vonnis RECHTBANK DEN HAAG Team handel zaaknummer / rolnummer: C/09/515621 / HA ZA 16-893 Vonnis van 5 juli 2017 in de zaak van [eiser] , wonende te [woonplaats 1] , [land] , eiser, advocaat mr. G.J.W. Pulles te Amsterdam, tegen 1 [gedaagde sub 1] , wonende te [woonplaats 2] ,
(4)of 5 februari maar nooit later dan de vroege ochtend van 6 februari. 11 feb 1980, maandagavond [Datum zeker adhv brief [C] ] [gesproken met [C] op 5 maart 1980:] Je bent door [D] + [C] (die al kleertjes voor je had gekocht) opgehaald (+ [E] als chauffeur). Zie e-mail van [C] met de gegevens uit de brief die zij op 12 februari aan een vriend heeft geschreven. Alle details daaruit kloppen (…). [C] vertelde dat jouw moeder, toen ze je ophaalde, in een kamertje zat met gewone kleren aan, met bij zich een jongetje van ca 2 jaar. Ze lag dus niet in bed en was niet in pyjama. Verder was er niemand bij. Ook [C] gaat er van uit dat jouw moeder mogelijk daarna diezelfde avond naar huis is teruggegaan. Dat klopt ook met het gegeven dat jouw moeder slechts een paar dagen in het ziekenhuis is geweest. Was ze echter op natuurlijke wijze bevallen dan zou ze al eerder naar huis zijn gegaan. Dus ze is maximaal vanaf ca 5 feb – 11 feb in de kliniek geweest. Opmerkelijk is dat het in de herinnering van [C] geen groot ziekenhuis was. 15 feb 1980, vrijdag Na een tussenstop (…) komen we ’s-morgens aan in SP. (…) [uit eigen agenda en geheugen] 16 feb 1980, zaterdag Jou per auto (VW kever) ’s-middags opgehaald. Het was een eind rijden. Op een gegeven moment zijn we gestopt en kwam [D] uit een zijstraat aanlopen met jou op de arm in een klein dun geel/wit geblokt dekentje. Ze gaf jou via het rechterportier in de armen van [de juridische vader, rb] rechts op de achterbank. Het was prachtig weer, maar later in de middag brak een enorm onweer los en kregen we een enorme blikseminslag in ons huisje met flinke gaten in de muur. [Uit eigen agenda en herinneringen. Dit behoort tot die momenten die je als ouders nooit meer echt vergeet. Vrijwel iedereen reed destijds in een kever. Wij zijn er vrijwel zeker van dat [ [A] , rb] ons reed. De afspraak voor de overhandiging moet door [ [B] , rb] zijn geregeld; we zijn eerst nog even bij haar thuis geweest. (Ik herinner me dat [C] daar op dat moment ook was). 5 maart 1980, dinsdag Met [B] . [ [B] , rb] het (nieuwe) Lar bezocht. [D] en [C] ontmoet. Enige tijd met [C] en haar vriendin gesproken. [C] vertelde ons een aantal dingen (met name over je moeder) uit de eerste hand. (…) Ze bleek nogal uit haar doen. [uit eigen agenda en eigen ervaring] 7 maart 1980, vertrek uit SP; 8 maart 1980: aankomst op Schiphol Overzicht van overige tot nu toe bekende gegevens Moeder Jonge vrouw, ca 20 – 28 jaar, klein postuur, sluik haar, lichtbruine gelaatskleur, alleenstaand, met jongetje van ca 2 jaar. [Aan ons verteld door [C] op 5 maart 1980] Bevalling Keizersnee, verblijf van enkele dagen in kliniek. [Gehoord van [C] en/of [ [B] , rb] en/of van [ [A] , rb] via [B] ]. Kenmerken [eiser] [uit eigen waarnemingen/metingen, voorts bevestigd door brief [C] 12/3] Vrijwel blanke huid (…). Toen we je kregen was je navel nog een klein stompje met nog een restje touw van het afbinden. Dat stompje was de volgende dag vrijwel verdwenen. (…) Gewicht op 17-2-1980: 3250 gram gewogen met een echte babyweegschaal; lengte 50 cm/ Geld We hebben een bedrag van minder dan FL 150,- betaald voor medische kosten en/of kleertjes. Daarnaast hebben we voor je moeder FL 150,- gegeven om aan te sterken. Meer wilde men niet van ons aannemen. [Dit zijn de bedragen die we ons naar schatting herinneren]. Verder hebben we zoals je weet een bedrag gegeven voor de huishoudpot van het Lar. De penningmeester heeft ons daarvoor een kwitantie gegeven waar dat op staat: 4700 cruzeiro’s + FL 600,-. Aangifte Op 21 feb heeft [de juridische vader, rb] aangifte gedaan in het cartorio van het subdistrict waar wij woonden. Dat staat helemaal los van welke kliniek dan ook waar je moeder is bevallen. Immers op papier ben jij geboren in het huisje van [H] . Vandaar dat er geen ziekenhuispapieren zijn overlegd bij het cartorio. De ambtenaren hebben te goeder trouw de mondelinge verklaring geaccepteerd [Zelf gedaan en officieel vastgelegd in geboorteakte] In die tijd was het (zowel voor Brazilianen zelf als voor buitenlanders) niet ongewoon en officieus de geijkte methode om op deze wijze officieel een kind als eigen te laten registeren. Denk niet dat daar ooit een steekpenning aan te pas hoefde te komen! Later bleek ons dat alleen al in Nederland grote aantallen kinderen uit verschillende delen van Brasil op dezelfde wijze zijn ‘geadopteerd’. Wat dat betreft is jouw geval dus allerminst een bijzonderheid. Suggesties / vragen [Op sommige vragen heb je zelf inmiddels al mogelijke antwoorden gevonden] Leg aan Donna [D] nogmaals de gegevens voor uit de brief die [C] op 12 feb. Aan haar vriend in Nederland schreef. Er staan bijzondere details in. Voeg daarbij deze gegevens en/of verdere gegevens die je van [C] hebt gekregen. Waarom kan de vrouw, die in het andere kliniekje is bevallen van een zoon, per sé niet jouw moeder zijn. Welke klinieken/ziekenhuizen of welke verpleegsters/artsen namen met [D] contact op als zich een moeder meldde met een baby, die ze door omstandigheden wilde afstaan. Zoek zonodig ook daar in het archief. Kijk systematisch de lijst na op 4, 5 of 6 (‘vroeg’) feb. Let op de datum waarop je moeder het ziekenhuis heeft verlaten (vrijwel zeker 11 feb.). Wijkniet af van het gegeven van een keizersnede zolang er niets anders blijkt. We hebben de in het voorgaande beschreven gegevens zo nauwkeurig mogelijk samengesteld, zodat je een referentiekader hebt waarop je steeds terug kan vallen als je essentiële dingen vindt. Het kan zijn dat je ontdekt dat informatie die wij zelf van derden hebben gekregen, door welke oorzaak of interpretatie dan ook – toch net even anders blijkt te zijn.” 2.
