← Nederland

ECLI:NL:RBDHA:2017:7060

Rechtbank DEN HAAG Meervoudige Kamer Rekestnummer: FA RK 16-6540 Zaaknummer: C/09/517100 Datum beschikking: 18 april 2017 Verklaring rechtsvermoeden van overlijden Beschikking op het op 25 augustus 2016 ingekomen verzoekschrift van: [verzoekster] verzoekster, wonende te [woonplaats] , advocaat mr. A. van den Berg te Utrecht, betreffende de vermissing van: [belanghebbende] , geboren op [geboortedatum] te [geboorteplaats] , zonder bekende woon- of verblijfplaats, hierna: de vermiste. Procedure De rechtbank heeft kennisgenomen van de stukken, waaronder: - het verzoekschrift; - de brief van 22 september 2016 van verzoekster, met bijlagen; - de schriftelijke conclusie van de officier van justitie d.d. 20 december 2016 die strekt tot afwijzing van het verzochte. Op 20 maart 2017 is de zaak ter terechtzitting van de meervoudige kamer van deze rechtbank behandeld. Hierbij zijn verschenen: verzoekster en haar advocaat. Verzoek Het verzoek – zoals dat thans luidt – strekt ertoe dat de rechtbank zal gelasten dat de vermiste wordt opgeroepen teneinde van zijn in leven zijn te doen blijken, en, zo hiervan niet blijkt, zal verklaren dat er rechtsvermoeden van overlijden van de vermiste bestaat. Feiten - Verzoekster en de vermiste zijn op [huwelijksdatum] gehuwd. - Uit dit huwelijk is [minderjarige] op [geboortedatum] geboren. - Uit de Basisregistratie personen (hierna: Brp) blijkt dat de inschrijving van de vermiste in de Brp op 27 november 2014 is opgeschort met als reden “Emigratie”. - Verzoekster en de vermiste hebben de Nederlandse nationaliteit. Beoordeling Rechtsmacht en toepasselijk recht De rechtbank is op grond van artikel 3 Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering bevoegd van het voorliggende verzoek kennis te nemen en past bij gebrek aan nadere conflictregels het Nederlandse recht toe. Verklaring rechtsvermoeden van overlijden Artikel 1:413, eerste lid, van het Burgerlijk Wetboek (hierna: BW) bepaalt dat, indien het bestaan van een persoon onzeker is en de in het tweede lid aangegeven tijdruimte is verlopen, belanghebbenden de rechtbank kunnen verzoeken dat zij hun zal gelasten betrokkene op te roepen teneinde van zijn in leven zijn te doen blijken, en dat zij, zo hiervan niet blijkt, zal verklaren dat er rechtsvermoeden van overlijden van betrokkene bestaat. Artikel 1:413, tweede lid onder a, BW bepaalt dat de in het eerste lid genoemde tijdruimte, te rekenen van het vertrek van betrokkene of de laatste tijding van zijn leven, vijf jaren beloopt. Ingevolge het tweede lid onder b van voornoemde bepaling wordt deze termijn verkort tot een jaar indien de betrokkene gedurende die periode wordt vermist en de omstandigheden zijn dood waarschijnlijk maken. Hiervan kan sprake zijn als de vermissing uit niets anders verklaard kan worden dan het overlijden van de vermiste. Onder deze omstandigheden zijn begrepen de situaties waarbij de vermissing verband houdt met oorlogsomstandigheden, een natuurramp of een andere ramp, een scheepsongeval of vliegtuigongeval. Nu de hierboven aangegeven tijdruimte van vijf jaren nog niet is verstreken, staat thans ter beoordeling of er aanleiding is om voormelde termijn te verkorten tot één jaar. Daartoe dient te worden bezien of er sprake is van omstandigheden die de dood van de vermiste waarschijnlijk maken. Verzoekster heeft aan haar verzoek – kort gezegd – de volgende stellingen ten grondslag gelegd. In december 2013 heeft de vermiste aan verzoekster kenbaar gemaakt dat hij elders in de wereld hulp wilde bieden. De vermiste is op 7 juli 2014 vertrokken met het doel om humanitaire hulp te verlenen in een vluchtelingenkamp bij de grens van Turkije en Syrië. Daarna is hij doorgereisd naar Irak waar hij op 1 januari 2015 zou zijn overleden. De oorzaak van het overlijden is volgens verzoekster dat de vermiste is neergeschoten, mogelijk vanuit de lucht, door iets zoals een raket. De vermiste zou op 2 januari 2015 zijn begraven. De broer van de vermiste zou van het overlijden van de vermiste middels een voicebericht op Whatsapp op de hoogte zijn gebracht. Verzoekster is naar aanleiding hiervan gebeld door de zus van vermiste. Zij heeft nadien bij de schoonfamilie het bericht beluisterd. Verzoekster stelt foto’s en een video-opname van het levenloze lichaam van de vermiste te hebben gezien. Ter onderbouwing van haar verzoek overlegt verzoekster als productie 3 tot en met 7 een aantal verklaringen van vrienden en familieleden. Zij overlegt als productie 8 bij haar verzoekschrift een drietal foto’s waarop volgens verzoekster te zien is dat de vermiste niet meer in leven is. De officier van justitie stelt zich – kort gezegd – op het standpunt dat niet gesteld kan worden dat het overlijden van de vermiste in deze zaak waarschijnlijk is, omdat er onvoldoende feiten en omstandigheden zijn die tot deze conclusie kunnen leiden. De rechtbank is van oordeel dat niet is komen vast te staan dat sprake is van omstandigheden die de dood van de vermiste waarschijnlijk maken. Verzoekster heeft onvoldoende objectieve en verifieerbare stukken overgelegd ten aanzien van haar stellingen ter zake van het overlijden van de vermiste. De hierboven genoemde verklaringen van vrienden en familieleden zijn daartoe onvoldoende nu uit deze verklaringen blijkt dat de informatie dat de vermiste zou zijn overleden is gebaseerd op – veelal via verzoekster – van horen zeggen en niet op eigen waarneming. Wat betreft de stellingen en verklaringen op basis van foto’s en videobeelden overweegt de rechtbank dat voor haar onvoldoende vast is komen te staan dat de persoon op de door verzoekster overgelegde foto’s daadwerkelijk de vermiste is. Nu onvoldoende is gebleken dat er sprake is van omstandigheden die de dood van de vermiste waarschijnlijk maken, slaagt het beroep van verzoekster op artikel 1:413, tweede lid onder b, BW niet. Beslissing De rechtbank: wijst het verzoek af. Deze beschikking is gegeven door mrs. J.M. Vink, A. Zonneveld en H. Dragtsma, bijgestaan door mr. M.T.E. Krijger-van Huut als griffier, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van 18 april 2017.

🔗 Naar officiële bron

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.