vonnis RECHTBANK DEN HAAG Team handel zaaknummer / rolnummer: C/09/474064 / HA ZA 14-1101 Vonnis van 28 juni 2017 in de zaak van 1. de vereniging VERENIGING WOEKERPOLIS.NL, gevestigd te Amsterdam, 2. [eiser 2] , wonende te [woonplaats 1] , 3. [eiser 3] , wonende te [woonplaats 2] , 4. [eiser 4] , wonende te [woonplaats 3] , eisers, advocaat: mr. J.B. Maliepaard te Bleiswijk, TEGEN 1. de naamloze vennootschap AEGON LEVENSVERZEKERING N.V., gevestigd te Den Haag, advocaat: mr. B.W.G. van der Velden te Amsterdam, 2. de naamloze vennootschap AEGON SPAARKAS N.V., gevestigd te Leeuwarden, advocaat: mr. A.Ch.H. Franken te Amsterdam, gedaagden. Eiseres sub 1 zal hierna de Vereniging worden genoemd. Eisers sub 2, 3 en 4 zullen worden aangeduid als respectievelijk [eiser 2] , [eiser 3] en [eiser 4] . Eisers zullen gezamenlijk worden aangeduid als de Vereniging c.s. Gedaagden zullen worden aangeduid als Aegon Levensverzekering en Aegon Spaarkas en zullen gezamenlijk (in enkelvoud) Aegon worden genoemd. 1. De procedure 1.1. Het verdere verloop van de procedure blijkt uit: het tussenvonnis van 28 oktober 2015 en de daarin genoemde stukken; de akte overlegging producties, tevens akte vermeerdering (grondslag) van eis van de zijde van de Vereniging; de antwoordakte van de zijde van Aegon; het proces-verbaal van pleidooi van 17 januari 2017, het daarin genoemde stuk en de tijdens het pleidooi door partijen voorgedragen pleitnota’s. 1.2. Ten slotte is een datum voor het wijzen van vonnis bepaald. 2. De verdere beoordeling I Inleiding 2.1. De op de voet van artikel 3:305a BW ingestelde primaire vordering van de Vereniging had betrekking op 115 producten, die waren opgesomd in een door haar bij de dagvaarding overgelegd “Overzicht Woekerpolissen” met productnamen van beleggingsverzekeringen van Aegon. In het tussenvonnis heeft de rechtbank geoordeeld dat de primaire vordering dient te worden afgewezen, omdat de Vereniging ten aanzien van 112 van de 115 genoemde producten niet voldoet aan de in artikel 3:305a BW gestelde eisen voor ontvankelijkheid in een collectieve actie. 2.2. Nu resteren de drie voorbeeldproducten waarop de subsidiaire vordering ziet: KoersPlan, VermogensPlan en FundPlan (tezamen ook: ‘de voorbeeldproducten’), die zijn aangeboden door Aegon en haar rechtsvoorgangers, waaronder Spaarbeleg. Dat zijn ook de door de drie individuele eisers afgesloten beleggingsverzekeringen. Ten aanzien van de voorbeeldproducten is in het tussenvonnis geoordeeld dat de vorderingen onder XXXIV, XXXVIII, LIII, LVII, LXXI en LXXV niet toelaatbaar zijn op grond van artikel 3:305a BW en daarom moeten worden afgewezen. 2.3. Na het tussenvonnis, waarin ook is beslist dat de incidentele vordering ex art 843a Rv van de Vereniging zal worden afgewezen, heeft de Vereniging haar eis in de hoofdzaak gewijzigd. De gewijzigde eis is als bijlage bij dit vonnis gevoegd en dient hier als herhaald en ingelast te worden beschouwd. 2.4. Na het tussenvonnis heeft een aktewisseling plaatsgehad, naar aanleiding van het op de voet van artikel 22 Rv aan de Vereniging gegeven bevel van de rechtbank alle relevante contractdocumentatie met betrekking tot de voorbeeldproducten over de relevante periode in het geding te brengen en deze vergezeld te laten gaan van een nadere concretisering van haar verwijten per periode waarin de bedoelde contractdocumentatie voor het desbetreffende voorbeeldproduct werd gebruikt. De aktes na het tussenvonnis worden hierna per partij aangeduid als ‘(
- de)akte’. kern van het geschil 2.5. De kern van het geschil is of Aegon met de door haar verstrekte informatie de verzekeringnemers in staat heeft gesteld een goed geïnformeerde en weloverwogen aankoopbeslissing te nemen en of zij – zoals de Vereniging stelt – haar verzekeringnemers heeft misleid. In verband daarmee is onderwerp van debat of (de hoogte van) alle in rekening gebrachte kosten en overlijdenspremies zijn overeengekomen. Voorts is in geschil of Aegon gebrekkige producten in het verkeer heeft gebracht en of de overeenkomsten met betrekking tot de voorbeeldproducten oneerlijke bedingen bevatten. 2.6. Aegon heeft de voorbeeldproducten in de relevante periode (van 1989 tot en met 2004) op grote schaal verkocht aan consumenten, in een tijd dat de maatschappelijke belangstelling voor beleggen fors toenam, met een door Aegon onbetwist aangeduide stijging van ‘het aantal beleggende huishoudens’ tussen 1997 en 2000 van 600.000 tot ruim 1,9 miljoen. 2.7. De informatieverstrekking over beleggingsverzekeringen, die door de Vereniging worden aangeduid als ‘woekerpolissen’, een term waartegen Aegon zich verzet, is een onderwerp waarover de in de maatschappij levende inzichten in de loop der jaren zijn veranderd. Naar niet in geschil is, is de aanleiding voor de maatschappelijke onrust over beleggingsverzekeringen in de eerste plaats gelegen in de tegenvallende rendementen als gevolg van het feit dat de rendementen van beleggingen in toenemende mate onder druk kwamen te staan. Deze onrust heeft vanaf 2005 geleid tot de in het tussenvonnis onder 2.10 en verder aangeduide onderzoeken en adviezen van de Autoriteit Financiële Markten (AFM), de Commissie De Ruiter en de Ombudsman Financiële Dienstverlening en voorts tot de Stichtingsakkoorden die Aegon in 2009 heeft gesloten met twee stichtingen en drie verenigingen, met afspraken over een vergoeding in de vorm van maximering van de in rekening gebrachte kosten en risicopremies van door Aegon aangeboden beleggingsverzekeringen, waaronder de voorbeeldproducten. 2.8. Naar aanleiding van deze ontwikkelingen heeft Aegon productverbeteringen doorgevoerd, ook met betrekking tot de voorbeeldproducten. In dat verband zijn onder meer de overlijdensrisicopremies en de kosten verlaagd. Naar aanleiding van de hierna te noemen KoersPlanzaak heeft Aegon de overlijdensrisicopremies van de spaarkasverzekeringen die in de periode van 1989 tot en met 1998 door Spaarbeleg zijn aangeboden, herberekend. Aegon heeft onweersproken toegelicht dat dit bij veel verzekeringnemers leidt tot (verdere) verlaging van de overlijdensrisicopremie. 2.9. De in de loop der jaren gewijzigde maatschappelijke opvattingen hebben hun weerslag gevonden in een ingrijpende wijziging van de regelgeving voor informatieverstrekking door aanbieders van beleggingsverzekeringen vanaf 2006. De door de rechtbank aan te leggen toets is niet die van het nu geldende aangescherpte normenkader. De rechtbank dient te toetsen aan het normenkader dat gold ten tijde van het aanbieden van de voorbeeldproducten door Aegon, van 1989 tot en met 2004. Dat normenkader dateert van vóór de vanaf 2005 uitgebrachte, hiervoor genoemde, adviezen over beleggingsverzekeringen en de daarna doorgevoerde aanscherpingen van de regelgeving en stelt minder verstrekkende eisen aan de informatieverstrekking over beleggingsverzekeringen dan de nu geldende regels. de KoersPlanzaak 2.10. Over KoersPlan is eerder een collectieve actie gevoerd, door Stichting Koersplandewegkwijt. In die procedure, die hierna ook wordt aangeduid als ‘de KoersPlanzaak’ heeft het gerechtshof te Amsterdam op 26 juli 2011 arrest gewezen (ECLI:NL:GHAMS:2011:BR2836), dat hierna wordt aangeduid als ‘het arrest van het gerechtshof in de KoersPlanzaak’, dat is gevolgd door het arrest van 14 juni 2013 van de Hoge Raad (ECLI:NL:HR:2013:BZ3749). 2.11. De KoersPlanzaak had betrekking op KoersPlanovereenkomsten die tussen 1989 en 1998 zijn afgesloten. Deze zaak gaat over de hele periode dat KoersPlan werd aangeboden, van 1989 tot 2004. In deze zaak is een aantal dezelfde onderwerpen aan de orde als in de KoersPlanzaak. De Vereniging heeft ook nieuwe verwijten geformuleerd, die niet in de KoersPlanzaak aan de orde zijn geweest. De in de KoersPlanzaak gegeven oordelen zijn niet bindend in deze zaak. Alle verwijten van de Vereniging over KoersPlan dienen op hun eigen merites te worden bezien, op grond van de in deze zaak gevoerde partijdiscussie. de verwijten van de Vereniging 2.12. Samengevat en op hoofdlijnen verwijt de Vereniging Aegon het volgende: het in het verkeer brengen van gebrekkige producten die niet bestand zijn tegen forse koersdalingen; het onvoldoende waarschuwen voor en/of voorlichten over een aantal risicovolle eigenschappen van de producten, zoals het hefboomeffect, het inteereffect, het fata morgana-effect en het crashrisico; het onvoldoende informeren over hoge (eerste) kosten die op de producten werden ingehouden en de effecten hiervan op het met de producten op te bouwen vermogen; het in rekening brengen van niet-contractueel overeengekomen kosten en van kosten waarvan de hoogte niet is overeengekomen; het hanteren van oneerlijke bedingen. 2.13. Verwijt
- i)– het gestelde in het verkeer brengen van gebrekkige producten – heeft betrekking op een eigenschap van de voorbeeldproducten, die de Vereniging aanduidt als het ‘crashrisico’. De Vereniging verstaat onder het crashrisico het risico dat een of meer (forse) koersdalingen – zeker als die zich aan het eind van de looptijd van de beleggingsverzekering voordoen – tot gevolg hebben dat het feitelijk niet meer mogelijk is om het genoemde eindkapitaal te kunnen bereiken, ook als gemiddeld wel het genoemde rendementspercentage wordt behaald. 2.14. Het crashrisico is tevens een van de producteigenschappen waarop verwijt