- De zoektocht van [eiser] in 2001 heeft er niet toe geleid dat hij zijn biologische familie heeft gevonden. Achteraf is gebleken dat de vrouw die hij in zijn e-mail van 17 juni 2001 al noemde (zie 2.18), zijn biologische moeder is. Hij heeft dat spoor destijds echter niet verder nageplozen. 2.
- In 2002 is [eiser] vervolgens opnieuw naar Brazilië gereisd voor een periode van twee maanden, in 2003 en 2004 wederom voor twee maanden, in 2006 voor ongeveer een maand, en in 2009 is [eiser] drie maal in Brazilië geweest voor in totaal ongeveer twee maanden. In 2010 heeft [eiser] ongeveer 9,5 maand in Brazilië verbleven, in 2013, 2015, 2016 en 2017 is [eiser] opnieuw in Brazilië geweest in het kader van de zoektocht naar zijn biologische familie. 2.
- In mei 2011 is met zekerheid vastgesteld dat [naam vrouw] de biologische moeder van [eiser] is. Zij bleek al in 1985 te zijn overleden. 2.
- Bij e-mail van 14 juni 2011 hebben de juridische ouders aan [eiser] een kopie gestuurd van de brief die zij op 25 februari 1980 hadden ontvangen in verband met hun donatie aan Lar Jumbinho (zie 2.7). 2.
- Medio 2013 heeft [eiser] in Brazilië zijn beide biologische zussen ontmoet. De vliegtickets voor deze reis zijn door de juridische ouders betaald. 2.
- Bij brief van 8 juli 2013 heeft [eiser] de juridische ouders aansprakelijk gesteld voor de gevolgen van zijn illegale adoptie en het door hem gestelde verstrekken van onjuiste en selectieve informatie over zijn afkomst en de overdracht door de juridische ouders. 2.
- Bij brief van 22 december 2015 aan de juridische ouders heeft de advocaat van [eiser] de verjaring van de vordering van [eiser] gestuit. 3Het geschil 3.
- [eiser] vordert – samengevat – om bij vonnis, voor zover mogelijk uitvoerbaar bij voorraad: I. voor recht te verklaren dat de juridische ouders jegens hem onrechtmatig hebben gehandeld en jegens hem aansprakelijk zijn voor de daardoor door hem geleden en nog te lijden schade, nader op te maken bij staat en te vereffenen volgens de wet, een en ander vermeerderd met de wettelijke rente vanaf de dag der dagvaarding tot aan de dag van algehele voldoening; II. de juridische ouders te veroordelen om binnen een week na betekening van dit vonnis, alle informatie die zij nog bezitten en die van belang zou kunnen zijn voor het kunnen vaststellen van de herkomst, afkomst en identiteit van [eiser] aan hem ter beschikking te stellen, een en ander onder verbeurte van een dwangsom van € 1.000 voor elke dag dat de juridische ouders daarmee in gebreke blijven; III. de juridische ouders te veroordelen in de proceskosten. 3.
- De juridische ouders voeren verweer. 3.
- Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover van belang, nader ingegaan. 4De beoordeling Rechtsmacht en toepasselijk recht 4.
- Ingevolge artikel 2 van het Verdrag betreffende de rechterlijke bevoegdheid en de tenuitvoerlegging van beslissingen in burgerlijke en handelszaken, gesloten te Lugano op 16 september 1988 (van welk verdrag de Europese Unie de werking voor Nederland nadien heeft bekrachtigd), heeft de Nederlandse rechter rechtsmacht, nu de juridische ouders woonplaats hebben in Nederland. 4.
- Op de vorderingen van [eiser] zal Nederlands recht worden toegepast, nu een rechtskeus voor dit rechtsstelsel voldoende duidelijk in de stellingname van partijen besloten ligt, dit rechtsstelsel ook overigens het meest met partijen en hun onderlinge verhouding verbonden is en een rechtskeus onder de relevante regelingen was/is toegestaan. Grondslag vordering en uitgangspunt beoordeling 4.
- Vast staat dat de juridische ouders [eiser] illegaal hebben geadopteerd, nu zij niet beschikten over de daarvoor benodigde beginseltoestemming van (destijds) het Ministerie van Justitie en de Braziliaanse autoriteiten. Daarnaast hebben de juridische ouders [eiser] , in strijd met de waarheid, aangegeven als hun eigen biologische kind en hebben zij daarbij willens en wetens een onjuiste geboortedatum opgegeven. Immers, [eiser] was al aan hen overhandigd vóór de door hen opgegeven geboortedatum. Door op deze manier te handelen, hebben de juridische ouders [eiser] de mogelijkheid ontnomen te beschikken over een geboorteakte met daarop de gegevens van (in ieder geval) zijn biologische moeder en zijn geboortedatum. 4.
- [eiser] legt aan zijn vordering, zoals weergegeven in 3.1 onder I, (onder meer) de stelling ten grondslag dat de juridische ouders onrechtmatig hebben gehandeld, door hem via de hiervoor weergegeven – illegale – manier deel te laten uitmaken van hun gezin. De rechtbank begrijpt de vordering van [eiser] (mede gelet op de ter terechtzitting gegeven toelichting) echter zo, dat het zwaartepunt van het verwijt dat hij de juridische ouders maakt, is dat zij hem niet, niet tijdig of niet volledig hebben voorzien van de informatie die hij nodig had voor zijn zoektocht naar zijn afkomst. Onrechtmatig handelen door illegale adoptie en bij die gelegenheid niet informeren naar de werkelijke geboortegegevens 4.
