiëneadviezen van de GD worden nageleefd en deze adviezen ook persoonlijk onder de aandacht brengen. Tijdens dit bezoek konden ook de meststromen in kaart worden gebracht op basis van een gestructureerde vragenlijst. het ruimen van alle potstallen uitsluitend laten plaatsvinden wanneer maatregelen zijn getroffen om verwaaiing uit te sluiten, zoals door bevochtiging van de mest. Het OMT heeft het ministerie van LNV geadviseerd om hierover op zeer korte termijn een mestexpert te raadplegen. Het OMT heeft verder geadviseerd om: 3. deze informatie over hygiëne onder de aandacht te brengen van hobby geitenhouders, zonder dat deze bezocht hoefden te worden; 4. voor de langere termijn: a. inventarisatie in de komende maanden van de mogelijkheden en het effect van de aantrekkelijk lijkende optie van vaccinatie van de geiten tegen Q-koorts in de besmette gebieden en in de wijde omtrek. Het OMT merkte op dat hierover inmiddels gegevens beschikbaar waren gekomen uit andere landen en dat, als vaccinatie zinvol werd geacht, dit diende te gebeuren vóór aanvang van het volgend lammerseizoen in 2009; b. nader onderzoek (
  24. i)om meer inzicht te krijgen in de transmissie van C. burnetii van de omgeving en dieren naar de mens en (
  25. ii)naar de verspreiding van Q-koorts binnen de dierenpopulatie. 2.78. Het BAO heeft deze adviezen overgenomen en heeft gesproken over de manier waarop deze zullen worden uitgevoerd. De voorzitter van het BAO heeft besloten dat de adviezen worden overgenomen en uitgevoerd zoals besproken. Over tot het onder 4a vermelde advies over vaccinatie is in het BAO het volgende besproken: “In Frankrijk is enige ervaring met het experimenteel vaccin. Er zijn twee vaccins in ontwikkeling die beiden nog niet geregistreerd zijn. Het meest veelbelovende vaccin wordt ontwikkeld door een kleine farmaceut. Er zijn nog weinig gegevens over de effectiviteit en de veiligheid. LNV waarschuwt dat alleen vaccineren niet afdoende zal zijn. LNV overweegt een werkbezoek naar Frankrijk om aan de beschikbare informatie te komen. Er zou, in tegenstelling tot advies van het OMT, gevaccineerd moeten worden voor het dekseizoen dat in oktober begint wil het nog voor volgend jaar effect sorteren. (...) LNV zal ernaar streven om de voorzitter van het BAO op 1 september te informeren over de mogelijkheden om te vaccineren, of het zinvol is, of het veilig is en of voldoende vaccins kunnen worden geleverd. Indien rapportage positief is zou liefst voor oktober 2008 gevaccineerd moeten worden.” 2.79. Over de noodzaak van aanvullende communicatie over Q-koorts adviseerde het OMT om naar de pers te communiceren dat niet zeker was hoe de transmissie van C. burnetii plaatsvindt, maar dat aannemelijk was dat de geitenbedrijven hierin een belangrijk aandeel hadden, en dat dit de geadviseerde maatregelen op korte termijn noodzakelijk maakte. 2.80. In het BAO bestond overeenstemming dat geen persbriefing zou plaatsvinden, en dat de directie voorlichting (DVC) van het ministerie van VWS een persbericht zou opstellen in samenwerking met het ministerie van LNV, het CIb en de GGD, dat die middag zou worden gepubliceerd. 2.81. Nadat positief was geadviseerd door het College ter beoordeling van Geneesmiddelen in samenwerking met het Centraal Veterinair Instituut van de universiteit Wageningen en het Bureau Diergeneesmiddelen, is in de Regeling van de Minister van LNV van 16 oktober 2008 , nr. TRCJZ/2008/2817, houdende wijziging van de Regeling tijdelijke maatregelen dierziekten in verband met vaccinatie Q-koorts (Stcrt. 2008, 203), een vrijstelling verleend voor het toepassen van het diergeneesmiddel ‘Coxevac’ voor het vaccineren tegen Q-koorts van schapen en geiten in een zone van 45 kilometer rond Uden. 2.82. Op 20 oktober 2008 is de vrijwillige vaccinatie in de regio rond Uden begonnen. Ook geiten en schapen op elders gelegen bedrijven die verdacht werden verklaard kwamen in aanmerking voor vrijwillige vaccinatie. 2.83. Op 19 november 2008 is het zogenoemde Deskundigenberaad voor het eerst bijeengekomen. Dit beraad was bijeengeroepen door het CIb en werd gevraagd een beoordeling te geven over de aanpak van de Q-koorts bestrijding tot dan toe. Het Deskundigenberaad heeft onder meer geconcludeerd dat er geen nieuwe inzichten waren over de bestrijding van Q-koorts en dat een aanzienlijke kans was dat in 2009 opnieuw een verheffing van Q-koorts zou plaatsvinden. Vastgesteld werd dat een aantal hygiënemaatregelen in de praktijk niet kon worden uitgevoerd, dat enkele maatregelen niet leken bij te dragen aan het terugdringen van de verspreiding (het uitrijden van mest) en dat enkele effectieve maatregelen ontbraken (het bevochtigen van mest bij het uitmesten van de stal). Het Deskundigenberaad adviseerde om: in samenwerking met de sector een hygiëneprotocol voor de melkgeitenhouderij te ontwikkelen, ter verdere beperking van het transmissierisico van C. burnetii en de implementatie van dit protocol in het noordoosten van de provincies Noord-Brabant, Zuid Gelderland en Noord Limburg; de vaccinatiecampagne in 2009 voort te zetten op grond van dezelfde overwegingen en adviezen van het BAO (zie 2.78); de boodschap via de GGD-en en deskundigen te verspreiden dat een aanzienlijke kans bestaat dat in 2009 opnieuw een verheffing van Q-koorts ontstaat; aan de GGD, het CVI en het CIb te verzoeken om artikelen te publiceren over de stand van zaken van het Q-koortsonderzoek, het maatregelenpakket, de samenwerking tussen verschillende partijen en de verwachtingen voor de toekomst. 2.84. Op 30 november 2008 heeft de VWA de directeur VD geïnformeerd over de enquête bij de melkgeitenbedrijven – die was gehouden ter uitvoering van het in 2.78 (in verbinding met 2.77) genoemde besluit van het BAO. De VWA concludeerde dat de hygiëneplannen matig werden opgevolgd en adviseerde om: meer bekendheid te geven aan de hygiëneadviezen; de hygiëneadviezen qua uitvoerbaarheid te verbeteren; de adviezen uit te breiden met een Reinigings- en Ontsmettingsprotocol; de adviezen uit te breiden met het afdekken van mest tijdens het vervoer. 2.85. Op 4 december 2008 heeft de directeur van het CIb de minister en de DG van VWS over de adviezen van het Deskundigenberaad bericht. 2009 2.86. Begin 2009 waren ruim 35.000 dieren op grond van de in 2.81 bedoelde Regeling vrijwillig gevaccineerd met Coxevac. 2.87. Ten behoeve van het overleg van het BAO op 14 januari 2009 is het document “Beleidsvoornemens 2009 Q-koorts” opgesteld, met een door deskundigen van zowel veterinaire als humane zijde ontwikkelde werkhypothese voor de verspreiding van Q-koorts. De mogelijke bronnen en wijze van overdracht van C. burnetii zijn hierbij in een model weergegeven. De deskundigen kwalificeerden dit model, gelet op de wetenschappelijke kennis die op dat moment beschikbaar was en het gegeven dat typering van C. burnetii (nog) niet mogelijk was, als een “best guess”. In het Beleidsvoornemen staat dat er in 2009 waarschijnlijk nieuwe Q-koorts gevallen zullen zijn, maar dat de omvang van de epidemie niet is te voorspellen. De deskundigen hebben bestrijdingsopties geanalyseerd, die zich richtten op de bron, de transmissieroute van dier naar mens en de mens als gastheer voor de bacterie. De deskundigen zagen de melkgeitenbedrijven als de belangrijkste bron van de Q-koortsbacterie en de mest van melkgeitenbedrijven (en dan met name bedrijven met een abortusprobleem door Q-koorts) als de belangrijkste transmissieroute. 2.88. Op 14 januari 2009 heeft het BAO vergaderd en, naar aanleiding van de bevindingen en adviezen van deze deskundigen, besloten de volgende maatregelen te treffen:
  26. i)uitbreiding van het vaccinatiegebied van 45 kilometer rondom Uden naar de hele provincie Noord-Brabant en het zuidelijk deel van de provincie Gelderland (‘de Ring’);
  27. ii)invoering van de vaccinatieplicht voor alle schapen en geiten op professionele melkgeiten- en melkschapenbedrijven en bedrijven met een publieksfunctie binnen de Ring, en een vaccinatieplicht voor buiten de Ring gelegen bedrijven die met Q-koorts zijn besmet of hiervan worden verdacht; iii) de overige houders van schapen en geiten binnen hetzelfde gebied worden in de gelegenheid gesteld hun dieren vrijwillig te vaccineren;
  28. iv)de implementatie van het “Hygiëneplan voor melkgeiten- en melkschapenhouderijen 2009” dat door de sector in overleg met de VWA werd ontwikkeld (hierna: het Hygiëneplan);
  29. v)het vernieuwen en aanpassen van de voor het publiek beschikbare informatie over Q-koorts op de website van het RIVM. 2.89. Naast de implementatie van het Hygiëneplan (