- ii)ziet. De andere eigenschap van de voorbeeldproducten waarvoor Aegon volgens de Vereniging onvoldoende heeft gewaarschuwd, is het fata morgana-effect. Het in de dagvaarding genoemde hefboomeffect en het inteereffect doen zich niet voor bij de voorbeeldproducten en behoeven dus geen bespreking. 2.15. Verwijt
- ii)ziet daarmee op het hiervoor omschreven crashrisico en het fata morgana-effect, dat volgens de Vereniging in de kern erop neerkomt dat de voorbeeldberekeningen die Aegon hanteerde onjuist of misleidend zijn. 2.16. Net als verwijt
- ii)heeft verwijt iii) betrekking op gesteld onvoldoende voorlichten door Aegon, in dit geval over de hoge (eerste) kosten die op de producten werden ingehouden en de effecten hiervan op het met de producten op te bouwen vermogen. De kosten van de voorbeeldproducten spelen ook een rol bij verwijt
- iv)dat inhoudt dat Aegon niet overeengekomen kosten en/of overlijdensrisicopremie in rekening heeft gebracht. 2.17. In de dagvaarding stelde de Vereniging in verband met de kosten dat Aegon zich schuldig heeft gemaakt aan ‘churning’. Nu zij deze algemeen geformuleerde en door Aegon gemotiveerd betwiste stelling in haar akte niet heeft uitgewerkt, wordt zij geacht dit verwijt niet (langer) te maken ten aanzien van de voorbeeldproducten. 2.18. Bij haar verwijten
- ii)en iii) stelt de Vereniging niet alleen dat Aegon verzekeringnemers onvoldoende heeft voorgelicht of gewaarschuwd, maar ook dat Aegon haar verzekeringnemers heeft misleid met de door haar aangeboden informatie. 2.19. Het tot slot gemaakte verwijt
- v)heeft betrekking op volgens de Vereniging oneerlijke bedingen in alle drie de voorbeeldproducten. 2.20. Aegon betwist alle verwijten van de Vereniging. Samengevat komt haar verweer erop neer dat zij steeds alle informatie heeft verstrekt die zij moest verstrekken op grond van de destijds geldende wet- en regelgeving en dat zij haar verzekeringnemers niet heeft misleid. Aegon betwist dat zij niet overeengekomen kosten in rekening heeft gebracht. Zij betwist dat de overeenkomsten oneerlijke bedingen bevatten en dat zij met de voorbeeldproducten gebrekkige producten in het verkeer heeft gebracht. plan van behandeling 2.21. Voordat de rechtbank de verwijten van de Vereniging behandelt, gaat zij in op het (nadere) verweer van Aegon met betrekking tot de collectieve actie op de voet van artikel 3:305a BW en het door Aegon betwiste belang van de Vereniging bij haar vorderingen (II). Dan staat de rechtbank stil bij de voorbeeldproducten (III). Vervolgens bespreekt de rechtbank de verwijten van de Vereniging (IV). Onder V volgt de slotsom in de zaak tegen de Vereniging, waarna de rechtbank (onder VI) de zaken van [eiser 4] , [eiser 3] en [eiser 2] zal beoordelen. II Collectieve actie en belang Vereniging ontvankelijk in collectieve actie? 2.22. In het tussenvonnis heeft de rechtbank geoordeeld dat de Vereniging ten aanzien van 112 van de 115 genoemde beleggingsverzekeringen van Aegon niet voldoet aan de in artikel 3:305a BW gestelde eisen voor ontvankelijkheid in een collectieve actie. Dit geldt volgens Aegon ook voor de drie resterende voorbeeldproducten. 2.23. Voor ontvankelijkheid van een collectieve actie ex artikel 3:305a BW is vereist dat een belangenorganisatie aan drie vereisten voldoet. De vordering moet (ten eerste) zijn ingesteld door een stichting of een vereniging met volledige rechtsbevoegdheid, die (ten tweede) een toereikende statutaire doelomschrijving moet hebben. Ten derde dienen de belangen waarvoor de belangenorganisatie opkomt gelijksoortig te zijn om zich zodoende voor bundeling te lenen. 2.24. Niet in geschil is dat de statuten van de Vereniging voorzien in belangenbehartiging van verzekeringnemers die bij Aegon KoersPlan-, VermogensPlan- en FundPlanovereenkomsten hebben afgesloten. Het verweer van Aegon ziet op de derde eis: Aegon betwist dat de door de Vereniging behartigde belangen voldoende gelijksoortig zijn. Zij voert aan dat de overeenkomsten verschillen ten aanzien van hun aard, looptijd en het door Aegon aangeboden informatiemateriaal, de manier waarop ze zijn afgesloten, de risico’s die aan die producten verbonden zijn, het toepasselijk wettelijk kader en de specifieke eigenschappen van de individuele contracten (op basis van de door de verzekerde gemaakte keuzes). Dat betekent volgens Aegon dat in de gegeven omstandigheden uitsluitend op basis van een individuele beoordeling van alle betrokken klanten een oordeel kan worden gevormd over de verwijten van de Vereniging. Daar leent een collectieve actie zich niet voor, aldus Aegon. 2.25. De rechtbank volgt Aegon niet in dit betoog. De collectieve actie van de Vereniging ziet nu nog op de drie voorbeeldproducten, die – naar niet in geschil is – vanwege de onderlinge verschillen niet zonder meer aan elkaar gelijk te stellen zijn. Zij hebben gemeen dat het beleggingsverzekeringen zijn die door Aegon werden aangeboden. 2.26. Per voorbeeldproduct is voldaan aan het vereiste van een voldoende gelijksoortig belang. De FundPlanovereenkomsten hadden allemaal dezelfde productkenmerken. Dat geldt ook voor de KoersPlanovereenkomsten respectievelijk de VermogensPlanovereenkomsten. Alle drie de voorbeeldproducten kwamen overwegend via een tussenpersoon tot stand. Aegon verstrekte bij het aanbieden van alle FundPlanovereenkomsten min of meer vergelijkbare bescheiden. Dat deed zij ook bij het aanbieden van alle KoersPlanovereenkomsten respectievelijk alle VermogensPlanovereenkomsten. Anders dan Aegon betoogt, is – per voorbeeldproduct – zowel de wijze van aanbieden en afsluiten van de desbetreffende producten als de contractdocumentatie voldoende uniform om de verwijten te kunnen beoordelen zonder onderzoek te doen naar de situatie van de individuele verzekeringnemers. 2.27. Daarmee voldoet de Vereniging in ieder geval per voorbeeldproduct aan het vereiste van een voldoende gelijksoortig belang. Het komt een doelmatige en efficiënte procesvoering ten goede dat de Vereniging deze drie door Aegon aangeboden voorbeeldproducten gelijktijdig aan de rechtbank voorlegt, temeer omdat de contractdocumentatie van KoersPlan en VermogensPlan op onderdelen gelijkluidend is en een aantal verwijten ten aanzien van de onderscheidene voorbeeldproducten hetzij gelijkluidend is, hetzij zich voor gezamenlijke behandeling leent. Belang van de Vereniging bij haar vordering? 2.28. Aegon betoogt dat met de productverbeteringen een ‘totaaloplossing’ is geboden voor alle klachten van verzekeringnemers met een beleggingsverzekering van Aegon, aangezien niet alleen de kosten en overlijdensrisicopremies – voor zover nodig – op een redelijk niveau zijn gebracht, maar ook een oplossing is geboden voor enige bijzondere en specifieke productrisico’s (niet zijnde het reguliere beleggingsrisico). Nu hiermee reeds is voorzien in een oplossing voor de verwijten die de Vereniging maakt, heeft de Vereniging geen belang bij haar vorderingen, aldus Aegon, die voorts erop wijst dat de grote meerderheid (97% en 98,6%) van de achterban van de stichtingen heeft ingestemd met de Stichtingsakkoorden. Volgens Aegon voorzien de Stichtingsakkoorden daarmee in een breed gedragen, ook door anderen onderschreven oplossing. 2.29. De rechtbank stelt voorop dat zij terughoudend dient te zijn met het afwijzen van een vordering vanwege het ontbreken van voldoende belang in de zin van artikel 3:303 BW. In het algemeen mag voldoende belang worden verondersteld. Alleen bij uitzondering moet een eiser bewijzen voldoende belang te hebben. Zo’n uitzonderingssituatie doet zich ten aanzien van de gevorderde verklaringen voor recht in dit geval naar het oordeel van de rechtbank niet voor. Uit het eigen standpunt van Aegon volgt reeds dat het door haar als regulier beleggingsrisico en door de Vereniging als crashrisico aangeduide risico van de voorbeeldproducten niet is begrepen in de Stichtingsakkoorden en andere productverbeteringen. Voorts betekent het breed gedragen zijn van de door velen geaccepteerde oplossing waarin Aegon heeft voorzien, niet dat de Vereniging daarmee geen processueel of materieel belang in de zin van artikel 3:303 BW heeft of kan hebben bij haar vorderingen. Nu ook overigens niet is gesteld of gebleken dat zij dergelijk belang ontbeert, dient te worden aangenomen dat zij voldoende belang heeft. Ook dit verweer van Aegon faalt derhalve. III De voorbeeldproducten 2.30. De voorbeeldproducten zijn beleggingsverzekeringen. Het zijn gemengde levensverzekeringen, waarbij zowel het risico van overlijden als het risico van leven op de einddatum wordt gedekt. Bij beleggingsverzekeringen wordt (een deel van) de premie aangewend voor de dekking van het overlijdensrisico en wordt (een deel van) de premie belegd om vermogensopbouw te bewerkstelligen. Het beleggingsdeel van de premie van de voorbeeldproducten wordt belegd in beleggingsfondsen van Aegon. Het risico van beleggen ligt geheel of grotendeels bij de verzekeringnemer. Bij overlijden vóór het einde van de looptijd wordt een uitkering gedaan van een bedrag dat is gerelateerd aan de inleg of aan het opgebouwde beleggingstegoed. Indien de looptijd verloopt bij leven wordt het met de inleg behaalde beleggingsresultaat uitgekeerd. KoersPlan en VermogensPlan 2.31. KoersPlan en VermogensPlan zijn spaarkasverzekeringen. Bij deze vorm van beleggingsverzekering wordt (een deel van) de inleg (de spaarstorting) door storting in een spaarkas gebruikt voor collectieve opbouw van vermogen, door te beleggen in participaties van beleggingsfondsen. Het opgebouwde vermogen komt tot uitkering bij leven op de einddatum. Een ander deel van de inleg bestaat uit een overlijdensrisicopremie, die als tegenprestatie dient voor de verplichting van de verzekeraar tot het doen van een uitkering aan de begunstigde(
