RECHTBANK DEN HAAG Bestuursrecht zaaknummer: SGR 16/4059 uitspraak van de meervoudige kamer van 20 juni 2017 in de zaak tussen [eiseres] , te [woonplaats] , eiseres (gemachtigde: R.P. [persoon] ), en het college van burgemeester en wethouders van Pijnacker-Nootdorp, verweerder (gemachtigden: S. van Belzen en D. Poldermans). Procesverloop Bij besluit van 10 augustus 2015 (primair besluit I) heeft verweerder aan eiseres op grond van de Wet maatschappelijke ondersteuning 2015 (Wmo 2015) de voorziening individuele begeleiding basis toegekend voor de periode van 6 augustus 2015 tot en met 5 augustus 2017 voor 1 uur per week in de vorm van Zorg In Natura (ZIN). Bij besluit van 13 augustus 2015 (primair besluit II) heeft verweerder aan eiseres op grond van de Wmo 2015 de voorziening hulp bij het huishouden in categorie 1 toegekend, voor de periode van 6 augustus 2015 tot en met 5 augustus 2017 voor 3,5 uur per week in de vorm van ZIN. Bij besluit van 24 december 2015 (primair besluit III) heeft verweerder primair besluit I herzien en aan eiseres op grond van de Wmo 2015 de voorziening individuele begeleiding basis toegekend voor de periode van 10 april 2015 tot en met 5 augustus 2017 voor 1 uur per week in de vorm van een persoonsgebonden budget (pgb). Bij besluit van 23 december 2015 (primair besluit IV) heeft verweerder primair besluit II herzien en aan eiseres op grond van de Wmo 2015 de voorziening hulp bij het huishouden in categorie 1 toegekend voor de periode van 24 juni 2015 tot en met 5 augustus 2017 voor 3,5 uur per week in de vorm van een pgb. Bij besluit van 21 april 2016 (het bestreden besluit) heeft verweerder de bezwaren van eiseres deels gegrond verklaard. Verweerder heeft daarbij primair besluit III herroepen en de voorziening individuele begeleiding basis toegekend met een omvang van anderhalf uur per week voor de periode van 10 april 2015 tot en met 5 augustus 2017 in de vorm van een pgb. Voor het overige zijn de bezwaren van eiseres gericht tegen de primaire besluiten III en IV ongegrond verklaard. Eiseres heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld. Verweerder heeft een verweerschrift ingediend. Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 1 juni 2017. Eiseres heeft zich laten vertegenwoordigen door haar gemachtigde. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigden. Overwegingen 1. De rechtbank gaat bij de beoordeling uit van de volgende feiten en omstandigheden. 1.1. Eiseres was – voor zover hier van belang – op grond van de Algemene Wet Bijzondere Ziektekosten (AWBZ) door het Centrum Indicatiestelling (CIZ) geïndiceerd voor de voorziening begeleiding individueel, klasse 1, in de vorm van een pgb. Deze voorziening liep tot 9 april 2015. Tevens ontving eiseres op grond van de Wet maatschappelijke ondersteuning (Wmo) een pgb voor hulp in het huishouden voor 3,5 uur per week. De hoogte van het pgb bedroeg € 308,88 per maand en deze indicatie liep tot 23 juni 2015. Op 26 februari 2015 heeft eiseres verzocht om een herindicatie voor de functie begeleiding individueel. Op 16 mei 2015 heeft eiseres verzocht om verlenging van haar indicatie hulp bij het huishouden. 1.2. Verweerder heeft een indicatieonderzoek uitgevoerd, waarbij dossierstudie is verricht, op 17 maart 2015 een huisbezoek heeft plaatsgevonden en de door eiseres opgestelde bestedingsplannen van 26 maart 2015 respectievelijk van 1 mei 2015 zijn beoordeeld. De bevindingen heeft verweerder neergelegd in onderzoeksrapportages van 13 augustus 2015. 1.3. Verweerders bevindingen hebben geleid tot de primaire besluiten I en II. Hierbij heeft verweerder de omvang van de functies begeleiding individueel en hulp bij het huishouden verlengd. Verweerder heeft deze functies verleend in de vorm van ZIN in plaats van in de vorm van een pgb. Hieraan ligt ten grondslag dat het onderzoek niet afgerond kon worden omdat het niet mogelijk is gebleken met eiseres en haar hulpverlener [persoon] ( [persoon] ) een afspraak te maken. 