  30. iv)is met ingang van 2 februari 2009 een aantal hygiënevoorschriften verplicht gesteld voor houders van 50 of meer geiten of schapen ten behoeve van bedrijfsmatige melkproductie. Dit is gebeurd in de Regeling van de Minister van LNV van 30 januari 2009, nr. TRCJZ/2009/244, houdende wijziging van de Regeling tijdelijke maatregelen dierziekten (Q-koorts) i.v.m. hygiënevoorschriften ter voorkoming van de verspreiding van Q-koorts (Stcrt. 2009, 23). De maatregelen zijn – samengevat – gericht op ongediertebestrijding en de wijze waarop mest wordt bewerkt, verwerkt en vervoerd. 2.90. Begin februari 2009 is het Hygiëneplan via een persbericht bekend gemaakt en geplaatst op de website van het ministerie van LNV. 2.91. Ter uitvoering van de in 2.88 onder (i)-(iii) genoemde besluiten van het BAO heeft de Minister van LNV de Regeling van 20 april 2009, nr. TRCJZ/2009/1142 uitgevaardigd, houdende een vaccinatiecampagne ter bestrijding van Q-koorts (Stcrt. 2009, 80). 2.92. Op 11 mei 2009 is het OMT bijeengekomen en daarna op 12 mei 2009 het BAO. Toen was bekend dat in 2009 357 ziektegevallen waren gemeld. De meldingen waren verspreid over de oostelijke helft van de provincie Noord-Brabant met een concentratie in het noordoosten en zuidoosten (Helmond). Daarnaast waren er meldingen in Zuid-Limburg in de omgeving van een besmet geitenbedrijf. Rond nieuwe besmette bedrijven in Twente en West-Brabant werden géén ziektegevallen gezien. Het aantal ziekenhuisopnamen van de gemelde ziektegevallen lag globaal op hetzelfde niveau als in 2008 (24% in 2009 en 20% in 2008). In 2009 zijn er drie nieuwe geitenbedrijven met Q-koorts gemeld (Twente, West-Brabant en Zuid-Limburg). In totaal waren er toen 25 bedrijven waar zich sinds 2005 een abortusstorm door C. burnetii had voorgedaan. 2.93. Op de vraag of er nieuwe inzichten waren die aanleiding gaven om aanvullende (veterinaire) maatregelen te overwegen en zo ja, welke, heeft het OMT als volgt geadviseerd: “Op basis van inspecties bestaat de stellige indruk dat de genomen veterinaire maatregelen goed worden nageleefd en dat de geitenhouders doordrongen zijn van het belang van de maatregelen. Niettemin blijft naleving en handhaving de komende tijd (jaren) van vitaal belang. Verder vindt het OMT het van belang dat besmetting naar andere, nu Coxiella-vrije gebieden, voorkomen dient te worden. Het OMT adviseert LNV om de bijdrage van een vervoersverbod van dieren vanuit het beperkingsgebied hieraan op de korte termijn verder te onderzoeken. In het buitenland bestaan er normen voor een minimale afstand tussen veebedrijven en woongebieden. Het OMT beveelt aan om te onderzoeken in hoeverre deze normen toepasbaar zijn in de Nederlandse situatie.” Het BAO heeft dit advies overgenomen en heeft besproken dat het ministerie van LNV, op grond van de onderzoeksgegevens van de VWA, moest besluiten of het geldende vervoersverbod van drie maanden voldoende was om verspreiding van C. burnetii door versleping van dieren te voorkomen. Verder is besloten dat op korte termijn geen aanvullende maatregelen in de veehouderij zouden worden getroffen, en dat het ministerie van LNV alle adviezen uit de discussie in het BAO zou “meenemen”. 2.94. Op de vraag of er nieuwe aanvullende onderzoeksvragen of instrumenten nodig waren, heeft het BAO besproken dat causaliteit tussen veterinaire bronnen en humane uitbraken niet op korte termijn bewezen zou worden, doordat sequencing van het genoom nog niet mogelijk was, en dat de DG zou bekijken welke mogelijkheden er waren om verwaaiing uit de stallen tegen te gaan. 2.95. Op 11 juni 2009 heeft het Bureau Risicobeoordeling van de VWA (hierna: BuR) aan de ministers van LNV en VWS het advies “Risico’s Q-koorts via mest” gestuurd en dit op de website van de VWA geplaatst. Niet alle bedrijven bleken in staat te voldoen aan de verplichtingen voor mestverwerking die met ingang van 2 februari 2009 van kracht waren (zie 2.89). Het kernpunt van het advies was dat er een grote mate van onzekerheid bestaat over het kiemreducerende effect van compostering van de potstalmest van besmette bedrijven. 2.96. In de Regeling van de Minister van LNV van 10 juli 2009, nr. 25270, houdende wijziging van de Regeling tijdelijke maatregelen dierziekten (Stcrt. 2009, 10886) is voor bedrijven waar meer dan 50 schapen of geiten worden gehouden een verbod ingesteld om mest te verwerken, behalve indien de mest adequaat is afgedekt of er industriële compostering plaatsvindt in combinatie met pasteurisatie. 2.97. Op 11 juli 2009 hebben de ministers van LNV en VWS een bezoek gebracht aan de gemeente Landerd om zich ter plaatse te laten informeren over de Q-koorts-epidemie. 2.98. Bij brief van 24 juli 2009 heeft de directeur van het CIb de ministers van LNV en VWS geschreven dat sinds 2005 26 melkgeitenbedrijven en twee melkschapenbedrijven waren gemeld met een abortusstorm door Q-koorts. Het aantal gemelde ziektegevallen in de periode van 1 januari tot 22 juli 2009 was 1.836. Het aantal ziekenhuisopnamen was vergelijkbaar met 2008 (23%). In 2009 is van vier Q-koortspatiënten gemeld dat zij zijn overleden. 2.99. De directeur van het CIb heeft de ministers verder bericht dat over het hypothetische model dat grootschalige melkschapen- en melkgeitenbedrijven de primaire bron zijn van de Q-koortsepidemie in Nederland onder de deskundigen, mede gelet op recente onderzoeksbevindingen, inmiddels geen twijfel meer bestaat. 2.100. Op de door de ministers gestelde vraag of het meldingscriterium diende te worden aangepast, heeft de directeur van het CIb geantwoord dat een abortuspercentage van vijf procent een onder diergeneeskundigen algemeen gehanteerd percentage is, maar dat hij dit onder de toen geldende uitzonderlijke omstandigheden geen goed meldingscriterium (meer) achtte om een optimaal beeld te krijgen van de risicobedrijven. Daarbij konden met het huidige meldingscriterium niet aan alle bedrijven waarbij dat wenselijk is, de strenge (hygiëne)maatregelen worden opgelegd. Hij adviseerde om het meldingscriterium te wijzigen naar een criterium waarbij de aanwezigheid van C. burnetii bij de dieren centraal staat, bijvoorbeeld in tankmelk, waarna bevestiging plaatsvindt bij individuele dieren. Onderzoek zou moeten uitwijzen hoe goed de voorspellende waarde van tankmelkonderzoek is en welk percentage dieren er positief moet zijn wil de tankmelk positief worden. Mogelijk dat certificering vanuit de sector van geitenbedrijven op grond van tankmelkonderzoek een bijdrage zou kunnen leveren aan het in beeld brengen van Q-koortsbedrijven. De directeur van het CIb heeft de ministers ook geadviseerd een verbod op de afvoer van levende geiten vanuit besmette gebieden/bedrijven te overwegen. 2.101. In de bij de brief van 24 juli 2009 gevoegde “Bijlage Q-koorts adviesbrief VWS, tussenrapportage nationale onderzoeksagenda Q-koorts, juli 2009” is melding gemaakt van een interim analyse op basis van onderzoek in 2008 met behulp van de PCR-test van tankmelk op C. burnetii van 450 melkschapen en melkgeitenbedrijven. Deze analyse op basis van gegevens van 306 bedrijven liet zien dat hiervan een kwart positief was voor de bacterie, waarbij de meeste positieve tankmelkmonsters werden gevonden in het zuiden van Nederland. De tussenrapportage vermeldt dat dit suggereert dat een positieve tankmelkuitslag een voorspellende waarde heeft voor Q-koorts problemen bij mensen en dieren in de omgeving in het daaropvolgende lammerseizoen. Een tankmelkonderzoek zou daarmee dus effectief ingezet kunnen worden als een “early warning” systeem voor Q-koorts en leiden tot gerichte maatregelen. Een definitieve rapportage over het tankmelkonderzoek werd aangekondigd voor de zomer van 2009. 2.102. Bij brief van 28 augustus 2009 hebben de ministers van LNV en VWS de Tweede Kamer bericht over de onderzoeksresultaten en adviezen van de directeur van het CIb (2.98 e.v.) en het BuR (2.95) en de diverse acties die zij daarop hebben ondernomen. Kort gezegd hebben de ministers de Tweede Kamer als volgt bericht: de vaccinatie van melkschapen en melkgeiten, in combinatie met hygiënemaatregelen en vervoersbeperkingen, is de meest hoopvolle oplossingsrichting voor de korte termijn. Op basis van de beperkt beschikbare hoeveelheid vaccin is begin 2009 een vaccinatiegebied vastgesteld waarbinnen de diergroepen gevaccineerd worden, die het grootste risico geven voor transmissie van de bacterie naar mensen. Het gebied waar de epidemie zich voordoet is in 2009 flink uitgebreid. Door de beperkte beschikbaarheid van het vaccin is de vaccinatiecampagne maar weinig flexibel. De vaccinfabrikant kan in oktober 2009 nog 100.000 extra vaccins leveren, die met voorrang worden ingezet voor vrijwillige vaccinatie in die provincies, waar in 2009 ook al veel mensen ziek zijn geworden (in de provincies Utrecht, Limburg en Overijssel). De vaccinatiecampagne van 2010 wordt uitgewerkt. 