- n)bij overlijden van de verzekerde. Op het moment van overlijden vervalt het aandeel in de spaarkas aan de spaarkas. Op de einddatum van de overeenkomst wordt dit verdeeld onder de nog in leven zijnde deelnemers. 2.32. Aegon heeft KoersPlan van 1989 tot 2004 aangeboden aan deelnemers, die een vaste periodieke inleg per maand betalen. Aegon heeft VermogensPlan van 1990 tot 2001 aangeboden aan deelnemers die na een eerste inleg een jaarlijks te verhogen of verlagen inleg van minimaal 1/10 van het eerst ingelegde bedrag betalen. Beide producten hebben een vaste looptijd van minimaal twintig jaar (tot 1992)/vijftien jaar (vanaf 1992) en maximaal 40 jaar. Aan het einde van de looptijd ontvangt de deelnemer het eindkapitaal, bestaande uit zijn opgebouwde vermogen en de overlevingswinst. Bij overlijden wordt de ingelegde som, vermeerderd met 4% rente op rente, uitgekeerd. FundPlan 2.33. FundPlan is een zogenoemde united linked beleggingsverzekering. Daarbij verbindt de verzekeraar zich ertoe een deel van de premie (de spaarpremie) te beleggen om vermogensopbouw te bewerkstelligen. De belegging geschiedt individueel in voor rekening van de verzekeringnemer verworven beleggingseenheden (units). De uitkering bij leven op de einddatum bestaat uit de tegenwaarde op die datum van de met de spaarpremies verworven units. 2.34. Aegon heeft FundPlan van 1990 tot 2002 aangeboden aan deelnemers, die een jaarlijkse premie betalen die wordt geïnvesteerd in een door Aegon beheerd beleggingsfonds naar keuze. Dat kan één fonds zijn, maar ook een combinatie van fondsen. De deelnemer kan gedurende de looptijd wisselen tussen de fondsen. Eenmaal per jaar kan dit gratis. Er is een open einddatum, die naar voren of naar achteren kan worden geschoven. De hoogte van de uitkering direct na overlijden kan bestaan uit de som van de betaalde premies of uit een vast bedrag danwel een gegarandeerd bedrag, vermeerderd met de eventuele beleggingswinst. Indien de laatste tien jaar is belegd in bepaalde fondsen is (een evenredig deel van) het kapitaal bij leven op de einddatum gegarandeerd. 2.35. Bij deze deelname van minimaal tien jaar voorafgaand aan de einddatum in een fonds met een garantiebepaling, ontvangt de verzekeringnemer op de einddatum een gegarandeerd minimumkapitaal, dat bij een gunstig beleggingsresultaat kan worden vermeerderd met een hogere uitkering. Aegon heeft onweersproken aangevoerd dat zij aan meer dan 80% van de deelnemers van FundPlan een gegarandeerde uitkering bij leven biedt. In deze gevallen van een gegarandeerde uitkering bij leven is – naar de Vereniging ook niet weerspreekt – sprake van een garantieverzekering en niet van een beleggingsverzekering (vergelijk gerechtshof Amsterdam 28 april 2015, ECLI:NL:GHAMS:2015:1641). IV Bespreking van de verwijten 2.36. Als eerste bespreekt de rechtbank (onder 1) de verwijten
- ii)en iii) over informatieverstrekking bij het aanbieden van de voorbeeldproducten. Vervolgens bespreekt de rechtbank (onder 2) verwijt
- iv)over het in rekening brengen van niet overeengekomen kosten en daarna (onder 3) verwijt
- i)over het in het verkeer brengen van ondeugdelijke producten en tot slot (onder 4) verwijt
- v)over de gestelde oneerlijke bedingen. 1Informatieverstrekking bij aanbieding van de voorbeeldproducten 2.37. De kern van het geschil bij de verwijten
- ii)en iii) over de informatieverstrekking is of Aegon met de door haar verstrekte informatie bij het aanbieden van de voorbeeldproducten de verzekeringnemers in staat heeft gesteld een goed geïnformeerde en weloverwogen aankoopbeslissing te nemen en of zij – zoals de Vereniging ook stelt – de verzekeringnemers heeft misleid. 2.38. De verwijten van de Vereniging zien op informatieverstrekking over de als (zuivere) beleggingsverzekeringen aan te merken voorbeeldproducten waarvan de uitkering afhankelijk is van de uitkomst van de beleggingen. De verwijten zijn toegespitst op informatieverstrekking door middel van voorbeeldkapitalen met aanvullende informatie. Dit is de wijze waarop informatie wordt verstrekt in gevallen waarin de uitkering onzeker is, zoals bij beleggingsverzekeringen het geval is. De informatieverstrekking over levensverzekeringen met een gegarandeerde uitkering (garantieverzekeringen) – zoals FundPlan kan zijn – die ook is onderworpen aan de hierna te bespreken Riav, geschiedt op een andere wijze, te weten door het noemen van de gegarandeerde uitkering (vergelijk het hierna te bespreken artikel 2 lid 2 onder b Riav, dat ook het daarvóór geldende ongeschreven recht weergeeft). Indien en voor zover FundPlan voorziet in een garandeerde uitkering – en dus is aan te merken als een garantieverzekering – valt dit voorbeeldproduct dus buiten de reikwijdte van het geschil. Het navolgende geldt daarmee niet voor FundPlan voor zover dit voorbeeldproduct voorziet in een gegarandeerde uitkering bij leven aan het eind van de looptijd. 2.39. De rechtbank staat stil bij het toetsingskader voor de verwijten over de informatieverstrekking bij het aanbieden van de voorbeeldproducten (A) en de uitgangspunten voor de beoordeling van de verwijten (B), die daarna plaatsvindt (C). A toetsingskader voor beoordeling van de verwijten over informatieverstrekking 2.40. Als Aegon – getoetst aan de destijds geldende normen – haar informatieverplichting bij het aanbieden van de voorbeeldovereenkomsten niet heeft nageleefd, heeft zij onrechtmatig gehandeld jegens haar verzekeringnemers. Nu de voorbeeldproducten na 2004 niet werden aangeboden, is de door de Vereniging aangehaalde regelgeving die vanaf 2006 in werking is getreden niet relevant. De rechtbank gaat dan ook voorbij aan hetgeen de Vereniging daarover naar voren heeft gebracht. 2.41. De Vereniging grondt de gestelde misleiding door Aegon bij het verstrekken van informatie bij het aanbieden van de voorbeeldproducten op artikel 6:194 (oud) BW, zoals dit luidde voor 15 oktober 2008, toen deze bepaling – anders dan daarna, met de inwerkingtreding van artikel 6:193a BW – nog gold voor consumenten. Niet in geschil is dat artikel 6:194 (oud) BW van toepassing is op deze zaak, omdat vóór die datum was voldaan aan alle vereisten voor de gestelde aansprakelijkheid van Aegon op grond van deze bepaling. 2.42. Hierna wordt eerst ingegaan op de indirecte transparantie, dat, naar de destijds geldende normen, als uitgangspunt gold voor de informatieverstrekking bij het aanbieden van de voorbeeldproducten (a). Daarna komen aan de orde de betekenis van het arrest van het HvJ EU van 29 april 2015 voor deze zaak (
- b)en de vraag of op Aegon de door de Vereniging gestelde bijzondere zorgplicht rust (c), gevolgd door de slotsom over het toetsingskader voor de verwijten over informatieverstrekking en de uitgangspunten voor de verdere beoordeling (d). (
- a)indirecte transparantie als uitgangspunt 2.43. De toepasselijke regelgeving voor informatieverstrekking bij het aanbieden van de voorbeeldproducten vormt de implementatie van de Richtlijn 92/96/EEG van de Raad van 10 november 1992 tot coördinatie van de wettelijke en bestuursrechtelijke bepalingen betreffende het directe levensverzekeringsbedrijf en tot wijziging van de Richtlijnen 79/267/EEG en 90/619/EEG (Pb 1992, L 360, hierna: Derde Levensrichtlijn). Volgens de preambule (onder 23) moet de consument beschikken over “de nodige inlichtingen om de overeenkomst te kunnen kiezen die het beste bij zijn behoeften past” en worden minimumvoorschriften gegeven “opdat de consument duidelijke en nauwkeurige informatie ontvangt over de wezenlijke kenmerken van de hem aangeboden producten.” Artikel 31 lid 1 van de Derde Levensrichtlijn bepaalt dat de verzekeraar vóór het sluiten van de overeenkomst de in bijlage II genoemde gegevens moet verstrekken, te weten onder meer over: de wijze en duur van betaling van de premies, de wijze van berekening en toewijzing van winstdelingen, inlichtingen over de premies voor iedere verzekeringsdekking, zowel de hoofddekking als de aanvullende dekkingen, indien zulke inlichtingen dienstig blijken. 2.44. De Derde Levensrichtlijn is met ingang van 1 juli 1994 geïmplementeerd in de op artikel 51 Wet Toezicht verzekeringsbedrijf (Wtv) gebaseerde Regeling informatieverstrekking aan verzekeringnemers (Riav 1994), die per 1 januari 1999 is vervangen door de Riav 1998. Beide versies van de Riav tezamen worden hierna ook aangeduid als ‘de Riav’, dat hierna ook wordt gebruikt in de gevallen dat beide versies gelijkluidend zijn. 2.45. Vóór deze implementatie van de Derde Levensrichtlijn was er geen specifieke regelgeving betreffende de informatieverstrekking door verzekeraars over beleggingsverzekeringen. Aegon heeft onweersproken toegelicht dat verzekeraars voordien – overeenkomstig het destijds breed gedragen uitgangspunt dat de verzekeringnemer daarmee adequaat werd geïnformeerd – informatie verstrekten over de premie en de verzekerde uitkeringen bij leven of overlijden. Dit gebeurde aan de hand van voorbeeldkapitalen, die werden berekend op grond van historische rendementen. 