- De rechtbank stelt voorop dat het illegaal adopteren van een kind en dat aangeven als een eigen biologisch kind strafrechtelijk is te kwalificeren als “verduistering van staat” als bedoeld in artikel 236 van het Wetboek van Strafrecht. Ook in 1980 was een dergelijk handelen strafbaar. Het op deze wijze illegaal adopteren van een kind is naar het oordeel van de rechtbank laakbaar jegens het kind en maatschappelijk verwijtbaar onzorgvuldig. Daaraan doet in dit geval niet af dat het openbaar ministerie na onderzoek heeft afgezien van verdere vervolging van de juridische ouders en de strafzaak tegen hen in 1984 heeft geseponeerd. Het is immers van groot belang dat een kind van jongs af aan juist wordt voorgelicht over zijn biologische oorsprong. Het illegaal adopteren en daarover tot aan [eisers] volwassenheid bewust geven van een valse voorstelling van zaken door de juridische ouders is dan ook aan te merken als een onrechtmatige daad jegens [eiser] , waaruit voor hem schade voortvloeit. Door de handelwijze van de juridische ouders zijn er immers voor [eiser] , anders dan bij een legale adoptie (hoogstwaarschijnlijk) het geval zou zijn geweest, geen juiste geboortegegevens beschikbaar. Dat een dergelijke situatie van onwetendheid ook op volwassen leeftijd een grote emotionele impact kan hebben is inmiddels algemeen bekend. Het feit dat de juridische ouders [eiser] wel al in een vroeg stadium hebben verteld dat hij niet hun biologische kind is en de omstandigheid dat - naar tussen partijen vaststaat - de juridische ouders zich hebben ingespannen [eiser] een onbezorgde jeugd te geven, doen daaraan niet af. 4.
- De rechtbank begrijpt de stellingen van [eiser] aldus dat hij de juridische ouders tevens verwijt dat zij zich rond zijn geboorte onvoldoende hebben ingespannen om informatie te vergaren over zijn biologische ouders. De rechtbank is echter van oordeel dat dat verwijt, in het licht van de vaststaande illegale adoptie, geen zelfstandige betekenis heeft. Daargelaten dat de juridische ouders hebben gesteld dat zij wel degelijk hebben geprobeerd navraag te doen naar de naam van [eisers] moeder, maar dat zij daarin niet zijn geslaagd, is inherent aan de illegale (en daarmee onrechtmatige) adoptie dat officiële en betrouwbare geboorte informatie ontbreekt. 4.
- Desondanks kan de vordering op voormelde grondslagen niet slagen. Met de juridische ouders is de rechtbank van oordeel dat de vordering, voor zover die is gebaseerd op voormelde verwijten, is verjaard. Daartoe overweegt de rechtbank als volgt. 4.
- De gestelde verwijtbare gedragingen hebben zich voorgedaan in 1980, toen het oud BW nog van kracht was. Ingevolge artikel 2004 (oud) BW gold destijds een verjaringstermijn van dertig jaar, die dus in 1992 nog niet was voltooid. Per 1 januari 1992 is het nieuw BW in werking getreden. Ingevolge artikel 73 Overgangswet NBW is de in het nieuw BW vastgelegde verjaringstermijn van toepassing op de gestelde verwijtbare gedragingen, met dien verstande dat deze verjaringstermijn niet eerder is voltooid dan één jaar na de inwerkingtreding van het nieuw BW. Ingevolge artikel 3:310 lid 1 BW verjaart de rechtsvordering tot schadevergoeding door verloop van 5 jaar na de aanvang van de dag waarop de benadeelde zowel met de schade als de opeisbaarheid als met de daarvoor aansprakelijke persoon bekend is geworden (de relatieve verjaringstermijn) en in ieder geval door verloop van 20 jaar na de gebeurtenis waardoor de schade is veroorzaakt (de absolute verjaringstermijn). Niet ter discussie staat dat de absolute verjaringstermijn in dit geval ruimschoots is verstreken. 4.
- Op grond van artikel 3:310 BW, eerste lid, BW verjaart een rechtsvordering tot vergoeding van schade door verloop van vijf jaren na de aanvang van de dag, volgend op die waarop de benadeelde zowel met de schade als met de daarvoor aansprakelijke persoon bekend is geworden. Het aanvangsmoment moet naar vaste rechtspraak van de Hoge Raad zo worden opgevat dat het gaat om een daadwerkelijke bekendheid. Het aanvangstijdstip van de verjaringstermijn hangt af van het moment waarop de benadeelde daadwerkelijk in staat is een rechtsvordering in te stellen. 4.
- Vast staat dat [eiser] in 1980 illegaal is geadopteerd en dat hij al sinds 2001 op de hoogte is van het feit dat de juridische ouders hem niet via de daarvoor bestemde weg in hun gezin hebben opgenomen. Al sinds zijn eerste zoektocht in Brazilië in 2001, [eiser] was toen 21 jaar oud, is hij er mee bekend wat de gevolgen zijn van de handelwijze van zijn juridische ouders, namelijk dat hij niet beschikt over een geboorteakte met daarop de juiste geboortegegevens en de naam van (in ieder geval) zijn biologische moeder. [eiser] heeft vanaf 2001 aan den lijve ondervonden voor welke moeilijkheden hem dit plaatst bij zijn zoektocht naar zijn afkomst. 4.
- Hoewel de rechtbank er alle begrip voor heeft dat [eiser] al zijn energie in eerste instantie heeft gestoken in zijn zoektocht en niet in het aansprakelijk stellen van de juridische ouders, kan niet worden aangenomen dat [eiser] vervolgens twaalf jaar lang niet in staat is geweest een rechtsvordering in te stellen. Niet gesteld en ook niet gebleken is dat [eiser] voorafgaand aan 8 juli 2013 (het tijdstip van de brief waarop hij de juridische ouders voor het eerst aansprakelijk heeft gesteld) de verjaring van zijn vordering heeft gestuit. 4.