2.103. In deze brief is verder, in het onderdeel “Blik naar de toekomst”, opgenomen: “Op grond van de groeiende kennis over Q-koorts worden wij continu geadviseerd over de te nemen maatregelen. In onze besluitvorming over deze maatregelen wegen wij de te verwachten effecten op de volksgezondheid, de proportionaliteit en de uitvoerbaarheid van de maatregelen. Om de effectiviteit en proportionaliteit van maatregelen te vergelijken, zullen wij het komende jaar een aantal pilotstudies financieren. Plannen om op kleine schaal aanvullende maatregelen in de veterinaire sector toe te passen die er op gericht zijn om verwaaiing van stof (met de bacterie C. burnetii tegen te gaan (bijvoorbeeld aanpassingen in bedrijfsvoering en/of stalbouw) worden nu uitgewerkt met betrokken actoren. Mogelijke maatregelen worden geïnventariseerd en toegepast in pilotstudies. Wij zullen u nog in 2009 informeren over de uitkomsten hiervan en over de beleidsconclusies die wij hieruit trekken. Wij vinden het op dit moment niet proportioneel om drastische maatregelen zoals het verplaatsen of sluiten van stallen nader uit te werken. De effecten van het sluiten en/of verplaatsen van stallen zijn niet bekend. Daarbij moet ook worden bedacht dat de bacterie mogelijk al wijdverspreid in het milieu aanwezig is, lang overleeft en over nog onbekende afstanden verwaait. Hieruit leiden wij af dat zelfs als de maatregelen wel effectief zijn, in 2010 nog steeds veel mensen ziek kunnen worden. Wij verwachten dat de lopende onderzoeken en de te starten pilots meer aangrijpingspunten voor bestrijdingstrategieën zullen bieden. Samenvattend worden de volgende maatregelen van kracht: • Een veterinaire meldplicht op basis van tankmelkonderzoek • Regulering van diertransport • Mest- en hygiëne maatregelen voor melkgeiten en melkschapenhouderijen met meer dan 50 dieren • Verplichte vaccinatie van melkgeiten en melkschapen op bedrijven met meer dan 50 dieren, dan wel bedrijven met een publieksfunctie” 2.104. Bij brief van 10 september 2009 heeft de directeur van het CIb de ministeries van LNV en VWS geïnformeerd over onderzoeksresultaten over de afstandsgerelateerde relatie tussen een melkgeitenbedrijf en een woonhuis. De conclusie luidde dat personen die binnen enkele kilometers van een met Q-koorts besmet geitenbedrijf wonen een aanzienlijk verhoogd risico hebben deze infectie op te lopen. 2.105. In de Regeling van de Minister van LNV van 25 september 2009, nr. 40823, houdende wijziging van de Regeling tijdelijke maatregelen dierziekten in verband met Q-koorts (Stcrt. 2009, 14669) is artikel 11a van de Regeling preventie met ingang van 1 oktober 2009 gewijzigd. Deze kwam als volgt te luiden: “De verplichting tot kennisgeving, bedoeld in de artikelen 19 en 100 van de wet, geldt in elk geval indien uit het onderzoek, bedoeld in artikel 5.1.4 van de Regeling tijdelijke maatregelen dierziekten, de aanwezigheid van de bacterie Coxiella burnetii, die Q-koorts veroorzaakt, is aangetoond in de schapen- of geitenmelk die wordt bewaard in een melkkoeltank.” Samengevat leidde deze wijziging van de regeling ertoe dat de monsters die waren genomen in het kader van het verplichte tweemaandelijks tankmelkonderzoek werden gemonitord. Positieve uitslagen – dus de aanwezigheid van Q-koorts – waren meldingsplichtig. 2.106. Op grond van deze Regeling golden voor de met Q-koorts besmette of verdachte bedrijven met ingang van 1 oktober 2009 de volgende maatregelen: een afvoerverbod van schapen en geiten, behoudens uitzonderingsgevallen; een aanvoerverbod van schapen en geiten tenzij deze zijn gevaccineerd overeenkomst de geldende regeling; een verbod op het verwijderen van mest uit de stal voor een periode van 30 dagen na afloop van de lammerperiode, waarbij de mest na verwijdering gedurende 90 dagen afgedekt moet worden opgeslagen – gecomposteerd – of op het terrein; een bezoekersverbod met uitzondering van personen die omwille van hun professie de stal dienen te betreden. De eerder vastgestelde hygiënemaatregelen golden vanaf 1 oktober 2009 alleen voor positief geteste bedrijven, niet langer voor alle bedrijven. 2.107. Op verzoek van de minister van LNV hebben deskundigen op het gebied van zowel dier- als volksgezondheid tijdens twee overleggen, op 11 en 30 november 2009, zich over de haalbaarheid en wenselijkheid van een aantal verschillende handelingsstrategieën gebogen en deze beoordeeld op het verwachte effect ervan op het terugdringen van Q-koorts in 2010. Dit heeft geleid tot het in de brief van 4 december 2009 van de directeur van het CIb aan de minister van LNV vervatte advies om alle drachtige dieren op besmette bedrijven te ruimen. Daarbij werd de minister in overweging gegeven om een onderscheid te maken tussen bedrijven die hun dieren al dan niet hebben gevaccineerd in 2009. Daarnaast werd geadviseerd om tot eind 2010, en zolang de effectiviteit van het vaccin nog niet was vastgesteld, de vestiging van nieuwe melkgeiten- of melkschapenbedrijven dan wel de uitbreiding van bestaande bedrijven niet toe te staan. 2.108. Op 5 december 2009 verscheen een artikel in het NRC Handelsblad met de koptekst “Gevaarlijke geiten - De Q-koorts heerst van Groningen tot Limburg. Besmette geiten zijn waarschijnlijk de bron. Dat de ziekte zich zou gaan verspreiden was in 2007 al bekend. Toch werd er niet of nauwelijks ingegrepen. Reconstructie van een aangekondigde epidemie.” 2.109. Op 6 december 2009 heeft het televisieprogramma Zembla aandacht besteed aan de Q-koorts-epidemie. 2.110. Bij brief van 9 december 2009 hebben de ministers van LNV en VWS de Tweede Kamer geïnformeerd dat zij het (in 2.107 genoemde) deskundigenadvies zouden overnemen en zouden overgaan tot het ruimen van drachtige dieren op besmette bedrijven. Omdat de werkzaamheid van het vaccin nog niet was aangetoond, werd geen onderscheid gemaakt tussen al dan niet gevaccineerde dieren. In deze brief zijn ook de locaties van de besmette bedrijven bekend gemaakt. Een kaart en de adressen van de besmette bedrijven zijn op de websites van het RIVM en de VWA gepubliceerd. 2.111. In de Regeling van de Minister van LNV van 9 december 2009, nr. 96744, houdende wijziging van de Regeling preventie, bestrijding en monitoring van besmettelijke dierziekten en zoönosen en TSE’s en de Regeling tijdelijke maatregelen dierziekten in verband met de aanwijzing van Q-koorts en maatregelen ter bestrijding van Q-koorts (Stcrt. 2009, 19709) is Q-koorts aangewezen als een dierziekte in de zin van artikel 15 lid 2 sub c GWWD. Deze regeling is op 9 december 2009 om 19.00 uur in werking getreden. 2.112. Deze Regeling hield verder een wijziging in van de Regeling tijdelijke maatregelen dierziekten die ertoe strekte te bewerkstelligen dat – kort gezegd – het aantal schapen en geiten in de besmette gebieden niet zou uitbreiden. In deze gebieden mochten uitsluitend schapen en geiten worden aangevoerd voor zover deze gevaccineerd waren en voor zover het referentieaantal dat voor het bedrijf gold (het aantal geiten en schapen dat de houder op grond van artikel 37 lid 2 Regeling identificatie en registratie van dieren in 2009 had verstrekt, de zogenoemde “novembertelling”) niet werd overschreden. De Regeling voorzag verder in een fokverbod voor besmette bedrijven. Op niet-besmette geiten- en schapenhouderijen binnen een straal van vijf kilometer van een besmet bedrijf was fokken toegestaan, zolang het referentieaantal dat voor het bedrijf gold daarna niet overschreden werd. 2.113. In de Regeling van de Minister van LNV van 14 december 2009, nr. 98748, houdende wijziging van de Regeling tijdelijke maatregelen dierziekten in verband met Q-koorts (frequentie tankmelkmonitoring) (Stcrt. 2009, 19904) is de frequentie van het op grond van de Regeling tijdelijke maatregelen dierziekten verplichte tankmelkonderzoek verhoogd naar eens per twee weken. Deze regeling is op 14 december 2009 om 18.00 uur in werking getreden. 2.114. In de Regeling van de Minister van LNV van 14 december 2009, nr. 72246, houdende wijziging van de Regeling tijdelijke maatregelen dierziekten in verband met de vaccinatiecampagne ter bestrijding van Q-koorts 2010 (Stcrt. 2009, 19877) is de vaccinatieverplichting met ingang van 1 januari 2010 uitgebreid naar bepaalde categorieën van schapen en geiten in heel Nederland – niet langer alleen in de besmette gebieden – die worden gehouden voor de melkproductie. 2.115. De Regeling van de Minister van LNV van 16 december 2009, nr. 99604, houdende wijziging van de Regeling tijdelijke maatregelen dierziekten in verband met Q-koorts (uitbreiding maatregelen) (Stcrt. 