2.46. Zoals partijen ook tot uitgangspunt nemen, is in de Riav 1994 het voordien geldende ongeschreven recht vastgelegd. Dat betekent dat hetgeen hierna wordt overwogen over de Riav 1994 ook ziet op de in de relevante periode van 1989 tot de inwerkingtreding van de Riav 1994 geldende normen voor informatieverstrekking bij het aanbieden van de voorbeeldproducten. 2.47. De Riav heeft betrekking op de aanbodzijde bij de totstandkoming van de beleggingsverzekeringsovereenkomsten. De toelichtingen op de Riav vermelden allebei: “de toepassing van deze regeling (wordt) beheerst door het burgerlijk recht, waarbij bijvoorbeeld ook de eisen van redelijkheid en billijkheid (artikel 2 van Boek 6 van het Burgerlijk Wetboek) gelden.” 2.48. Destijds werd algemeen onderschreven dat de informatieverstrekking over beleggingsverzekeringen het beste indirect kon geschieden aan de hand van voorbeeldkapitalen, waarin de factoren waarvan de uitkering afhankelijk was – waaronder de kosten – waren verdisconteerd. De gedachte was dat moest worden voorkomen dat de consument, door méér informatie dan over de prijs en de potentiële opbrengst, juist minder begrip zou krijgen voor de kenmerken en de werking van de producten. Gedetailleerde informatie over kosten en risicopremie zou volgens de toen geldende inzichten niet bijdragen aan de mogelijkheid voor de consument weloverwogen en geïnformeerd te kunnen kiezen. Vergelijkbaarheid van de verschillende verzekeringen, wat betreft prijs en opbrengst, stond destijds voorop. 2.49. Deze zienswijze komt onder meer tot uiting in de parlementaire geschiedenis van de Wet assurantiebemiddelingsbedrijf, waarin de wetgever te kennen heeft gegeven het niet nodig te vinden voor één van de kostenposten van de beleggingsverzekering – de provisie voor de assurantietussenpersoon – nader te regelen dat een tussenpersoon steeds aan een verzekeringnemer diende duidelijk te maken welke provisie is verbonden aan elk verzekeringsproduct waarover hij de verzekeringnemer informeert en de uitbetaalde provisie op de premie-nota specificeert, aangezien: “aparte vermelding van de aan de assurantietussenpersoon uitbetaalde provisie leidt tot meer complicaties dan men op het eerste gezicht zou denken en geeft o.i. slechts aanleiding tot het ontstaan van een vertekend beeld bij de consument. (...) Bovendien is naar onze mening aparte vermelding van de provisie voor het beslissingsproces niet van belang. Voor de consument is uitsluitend interessant wat de hoogte van de te betalen eindprijs is. Alleen door vergelijking van eindprijzen verkrijgt hij een inzicht in de markt; «kale» prijzen, na aftrek van provisie, hebben geen zelfstandige betekenis. Op basis van een eindprijsvergelijking kan de consument bepalen in hoeverre de meerprijs hem een betere dienstverlening waard is.” Zie: TK 1989/1990, 20 925, nr. 10, p 11. 2.50. Op grond van artikel 2 lid 2 Riav 1994 moet de verzekeraar de verzekeringnemer in kennis stellen van – onder meer: - een omschrijving van de uitkering of uitkeringen waartoe de verzekeraar zich verplicht (sub b), - de premie verschuldigd voor de hoofddekking, en, indien de overeenkomst voorziet in een of meer nevenuitkeringen, de premies die voor ieder van de nevenuitkeringen zijn verschuldigd (sub h). De hoofddekking is de dekking van het overlijdensrisico. Nevendekkingen zijn uitkeringen in geval van een risico anders dan het risico van overlijden. 2.51. Indien de overeenkomst voorzag in een afkoop- of premievrije waarde, diende op grond van sub k van artikel 2 lid 2 Riav 1994 de verzekeraar de verzekeringnemer voorts in kennis te stellen van: “een opgave of indicatie van deze waarden of een opgave van de wijze waarop deze waarden worden berekend” De toelichting vermeldt dat met opgave van de afkoop- en premievrije waarde wordt gedoeld op: “een eventuele gegarandeerde afkoop- of premievrije waarde, dit in tegenstelling tot een ‘indicatie’ van die waarden, of een opgave van de berekeningswijze”. 2.52. In januari 1996 heeft de minister van financiën antwoord gegeven op vragen over (
- te)hoge kosten van koopsompolissen: “Aan elk produkt, ook aan een levensverzekering, zijn kosten verbonden. Deze kosten treden zowel op daar waar verzekeraars de verzekeringnemers direct benaderen (direct writers) als door waar de distributie verloopt via tussenpersonen. In dit laatste geval is sprake van kosten, welke worden gemaakt in het kader van de advisering door de tussenpersoon, en de kosten die de verzekeraar zelf nog maakt. Bij elk produkt worden de totale kosten uit de eindprijs betaald. Bij een levensverzekering is de eindprijs de te betalen premie(s).” Zie TK 1995-1996, Aanhangsel nr. 430. 2.53. In de in april 1996 door de minister van financiën gegeven antwoorden op Kamervragen over een door OHRA aangeboden beleggingsverzekering, waarbij werd belegd in teakhout in Costa Rica, staat onder meer: “In het algemeen is de regering van mening dat de aanbiedende partij in documentatie over beleggingen dient zorg te dragen voor zorgvuldige en heldere informatie ook waar het de gebruikte begrippen betreft. Dat geldt ook bij beleggingen die in het kader van een levensverzekeringsovereenkomst plaatsvinden. Het is de verantwoordelijkheid van die aanbiedende partij daarbij inzichtelijk te maken door welke factoren het rendement wordt bepaald, wat de aard van de beleggingen is en door wie de risico's uiteindelijk worden gedragen. Eén en ander laat onverlet dat het bij een financieel produkt, waarbij veelal grote bedragen in het geding zijn, van belang is weloverwogen tot een beslissing te komen. Het is daarbij primair de eigen verantwoordelijkheid van de belegger c.q. de verzekeringnemer zich op de hoogte te stellen van de modaliteiten van het produkt of zich daarover door een deskundige te laten adviseren.” Zie TK 1995-1996, Aanhangsel nr. 911. 2.54. Voorafgaand aan de invoering van de Riav 1998 heeft de branche nadere regels gesteld over de informatievoorziening over beleggingsverzekeringen in de opeenvolgende versies van de “Code Rendement en Risico. Gedragscode betreffende de voorlichting over het rendement en risico van beleggingsverzekeringen en levensverzekeringen met winstdeling” (hierna: de CRR). Deze zelfregulering is door het Verbond van Verzekeraars in nauw overleg met de Consumentenbond opgesteld. De CRR geldt voor alle aangesloten leden, waaronder Aegon. 2.55. Het doel van de CRR was erin gelegen dat: “door toepassing van de Code (…) de (adspirant)koper van het product inzicht (moet) krijgen in de wijze waarop rendement en risico van beleggingen van invloed zijn op toekomstige uitkeringen uit spaarkasovereenkomsten en individuele kapitaalverzekeringen.” 2.56. De CRR, die vermeldt: “het begrip “prognoses” dient te allen tijde te worden vermeden”, gaat uit van het gebruik van op historische rendementen gebaseerde voorbeeldkapitalen. Het moeten netto-voorbeeldkapitalen zijn, waarin de in de bruto-premie begrepen kosten en de overlijdensrisicopremie zijn verdisconteerd. 2.57. De voorbeeldkapitalen worden berekend aan de hand van het voorbeeldpercentage, dat in de CRR is omschreven als: “het rendement (…) waarmee het voorbeeldkapitaal wordt berekend”. In de op 1 januari 1997 in werking getreden CRR 1996 is vermeld dat het voorbeeldpercentage zowel een fonds- als een productrendement kan zijn. Het fondsrendement is in de CRR 1996 gedefinieerd als: “inkomsten uit beleggingen en waardeverschillen bij verkoop van beleggingen alsmede niet gerealiseerde waardeverschillen, na aftrek van de kosten voor het beheer van de beleggingen, uitgedrukt in een gemiddeld percentage per jaar en toe te rekenen aan de reserve c.q. het spaartegoed.” Het productrendement is in de CRR 1996 omschreven als: “het rendement dat de deelnemer in de spaarkas op de inleg behaalt.” Bij een spaarkasovereenkomst is de inleg het spaarbedrag plus de bruto risicopremie tezamen. De CRR 1996 schrijft voor dat, indien het voorbeeldpercentage dan wel het voorbeeldkapitaal wordt berekend op basis van het productrendement, dit uitdrukkelijk dient te worden vermeld. Daarvóór bevatte de CRR geen bepalingen over deze verschillende rendementen. 2.58. In 1996 heeft de minister van financiën tijdens de parlementaire behandeling van wijziging van de financiële toezichtwetgeving opgemerkt (over de Riav 1994): “Verzekeraars zijn evenmin als de producenten van andere (financiële) producten, niet verplicht inzicht te geven in de kostenstructuur.” Zie TK 1995/1996, nr. 24 456 en 23 669, nr. 12, p 17. 2.59. In mei 1997 heeft de minister van financiën over de toen geldende CRR opgemerkt: “Een van de uitgangspunten van de Code is dat het begrip prognose niet gebruikt mag worden. Dit is gedaan ten einde zoveel mogelijk tegen te gaan dat het voorbeeld zou kunnen worden aangezien voor een toekomstvoorspelling. De methodiek van de Code voorziet, voor zover hiervoor gegevens beschikbaar zijn, in het systematisch gebruik van de in het verleden behaalde rendementen. (...) Ik ben van mening dat het nuttig is dat de consument bij de aankoopbeslissing van een kapitaalverzekering of spaarkasovereenkomst een voorstelling heeft van de mogelijke einduitkering van zijn verzekering en van de door hem te lopen risico's. Dat in de markt mechanismen worden gevonden om de consument inzicht te bieden in rendement en risico van verzekeringsproducten vind ik dan ook op zich wenselijk. Het initiatief van het Verbond moet in dit licht worden bezien. De in de Code gehanteerde techniek maakt gebruik van de beleggingsprestaties die de verzekeraar in het verleden heeft geboekt en die voor dat product in het verleden relevant waren. (...)” Zie TK 1996-1997, Aanhangsel nr. 1265. 2.60. In de Riav 1998 is het begrip ‘uitkering’ van artikel 2 lid 2 onder b aangescherpt met de verplichting om de verzekerde in kennis te stellen van: “het bedrag van de uitkering of uitkeringen waartoe de verzekeraar zich verplicht of, voor zover dit bedrag niet op voorhand nauwkeurig kan worden bepaald, een nauwkeurige omschrijving van die uitkering of uitkeringen, alsmede van de factoren waarvan de hoogte van de uitkering of uitkeringen afhankelijk is” De toelichting vermeldt over deze aanscherping: “De formulering van het begrip uitkering(
