RECHTBANK DEN HAAG Zittingsplaats Haarlem Bestuursrecht zaaknummers: NL17.2026 (beroep) NL17.2027 (voorlopige voorziening) uitspraak van de enkelvoudige kamer voor vreemdelingenzaken en de voorzieningenrechter van 29 mei 2017 in de zaak tussen [eiser] , geboren op [geboortedatum] 1994, van Somalische nationaliteit, eiser, (gemachtigde: mr. L.B. Vellenga-van Nieuwkerk, advocaat te Alkmaar), en de staatssecretaris van Veiligheid en Justitie, verweerder, (gemachtigde: drs. J.M. Sidler, werkzaam bij de Immigratie- en Naturalisatiedienst). Procesverloop Bij besluit van 1 mei 2017 (het bestreden besluit) heeft verweerder de aanvraag van eiser tot het verlenen van een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd niet in behandeling genomen omdat Duitsland verantwoordelijk is voor de behandeling van de aanvraag. Eiser heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld. Hij heeft de voorzieningenrechter verzocht om een voorlopige voorziening te treffen. Hij verzoekt verweerder te verbieden hem over te dragen totdat de rechtbank op het beroep heeft beslist. Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 18 mei 2017. Eiser is verschenen, bijgestaan door zijn gemachtigde. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde. Overwegingen 1. Ingevolge artikel 30, eerste lid, Vreemdelingenwet 2000 (Vw) wordt een aanvraag tot het verlenen van een verblijfsvergunning voor bepaalde tijd als bedoeld in artikel 28 niet in behandeling genomen, indien op grond van Verordening (EU) 604/2013 van het Europees Parlement en van de Raad van 26 juni 2013 tot vaststelling van de criteria en instrumenten om te bepalen welke lidstaat verantwoordelijk is voor de behandeling van een verzoek om internationale bescherming dat door een onderdaan van een derde land of een staatloze bij een van de lidstaten wordt ingediend (hierna: de Dublinverordening) is vastgesteld dat een andere lidstaat verantwoordelijk is voor de behandeling van de aanvraag. 2. Verweerder heeft de aanvraag van eiser niet in behandeling genomen omdat uit Eurodac is gebleken dat eiser op 19 augustus 2014 in Duitsland een verzoek om internationale bescherming heeft ingediend. Op grond van het Eurodacresultaat kon worden vastgesteld dat een ander land verantwoordelijk is voor de behandeling van het verzoek om internationale bescherming op grond van de Dublinverordening. Gelet op de beschikbare informatie zijn de autoriteiten van Duitsland op 30 maart 2017 gevraagd om eiser terug te nemen op grond van artikel 18, eerste lid, aanhef en onder b, Dublinverordening. Zij hebben op 3 april 2017 ingestemd met terugname op grond van artikel 18, eerste lid, aanhef en onder d, Dublinverordening. In hetgeen eiser heeft aangevoerd ziet verweerder geen aanleiding om toepassing te geven aan artikel 17, eerste lid, Dublinverordening. 3. Eiser voert ten eerste aan dat de zienswijze van 25 april 2017 ten onrechte niet is betrokken bij de beoordeling in het bestreden besluit. Reeds gelet daarop is het bestreden besluit onzorgvuldig tot stand gekomen. Voorts voert eiser aan dat, gelet op zijn gedrag en (mogelijke) psychose, aan zijn verklaringen tijdens het gehoor geen waarde kan worden gehecht. Artikel 5, tweede lid, sub b, Dublinverordening kan dan ook niet worden toegepast. Op 7 april 2017 heeft gemachtigde eiser bezocht op de speciale zorgafdeling van het detentiecentrum te [plaats] . Eiser sliep en wilde niet uit zijn bed komen. Aan de gemachtigde van eiser is toen meegedeeld dat eiser daar verbleef ter observatie in verband met zijn vreemde gedrag. De gemachtigde heeft vervolgens gebeld met verweerder om te melden dat eiser psychisch niet in orde was en pas gehoord kon worden