- [eiser] heeft in dit verband nog gesteld dat het beroep van de juridische ouders op verjaring onaanvaardbaar is en hij heeft zich daarbij beroepen op de arresten van de Hoge Raad van 28 april 2000 (NJ 2000/430 (Van Hese / De Schelde) en NJ 2000/431 (Rouwhof / Eternit)). Dit beroep faalt. In de hiervoor genoemde uitspraken trad de schade pas op nadat de absolute verjaringstermijn was verstreken. In zo’n geval, zo oordeelde de Hoge Raad, is het onder omstandigheden onredelijk dat het slachtoffer wordt tegengeworpen dat zijn vordering is verjaard, terwijl hij die vordering eenvoudigweg niet eerder had kunnen instellen omdat hij op dat moment nog geen schade had geleden. Deze situatie doet zich in het geval van [eiser] niet voor. Hij was immers sinds 2001 op de hoogte van het feit dat de juridische ouders hem niet via de daarvoor geëigende weg hebben geadopteerd, én met de schadelijke gevolgen daarvan. Niettemin heeft hij de juridische ouders niet eerder dan 2013 aansprakelijk gesteld. Bijzondere feiten of omstandigheden die maken dat de (relatieve) verjaringstermijn desondanks ook in dit geval buiten toepassing moet blijven, zijn gesteld noch gebleken. 4.
- Het bepaalde in artikel 3:310 lid 4 BW van dit artikel kan in dit geval onbesproken blijven, nu [eiser] zich er niet gemotiveerd op heeft beroepen dat de schade het gevolg is van het begaan van een strafbaar feit door de schuldenaar en dat het recht tot strafvordering nog niet is vervallen (waardoor ook de civielrechtelijke verjaringstermijn nog niet is verstreken). Daar komt bij dat er in dit geval, gezien het sepot van de strafzaak in 1984, redelijkerwijs vanuit kan worden gegaan dat geen strafvervolging meer kan worden ingesteld. Onrechtmatig handelen in verband met onjuiste en onvolledige informatievoorziening? 4.
- Door de handelwijze van de juridische ouders was [eiser] , toen hij – zoals vele geadopteerde kinderen – de behoefte kreeg meer te weten over zijn afkomst en identiteit, volledig afhankelijk van de juridische ouders voor de informatie die hij nodig had voor zijn zoektocht naar zijn herkomst. [eiser] stelt dat de juridische ouders verwijtbaar hebben nagelaten alle informatie waarover zij beschikten eigener beweging (tijdig en volledig) met hem te delen, hetgeen de juridische ouders betwisten. 4.
- Bij de beoordeling stelt de rechtbank het volgende voorop. Ieder kind heeft het recht te weten van welke ouder het afstamt en het recht op identiteit (vgl. IVRK artikel 7 lid 1 en artikel 8), waaronder begrepen het recht te weten onder welke omstandigheden het kind ter wereld is gekomen. Uit het recht op private life, in het bijzonder het recht op persoonlijke identiteit, zoals neergelegd in artikel 8 EVRM, vloeit dit eveneens voort. Zo overwoog het Europese Hof van de Rechten van de Mens op 20 december 2007 (23890/02, EHRC 2008/34): “
- The Court reiterates that birth, and in particular the circumstances in which a child is born, forms part of a child’s, and subsequently the adult’s, private life guaranteed by Article 8 of the Convention (see Odièvre v. France [GC],no. 42326/98, par. 29, ECHR 2003-III). Respect for private life requires that everyone should be able to establish details of their identity as individual human beings and that an individual’s entitlement to such information is of importance because of its formative implications for his or her personality (see, for example, Mikulic v. Croatia, no. 53176/99, paras. 53-54, ECHR 2002-I, and Gaskin v. the United Kingdom, judgment of 7 July 1989, Series A no. 160, p. 16, paras. 36-37, 39). This includes obtaining information necessary to discover the truth concerning important aspects of one’s personal identity, such as the identity of one’s parents (see Jäggi v. Switzerland, no. 58757/00, par. 25, ECHR 2006-...; Odièvre, par. 29; and Mikulic paras. 54 and 64; both cited above).” 4.
- Onlangs heeft de Hoge Raad in een zaak over een minderjarige, verwekt met behulp van een spermadonor, verwezen naar voormelde uitspraak van het Europese Hof en geoordeeld dat het aan de ouder die het gezag uitoefent, is om het kind statusvoorlichting te geven. In beginsel is het aan deze ouder voorbehouden het daartoe geschikte moment te bepalen. Daarbij dient evenwel het belang van het kind voorop te staan. Onder omstandigheden kan een rechter oordelen dat statusvoorlichting in het belang van het kind is en dat het rechterlijk oordeel daaromtrent prevaleert boven het recht van de ouders te bepalen op welk moment het kind die informatie zal krijgen (HR 18 maart 2016, ECLI:NL:HR:2016:452, NJ 2016, 210, m.nt. S.F.M. Wortmann). 4.
- Gezien het voormelde juridisch kader, het recht te weten van welke ouder men afstamt, het recht op identiteit, het recht te weten onder welke omstandigheden men ter wereld is gekomen en het zwaarwegende belang dat daaraan ingevolge voormelde jurisprudentie moet worden gehecht, rust in dit geval op de juridische ouders een doorlopende informatieverplichting. Immers, door hun toedoen zijn de geboortegegevens van [eiser] niet beschikbaar, hetgeen een maatschappelijke zorgplicht jegens [eiser] met zich brengt om, ook eigener beweging en doorlopend, hem te voorzien van alle bij hen beschikbare relevante gegevens die hem kunnen helpen bij het achterhalen van zijn biologische ouders. Indien de juridische ouders in gebreke blijven aan deze verplichtingen te voldoen kan hen onrechtmatig handelen worden verweten. Voor zover de juridische ouders betogen dat de hiervoor vermelde maatstaf is gebaseerd op latere en nieuwe inzichten betreffende adoptie gaat de rechtbank daaraan voorbij. Daarbij gaat de rechtbank ervan uit dat het belang van statusvoorlichting in ieder geval al in de tachtiger jaren van de vorige eeuw algemeen bekend is geworden, dus ruim voor [eiser] in 2001 zijn zoektocht begon. 4.