- en)in onderdeel b is aangescherpt in vergelijking met de regeling van 1994. Op grond van het onderzoek van de Verzekeringskamer blijkt dat de formulering in de oude regeling te veel ruimte liet voor verschil in interpretatie. In een aantal gevallen werd volstaan met een globale omschrijving van de uitkering(
- en)waartoe de verzekeraar zich verplichtte, waardoor de consument zich geen duidelijk beeld kon vormen van de te verwachten prestaties. Op grond van de huidige regeling moet nu het bedrag genoemd worden of, indien dit niet mogelijk is, een nauwkeurige omschrijving van de uitkering(en), met vermelding van de factoren waarvan de hoogte afhankelijk is.” 2.61. Het in de Riav 1998 ingevoegde lid 4 van artikel 2 bepaalt dat: “de verzekeringnemer op overzichtelijke wijze inzicht wordt geboden in de wezenlijke kenmerken van de aangeboden overeenkomst van levensverzekering.” De toelichting vermeldt: “Bij wezenlijke kenmerken van het product wordt, voor zover van toepassing, onder meer gedacht aan de doelstelling van het product, premie en uitkering, informatie te verstrekken door de verzekeringnemer, risicofactoren, (voorbeeld)waarde van de polis aan het einde van de looptijd, informatie over de afkoop- en premievrije waarde en de invloed van kosten en inhoudingen.” 2.62. Artikel 2 lid 2 is in de Riav 1998 uitgebreid met onderdeel q, dat de verzekeraar verplicht de verzekeringnemer in kennis te stellen van: “de invloed van kosten en inhoudingen ten laste van de verzekeringnemer op het rendement en de uitkering verbonden aan de overeenkomst”. De toelichting op de Riav 1998 vermeldt hierover: “Onderdeel q beoogt de verzekeringnemer inzicht te geven hoe inhoudingen en kosten zijn rendement en de uiteindelijke uitkering kunnen beïnvloeden. Met de systematiek van de nieuwe Code rendement en risico van het Verbond van Verzekeraars, waarbij gebruik wordt gemaakt van rekenvoorbeelden waarin de kosten en inhoudingen worden verwerkt, wordt invulling gegeven aan deze verplichting.” 2.63. Ook is artikel 2 lid 2 in de Riav 1998 uitgebreid met onderdeel r, dat de verzekeraar opdracht geeft – indien van toepassing – kennis te geven van: “de kosten die naast de bruto-premie in rekening worden gebracht; De toelichting op de Riav 1998 bepaalt hierover: “In sommige gevallen worden kosten van levensverzekeringen of spaarkasovereenkomsten met een beleggingscomponent naast de brutopremie in rekening gebracht. In dat geval is het van belang dat de consument hiervan op de hoogte wordt gebracht. Het betreft hier niet slechts de kostensoorten, maar ook een kwantitatieve weergave van de kosten. Met onderdeel r wordt de verplichting hiertoe geregeld. Voor zover alle kosten al verwerkt zijn in de brutopremie, legt onderdeel r geen extra verplichtingen op ten opzichte van onderdeel q.” 2.64. De naast de bruto-premie in rekening gebrachte kosten worden onttrokken aan de spaarkas (van KoersPlan en VermogensPlan) respectievelijk de beleggingen (van FondsPlan). Daarvan te onderscheiden zijn de kosten die ten laste van de bruto-premie komen, doordat zij, net als de overlijdensrisicopremie, daarop worden ingehouden voordat het na deze inhouding resterende deel van premie (de netto-premie) wordt belegd. 2.65. Sub k, van artikel 2 lid 2 van de Riav, dat zag op de afkoop- of premievrije waarde, is in de Riav 1998 komen te luiden: “indien de overeenkomst voorziet in een afkoop- of premievrije waarde, een opgave van deze waarden of een opgave van de wijze waarop deze waarden worden berekend” De toelichting vermeldt hierover: “De formulering over afkoop- en premievrije waarde in onderdeel k is aangescherpt ten opzichte van de regeling van 1994. Uit het onderzoek van de Verzekeringskamer blijkt dat het inzicht dat geboden werd in de afkoop- en premievrije waarde op basis van de regeling van 1994 onvoldoende was. Met de zinsnede ’afkoop- of premievrije waarde’ in het onderhavige onderdeel is bedoeld dat indien de overeenkomst voorziet in zowel een afkoop- als premievrije waarde, een opgave van beide waarden of opgave van de berekeningswijze van beide waarden wordt gegeven. De in de regeling van 1994 gehanteerde term ’indicatie’ gaf aanleiding tot onduidelijkheid. Door schrapping van deze term in de onderhavige regeling, moet een verzekeraar ofwel het bedrag opgeven, ofwel een opgave van de berekeningswijze. Dit impliceert dat de verzekeraar, indien hij een opgave van de berekeningswijze geeft, vooraf dient aan te geven welke kostensoorten voor rekening van de polishouder komen.” 2.66. Tot slot is in de Riav 1998 artikel 2 lid 2 uitgebreid met onderdeel s, dat inhoudt dat – indien van toepassing – de verzekeringnemer moet worden geïnformeerd over: “het aan de overeenkomst verbonden beleggingsrisico en de mate waarin dit risico ten laste is van de verzekeringnemer” De toelichting op de Riav 1998 vermeldt hierover: “Onderdeel s beoogt dat de verzekeringnemer duidelijk op de hoogte wordt gebracht van het beleggingsrisico dat verbonden is aan levensverzekeringen of spaarkasovereenkomsten met een beleggingscomponent en in hoeverre dat voor zijn rekening komt. Bij veel van de nieuwe overeenkomsten met een beleggingscomponent komt dit risico al dan niet geheel voor rekening van de verzekeringnemer. In geval van rekenvoorbeelden moet duidelijk aangegeven worden wat de effecten zijn van lagere rendementen dan de rendementen die in voorgaande periodes zijn gerealiseerd door het relevante fonds of de passende index-reeks. Met de Code rendement en risico van het Verbond van Verzekeraars wordt door middel van zowel tekstblokken als bepalingen voor rekenvoorbeelden invulling gegeven aan de verplichting om de verzekeringnemer inzicht te verschaffen in het beleggingsrisico.” 2.67. De op de informatieverstrekking bij het aanbieden van de voorbeeldproducten toepasselijke regels zijn verder uitgebreid met het op 1 juli 2002 in werking getreden Besluit financiële bijsluiter (Besluit van 20 december 2001, houdende regels met betrekking tot het door financiële ondernemingen ter beschikking stellen van een financiële bijsluiter bij complexe producten, Stbl. 2001, 670, hierna: Bfb 2002) en de Nadere regeling financiële bijsluiter 2002 (Stcrt. 2002, nr. 121, hierna Nrfb 2002). 2.68. In het aan deze regelgeving voorafgaande advies van de Raad van Financiële Toezichthouders met betrekking tot de Financiële Bijsluiter van 5 juni 2001 staat onder meer: “Consumenten hebben in het kader van de Financiële Bijsluiter kennelijk niet zozeer behoefte aan meer inzicht in de aard van de kosten doch ‘wat men inlegt en wat het uiteindelijk opbrengt’. Consumenten willen een netto-opbrengst zien.” 2.69. Op grond van artikel 3 Bfb 2002 wordt in de financiële bijsluiter in duidelijke en voor de afnemer begrijpelijke bewoordingen onder meer informatie gegeven over de met het product samenhangende financiële risico’s (
- i)en het voorbeeldrendement en de voor de afnemer aan het product verbonden kosten (ii). In de Nrfb worden nadere regels gegeven over de inhoud van de financiële bijsluiter, met meer gedetailleerde voorschriften voor de voorlichting over de beleggingen, de kosten en de premies. 2.70. In 2002 is een nieuwe versie van de CRR ingevoerd. Hierin werd het gebruik van voorbeeldrendementen voorgeschreven, zonder dat de afzonderlijke vermelding van de (hoogte van
- de)inhoudingen en kosten op de bruto-premie vereist was. 2.71. Vanaf 2006 is de regelgeving over de informatieverstrekking over beleggingsverzekeringen ingrijpend gewijzigd. Op grond van deze regelgeving diende naast de voorbeeldkapitalen – die nog steeds werden gehanteerd bij de informatieverstrekking bij het aanbieden van beleggingsverzekeringen – afzonderlijk informatie te worden verstrekt over de premies en de kosten. 2.72. Hierna wordt ‘de regelgeving’ gebruikt ter aanduiding van de in de relevante periode geldende regelgeving met betrekking tot de informatieverstrekking bij het aanbieden van de voorbeeldproducten, te weten de Riav, Bfr en Nrfr. De in de relevante periode geldende zelfregulering van de verzekeringsbranche, neergelegd in de opeenvolgende versies van de CRR, wordt hierna aangeduid als ‘de CRR’. (