2009, 20181) bevatte een verdere uitbreiding van de maatregelen in de Regeling tijdelijke maatregelen dierziekten. Het ging – samengevat – om uitbreiding van (de reikwijdte van) de maatregelen met betrekking tot het houden, de aanvoer en het fokken van melkgeiten en melkschapen en het verwijderen en composteren van mest. Deze maatregelen hielden onder meer in het verbod om de stal binnen dertig dagen na het eind van het lammerseizoen uit te mesten en de verplichting om de mest na het uitmesten 90 dagen op het bedrijf op te slaan. Deze regeling trad op 16 december 2009 om 14.30 uur in werking. 2.116. In de Regeling van de Minister van LNV van 18 december 2009, nr. 101785, houdende wijziging van de Regeling tijdelijke maatregelen dierziekten in verband met Q-koorts (aanvoerverbod) (Stcrt. 2010, 298) is de Regeling tijdelijke maatregelen dierziekten uitgebreid met een algeheel verbod om schapen en geiten – gevaccineerd en niet gevaccineerd – op bedrijven aan te voeren naar bedrijven waar meer dan 50 dieren werden gehouden. Deze regeling trad op 18 december 2009 om 19.00 uur in werking. 2.117. Op 21 december 2009 is de VWA begonnen met de ruimingen. Eind januari 2010 waren de drachtige dieren, in totaal 36.857, op alle op dat moment besmette bedrijven (63 melkgeitenbedrijven en één melkschapenbedrijf) geruimd. In het voorjaar van 2010 waren in totaal 62.500 dieren op 88 besmette bedrijven geruimd. 2.118. In de Regeling van de Minister van LNV van 30 december 2009, nr. 104806, houdende wijziging van de Regeling tijdelijke maatregelen dierziekten in verband met Q-koorts (tankmelkmonitoring) (Stcrt. 2010, 289) is de wijze van gegevens verzamelen (tankmelkmonitoring) vastgelegd. Deze regeling trad in werking op 30 december 2009 om 16.00 uur. 2010 2.119. In de Regeling van de Minister van LNV van 18 januari 2010, nr. 109525, houdende wijziging van de Regeling tijdelijke maatregelen dierziekten in verband met Q-koorts (vrijstelling Euthasol, monitoring tankmelk en vaccinatie opfokbedrijven) (Stcrt. 2010, 914) is de vaccinatieplicht uitgebreid naar schapen en geiten die werden gehouden op een opfokbedrijf, voor zover deze dieren werden opgefokt voor de melkproductie. 2.120. In de Regeling van de Minister van LNV van 28 januari 2010, nr. 111689, houdende wijziging van de Regeling tijdelijke maatregelen dierziekten in verband met Q-koorts (hygiënemaatregelen houderijen met een publieksfunctie) (Stcrt. 2010, 3322) is voor zorgboerderijen, kinderboerderijen, dierentuinen, en locaties waar lammetjesaaidagen worden gehouden bepaald dat de houders van geiten of schapen die geiten en schapen volledig afgezonderd moeten houden van het publiek vanaf het moment waarop voor die dieren ten minste vier maanden van de dracht is verstreken tot twee weken na het lammeren. Deze regeling is op 28 januari 2010 om 11:00 uur in werking getreden. 2.121. In de Regeling van de Minister van LNV van 29 januari 2010, nr. 112309, houdende wijziging van de Regeling tijdelijke maatregelen dierziekten in verband met Q-koorts (fokverbod opfokbedrijven) (Stcrt. 010, 1891) is een kennelijke fout in de regeling van het fokverbod hersteld: het bij wijzigingen van de Regeling tijdelijke maatregelen dierziekten van 9 en 16 december 2009 ingestelde fokverbod op verdachte bedrijven, besmette bedrijven en bedrijven waar meer dan 50 schapen of geiten worden gehouden ten behoeve van de bedrijfsmatige melkproductie, zag niet op opfokbedrijven waar meer dan 50 schapen of geiten worden gehouden. Het fokverbod gold nu ook voor deze bedrijven waar schapen en geiten, afkomstig van melkproducerende bedrijven waarvoor al een fokverbod gold, waren opgefokt voor de melkproductie. 2.122. In de Regeling van de Minister van LNV van 23 februari 2010, nr. 117317, houdende wijziging van de Regeling tijdelijke maatregelen dierziekten en de Regeling identificatie en registratie van dieren in verband met Q-koorts (vaccinatie) (Stcrt. 2010, 3060) is de vaccinatieplicht uitgebreid naar de in 2.121 aangeduide opfokbedrijven. 2.123. In de daaropvolgende maanden zijn de maatregelen in een aantal ministeriële regelingen verduidelijkt en op onderdelen uitgebreid. 2.124. In het signaleringsoverleg van het CIb op 18 februari 2010 is besproken dat het totale aantal meldingen van Q-koorts over heel 2009 2.368 bedroeg (2.222 bevestigde gevallen, 121 waarschijnlijke gevallen en 25 meldingen waarvan de status onbekend
  31. is)en dat aanpassing van meldingen door de GGD-en nog steeds mogelijk was. Sinds 1 januari 2010 waren 43 ziektegevallen gemeld. 2.125. Op 5 maart 2010 en 28 mei 2010 hebben Deskundigenberaden plaatsgevonden. Tijdens het beraad van 5 maart 2010 concludeerden de deskundigen dat er voldoende aanwijzingen waren dat tijdige en volledige vaccinatie (
  32. i)de kans op infectie met C. burnetii vermindert bij een meerderheid van de gevaccineerde dieren, (
  33. ii)in aanzienlijke mate, of vrijwel geheel, abortus zal voorkomen, en (iii) de uitscheiding van de bacterie bij een abortus sterk reduceert. De deskundigen rapporteerden dat jaarlijkse hervaccinatie na een volledige primaire vaccinatieserie over een periode van een aantal jaren noodzakelijk is om naast de daling in de uitstoot een substantiële daling van de milieucontaminatie met C. burnetii te bewerkstelligen. 2.126. Ten tijde van het Deskundigenberaad op 18 mei 2010 was bekend dat er in 2010, tot dat moment, 318 ziektegevallen waren gemeld. Bij 208 van deze meldingen viel de eerste ziektedag in 2010. Laboratoria en GGD-en constateerden bij deze nieuwe meldingen dat een recente infectie niet altijd kon worden onderscheiden van een langer geleden doorgemaakte infectie. Een snelle stijging van het aantal ziektegevallen in april en mei van 2010, zoals zich in 2009 voordeed, was nog niet waargenomen. In tegenstelling tot voorgaande jaren waren de meldingen meer verspreid over het land, 57% van de ziektegevallen was echter wel woonachtig binnen een straal van vijf kilometer rond een besmet bedrijf. 2.127. De deskundigen hebben na dit laatste beraad geadviseerd om te stoppen met het ruimen van dieren en hebben over de (afbouw van
  34. de)maatregelen – kort gezegd – geadviseerd: voor een periode van een aantal jaren, na een volledige primaire vaccinatieserie, jaarlijks te hervaccineren, tankmelkmonitoring te continueren maar de frequentie daarvan tot de volgende lammerperiode te verlagen naar maandelijks of tweemaandelijks, de mest- en hygiënemaatregelen voor besmette bedrijven te handhaven in afwachting van definitieve onderzoeksresultaten, de maatregelen die gelden voor de overige bedrijven, zoals bedrijven met een publieksfunctie, te continueren met uitzondering van het fokverbod, de herbevolking van tankmelkpositieve bedrijven onder voorwaarden toe te staan, het uitbreidings- en nieuwbouwverbod tot in ieder geval 1 juni 2011 te handhaven. 2.128. In de Regeling van de Minister van LNV van 8 juli 2010, nr. 142107, houdende wijziging van de Regeling tijdelijke maatregelen dierziekten in verband met Q-koorts (afbouw Q-koortsmaatregelen) (Stcrt. 2010, 10925) is de afbouw van de maatregelen in verband met Q-koorts, volgens het advies van het Deskundigenberaad, ingezet. 2.129. De maatregelen die in de periode 2008 en 2009 zijn genomen zijn in fases afgebouwd. Een groot deel van de maatregelen heeft een structureel karakter gekregen. onderzoeken 2.130. Op 19 januari 2010 werd de Evaluatiecommissie Q-koorts (commissie Van Dijk) ingesteld door het kabinet. Op 22 november 2010 bracht zij haar rapport “Van verwerping tot verheffing, Q-koortsbeleid in Nederland 2005-2010” in de openbaarheid. Het rapport bevat diverse conclusies en aanbevelingen. 2.131. Op 19 juni 2012 verscheen het rapport “Het spijt mij; Over Q-koorts en de menselijke maat” van de Nationale ombudsman. De ombudsman heeft geoordeeld dat er door de keuzes die de ministeries van LNV en VWS gedurende de jaren 2006-2009 hebben gemaakt een forse disbalans is ontstaan ten opzichte van de omwonenden en passanten die de gevolgen van Q-koorts hebben ervaren en dat deze disbalans dient te worden gecompenseerd. De ombudsman heeft de Staat geadviseerd om onder andere “een goed geformuleerd excuus aan te bieden aan q-koortspatiënten en nabestaanden” en een financiële tegemoetkoming aan te bieden “in concrete situaties die gekenmerkt worden door de hardheid van de consequenties voor individuele getroffenen van de Q-koorts.” 3Het wettelijk instrumentarium voor de bestrijding van infectieziekten 3.1. De bestrijding van infectieziekten wordt beschouwd als een klassieke taak van de overheid. Voor de bestrijding van infectieziekten is er wet- en regelgeving in het belang van de volksgezondheid – tot 1 december 2008 (op basis van) de Infectieziektenwet en daarna de Wet Publieke Gezondheid (WPG) – en wet- en regelgeving in het belang van de gezondheid van het dier – in de hier relevante periode (op basis van) de Gezondheids- en welzijnswet voor dieren (GWWD). 