- [eiser] stelt, naar de rechtbank begrijpt, dat de juridische ouders in 2001 en daarna zijn tekortgeschoten in hun doorlopende verplichting hem, ook eigener beweging, juist, tijdig en volledig te informeren over alle gegevens die hij nodig had voor zijn zoektocht naar zijn herkomst. Hij stelt dat de onjuiste en onvolledige informatieverstrekking betrekking heeft op de volgende omstandigheden: zijn geboorte en de overdracht aan de juridische ouders; de aanwezigheid van een rapport van de Raad voor de Kinderbescherming en processen-verbaal van verhoor van de juridische ouders door de Rijkspolitie; de betrokkenheid van [A] ; het betalingsbewijs aan Lar Jumbinho. 4.
- Daarnaast stelt [eiser] dat de juridische ouders onrechtmatig jegens hem hebben gehandeld door e. het verbreken van contact met [eiser] . 4.
- In het hierna volgende gaat de rechtbank in op de afzonderlijke verwijten die [eiser] heeft geformuleerd. Ad a. de geboorte van [eiser] en de overdracht aan de juridische ouders 4.
- [eiser] heeft zich op het standpunt gesteld dat de juridische ouders hem ten onrechte niet op de hoogte hebben gesteld van alle informatie waarover zij beschikten betreffende zijn geboorte. Hij heeft er in dit verband op gewezen dat de juridische moeder op 30 januari 2001 een brief heeft geschreven aan [G] met informatie over de geboorte van [eiser] (zie 2.15), maar dat de juridische ouders deze brief niet met hem hebben gedeeld. Sterker nog, zo stelt [eiser] , de juridische moeder vraagt in haar brief expliciet aan [G] om bepaalde informatie niet met [eiser] te delen. [eiser] was niet op de hoogte van de informatie uit deze brief en raakte daarmee naar zijn zeggen pas op 16 september 2011 bekend. Door de informatie waarover zij wél beschikten niet met hem te delen, hebben de juridische ouders onrechtmatig jegens hem gehandeld en hebben ze zijn zoektocht ernstig bemoeilijkt, met daaruit voortvloeiende kosten en schade, aldus [eiser] . 4.
- De rechtbank is, met de juridische ouders, van oordeel dat onvoldoende is onderbouwd dat de juridische ouders essentiële statusinformatie omtrent zijn geboorte en overdracht voor [eiser] hebben achtergehouden. In dit verband overweegt de rechtbank het volgende. 4.
- In haar brief aan [G] maakt de juridische moeder melding van de navolgende feiten en omstandigheden over de geboorte van [eiser] en zijn overdracht aan de juridische ouders: i. De moeder van [eiser] is vermoedelijk bevallen op 5 of 6 februari 1980; ii. de (bij de aangifte genoemde) geboortedatum is 18 februari 1980; het gewicht van [eiser] was 3250 gram; de biologische moeder van [eiser] was (volgens [C] ) ongeveer 20 jaar ten tijde van de geboorte van [eiser] , zij was alleenstaand, had een vrij lichtbruine huidskleur en een vrij klein postuur; de biologische moeder is (volgens [C] ) bevallen in een klein kliniekje; de moeder had toen (volgens [C] ) een zoontje van ongeveer twee jaar bij zich; het contact is gelegd via [A] , die een bekende was van [B] . 4.
- Al deze informatie hebben de juridische ouders feitelijk met [eiser] gedeeld toen hij voor de eerste keer in Brazilië verbleef om onderzoek te doen naar zijn herkomst: n het “overzicht van tot nu toe bekende gegevens”, dat de juridische ouders twee maal aan [eiser] hebben gestuurd (voor het laatst op 4 juli 2001) (zie 2.22) schrijven de ouders dat zij op 6 februari 1980 een telefoontje kregen dat er een babytje was geboren, en dat [eiser] dus op 4, 5 of de vroege ochtend van 6 februari geboren moet zijn. in datzelfde overzicht schrijven de juridische ouders dat zij op 21 februari 1980 aangifte hebben gedaan van de geboorte van [eiser] . in hun e-mail van 10 juni 2001 (zie 2.17) schrijven de juridische ouders aan [eiser] dat hij op 17 februari 1980 3250 gram woog. Ook geven zij in die e‑mail meer uitleg over het normale verloop van het gewicht van pasgeboren baby’s. in diezelfde e-mail schrijven de juridische ouders aan [eiser] dat zijn biologische moeder volgens [C] klein van stuk was en een jonge vrouw was. in het “overzicht van tot nu toe bekende gegevens” (zie 2.22) schrijven de juridische ouders dat [C] zich meende te herinneren dat de biologische moeder niet in een groot ziekenhuis is bevallen. in datzelfde overzicht schrijven de juridische ouders dat [C] hen heeft verteld dat de biologische moeder tussen de 20 en 28 jaar was, dat zij sluik haar had, een lichtbruine gelaatskleur, dat zij alleenstaand was en een jongetje van ongeveer twee jaar bij zich had. in hun e-mail van 4 juli 2001 (zie 2.21) schrijven de juridische ouders dat [A] als bevriende collega van de juridische grootvader het contact heeft gelegd, en dat hij ook degene was die de juridische grootouders op 6 februari 1980 belde met de mededeling dat er in Brazilië een jongetje was geboren. 4.
- Daarnaast hebben de juridische ouders aan [eiser] in de e-mails die zij hem hebben gezonden informatie gegeven over de wijze waarop zijn biologische moeder zou zijn bevallen (via een keizersnede), de datum waarop zij ongeveer uit het ziekenhuis moet zijn ontslagen (11 februari 1980) en hebben zij [eiser] geadviseerd om zijn zoektocht te beperken tot vrouwen die via een keizersnede zijn bevallen. Daaruit volgt niet een beeld dat de juridische ouders relevante informatie voor [eiser] hebben achtergehouden of hem op een dwaalspoor hebben willen brengen. Integendeel, blijkens de betreffende correspondentie hebben de juridische ouders [eiser] zowel praktisch als emotioneel gepoogd te steunen in zijn zoektocht naar zijn biologische moeder. 4.