- b)de betekenis van het arrest van het HvJEU van 29 april 2015 2.73. Bij de aanduiding van de grondslag van haar verwijten wijst de Vereniging in haar akte op bepalingen uit de Riav die Aegon in haar optiek niet of onvoldoende heeft nageleefd. Zij stelt voorts dat de wijze waarop Aegon in de relevante periode informatie verstrekte bij het aanbieden van de voorbeeldproducten in strijd is met ongeschreven recht. 2.74. Aegon voert aan dat zij heeft voldaan aan de destijds geldende voorschriften voor informatieverstrekking en betoogt dat er geen ruimte is voor het aannemen van aanvullende verplichtingen op grond van het ongeschreven recht. Daarmee rijst de vraag of op een verzekeraar uit het ongeschreven recht voortvloeiende informatieverplichtingen kunnen rusten. Partijen zijn hierover verdeeld en verwijzen beide naar het arrest van het HvJEU van 29 april 2015. 2.75. Dat arrest heeft betrekking op de betekenis van het derde lid van artikel 31 Derde Levensrichtlijn, dat bepaalt: “De Lid-Staat van de verbintenis mag van de verzekeringsondernemingen niet verlangen dat zij aanvullende gegevens naast de in bijlage II vermelde gegevens verstrekken, tenzij deze nodig zijn voor een goed begrip door de verzekeringnemer van de wezenlijke bestanddelen van de verbintenis.” Het HvJEU heeft – samengevat – overwogen dat op een verzekeraar op grond van open normen en/of ongeschreven recht in de precontractuele fase een aanvullende verplichting kan rusten om een consument die overweegt een levensverzekering te sluiten, naast de in Bijlage II bij de richtlijn genoemde gegevens, aanvullende informatie over de betreffende verzekering te verstrekken. Voor het aannemen van deze verplichting dient aan drie cumulatieve voorwaarden te zijn voldaan, te weten: de verlangde aanvullende informatie moet duidelijk en nauwkeurig zijn; de verlangde informatie moet noodzakelijk zijn voor een goed begrip door de verzekeringnemer van de wezenlijke bestanddelen van de verbintenis; de rechtszekerheid voor de verzekeraar is voldoende gewaarborgd, in die zin dat ook de verzekeraar kon voorzien dat hij de aanvullende informatie diende te verstrekken. Het is aan de nationale rechter om te beoordelen of ‘open en/of ongeschreven regels’ (hierna: het ongeschreven recht), aan deze voorwaarden voldoen. 2.76. De rechtbank volgt Aegon niet in haar betoog dat er geen ruimte is om naast de regelgeving, op het ongeschreven recht gegronde aanvullende eisen te stellen aan de informatieverstrekking van verzekeraars. Zij licht dat als volgt toe. 2.77. De Riav ziet op de (pre)contractuele verhouding tussen de verzekeraar en de verzekeringnemer en bevat voorschriften voor het aanbod bij de totstandkoming van de verzekeringsovereenkomst. De toelichting op de Riav vermeldt (in beide versies) dat “de toepassing van deze regeling (wordt) beheerst door het burgerlijk recht”. Andersom kan de Riav (ook) worden gezien als een invulling van de op de verzekeraar rustende mededelingsplicht bij het aangaan van beleggingsverzekeringen. De wetgever verwijst in de toelichting van beide versies van de Riav – zonder enige beperking – als voorbeeld naar de toepasselijkheid van“de eisen van redelijkheid en billijkheid (artikel 2 van Boek 6 van het Burgerlijk Wetboek)”. Daarmee omvat deze verwijzing naar artikel 6:2 BW zowel de beperkende als de aanvullende werking van de redelijkheid en billijkheid. Hieruit leidt de rechtbank af dat de Riav in de optiek van de wetgever ruimte biedt voor aanvullende, uit de eisen van redelijkheid en billijkheid voortvloeiende normen. Deze zienswijze strookt met de door de rechtbank toe te passen richtlijnconforme uitleg van de Riav, die inhoudt dat, indien is voldaan aan de drie door het HvJEU geformuleerde eisen, op grond van het ongeschreven recht aanvullende informatieverplichtingen kunnen worden aangenomen. 2.78. Gezien de door het HvJEU gestelde eis dat het voorzienbaar moest zijn voor verzekeraars dat het ongeschreven recht aanvullende eisen aan hen stelde, dient, om in rechte zo’n aanvullende informatieverplichting te kunnen aannemen, vast te staan dat destijds sprake was van een breed gedragen maatschappelijke opvatting dat verzekeraars deze aanvullende informatie – naast de voorgeschreven informatie – moesten verstrekken. 2.79. Het is in de eerste plaats aan de Vereniging om het ongeschreven recht waarop zij haar verwijten grondt concreet aan te duiden. Daarbij kan van haar in het bijzonder worden gevergd dat zij concrete feiten en omstandigheden stelt waaruit kan worden afgeleid dat het door haar gestelde ongeschreven recht in de relevante periode een breed gedragen maatschappelijke opvatting vormde, waaruit een ongeschreven rechtsnorm kan worden gedestilleerd die aan de door het HvJEU gestelde eisen voldoet. 2.80. Zoals partijen ook tot uitgangspunt nemen, vormde de destijds geldende regelgeving de weerslag van de toen levende maatschappelijke opvattingen over informatieverstrekking door aanbieders van beleggingsverzekeringen. Vóór 1994 gold het ongeschreven recht, zoals dat in de Riav 1994 is gecodificeerd. Niet ter discussie staat dat de maatschappelijke opvattingen in de loop der tijd zijn gewijzigd en in de relevante periode zijn vastgelegd in de opeenvolgende versies van de Riav en (vanaf 1 juli 2002) daarnaast in het Bft 2002 en de Nrbf 2002. 2.81. De rechtbank gaat ervan uit dat de zelfregulering van de branche in de CRR de weerslag is van de destijds breed gedragen maatschappelijke opvattingen over de informatie die aanbieders van beleggingsverzekeringen dienden te verstrekken. Redengevend daarvoor is dat de CRR steeds door het Verbond van Verzekeraars is opgesteld in samenspraak met de Consumentenbond. Zowel (vertegenwoordigers van) de aanbieders als (vertegenwoordigers van) de afnemers van beleggingsverzekeringen zijn dus betrokken geweest bij de formulering van daarin neergelegde eisen. Voor zover de CRR destijds aanvullende eisen stelde ten opzichte van de regelgeving, is dat dus ongeschreven recht dat voor Aegon aanvullende verplichtingen met zich bracht. Partijen, die beide naar de CRR verwijzen bij bespreking van de destijds geldende normen voor informatieverstrekking bij het aanbieden van beleggingsverzekeringen, nemen dit ook tot uitgangspunt. 2.82. Wel stelt de Vereniging dat de CRR ‘bij invoering nog lang niet voldeed’ en wijst zij op kritiek op de CRR en het uitgangspunt van indirecte transparantie. Tijdens de relevante periode geuite kritiek en vragen van Tweede Kamerleden kunnen een indicatie vormen van een breed gedragen maatschappelijke opvatting. Om uit deze kritiek en de vragen een ongeschreven rechtsnorm te kunnen afleiden is echter, mede gezien de door het HvJEU gestelde eisen, vereist dat daaruit een voldoende concrete aanvullende norm valt te destilleren en dat deze aanvullende norm destijds zodanig breed werd onderschreven dat kon worden gesproken van een breed in de maatschappij levende opvatting, die – voorspelbaar voor de verzekeraars – aanvullende eisen stelde aan de informatieverstrekking. 2.83. Het enkele bestaan van kritiek is dus onvoldoende om daaruit te kunnen afleiden dat deze in de relevante periode de weerslag vormde van een breed gedragen maatschappelijke opvatting, die aan de door het HvJEU gestelde eisen voldeed. Dat kan anders zijn als vaststaat dat de kritiek de weerslag is van de opvattingen van bijvoorbeeld Consumentenorganisaties, Toezichthoudende instanties of brancheverenigingen. Om dezelfde reden is het enkele feit dat Kamervragen zijn gesteld onvoldoende. 2.84. Een deel van de kritiek waarnaar de Vereniging verwijst dateert van na de voor deze zaak relevante periode. Reeds daarom kan daaraan geen ongeschreven rechtsnorm worden ontleend die relevant is voor deze zaak. Dit geldt voor het feitenonderzoek van de AFM van 9 oktober 2008, waarnaar de Vereniging verwijst en het rapport van de Commissie Transparantie Beleggingsverzekeringen van 20 december 2006, dat zij aanhaalt ter onderbouwing van haar standpunt dat het verzekeringselement van de voorbeeldproducten ‘een farce’ is. 2.85. Wel uit de relevante periode dateert het door de Vereniging genoemde rapport van prof. [A] uit 1995, “Koopsommen en premiestortingen een goudmijn: maar voor wie?”. Voorts zijn in de relevante periode vragen over (de informatieverstrekking over) beleggingsverzekeringen gesteld door Tweede Kamerleden. Niet steeds valt echter uit deze kritische noten een aanvullende norm te destilleren. Voor zover dit al het geval is, zijn geen aanvullende feiten en omstandigheden gesteld of gebleken, die de conclusie kunnen dragen dat deze kritiek en vragen een voor de verwijten van de Vereniging relevante ongeschreven rechtsnorm tot uiting brengen, die voldoet aan de door het HvJEU gestelde eisen. 