3.2. De relatie tussen de WPG en de GWWD is in de memorie van toelichting op de WPG als volgt geduid: “(…) Zoals hierboven aangegeven kunnen met dit voorstel geen maatregelen worden getroffen voor dieren. Daarvoor biedt de Gezondheids- en welzijnswet voor dieren het instrumentarium. Op grond van die wet kan ook worden opgetreden ter bestrijding van zoönosen, dierziekten die een gevaar voor de gezondheid van mensen opleveren. In sommige gevallen kan eenzelfde bestrijding plaatsvinden op grond van de maatregelen in dit voorstel. (..). Pas als er (…) vanuit volksgezondheidsbelang aanvullende maatregelen nodig zijn die niet op grond van de Gezondheids- en welzijnswet voor dieren kunnen worden getroffen, is optreden op grond van dit voorstel aangewezen.” (Kamerstukken II 2007/08, 31316, nr. 3, pp. 20-21) 3.3. Q-koorts is bij of krachtens de Infectieziektenwet en de WPG aangewezen als infectieziekte in de zin van deze wetten en is ingedeeld in groep C. In de bijlage bij de MvT bij de Infectieziektenwet staat over Q-koorts opgemerkt: “een matig ernstige infectieziekte. Verspreiding via grote huisdieren (melk!) en andere dieren, ook kleine huisdieren. Collectieve maatregelen kunnen nodig zijn.” (Kamerstukken II 1996/97, 25336, nr. 3, p. 25). 3.4. Ingevolge artikel 22 lid 2 WPG is de arts die bij een door hem onderzocht persoon een infectieziekte behorend tot groep C vaststelt, verplicht dit binnen 24 uur aan de GGD te melden. In de MvT bij de WPG staat in Bijlage II “Achtergrondgegevens per ziekte” over Q-koorts het volgende: “Reden voor meldingsplicht in deze categorie: een matig ernstige infectieziekte. Verspreiding via landbouwhuisdieren zoals schapen, geiten en koeien (melk!) en andere dieren, ook kleine huisdieren. Brononderzoek en collectieve maatregelen zijn nodig. Gemiddeld aantal per jaar in de periode 2000-2005:12. Meldingsplicht in Nederland sinds 1945: 1976” (Kamerstukken II 2007/08, 31316, nr. 3, p. 66) aanwijzing besmettelijke dierziekte 3.5. Artikel 1 GWWD definieert ‘besmettelijke dierziekte’ als elke aantasting van de gezondheid van een dier die gevaar kan opleveren voor de gezondheid van andere dieren of van de mens. 3.6. Hoofdstuk II, afdeling 3, van de GWWD ziet op “de preventie en de bestrijding van besmettelijke dierziekten”. Deze afdeling is van toepassing op door de minister van LNV aangewezen besmettelijke dierziekten bij vee. 3.7. De aanwijzing als besmettelijke dierziekte vindt plaats op grond van artikel 15 lid 2 GWWD. Deze bepaling kent de volgende gronden: indien de ziekte zich snel kan uitbreiden, ernstige schade kan berokkenen aan de betrokken diersoort en niet of niet volledig kan worden voorkomen of bestreden met normale bedrijfsmiddelen (a-grond), indien een verdrag of een besluit van een volkenrechtelijke organisatie zulks met zich brengt (b-grond), indien de ziekte naar het oordeel van de minister van VWS een ernstig gevaar voor de volksgezondheid oplevert (c-grond). Aanwijzing op grond van sub c vindt plaats in overeenstemming met de minister van VWS (artikel 15 lid 3 GWWD). Bij algemene maatregel van bestuur wordt bepaald wanneer dieren als verdachte dieren moeten worden aangemerkt (artikel 15 lid 4 GWWD). 3.8. In de wetgeschiedenis bij (de voorloper van) artikel 15 GWWD staat: Zoönosen zijn besmettelijke ziekten waarvan de wering en bestrijding plaats behoren te vinden op basis van het onderhavige voorstel. Zoönosen zijn ziekten die door dieren op de mens worden overgebracht. Duidelijk voorbeeld hiervan is rabiës. De gezondheid van de dieren zelf wordt in de regel ook aangetast. Voor de wering en bestrijding van zoönosen zullen dan ook maatregelen jegens dieren moeten worden genomen. Binnen de opzet van het voorstel is de Minister van Landbouw en Visserij voor de bestrijding van een dierziekte en voor het nemen van maatregelen jegens dieren eerstverantwoordelijk evenals dat tot nu toe het geval was. (...) Gezien de geschetste verwevenheid van de gezondheid van dieren en die van de mens hebben wij, zoals reeds opgemerkt, die verantwoordelijkheid van de Minister van Welzijn, Volksgezondheid en Cultuur voor de bestrijding van zoönosen duidelijker in het wetsvoorstel tot uitdrukking willen laten komen. In artikel 23 is die verantwoordelijkheid reeds vastgelegd. De mening van de leden van de P.v.d.A.-fractie dat het in artikel 23, tweede lid, neergelegd criterium «ernstig gevaar» tot veel misverstanden aanleiding zal kunnen geven, delen wij niet. Het oordeel over het gevaar is uitsluitend overgelaten aan de Minister van Welzijn, Volksgezondheid en Cultuur. Van misverstanden behoeft geen sprake te zijn. Wel is ter benadrukking van die verantwoordelijkheid bij nota van wijzigingen aan artikel 23 toegevoegd dat de aanwijzing van dierziekten in bedoelde gevallen niet door de Minister van Landbouw en Visserij alleen geschiedt, maar dat hij zulks doet in overeenstemming met zijn ambtgenoot van Welzijn, Volksgezondheid en Cultuur. Voorts is bij nota van wijzigingen opgenomen, dat voor de maatregelen die de Minister van Landbouw en Visserij op grond van dat artikel kan treffen, in het geval dat een besmettelijke dierziekte tevens ernstig gevaar voor de volksgezondheid oplevert, eveneens overeenstemming met eerdergenoemde ambtgenoot is vereist. Wij wijzen er volledigheidshalve nog op dat er ook zoönosen bestaan, waar het dier slechts als vector optreedt en waarbij alleen de gezondheid van de mens in het geding is. Voorbeelden hiervan zijn salmonellose bij vee en stafylococcen bij pluimvee. Ook voor de wering en bestrijding van deze zoönosen zullen maatregelen jegens dieren genomen moeten kunnen worden. Bij nota van wijzigingen voorzien wij thans in deze mogelijkheid. Wij achten het uit wetstechnische overwegingen juister om de wering en bestrijding van die zoönosen die de gezondheid van dieren niet aantasten niet te integreren in de normale dierziekten, doch voor deze categorie in het voorstel een aparte bepaling op te nemen.” (Kamerstukken II 1984/85, 16447 nr. 6, p. 11-12) en “Afdeling 3 van hoofdstuk II van de wet is, zoals uit de tekst van de in de afdeling opgenomen artikelen 17, 18 en 30 volgt, niet uitsluitend bedoeld voor het treffen van maatregelen – zoals het instellen van vervoersverboden of het ruimen van bedrijven – nadat een aangewezen besmettelijke dierziekte is uitgebroken, maar uitdrukkelijk ook voor het treffen van maatregelen die insleep van dergelijke ziekten moeten voorkomen. Hierbij kan worden gedacht aan specifieke hygiënevoorschriften, zoals neergelegd in de Regeling varkensleveringen en de Regeling inzake hygiëne-voorschriften besmettelijke dierziekten, en aan fok- of entingsprogramma’s. (…) (Kamerstukken II 2000/01, 27685, nr. 3, p. 27) 3.9. Uit de hiervoor geciteerde wetsgeschiedenis volgt dat het instrumentarium van de GWWD ook kan worden ingezet met betrekking tot zoönosen, zowel preventief als ter bestrijding van een uitbraak. Duidelijk is dat het de bedoeling van de wetgever is dat aanwijzing als besmettelijke dierziekte ook kan geschieden uit een oogpunt van volksgezondheid als de diergezondheid niet in het geding is en het dier alleen of voornamelijk drager van een zoönose is. In dat geval vindt de aanwijzing als besmettelijke dierziekte niet op de a-grond plaats, maar op de c-grond en is de aanwezigheid van een ernstig gevaar voor de volksgezondheid vereist. 3.10. Aanwijzing als besmettelijke dierziekte geschiedt bij wijziging van de Regeling van 7 juni 2005, houdende regels inzake preventie, bestrijding en monitoring van besmettelijke dierziekten en zoönosen en TSE’s (Stcrt. 2005, 120). voorschriften voor besmettelijke dierziekten: meldplichten en verplaatsingsverbod 3.11. Aanwijzing als besmettelijke dierziekte leidt tot toepasselijkheid van de in artikelen 19 en 100 GWWD neergelegde meldplichten voor de houder van een dier respectievelijk de dierenarts, indien een dier verschijnselen van een besmettelijke dierziekte vertoont of indien redelijkerwijs kan worden aangenomen dat een dier in de gelegenheid is geweest om te worden besmet of drager van smetstof is. Daarvan moet terstond kennis worden gegeven aan de ambtenaren van VWA. Op de houder van een ziek of verdacht dier rust verder de plicht naar waarheid alle inlichtingen te verstrekken en alle medewerking te verlenen en al datgene dat in zijn vermogen ligt te doen om de aard van de besmettelijke dierziekte zo spoedig mogelijk te doen vaststellen (artikel 20 GWWD).Voorts is iedere houder van een ziek of verdacht dier verplicht ervoor zorg te dragen dat dit dier zijn verblijfplaats niet verlaat, tenzij met toestemming of krachtens bevel van de minister van LNV (artikel 29 GWWD). 