nadat hij medisch was onderzocht. De hoormedewerker heeft de gemachtigde gebeld met de mededeling dat het gehoor was afgebroken omdat met eiser geen zinnig gesprek te voeren was, en dat er eerst een medisch advies zou worden gevraagd. Verweerder heeft echter, zonder eiser opnieuw medisch te laten onderzoeken door de Forensisch Medische Maatschappij Utrecht (FMMU), een voornemen uitgebracht. Uit het rapport van gehoor blijkt nog eens duidelijk dat met eiser op 7 april 2017 geen zinnig gesprek te voeren was. Eiser is opgenomen in de Forensische Psychiatrische Kliniek Veldzicht in Balkbrug (hierna: Veldzicht ) omdat er een sterk vermoeden was dat hij psychotisch is. Zolang niet vaststaat wat er met hem aan de hand is en er geen garanties zijn voor opvang in Duitsland, kan van overdracht aan Duitsland geen sprake zijn. Verweerder heeft onzorgvuldig gehandeld omdat verweerder geen rekening heeft gehouden met de ziekte van eiser, verweerder de Duitse autoriteiten daar ook niet over heeft geïnformeerd en zich niet ervan heeft vergewist dat eiser ingeval van overdracht in een psychiatrische kliniek zal worden opgenomen. 3.1 Verweerder stelt zich in het bestreden besluit en ter zitting op het standpunt dat de brief van 25 april 2017 inderdaad niet is betrokken bij het bestreden besluit. Voor zover de rechtbank van oordeel is dat er sprake is van een gebrek in het bestreden besluit, dient dit gepasseerd te worden op grond van artikel 6:22 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb). Eiser is immers niet in zijn belangen geschaad. Verweerder heeft met betrekking tot het horen van eiser zorgvuldig gehandeld. Het gehoor voldoet aan de vereisten van artikel 5 Dublinverordening. Aan eiser is uitleg gegeven en de vraag gesteld hoe hij tegenover overdracht naar Duitsland staat. Eiser heeft daar inhoudelijk op geantwoord. Eiser heeft geen bezwaren geuit in het gehoor waarom hij niet wil of kan worden overgedragen. Eiser is niet nogmaals onderzocht door de FMMU omdat hij zijn medewerking niet wilde verlenen. Er is geen medische verklaring overgelegd dat hij zijn wil niet kan uiten. Uit de overgelegde verklaring van de medewerker van Veldzicht blijkt dit evenmin. Daarin staat dat hij medicatie krijgt en stabiel functioneert. De psychische problematiek van eiser staat aan overdracht aan Duitsland niet in de weg. Duitsland zal van de psychische problematiek op de hoogte worden gebracht voor de bescherming van derden en voor zover het noodzakelijk is. Duitsland heeft dezelfde medische verzorgingsmogelijkheden als Nederland en moet daarom in staat worden geacht eventuele medische problemen goed te kunnen behandelen. Uit het vorenstaande volgt dat er thans geen feiten en/of omstandigheden aanwezig zijn op grond waarvan Nederland met inachtneming van artikel 17, eerste en tweede lid, Dublinverordening het onderhavige verzoek om internationale bescherming in behandeling zou moeten nemen. 3.2 De rechtbank stelt vast dat de zienswijze niet is betrokken in de beoordeling van het bestreden besluit. Hierdoor is het bestreden besluit niet zorgvuldig tot stand gekomen. De rechtbank volgt verweerder niet in het standpunt dat dit gebrek kan worden gepasseerd met toepassing van artikel 6:22 Awb. Eiser is immers wel in zijn belangen geschaad gelet op het navolgende. . 3.3.1 Artikel 4 Dublinverordening luidt – voor zover van belang – als volgt: 1. Zodra een verzoek om internationale bescherming in een lidstaat is ingediend in de zin van artikel 20, lid 2, stellen de bevoegde autoriteiten van die lidstaat de verzoeker in kennis van de toepassing van deze verordening, en met name van: (…)
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.