1.4. Gedurende de bezwaarfase heeft verweerder de primaire besluiten I en II herzien, hetgeen heeft geleid tot de primaire besluit III en IV. Hierbij heeft verweerder aansluiting gezocht bij de data waarop de eerdere indicaties verliepen en zijn beide functies alsnog in de vorm van een pgb verstrekt. De hoogte van het pgb voor de functie begeleiding individueel is bepaald op € 41,90 per maand en voor de functie hulp in het huishouden op € 146,68 per maand. 2. Bij het bestreden besluit heeft verweerder het bezwaar van eiseres gegrond verklaard, in die zin dat de omvang van de begeleiding individueel wordt gewijzigd naar 1,5 uur per week. Voor het overige heeft verweerder de bezwaren van eiseres – in afwijking van het advies van de Commissie behandeling bezwaarschriften (de Commissie) – ongegrond verklaard. Hierbij stelt verweerder zich op het standpunt dat er geen aanleiding bestaat om het bedrag van de pgb’s op een hoger tarief te baseren dan het wettelijk minimumloon. Verweerder stelt dat [persoon] drie maal per week bij eiseres komt en daarbij is hulp bij het huishouden goed te plannen en kan op een vaste tijd geleverd worden. Tevens zijn de reiskosten voor [persoon] verwaarloosbaar nu hij op fietsafstand van eiseres woont. 3. Eiseres kan zich met het bestreden besluit niet verenigen. Hiertoe voert zij aan dat de hoogte van het pgb ten onrechte is gebaseerd op het wettelijk minimumloon, omdat zij thans niet in staat is de noodzakelijke zorg in te kopen. Eiseres wijst erop dat zij regelmatig acute hulp nodig heeft die niet vooraf is in te plannen of dat gemaakte afspraken om gezondheidsredenen moeten worden verzet. Daarnaast is de reisafstand tussen eiseres en [persoon] 34 kilometer, zodat geen sprake is van fietsafstand. Onder deze omstandigheden had het uurtarief, zoals de Commissie heeft geadviseerd, naar boven moeten worden bijgesteld. Eiseres stelt tot slot dat verweerder zijn standpunt dat sprake is van hulpverlening op vaste momenten niet op het medisch advies van 26 januari 2016 had mogen baseren, omdat hierin niet de informatie van de behandelend huisarts en psycholoog is meegenomen. 4. De rechtbank overweegt het volgende. 4.1. Artikel 1.1.1 van de Wmo 2015 definieert sociaal netwerk als: personen uit de huiselijke kring of andere personen met wie de cliënt een sociale relatie onderhoudt. 4.2. Ingevolge artikel 2.1.3, eerste en tweede lid, onder b, van de Wmo 2015 stelt de gemeenteraad bij verordening de regels vast die noodzakelijk zijn voor de uitvoering van het in artikel 2.1.2. bedoelde plan en de door het college ter uitvoering daarvan te nemen besluiten of te verrichten handelingen. In de verordening wordt in ieder geval bepaald op welke wijze de hoogte van een persoonsgebonden budget wordt vastgesteld waarbij geldt dat de hoogte toereikend moet zijn. 4.3. Ingevolge artikel 2.3.6, eerste en vierde lid, van de Wmo 2015, verstrekt het college, indien de cliënt dit wenst, hem een persoonsgebonden budget dat de cliënt in staat stelt de diensten, hulpmiddelen, woningaanpassingen en andere maatregelen die tot de maatwerkvoorziening behoren, van derden te betrekken. Bij verordening kan worden bepaald onder welke voorwaarden betreffende het tarief, de persoon aan wie een persoonsgebonden budget wordt verstrekt, de mogelijkheid heeft om diensten, hulpmiddelen, woningaanpassingen en andere maatregelen te betrekken van een persoon die behoort tot het sociale netwerk. 4.4. De gemeenteraad van Pijnacker-Nootdorp heeft ter uitvoering van onder meer artikel 2.13 en artikel 2.36, vierde lid, van de Wmo 2015 de Verordening maatschappelijke ondersteuning gemeente Pijnacker-Nootdorp 2015 (de Verordening) vastgesteld. 4.5. In artikel 5.1 van de Verordening zijn regels opgenomen voor het pgb. Ingevolge het vierde lid gelden voor het tarief voor een pgb de volgende uitgangspunten: a.
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.