3.12. Uit de wetgeschiedenis bij (de voorloper van) artikel 20 lid 1 GWWD (de informatieplicht van de houder van het dier) blijkt het volgende: “Dit artikel is nieuw. De plicht van de veehouder om gegevens te verstrekken en zijn medewerking te verlenen bij het vaststellen van de ziekte en de oorsprong daarvan is opgenomen om de ziekte zo snel mogelijk te kunnen opsporen, de haard van de ziekte te kunnen traceren en te kunnen nagaan waarheen dieren van besmette bedrijven zijn afgevoerd.” (Kamerstukken II 1980/81, 16447, nr. 3, p. 12) 3.13. De meldplicht betreft zieke en verdachte dieren. Artikel 2 Besluit verdachte dieren – de in 3.7 bedoelde AMvB – bepaalt wanneer dieren als verdacht worden aangemerkt, te weten indien de aangewezen ambtenaar de ziekte meent te bespeuren, de dieren zich met zieke of verdachte dieren in eenzelfde verblijfplaats bevinden of de aangewezen ambtenaar redenen heeft om aan te nemen dat de dieren in de gelegenheid zijn geweest te worden besmet en de diersoort vatbaar is voor de ziekte. bevoegdheid minister LNV tot het stellen van regels en het treffen van maatregelen 3.14. Artikel 17 lid 1 GWWD geeft de grondslag voor het bij ministeriële regeling stellen van regels hetzij voor geheel Nederland, hetzij voor bepaalde gedeelten daarvan, ter voorkoming van overbrenging van een besmettelijke dierziekte, waaronder in ieder geval regels omtrent (onderstreping rechtbank): het voorbehoedend behandelen, merken, opsluiten, aanlijnen van dieren die door een besmettelijke dierziekte kunnen worden aangetast of drager van smetstof kunnen zijn; (…); het betreden van bedrijven of vestigingen waar dieren worden gehouden, waaronder het opleggen van de verplichting aan personen, die in het kader van de uitoefening van hun beroep of bedrijf bedrijven of vestigingen betreden, tot het houden van aantekeningen omtrent het betreden van desbetreffende bedrijven of vestigingen; het insemineren of laten bevruchten van dieren die door een besmettelijke dierziekte kunnen worden aangetast. Ingevolge artikel 17 lid 2 GWWD worden onder de in het eerste lid bedoelde regels mede verstaan regels met betrekking tot het aanvoeren, het ontvangen, het afvoeren en de aanwezigheid van dieren. 3.15. Artikel 21 GWWD bepaalt dat de minister van LNV zo spoedig mogelijk besluit tot het nemen van de door hem nodig geachte maatregelen tot bestrijding van een besmettelijke dierziekte (lid 1) en de burgemeester van de gemeente, waarop de maatregelen betrekking hebben, onmiddellijk hiervan in kennis stelt (lid 2) (onderstreping rechtbank). Artikel 22 GWWD bepaalt dat de in artikel 21 bedoelde maatregelen kunnen zijn: het afzonderen van zieke en verdachte dieren; het opstallen, ophokken of op een plaats houden van zieke en verdachte dieren; het plaatsen van waarschuwingsborden; het door het plaatsen van kentekenen besmet of van besmetting verdacht verklaren van gebouwen en terreinen; het merken van zieke, verdachte en herstelde dieren; het doden van zieke en verdachte dieren; het onschadelijk maken van gedode of gestorven, zieke en verdachte dieren, en van produkten en voorwerpen, die besmet zijn of ervan worden verdacht gevaar op te leveren voor verspreiding van smetstof; et reinigen en ontsmetten van gebouwen, terreinen, bewaarplaatsen van mest en voorwerpen; het vastleggen, opsluiten of afzonderen van dieren; het behandelen van dieren of producten op een door de minister van LNV aangegeven wijze; het verbieden van het vervoeren van de op grond van artikel 25, eerste lid, aangewezen soorten of categorieën van dieren, producten of voorwerpen van of naar gebouwen en terreinen waar geen kenteken als bedoeld onderdeel d, is geplaatst; het verbieden van de toegang aan anderen dan de op grond van artikel 25, tweede lid, aangewezen personen of groepen van personen tot gebouwen en terreinen waar geen kenteken als bedoeld in onderdeel d, is geplaatst; het verbieden van het verlaten van gebouwen en terreinen waar geen kenteken als bedoeld in onderdeel d, is geplaatst, tenzij de door de minister van LNV voorgeschreven maatregelen van ontsmetting zijn toegepast; het nemen van andere maatregelen, voorzover een verdrag of een besluit van een volkenrechtelijke organisatie zulks met zich brengt. 3.16. De minister van LNV stelt het tijdstip vast waarop de verdenking is ontstaan dat een dier lijdt aan een besmettelijke dierziekte alsmede het tijdstip waarop deze verdenking eindigt en stelt daarbij tevens vast welke op het bedrijf aanwezige dieren op het tijdstip waarop de verdenking is ontstaan reeds ziek waren en welke dieren op dat tijdstip van de ziekte verdacht waren (artikel 24 GWWD). 3.17. Op grond van artikel 30 lid 1 GWWD kan de minister het vervoeren van dieren van een door hem te bepalen soort uit, naar of binnen Nederland of bepaalde gedeelten van Nederland verbieden dan wel verbieden indien niet wordt voldaan aan door hem te stellen regels. Rondom het op grond van het eerste lid aangewezen gebied kunnen waarschuwingsborden worden geplaatst (lid 2) en de minister kan voor het krachtens het eerste lid aangewezen gebied het bij artikel 29 bepaalde van overeenkomstige toepassing verklaren ten aanzien van gezonde dieren (lid 3); dan zijn ook de houders van gezonde dieren verplicht ervoor zorg te dragen, dat deze dieren hun verblijfplaats niet verlaten, tenzij met toestemming of krachtens bevel van de minister van LNV. 3.18. Indien in het belang van het weren, de preventie of de bestrijding van besmettelijke dierziekten naar het oordeel van de minister een onverwijlde voorziening noodzakelijk is, kan hij bepalen dat door hem krachtens dit hoofdstuk vastgestelde regelingen onmiddellijk na hun bekendmaking in werking treden. In dat geval kan hij zodanige regeling, in afwijking van artikel 4 van de Bekendmakingswet, op andere dan de daar genoemde wijze bekend maken. 4Het geschil 4.1. Eisers vorderen bij vonnis, voor zover mogelijk uitvoerbaar bij voorraad, een verklaring voor recht dat de Staat aansprakelijk is voor hun schade, per individuele eiser nader op te maken bij staat, met veroordeling van de Staat in de proceskosten. 4.2. Eisers hebben aan hun vordering – kort gezegd – het volgende ten grondslag gelegd. De Staat treft een tweetal hoofdverwijten:

(1)hij heeft hen bewust niet of onvoldoende geïnformeerd over de hem bekende gevaren van Q-koorts en
(2)hij heeft te lang nagelaten adequate maatregelen te treffen om hen te beschermen tegen die gevaren. De Staat heeft daardoor onrechtmatig gehandeld jegens eisers. De Staat heeft de artikelen 2 en 8 Europees Verdrag voor de Rechten van de Mens (EVRM), alsmede artikel 1 van het Eerste Protocol bij het EVRM (EP) en de artikelen 11, 21 en 22 Grondwet (Gw) geschonden. Ook heeft de Staat in strijd gehandeld met de maatschappelijke zorgvuldigheidsnorm van artikel 6:162 BW. Dit leidt tot aansprakelijkheid en schadeplichtigheid jegens eisers, die vrijwel allemaal besmet zijn (geweest) met Q-koorts dan wel nabestaanden zijn van een patiënt die als gevolg van Q-koorts is overleden en als gevolg daarvan materiële en immateriële schade hebben geleden. 4.3. De Staat voert gemotiveerd verweer. 4.4. Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover van belang, nader ingegaan. 5De beoordeling A. Inleiding 5.1. Eisers zijn vrijwel allemaal besmet (geweest) met C. burnetii in de periode 2007-2010, en hebben ziekteverschijnselen van Q-koorts ontwikkeld. Enkele eisers zijn nabestaanden van personen die als gevolg van zo een besmetting zijn overleden. Voor eisers heeft de eigen besmetting met Q-koorts dan wel die van familieleden ingrijpende en blijvende gevolgen gehad, op fysiek, psychisch en financieel vlak. 5.2. Het gaat eisers in deze zaak om “herkenning en erkenning” van hun positie en om een veroordeling van de Staat tot schadevergoeding. De rechtbank heeft oog voor de impact van de besmetting op het leven van eisers, en voor dat van de vele (duizenden) andere personen die met Q-koorts besmet zijn geraakt en daarvan schade ondervonden en ondervinden, maar zich niet als eiser in deze procedure hebben gesteld. 5.3. De taak van de rechtbank is om te beoordelen of de vorderingen van eisers op juridische gronden toewijsbaar zijn. Daarbij staat de rechtmatigheid – in civielrechtelijke zin – van het optreden van de Staat centraal. Dat betekent: een oordeel naar de maatstaven van het civiele aansprakelijkheidsrecht, aan de hand van de door eisers ingenomen stellingen en op basis van de vaststaande feiten en omstandigheden zoals die zich voordeden ten tijde van dat handelen of nalaten. B. Algemene overwegingen en toetsingskader 5.4. Eisers spreken in de gedingstukken op diverse plekken over “de overheid”. Uit de formulering van hun verwijten volgt dat zij daarbij het oog hebben op de Staat, niet op alle overheidslichamen die betrokken waren bij de (bestrijding van