- Hoewel juist is dat [eiser] tijdens zijn eerste verblijf in Brazilië niet beschikte over een kopie van de brief van de juridische moeder aan [G] , beschikte hij dus feitelijk wel over de voor zijn zoektocht relevante informatie die in die brief vermeld stond. Dat de juridische ouders toen dus bewust bij hen bekende geboortegegevens voor hem hebben achtergehouden, is niet gebleken. Dat de juridische moeder in haar brief aan [G] melding maakt van het feit dat zij op dat moment (in januari 2001, dus nog voorafgaand aan [eisers] eerste vertrek naar Brazilië) nog niet alles aan [eiser] had verteld, doet niet af aan het feit dat zij alle relevante geboorte informatie waarover zij beschikte wél met [eiser] heeft gedeeld toen hij zijn zoektocht startte. Bovendien was [eiser] , met de via de juridische ouders verkregen informatie, in juni 2001 de (helaas al in 1985 overleden) vrouw op het spoor, van wie later is gebleken dat zij zijn biologische moeder was. 4.
- [eiser] verwijt de juridische ouders nog dat zij – afgaande op de herinneringen van de juridische grootmoeder – tegen hem hebben gezegd dat hij niet later geboren kan zijn dan op 6 februari 1980, vroeg in de ochtend. Daarnaast hebben de juridische ouders hem – op basis van de informatie die zij van [C] hadden ontvangen – verteld dat hij in een klein kliniekje is geboren. Die informatie blijkt achteraf niet (helemaal) te kloppen. [eiser] blijkt geboren te zijn op 6 februari 1980 om 10.50 uur, dus niet heel vroeg in de ochtend, en wel in een van de grotere ziekenhuizen van São Paulo. Door af te gaan op de onjuiste informatie van de juridische ouders is zijn zoektocht naar zijn biologische moeder nodeloos gecompliceerd, zo heeft [eiser] gesteld. 4.
- Naar het oordeel van de rechtbank valt de het de juridische ouders niet te verwijten dat bepaalde informatie die zij met [eiser] hebben gedeeld niet helemaal juist was, nu niet is gebleken dat de ouders zelf over andersluidende informatie beschikten. Vast staat immers dat de juridische ouders voor hun informatie over de geboorte van [eiser] afhankelijk waren van anderen, in casu van de juridische grootouders en [C] . Dat de aldus verkregen informatie, mogelijk door tijdsverloop en vervagende herinneringen, niet geheel juist is gebleken, kan de juridische ouders niet worden aangerekend. Het enkele feit dat de illegale adoptie zelf de oorzaak is van het ontbreken van betrouwbare broninformatie doet daaraan niet af, nu het verwijt dat thans aan de orde is ziet op het bewust misleiden van [eiser] door de ouders, althans het bewust achterhouden van wel bekende informatie. 4.
- De rechtbank tekent nog aan dat de juridische ouders in hun e-mail van 18 juni 2001 (zie 2.20) zelf hebben geschreven dat zij zich meenden te herinneren dat zij aan het eind van de middag een telefoontje kregen dat er in Brazilië een kindje was geboren, hetgeen eens te meer duidelijk maakt dat van het opzettelijk verleggen van een geboortetijdstip geen sprake is geweest. Dat [eiser] ondanks deze informatie, afgaande op de herinnering van de juridische grootmoeder dat het telefoontje uit Brazilië rond lunchtijd kwam, zijn zoektocht heeft beperkt naar moeders die al vóór het Nederlandse middaguur waren bevallen, valt de juridische ouders dan ook niet te verwijten. 4.
- In het licht van het vorenstaande is naar het oordeel van de rechtbank niet gebleken dat de juridische ouders relevante geboorte informatie voor [eiser] hebben achtergehouden, dan wel hem (welbewust) hebben voorzien van onjuiste informatie. Ad b. dossier Raad voor de Kinderbescherming en processen-verbaal van verhoor door Korps Rijkspolitie 4.
- [eiser] heeft voorts gesteld dat de juridische ouders hem ten onrechte niet hebben verteld dat zij in 1982 als verdachten zijn gehoord in het kader van een politieonderzoek naar illegale adoptiepraktijken van Nederlandse ouders in Brazilië. Naar aanleiding daarvan heeft de Raad voor de Kinderbescherming in 1982 onderzoek gedaan binnen het gezin van de juridische ouders. Toen de juridische ouders in 1985 nog een kind wilden adopteren, dit maal via de legale weg, is bovendien een tweede gezinsonderzoek verricht. [eiser] stelt dat deze drie informatiebronnen van belang waren voor zijn zoektocht, maar dat de juridische ouders die dossiers en rapporten ten onrechte niet met hem hebben gedeeld. 4.
- De juridische ouders hebben aangevoerd dat zij de dossiers van de politie en de Raad voor de Kinderbescherming nooit zelf in hun bezit gehad hebben. Zij hebben die dossiers daarom niet aan [eiser] ter beschikking kunnen stellen. Daarnaast hebben zij [eiser] , zo voeren zij aan, op zijn eerste verzoek gemachtigd om de dossiers bij de betrokken instanties in te zien, zodat van enige tegenwerking geen sprake is. 4.
- In het licht van het gemotiveerde verweer van de juridische ouders is onvoldoende onderbouwd dat de juridische ouders zelf beschikten over de rapporten van de Raad voor de Kinderbescherming en het proces-verbaal van verhoor door het Korps Rijkspolitie. Nu er geen gerechtelijke procedure is gevolgd acht de rechtbank het ook niet ongeloofwaardig dat destijds geen kopie van die stukken aan de juridische ouders ter hand is gesteld. Daaraan doet niet af dat de juridische ouders destijds als verdachten zijn gehoord. Reeds om die reden kan niet worden vastgesteld dat de juridische ouders deze stukken – laat staan bewust – voor [eiser] hebben achtergehouden. 4.