2.86. Onder verwijzing naar uitspraken van het Kifid (het Klachteninstituut Financiële Dienstverlening) beroept de Vereniging zich op een ongeschreven rechtsnorm, die inhoudt dat informatie over kosten en premies niet mag worden opgenomen in algemene voorwaarden of polisvoorwaarden. Deze uitspraken binden de rechtbank echter niet. Los daarvan, verschillen deze uitspraken op onderdelen van elkaar en kan uit die uitspraken niet worden afgeleid dat, wat betreft de informatieverstrekking in algemene voorwaarden of polisvoorwaarden, sprake is van een ongeschreven rechtsnorm in de door het HvJEU bedoelde zin. Ook overigens ziet de rechtbank geen grond om aan te nemen dat het ongeschreven recht destijds eiste dat informatie over kosten en premies niet in de algemene voorwaarden of polisvoorwaarden kon worden opgenomen, temeer nu de toelichting op de Riav met zoveel woorden uitgaat van verstrekking van deze informatie in de polisvoorwaarden, daar waar deze (in beide versies) vermeldt: “veel van de ingevolge het tweede lid voorgeschreven informatie zal reeds uit de polisvoorwaarden blijken. Voor zover dat niet het geval is, moet de informatie op andere wijze (in de polis of door middel van bijvoorbeeld een brochure) worden verstrekt.” 2.87. De Vereniging stelt voorts dat een ongeschreven rechtsnorm voor de informatieverstrekking over spaarkassen (de voorbeeldproducten KoersPlan VermogensPlan) kan worden afgeleid uit de door een aantal verzekeringsmaatschappijen, waaronder Aegon, uitgegeven brochure ‘Spaarkassparen dat gaat zo!” uit 1985. In deze brochure, die Aegon tot mei 1999 heeft gehanteerd en die hierna ook wordt aangeduid als ‘de Spaarkas-brochure’ staat onder het kopje “Kosten en opbrengsten”: “De periodieke stortingen zijn opgebouwd uit drie onderdelen: spaarstorting, overlijdensrisicopremie en vergoeding voor de kosten die de maatschappij maakt voor ondermeer het administreren en beheren van de jaarkas. De maatschappij vertelt u hoe deze posten zijn onderverdeeld zodat ook duidelijk is welk deel wordt belegd. Spaarders ontvangen, meestal een keer per jaar, een overzicht van de meest recente uitkeringsresultaten bij afloop van een jaarkas.” 2.88. Aegon heeft zich als een van de verzekeringsmaatschappijen die deze brochure heeft uitgegeven, in algemene zin gecommitteerd aan de daarin omschreven wijze van informatieverstrekking voor spaarkasverzekeringen. Van Aegon kon op grond daarvan worden verwacht dat zij handelde overeenkomstig hetgeen in deze brochure staat over informatieverstrekking over spaarkasverzekeringen, zoals de voorbeeldproducten KoersPlan en VermogensPlan in de periode 1989 tot mei 1999. Deze, op het ongeschreven recht gebaseerde, door Aegon op zich genomen verplichting, wordt tot uitgangspunt genomen bij de verdere beoordeling. Daarmee kan onbesproken blijven of dit ongeschreven recht is dat voldoet aan de door het HvJEU gestelde eisen. 2.89. Afgezien van de hierna te bespreken bijzondere zorgplicht, heeft de Vereniging het aan haar verwijten ten grondslag gelegde ongeschreven recht verder niet nader geconcretiseerd. In de opsomming van de geschonden normen per verwijt wijst zij steeds, na een verwijzing naar artikelen uit de Riav, onder meer op ‘het ongeschreven recht’. De Vereniging stelt echter geen concrete feiten en omstandigheden waaruit kan worden afgeleid dat het ongeschreven recht in de relevante periode op de door haar genoemde punten aanvullende eisen stelde ten opzichte van de regelgeving, de CRR en de door Aegon op zich genomen informatieverplichtingen uit de Spaarkas-brochure. Ook overigens is niet gebleken van voor de beoordeling van de verwijten van de Vereniging relevante ongeschreven rechtsnormen die aan de door het HvJEU genoemde eisen voldeden, op grond waarvan in 1989 tot en met 2004 voor Aegon op de door de Vereniging genoemde punten, aanvullende informatieverplichtingen golden bij het aanbieden van de voorbeeldproducten. (
- c)bijzondere zorgplicht? 2.90. De Vereniging stelt dat op Aegon als aanbieder van beleggingsverzekeringen een bijzondere zorgplicht rust, hetgeen Aegon betwist. 2.91. De rechtbank volgt de Vereniging niet in haar betoog dat de voorbeeldproducten ‘in feite’ beleggingsproducten zijn, omdat het verzekeringsaspect louter secondair is, ‘van ondergeschikt belang’ en ‘alleen maar’ om Aegon in staat te stellen deze te verkopen en vanwege het daarmee samenhangende fiscale voordeel voor de verzekeringnemers. Ook als dat zo zou zijn – wat onbesproken kan blijven – neemt dat niet weg dat de voorbeeldproducten een verzekeringselement hebben, in de vorm van de uitkeringen bij overlijden vóór de einddatum en bij leven op de einddatum, terwijl het aan dit verzekeringsaspect verbonden fiscale voordeel, naar niet in geschil is, voor veel verzekeringnemers een belangrijke reden was om een beleggingsverzekering aan te gaan. 2.92. In ieder geval zijn de voorbeeldproducten complexe financiële producten, die Aegon als professionele dienstverlener aanbiedt aan consumenten. Het beleggingselement – met de daaraan verbonden bijzondere kenmerken en risico’s – is een belangrijk onderdeel van de voorbeeldproducten. De gemiddelde consument kan in beginsel als niet deskundig op het terrein van beleggingen worden aangemerkt. Op Aegon rust als professionele en bij uitstek deskundige dienstverlener op het terrein van beleggingsverzekeringen, een bijzondere zorgplicht die ertoe strekt de gemiddelde consument te beschermen tegen de gevaren van een gebrek aan inzicht. Het gegeven dat de voorbeeldproducten ook een verzekeringselement hebben, staat niet in de weg aan deze conclusie. Juist de combinatie van elementen draagt bij aan de complexiteit van de voorbeeldproducten. 2.93. De inhoud en reikwijdte van de op Aegon als aanbieder van beleggingsverzekeringen rustende bijzondere zorgplicht is vergelijkbaar met de bancaire bijzondere zorgplicht. Deze is afhankelijk van de omstandigheden van het geval, waaronder de ingewikkeldheid van het product en de daaraan verbonden risico’s. De bijzondere zorgplicht noopt tot het verstrekken van informatie over de relevante kenmerken en risico’s van de voorbeeldproducten en kan vergen dat daarvoor wordt gewaarschuwd. Uit de bijzondere zorgplicht vloeit voort dat Aegon informatie moet verstrekken over de aard en kenmerkende eigenschappen van de voorbeeldproducten, om de verzekeringnemer, die niet beschikt over de bij Aegon aanwezige professionaliteit en deskundigheid, in staat te stellen weloverwogen te kiezen welke beleggingsverzekering het beste bij zijn behoeften past. Als bijzonder deskundig te achten aanbieder van beleggingsverzekeringen rust op Aegon de verplichting om ten aanzien van de complexe voorbeeldproducten die aan een breed publiek zijn aangeboden, zich adequaat de belangen de verzekeringnemers aan te trekken door – indien aan de orde – indringend te waarschuwen voor de aan dit product verbonden specifieke risico’s. Deze waarschuwingsplicht dient ertoe de verzekeringnemer onmiskenbaar duidelijk te maken dat de betreffende overeenkomst tot gevolg kan hebben dat dat specifieke risico zich openbaart. 2.94. De rechtbank vat de stelling van de Vereniging dat Aegon had moeten waarschuwen voor de door haar gestelde productspecifieke kenmerken (crashrisico en fata morgana-effect) op als de stelling dat Aegon daartoe was gehouden uit hoofde van de op haar rustende bijzondere zorgplicht. Dat zal de rechtbank hierna bespreken. Het per verwijt in de opsomming van de geschonden normen verwijzen naar ‘de bijzondere zorgplicht’, zoals de Vereniging verder heeft gedaan, is onvoldoende om te kunnen aannemen dat voor Aegon aanvullende eisen voortvloeiden uit de bijzondere zorgplicht. (
- d)slotsom toetsingskader en uitgangspunten voor de verdere beoordeling 2.95. Uit het voorgaande volgt dat er ruimte bestaat voor op het ongeschreven recht gebaseerde aanvullende normen voor informatieverstrekking bij het aanbieden van de voorbeeldproducten, naast de daarvoor geldende regelgeving. Wel moet dit ongeschreven recht voldoen aan de door het HvJ EU genoemde eisen. De zelfregulering van de branche in de CRR voldoet aan deze eisen en is dus ongeschreven recht waaraan de rechtbank zal toetsen. Indien en voor zover uit de CRR verstrekkender verplichtingen voortvloeien voor verzekeraars, zijn dat dus op het ongeschreven recht gebaseerde aanvullende informatieverplichtingen, waaraan Aegon zich diende te houden. De door Aegon met de Spaarkas-brochure op zich genomen informatieverplichting geldt voor KoersPlan en VermogensPlan eveneens als een ongeschreven rechtsnorm waaraan Aegon is gebonden. 2.96. Op Aegon rust als aanbieder van beleggingsverzekeringen een bijzondere zorgplicht. Of deze noopte tot waarschuwen voor de door de Vereniging gestelde productspecifieke kenmerken van de voorbeeldproducten komt hierna aan de orde. Voor het overige is niet gesteld of gebleken dat daaruit aanvullende eisen voortvloeiden naast in de regelgeving en de CRR neergelegde voorschriften betreffende de informatieverstrekking bij het aanbieden van de voorbeeldproducten en de door Aegon op zich genomen informatieverplichtingen uit de Spaarkas-brochure. 2.97. Ook overigens is niet gebleken van voor de beoordeling van de verwijten van de Vereniging relevante ongeschreven rechtsnormen die aan de door het HvJEU genoemde eisen voldeden, op grond waarvan in 1989 tot en met 2004 voor Aegon op de door de Vereniging genoemde punten, naast de toen geldende regelgeving en de CRR, aanvullende informatieverplichtingen golden bij het aanbieden van de voorbeeldproducten. Aegon heeft zich voor KoersPlan en VermogensPlan gecommitteerd aan de in de Spaarkas-brochure omschreven wijze van informatieverstrekking. Van Aegon kon op grond daarvan worden verwacht dat zij handelde overeenkomstig hetgeen in deze brochure staat over informatieverstrekking over spaarkasverzekeringen, zoals de spaarkasvoorbeeldproducten KoersPlan en VermogensPlan in de periode 1989 tot mei 1999. Zoals hiervoor is overwogen, is deze, op het ongeschreven recht gebaseerde, door Aegon op zich genomen verplichting, tot uitgangspunt genomen bij de verdere beoordeling. Voor zover deze verder strekt dan de verplichtingen van Aegon op grond van de regelingen en de CRR, zijn dat aanvullende eisen waaraan Aegon bij Koersplan en VermogensPlan van 1989 tot mei 1999 diende te voldoen. 2.98. Gezien het voorgaande wordt het toetsingskader voor de verwijten