  1. de)Q-koorts-uitbraak. De verwijten betreffen de handelwijze en beslissingen van de ministers van LNV en VWS en (hoge) ambtenaren van beide departementen, en niet gedragingen van de GD, de GGD en het RIVM, met inbegrip van het CIb en het LCI, die een adviserende en uitvoerende rol hadden bij het treffen van maatregelen in verband met Q-koorts. 5.5. Eisers formuleren twee hoofdverwijten: ten eerste dat de Staat te lang heeft gewacht met het treffen van adequate maatregelen om hen te beschermen tegen de hem bekende gevaren van Q-koorts en ten tweede dat de Staat hen bewust niet of onvoldoende heeft geïnformeerd over die gevaren. Zij werken het eerste verwijt uit ten aanzien van de bronopsporing, de meldplicht, de maatregelen met betrekking tot hygiëne, mest en vervoer, de tankmelktest, vaccinatie, het fokverbod en het ruimen. 5.6. Eisers stellen dat de Staat daarmee: (
  2. i)inbreuk heeft gemaakt op verschillende grondrechten (de artikelen 11, 21 en 22 Gw); (
  3. ii)heeft gehandeld in strijd met verdragsrechtelijke plichten (de artikelen 2 en 8 EVRM en artikel 1 EP); en (iii) in strijd heeft gehandeld met hetgeen volgens het ongeschreven recht in het maatschappelijke verkeer betaamt. Eisers stellen de Staat uit hoofde van onrechtmatige daad aansprakelijk voor de schade die zij hebben geleden, waarvoor zij verwijzing naar de schadestaatprocedure vorderen. 5.7. Voor toewijzing van de vorderingen van eisers moet aan de vijf vereisten van de artikelen 6:162 en 6:163 BW zijn voldaan: onrechtmatige daad, toerekenbaarheid, relativiteit, schade en causaal verband. Aan deze vereisten moet voor ieder van de 297 eisers zijn voldaan. De stelplicht en de bewijslast ligt in beginsel op eisers, die zich op het rechtsgevolg van de door hen gestelde feiten en rechten beroepen. 5.8. Het eerste vereiste is dat de Staat bij het treffen van maatregelen in verband met de Q-koorts en de voorlichting over Q-koorts onrechtmatig heeft gehandeld. Voor de door de rechtbank aan te leggen toets geldt het volgende. 5.9. Overheidsaansprakelijkheid kan niet worden aangenomen op de enkele grond dat zich een risico heeft verwezenlijkt waarvan de Staat op de hoogte was of had moeten zijn. Bij de beoordeling van de rechtmatigheid van het optreden van de Staat is bepalend of het risico dat hij kende of had moeten kennen – gelet zowel op de ernst van de mogelijke effecten als de kans dat deze zouden optreden – dermate groot was, dat bij afweging van de (maatschappelijke) kosten tegen de voordelen van zodanig overheidsoptreden daaruit voor de Staat de rechtsplicht voortvloeide om maatregelen te nemen ter verkleining van dat risico. 5.10. De rechtbank betrekt bij de beoordeling het zogenoemde voorzorgsbeginsel, een ongeschreven publiekrechtelijk rechtsbeginsel. Dit beginsel kan van de Staat vergen dat hij maatregelen neemt indien de potentieel schadelijke gevolgen van een verschijnsel door middel van een objectieve, wetenschappelijke evaluatie zijn vastgesteld, maar een zekere mate van wetenschappelijke onzekerheid bestaat over de precieze omvang van het risico, de oorzaken van het verschijnsel en de effectiviteit van de daartegen te nemen maatregelen. De Staat heeft te kennen gegeven dat hij zich mede door het voorzorgsbeginsel heeft laten leiden bij het nemen van maatregelen en bij de voorlichting van het algemene publiek in verband met Q-koorts. 5.11. In het door de rechtbank toe te passen toetsingskader volstaat niet de vaststelling dat een maatregel te laat en – in de woorden van eisers – te lankmoedig (in de zin van: te mild) is genomen. Dat de Staat destijds maatregelen had kunnen nemen die hij niet heeft genomen, is niet voldoende om tot onrechtmatig handelen te kunnen concluderen, net zo min als de vaststelling dat – achteraf bezien – het (eerder) nemen van een bepaalde maatregel effectief zou zijn geweest. Beoordeeld moet worden of de Staat, gezien de hem destijds bekende risico’s en met inachtneming van de aan hem toekomende beoordelings- en beleidsvrijheid, maatregelen had moeten treffen en of het treffen van deze maatregelen destijds voorzienbaar voldoende effect zou hebben gehad. Als geoordeeld wordt dat te laat is ingegrepen, zal dus ook (bij benadering) moeten kunnen worden vastgesteld op welk eerder gelegen moment op de Staat een rechtsplicht rustte om in te grijpen. 5.12. Bij de beoordeling van het eerste hoofdverwijt dient verder te worden betrokken het instrumentarium dat de Staat op grond van de GWWD ter beschikking staat om in verband met als zodanig aangewezen besmettelijke dierziekten besluiten te nemen en ministeriële regelingen te treffen. Het toetsen van besluiten in de zin van artikel 1:3 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb), waartegen bezwaar en beroep heeft opengestaan, is geen taak voor de burgerlijke rechter. Dergelijke besluiten zijn in deze procedure niet aan de orde; de door eisers ter discussie gestelde maatregelen zijn alle besluiten van algemene strekking in de vorm van ministeriële regelingen. Het verwijt over het te laat en onvoldoende adequaat treffen van maatregelen ziet daarmee op regelgevingsfalen, te weten het nalaten Q-koorts als besmettelijke dierziekte aan te wijzen en daarna bij ministeriële regeling maatregelen te treffen. 5.13. De minister van LNV heeft beoordelings- en beleidsvrijheid bij de aanwijzing van Q-koorts als besmettelijke dierziekte en kan vervolgens op grond van artikel 21 GWWD maatregelen treffen die hij nodig acht. Hij heeft beleidsvrijheid bij de keuze uit het brede scala van de in artikel 22 GWWD opgesomde maatregelen en van eventuele combinaties van die maatregelen. De beslissing om deze maatregelen te nemen, en de keuze van het moment van het treffen van de maatregelen, vergt een afweging waarbij vele belangen van verschillende aard en gewicht betrokken zijn. Hierbij zal het zwaarwegende belang van de bescherming van de volksgezondheid bij een dierlijke infectieziekte die een ernstig gevaar oplevert voor de volksgezondheid, steeds groot gewicht in de schaal dienen te leggen. 5.14. Het in artikel 120 Gw neergelegde toetsingsverbod, dat betrekking heeft op toetsing van wetten in formele zin, verzet zich niet tegen toetsing door de rechtbank van het gestelde regelgevingsfalen van de Staat. 5.15. De positie van de rechter in het staatsbestel brengt wel mee dat hij terughoudendheid dient te betrachten bij de toetsing van gesteld regelgevingsfalen. De rechter kan niet treden in de hiervoor bedoelde ruime beoordelings- en beleidsvrijheid van de minister bij de vaststelling van de ministeriële regelingen op grond van de GWWD. Verder is van belang dat, hoewel ministeriële regelingen niet het resultaat zijn van een proces van besluitvorming en afweging van belangen waarbij democratisch gekozen organen zijn betrokken, er in dit geval wel nauwe betrokkenheid van het parlement bij de totstandkoming van deze ministeriële regelingen is geweest, onder meer vanwege de uitgebreide verantwoording die de verantwoordelijke bewindslieden gedurende de Q-koorts-uitbraak hebben afgelegd aan de Tweede Kamer over de genomen en te nemen maatregelen. De beoordelings- en beleidsvrijheid van de minister bij het vaststellen van de ministeriële regelingen vindt haar begrenzing in de wet, rechtstreeks werkende verdragsbepalingen (zoals de artikelen 2 en 8 EVRM) en/of de algemene beginselen van behoorlijk bestuur. 5.16. Artikel 2 EVRM beschermt het recht op leven en artikel 8 EVRM het recht op eerbiediging van het privé-, familie- en gezinsleven. Uit deze artikelen kunnen voor de Staat positieve verplichtingen voortvloeien om (wettelijke) maatregelen te treffen, indien hij op de hoogte is of wordt geacht te zijn van een reële en onmiddellijke bedreiging van de gezondheid en/of het leven van (een bepaalde groep van) personen. Tot deze verplichtingen kunnen ook informatie- en waarschuwingsverplichtingen van de Staat worden gerekend. Deze strekken ertoe mensen in staat te stellen om de gevaren in te schatten waaraan zij zijn of worden blootgesteld. Ten aanzien van de wijze waarop de Staat uitvoering geeft aan de positieve verplichtingen op grond van de artikelen 2 en 8 EVRM geldt de “margin of appreciation”. De Staat heeft dus ook ten aanzien van de wijze waarop hij uitvoering geeft aan deze positieve verplichtingen ruimte voor beleidskeuzes. 5.17. Eisers hebben zich – voor het eerst ter zitting – ook beroepen op artikel 1 EP. Nu zij hebben meegedeeld dat dit géén zelfstandige grondslag is voor de vordering en zij dit beroep verder niet hebben uitgewerkt, laat de rechtbank een toets op grond van deze bepaling verder buiten beschouwing. 