- Daar komt bij dat de juridische ouders zich naar het oordeel van de rechtbank niet hebben behoeven te realiseren dat het vermelden van het bestaan van dergelijke dossiers mogelijk van belang zou kunnen zijn voor [eisers] zoektocht naar zijn identiteit. [eiser] heeft in dit verband weliswaar gesteld dat hij, wanneer hij had geweten van de onderzoeken, diverse Nederlandse autoriteiten had kunnen vragen hem te helpen bij het achterhalen van zijn identiteit, maar uit de rapporten waarnaar [eiser] verwijst blijkt dat noch de Raad voor de Kinderbescherming, noch de politie op de hoogte was van de feiten rond de afkomst van [eiser] . Evenmin blijkt uit deze rapporten dat deze instanties een zelfstandig onderzoek hebben gedaan naar de wijze waarop [eiser] in het gezin van de juridische ouders is opgenomen. Derhalve valt niet in te zien waarom de ouders er desondanks van hadden moeten uitgaan dat eerdere kennisname van de inhoud van die rapporten zou kunnen bijdragen aan relevante kennis over de afstamming van [eiser] . Daar komt bij dat als onbetwist vast staat dat de juridische ouders, toen hen duidelijk werd dat inzage door [eiser] toch belangrijk werd geacht, onverwijld toestemming hebben gegeven tot kennisname van de dossiers via de betreffende instanties. Ad c. informatie over betrokkenheid [A] 4.
- [eiser] stelt tevens dat de rol van [A] in zijn illegale adoptie door de juridische ouders onvoldoende is toegelicht. Hoewel vaststaat dat [A] de spin in het web was in een netwerk van illegale adopties, waaronder die van [eiser] , hebben de juridische ouders hem slechts geïntroduceerd als “een collega van zijn grootvader” en hebben ze zijn daadwerkelijke betrokkenheid verdoezeld. Tijdens zijn verblijf in Brazilië in 2001 hebben de juridische ouders weliswaar een ontmoeting van [eiser] met [A] gearrangeerd, maar zij hadden hem op dat moment nog niet verteld dat [A] ook bij zijn illegale adoptie betrokken was geweest. Pas later is [eiser] gebleken dat [A] op grote schaal betrokken is geweest bij illegale adopties zoals de zijne, en welke functie hij innam binnen de Nederlandse ambassade. Omdat hij aanvankelijk niet wist welke rol [A] speelde, heeft [eiser] na hun gesprek in 2001 niet opnieuw contact met hem opgenomen voor meer informatie. Toen hij erachter kwam wat [A] ’ daadwerkelijke rol was, bleek hij inmiddels te zijn overleden. Daardoor was het voor [eiser] niet meer mogelijk om aangifte tegen [A] te doen, terwijl een eventueel strafrechtelijk onderzoek mogelijk nadere informatie had kunnen opleveren over de afkomst van [eiser] , aldus [eiser] . 4.
- De juridische ouders betwisten dat hen kan worden verweten de rol van [A] niet juist te hebben weergegeven. Zij kenden hem destijds als vriend van hun (schoon)vader en wisten toen niet meer dan dat hij in Brazilië werkzaam was als jurist en hen een ‘vriendendienst’ wilde verlenen. Zij hebben [eiser] aan het begin van diens zoektocht de naam van [A] verstrekt. Reeds uit het feit dat ze [eiser] de naam van [A] hebben gegeven blijkt dat ze hem wilden helpen. Het enkele feit dat het contact met [A] [eiser] niet verder heeft geholpen omdat [A] weigerde informatie te verstrekken kan hen niet worden tegengeworpen. Bovendien is niet aannemelijk dat eerdere kennis van “het netwerk” meer kennis over de biologische ouders van [eiser] had opgeleverd, aldus de juridische ouders. 4.
- De rechtbank is van oordeel dat het feit dat de juridische ouders in 2001 niet hebben gemeld dat (na de illegale adoptie van [eiser] ) is gebleken dat [A] betrokken was bij meer illegale adopties, geen onrechtmatige gedraging oplevert, nu voor de juridische ouders niet kenbaar was, noch behoefde te zijn, dat de informatie over andere illegale adopties voor de zoektocht van [eiser] naar zijn eigen roots mogelijk van belang zou kunnen zijn. De rechtbank tekent daarbij nogmaals aan dat vast staat dat de juridische ouders later op eerste verzoek van [eiser] toestemming hebben gegeven tot inzage in door instanties opgemaakte rapporten, waaruit eens te meer blijkt dat ook in dit opzicht van obstructie van de zoektocht geen sprake is geweest. Bovendien hebben de juridische ouders onbetwist naar voren gebracht dat [eiser] in 2001 erg labiel was en de juridische ouders (begrijpelijkerwijs) bang waren dat naast de nieuwe informatie over zijn eigen illegale adoptie, informatie over het bestaan van een “netwerk” van illegale adopties voor [eiser] op dat moment te belastend zou zijn. Een en ander blijkt ook uit de brief van de juridische moeder aan [G] , waarin zij onder meer schrijft: “Emotioneel kan hij momenteel niet veel meer hebben” en “Maar voor mij weegt ook zijn huidige gemoedstoestand zwaar”. Ad d. het betalingsbewijs aan Lar Jumbinho 4.
- [eiser] stelt tot slot dat de juridische ouders het betalingsbewijs aan Lar Jumbinho, waarover zij beschikten, in 2001 ten onrechte niet met hem hebben gedeeld. De juridische ouders hebben het betalingsbewijs pas op 14 juni 2011 aan [eiser] ter beschikking gesteld. Daardoor hebben de juridische ouders zijn zoektocht aanzienlijk bemoeilijkt, zo stelt [eiser] , nu op het betalingsbewijs adresgegevens staan van het kindertehuis waarin hij heeft verbleven. Wanneer [eiser] daarover had beschikt toen hij zijn zoektocht startte, zou hij hebben geweten in welk deel van São Paulo hij aan de juridische ouders was overhandigd. In dat geval had hij de zoektocht naar zijn biologische moeder ook kunnen concentreren op ziekenhuizen in dat deel van de stad, nu het voor de hand ligt dat hij is geboren in hetzelfde deel van de stad als waarin het kindertehuis lag, waarin hij na zijn geboorte verbleef. [eiser] heeft daarnaast gesteld dat hij pas in 2011 in contact raakte met [F] , de penningmeester van Lar Jumbinho, terwijl deze [F] hem wellicht eerder behulpzaam had kunnen zijn bij zijn zoektocht, aldus [eiser] . 4.