5.18. Artikel 11 Gw schept geen andere of verdergaande verplichtingen voor de Staat dan de verplichtingen op grond van de artikelen 2 en 8 EVRM. De artikelen 21 en 22 Gw bevatten – anders dan deze verdragsbepalingen – geen rechten waarop burgers zich kunnen beroepen; deze bepalingen bevatten verplichtingen voor de Staat. Zij zijn wel indirect relevant, aangezien de Staat zich naar deze verplichtingen dient te richten. Artikel 21 Gw bepaalt dat de zorg van de overheid is gericht op de bewoonbaarheid van het land en de bescherming en verbetering van het leefmilieu en op grond van artikel 22 Gw dient de overheid maatregelen te treffen ter bevordering van de volksgezondheid. Ter vervulling van deze taak is de Staat uitgerust met het wettelijk instrumentarium ter bestrijding van (voor mensen) besmettelijke dierziekten. 5.19. Ter toelichting op hun stellingen citeren eisers uitgebreid uit de rapporten van de commissie Van Dijk en de Nationale ombudsman en verwijzen zij naar de in deze rapporten getrokken conclusies. De commissie Van Dijk had de opdracht om de aanpak van Q-koorts te evalueren en te bezien welke lessen voor de toekomst konden worden getrokken. De Nationale ombudsman heeft de behoorlijkheid van het overheidsoptreden bij de aanpak van Q-koorts beoordeeld. Zoals hij in zijn rapport benadrukt, heeft de Nationale ombudsman geen oordeel gegeven over de rechtmatigheid van dat overheidsoptreden. De rechtbank, die de rechtmatigheid van de gedragingen van de Staat beoordeelt, hanteert dan ook een ander beoordelingskader dan de commissie Van Dijk en de Nationale ombudsman. De rechtbank dient een eigen en zelfstandige beoordeling van de door eisers aan de Staat verweten gedragingen uit te voeren, waarbij de bevindingen van de commissie Van Dijk en de Nationale ombudsman – voor zover partijen daarop een beroep hebben gedaan en voor zover relevant – in de overwegingen zullen worden betrokken. 5.20. Hoewel de beoordeling van de rechtbank feitelijk achteraf plaatsvindt, zal deze steeds moeten plaatsvinden aan de hand van de destijds, in 2007 tot en met 2010, bekende feiten en omstandigheden en de stand van de wetenschap van dat moment. In het bijzonder is van belang over welke kennis de Staat destijds beschikte of kon beschikken, niet wat nu – achteraf of inmiddels – bekend is geworden. Ook hierin verschilt de door de rechtbank aan te leggen toets in ieder geval van die van de commissie Van Dijk; een evaluatie zoals deze commissie heeft uitgevoerd vindt – naar de commissie zelf ook benadrukt – bij uitstek plaats met wetenschap achteraf. 5.21. Dat naar aanleiding van de bevindingen van de commissie Van Dijk lessen zijn getrokken voor de toekomst, wil niet zeggen dat de Staat aansprakelijk is uit hoofde van onrechtmatige daad jegens de slachtoffers van Q-koorts. Om aansprakelijkheid te kunnen vaststellen, moet niet zozeer naar de gevolgen van verspreiding van Q-koorts worden gekeken, maar naar de oorzaken daarvan in relatie tot de door de Staat in verband daarmee getroffen maatregelen en de tot hem ter beschikking staande bevoegdheden. 5.22. Eisers stellen dat de Staat zijn rechtsplicht heeft verzaakt door te falen als toezichthouder. Daarbij verwijzen zij enkel naar de “bijzondere positie” die de Staat ten opzichte van hen heeft, zonder het verwijt van toezichtsfalen verder op enige wijze te concretiseren. In algemene zin dient de rechter bij de toetsing van algemeen toezichtsfalen grote terughoudendheid te betrachten, gelet op de aan de Staat toekomende vrijheid bij de verdeling van de hem beschikbare financiële en personele middelen over de verschillende beleidsterreinen. Zo een taakverwaarlozing zal dus alleen in uitzonderlijke omstandigheden als onrechtmatig kunnen worden aangemerkt jegens eisers. Zulke uitzonderlijke omstandigheden hebben eisers niet gesteld en zijn overigens ook niet gebleken. 5.23. De rechtbank zal nu, met inachtneming van het voorgaande, eerst het door eisers gestelde onrechtmatig handelen van de Staat beoordelen. C. Onrechtmatig handelen 5.24. Alvorens op de hoofdverwijten van eisers in te gaan, zal de rechtbank vaststellen wat de Staat begin 2007 bekend was over het gevaar van Q-koorts en de kans op een omvangrijke uitbraak van deze ziekte in Nederland. bekendheid bij de Staat van het gevaar van Q-koorts en de kans op een omvangrijke uitbraak van deze ziekte in Nederland 5.25. De Staat betwist niet dat hij bekend was met het door eisers genoemde, in 1985 verschenen, proefschrift van dr. J.H. Richardus, “Q-koorts in Nederland: klinische, epidemiologische en immunologische aspekten”. Eisers hebben een gedeelte uit dit proefschrift in het geding gebracht, zonder te wijzen op specifieke passages. In dit proefschrift worden de ziekteverschijnselen beschreven en wordt geconcludeerd dat enkele (toen) gangbare opvattingen over Q-koorts niet houdbaar leken: “Zo werd deze ziekte vaak als een ernstige, alleen aan bepaalde beroepen gebonden ziekte beschouwd, waarbij vee of hun produkten de infektiebron zijn. Het hoge percentage sero-positieven in bevolkingsgroepen zonder bijzondere expositie wijst erop dat het aantal infekties veel groter is dan het aantal gediagnostiseerde ziektegevallen. C. burnetii lijkt daarom een veel grotere verspreiding te hebben dan algemeen wordt aangenomen. (...)” (p. 88) 5.26. In dit proefschrift is beschreven dat slechts een klein deel van het aantal besmettingen tot een manifeste ziekte leidt en wordt geconcludeerd dat Q-koorts met ongeveer 25 gevallen per jaar geen zeldzame ziekte is. Geconcludeerd wordt voorts dat sero-epidemiologisch onderzoek uitwijst dat:
(1)intensief contact met dieren en hun producten (beroep/liefhebberij) de besmettingskans verhoogt;
(2)er geografische verschillen in besmettingskans bestaan, waarbij wordt opgemerkt dat de hogere percentages in het noord- en zuidoosten van het land mogelijk worden verklaard door het meer rurale karakter van dit deel van Nederland ten opzichte van het verstedelijkte westen (p. 82);
(3)het percentage besmette personen tussen 1968 en 1983 niet veranderd is. 5.
  1. De Staat kende daarmee de humane verschijningsvormen van Q-koorts. Het was de Staat ook bekend dat – hoewel lang niet iedereen die geïnfecteerd wordt ziekteverschijnselen, meestal in de vorm van griepachtige verschijnselen, vertoont – de ziekte een ernstig beloop kan hebben, in het bijzonder in de vorm van longklachten. Niet in geschil is dat de Staat ook wist dat de ziekte een dodelijke afloop kan hebben en dat de Staat wist dat Q-koorts zich kan ontwikkelen tot een chronische ziekte. 5.
  2. De Staat wijst erop dat hij in 1993 de Interdepartementale werkgroep zoönosen (IWZ) heeft ingesteld om zich te laten informeren over beleidsrelevante zaken met betrekking tot zoönosen. In januari 1999 heeft de IWZ een advies uitgebracht over Q-koorts. Evenals Richardus wijst de IWZ erop dat uit sero-epidemiologisch onderzoek blijkt dat een (veel) hoger percentage personen in Nederland antistoffen heeft tegen C. burnetii dan het aantal meldingen dat jaarlijks van Q-koorts wordt gedaan, zodat in Nederland rekening gehouden moet worden met een substantiële onderrapportage van de melding van aangifteplichtige ziekten. Zie ook het vijfde onderdeel van de conclusies en aanbevelingen van dit advies, die luiden: “C. burnetii komt endemisch voor in Nederland Serologisch onderzoek toont hogere percentages infecties aan bij personen die intensief contact hebben met dieren en hun producten, dan bij de overige bevolking. Serodiagnostiek geeft een stijgende graad van infecties van met name rundvee weer. Hiermee stijgt ook het risico voor humane infecties. De meeste Q-koorts infecties bij de mens verlopen subklinisch maar de complicaties in chronische gevallen zijn ernstig en moeilijk te behandelen. Het is waarschijnlijk dat de ca 20 meldingen per jaar door het missen van de diagnose en onderrapportage in werkelijkheid een veelvoud van dit getal bedraagt. Er is geen medicamenteuze behandeling van dieren beschikbaar. Consumptie van ongepasteuriseerde melk en melkproducten vormen een potentieel risico voor humane infectie. Transmissie naar de mens kan plaatsvinden langs verschillende routes o.a. via besmette stofdeeltjes en aërosolen afkomstig van dieren, van moeder op kind en via consumptie van besmette zuivelproducten. Het is onbekend welke van deze routes onder Nederlandse condities belangrijk zijn.” 5.
  3. Het voorgaande strookt met hetgeen – uiterst beknopt – is vermeld over de gevaren van Q-koorts in het door eisers in dit verband als bron genoemde Zoonoses Report 2005 van de European Food Safety Authority (EFSA) (p. 204). 5.
  4. De Staat heeft ook een aantal vóór 2007 verschenen wetenschappelijke publicaties in het geding gebracht, onder meer een publicatie over Q-koorts uit 1999 van M. Maurin en D. Raoult, waarin wordt ingegaan op de toen bekende – en hiervoor geduide – aspecten van d

🔗 Naar officiële bron

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.