- De juridische ouders stellen zich op het standpunt dat zij nimmer hebben gepoogd adresinformatie achter te houden, maar dat zij zich simpelweg nooit hebben gerealiseerd dat het adres op de kwitantie bij [eiser] niet bekend was. Zij hebben [eiser] voor aanvang van zijn eerste reis de naam van het kindertehuis gegeven en ook de naam van [F] vermeld. [eiser] heeft hen vervolgens verteld in 2001 ook daadwerkelijk bij Lar Jumbinho te zijn geweest. Daarop hebben de juridische ouders aangenomen dat hij reeds in 2001 bekend was met het adres, nu zij niet wisten dat het tehuis tussentijds op verschillende plekken gehuisvest is geweest. Toen hen (voor het eerst in 2011) door de vrouw van [eiser] werd gevraagd om de kwitantie, hebben ze die ook direct aan [eiser] getoond, aldus de juridische ouders. 4.
- De rechtbank stelt vast dat de juridische ouders, zoals van hen onder de gegeven omstandigheden verwacht mocht worden, [eiser] in 2001 de juiste naam van het kindertehuis hebben verstrekt en hem tevens de namen hebben genoemd van [B] , die destijds directeur was van het kindertehuis, van [C] , die bij de overdracht aanwezig is geweest en van [D] , terwijl de naam en functie van [F] eveneens door hen is genoemd (in de mail van 4 juli 2001). Onder die omstandigheden valt niet vol te houden dat de juridische ouders [eiser] opzettelijk de juiste adresinformatie hebben willen onthouden. Daaraan doet niet af dat zij de kwitantie toen niet direct aan [eiser] hebben overhandigd, nu voor hen destijds niet kenbaar behoefde te zijn dat die van belang zou kunnen zijn voor de zoektocht. Daargelaten dat het een kwitantie betrof van een betaling waarover zij [eiser] al in 2001 mondeling en per mail hadden geïnformeerd, is gesteld noch gebleken dat de juridische ouders wisten dat het adres van het door [eiser] in 2001 bezochte Lar Jumbinho een ander was dan dat op de kwitantie. Het moet er dan ook naar het oordeel van de rechtbank voor worden gehouden dat de precieze vestigingsplaats van het kindertehuis tussen partijen niet is besproken, daar beide partijen lange tijd in de (achteraf gezien onjuiste) veronderstelling verkeerden dat de juiste locatie reeds in 2001 was gevonden. Ad e. het verbreken van het contact met [eiser] 4.
- Vast staat dat de juridische ouders op enig moment in 2007 en vervolgens opnieuw in 2009, in 2010 en in 2011 het contact met [eiser] tijdelijk hebben verbroken en vanaf 2013 het contact geheel hebben beëindigd. Ter comparitie heeft (de advocaat van) [eiser] desgevraagd verklaard dat het verbreken van het contact geen zelfstandige onrechtmatige gedraging oplevert, zodat de rechtbank dit niet verder in de beoordeling zal betrekken. Vordering tot verstrekken van verdere informatie 4.
- [eiser] vordert voorts dat de juridische ouders worden veroordeeld tot het verstrekken van alle informatie die zij nog bezitten en die van belang zou kunnen zijn voor het kunnen vaststellen van zijn herkomst, afkomst en identiteit (zie 3.1 onder II). Ter zitting is gebleken dat de juridische ouders nog beschikken over een map met informatie over de opname van [eiser] in hun gezin. Zij hebben zich bereid verklaard inzage te geven in de betreffende stukken, al zij hebben daaraan toegevoegd dat er in de map niets zit wat nog niet bekend is bij [eiser] . Gelet op het voormelde beoordelingskader, het belang dat [eiser] heeft bij kennisname van alle relevante informatie en de omstandigheid dat de juridische ouders eerder (achteraf gezien ten onrechte) dachten dat de kwitantie geen relevante, nadere informatie bevatte, zal de vordering van [eiser] tot inzage in de map met stukken worden toegewezen. Voor het overige zal de vordering tot het verstrekken van stukken, bij gebrek aan enige onderbouwing van het bestaan van meer of andere stukken, worden afgewezen. Ter voorkoming van logistieke problemen zal afgifte door de juridische ouders van de originele en complete map aan de advocaat van [eiser] worden bevolen, opdat hij de stukken in kopie aan [eiser] kan doorgeleiden en [eiser] desgewenst bij zijn advocaat de originele map kan komen inzien, en zal worden bevolen dat de advocaat de originele map binnen twee maanden na ontvangst ervan zal retourneren aan de juridische ouders. Nu de juridische ouders ter zitting al hebben aangegeven geen bezwaar te hebben tegen inzage van de bij hen berustende stukken ziet de rechtbank geen aanleiding voor het opleggen van een dwangsom ter zake. De proceskosten 4.
- Nu deze procedure voortvloeit uit de familierechtelijke verhouding tussen partijen, zullen de proceskosten worden gecompenseerd, aldus dat iedere partij de eigen kosten draagt. 5De beslissing De rechtbank: 5.
- veroordeelt de juridische ouders om binnen een week na de betekening van dit vonnis de complete en originele map met informatie over de opname van [eiser] in hun gezin ten kantore van de advocaat van [eiser] af te geven, opdat de advocaat de stukken daaruit kan doen inzien door [eiser] en desgewenst ten behoeve van [eiser] kan kopiëren, en bepaalt dat de advocaat deze map binnen twee maanden na ontvangst in origineel weer zal retourneren aan de juridische ouders; 5.
- verklaart dit vonnis tot zover uitvoerbaar bij voorraad; 5.
- compenseert de kosten van deze procedure tussen partijen, in die zin dat iedere partij de eigen kosten draagt; 5.
- wijst het meer of anders gevorderde af. Dit vonnis is gewezen door mr. S.J. Hoekstra - van Vliet, mr. M.J. Alt-van Endt en mr. J. Brandt en in het openbaar uitgesproken op 5 juli 2017.