- ii)en iii) over de informatievoorziening van Aegon over de voorbeeldproducten in de relevante periode gevormd door de regelgeving en de CRR. Voor KoersPlan en VermogensPlan diende Aegon van 1989 tot mei 1999 informatie te verstrekken op de in de Spaarkas-brochure omschreven wijze. Beslissend voor het oordeel over de verwijten betreffende informatieverstrekking bij het aanbieden van de voorbeeldproducten, is dus of Aegon de regelgeving en de CRR heeft nageleefd en of zij (van 1989 tot mei 1999) voor KoersPlan en VermogensPlan heeft gehandeld op de in de Spaarkas-brochure omschreven wijze. 2.99. De regelgeving en de CRR gingen uit van indirecte transparantie, ook toen de daarin neergelegde voorschriften gaandeweg werden aangescherpt. Niet ter discussie staat dat de informatie over de voorbeeldproducten ook op een andere, meer directe wijze verstrekt had kunnen worden. Voor zover de verwijten van de Vereniging (impliciet) ertoe strekken te betogen dat Aegon had moeten afwijken van dit uitgangspunt van indirecte transparantie, kunnen zij echter niet opgaan. Alsdan zou immers van Aegon worden gevergd dat zij had moeten afwijken van het uitgangspunt dat was neergelegd in de regelgeving en de CRR waaraan zij zich moest houden. 2.100. Het voorgaande betekent dat indien Aegon op de door de Vereniging genoemde punten bij het aanbieden van de voorbeeldproducten gedurende de gehele periode van 1989-2004 de regelgeving en de CRR heeft nageleefd en wat betreft KoersPlan en VermogensPlan van 1989-mei 1999 ook de in de Spaarkas-brochure vermelde informatie heeft verstrekt, zij volgens de toen geldende normen voldoende informatie over deze onderwerpen heeft verstrekt aan de verzekeringnemers van de voorbeeldproducten om hen in staat te stellen een goed geïnformeerde en weloverwogen keuze te maken bij het afsluiten van een beleggingsverzekering. Volgens de toen geldende normen heeft zij – naar de rechtbank als uitgangspunt neemt – in dat geval de verzekeringnemers van de voorbeeldproducten juist en volledig geïnformeerd over deze onderwerpen bij het aanbieden van de voorbeeldproducten. In dat geval heeft zij, naar de toen geldende normen, ook geen onjuiste of onvolledige mededelingen over deze onderwerpen gedaan in de zin van artikel 6:194 (oud) BW. 2.101. In de in 2.100 genoemde situatie, treffen de verwijten van de Vereniging dus geen doel en heeft zij zich niet schuldig gemaakt aan de door de Vereniging gestelde misleiding. 2.102. Als Aegon bij het aanbieden van de voorbeeldproducten gedurende de periode 1989-2004 op de door de Vereniging genoemde punten de regelgeving en de CRR niet heeft nageleefd en wat betreft KoersPlan en VermogensPlan van 1989-mei 1999 de in de Spaarkas-brochure vermelde informatie niet of onvolledig heeft verstrekt, heeft zij naar de toen geldende normen onvoldoende informatie over deze onderwerpen verstrekt aan de verzekeringnemers. In dat geval heeft zij onrechtmatig gehandeld jegens de betreffende verzekeringnemers van de voorbeeldproducten. Indien aan de overige vereisten daarvoor is voldaan, is Aegon in dat geval aansprakelijk jegens deze verzekeringnemers uit hoofde van onrechtmatige daad. In deze collectieve actie – die geen betrekking kan hebben op schadevergoeding – gaat het echter alleen om de vraag of Aegon onrechtmatig heeft gehandeld door op de door de Vereniging gestelde wijze haar informatieverplichtingen te schenden. 2.103. In de in 2.102 bedoelde situatie is ook – naar de rechtbank als uitgangspunt neemt – volgens de toen geldende normen geen juiste of volledige informatie over deze onderwerpen verstrekt aan de verzekeringnemers van de voorbeeldproducten en is een onjuiste of onvolledige mededeling gedaan in de zin van artikel 6:194 (oud) BW. 2.104. Indien in dat geval, vervolgens, redelijkerwijs aannemelijk is dat de onjuiste of onvolledige mededeling, gelezen in de context waarin deze is geplaatst, van materieel belang is voor de beleggingsbeslissing van de verzekeringnemer, is sprake van misleiding in de zin van artikel 6:194 BW (oud). Het gaat daarbij om de hierna aan te duiden gemiddeld geïnformeerde, omzichtige en oplettende gewone verzekeringnemer van een beleggingsverzekering. Het is aan de Vereniging, die zich op het rechtsgevolg beroept, een en ander voldoende concreet en onderbouwd te stellen. 2.105. Bepalend voor de uitkomst van de beoordeling van de verwijten over de informatieverstrekking bij het aanbieden van de voorbeeldproducten is dus of Aegon de regelgeving en de CRR heeft nageleefd, alsook of zij heeft gehandeld op de in de Spaarkas-brochure omschreven wijze. B uitgangspunten voor de beoordeling van de verwijten over de informatieverstrekking bij het aanbieden van de voorbeeldproducten 2.106. Achtereenvolgens worden besproken de bij het aanbieden van de voorbeeldproducten verstrekte informatie (
- a)en ‘de verzekeringnemer’ die door de rechtbank tot uitgangspunt wordt genomen (b). (
- a)de bij het aanbieden van de voorbeeldproducten verstrekte informatie 2.107. De Vereniging heeft polisbladen, polisvoorwaarden en de algemene voorwaarden van de voorbeeldproducten in de relevante periode in het geding gebracht, die de rechtbank tot uitgangspunt neemt bij haar beoordeling. Deze bescheiden worden hierna tezamen ook aangeduid als ‘de contractdocumenten’. Niet ter discussie staat dat de verzekeringnemers van de voorbeeldproducten waarvoor de Vereniging opkomt de contractdocumenten hebben ontvangen. 2.108. Daarnaast heeft de Vereniging brochures in het geding gebracht. Ook Aegon heeft brochures in het geding gebracht, onder meer de Spaarkas-brochure (voor KoersPlan en VermogensPlan). De Vereniging stelt dat Aegon de Spaarkas-brochure niet heeft verstrekt aan haar verzekeringnemers, aangezien nergens in de contractdocumentatie wordt aangegeven dat deze is verstrekt. 2.109. De rechtbank laat onbesproken of de Spaarkas-brochure al dan niet aan alle verzekeringnemers van de spaarkasvoorbeeldproducten KoersPlan en VermogensPlan zijn verstrekt. Voor de hiervoor gedane vaststelling dat Aegon zich in algemene zin heeft gecommitteerd aan de in de Spaarkas-brochure omschreven wijze van informatieverstrekking – hetgeen ook aan de orde is als zij de brochure niet aan alle verzekeringnemers heeft verstrekt – is niet relevant of deze brochure steeds is verstrekt bij het aanbieden van deze voorbeeldproducten. Voor het overige betrekt de rechtbank deze brochure niet in haar beoordeling. 2.110. De contractdocumenten werden in de regel na het afsluiten van de voorbeeldproducten toegezonden. Niet in geschil is dat de verzekeringnemer zich op dat moment nog kon onttrekken aan de overeenkomst, aangezien hij binnen twee weken na het afsluiten van de voorbeeldproducten daarvan kon afzien. 2.111. Het merendeel van de voorbeeldproducten is afgesloten via een onafhankelijke tussenpersoon. Aegon wijst op de positie en de eigen verantwoordelijkheid van dergelijke tussenpersonen, overigens zonder daaraan een conclusie te verbinden. De betekenis hiervan daargelaten, neemt de rechtbank bij de beoordeling van de verwijten tot uitgangspunt dat de betrokkenheid van een tussenpersoon de verantwoordelijkheid van Aegon voor de naleving van de op haar rustende informatieverplichtingen niet wegneemt. Zie ook de toelichting op Riav 1998, waarin staat dat: “de verzekeraar een derde kan inschakelen om namens hem aan de in dit artikel [artikel 2 Riav, toevoeging rechtbank] bedoelde verplichting te voldoen, met dien verstande dat dit niet afdoet aan de verantwoordelijkheid van de verzekeraar.” (
- b)‘de verzekeringnemer’ 2.112. De Vereniging maakt haar verwijten over de informatieverstrekking in een collectieve actie, waarin in beginsel geen plaats is voor de beoordeling van individuele gevallen. Aegon heeft de informatie over de voorbeeldproducten aangeboden aan een grote groep verzekeringnemers, die in de relevante periode bovendien substantieel is uitgebreid door de toegenomen belangstelling van consumenten voor beleggen. Deze informatie was vervat in gestandaardiseerde contractdocumentatie en brochures. 2.113. De regelgeving voor informatieverstrekking bij het aanbieden van de voorbeeldproducten strekte ertoe ‘de consument’ te voorzien van de nodige inlichtingen teneinde een goed geïnformeerde en weloverwogen keuze te maken bij het afsluiten van een beleggingsverzekering. Het gaat hier om de consument die, om ten volle te kunnen profiteren van de diversiteit en toegenomen concurrentie van een ééngemaakte verzekeringsmarkt met een grotere en meer gediversifieerde keuze, moet beschikken over de nodige inlichtingen om de overeenkomst te kunnen kiezen die het beste bij zijn behoeften past. Zie de considerans van de Derde Levensrichtlijn (onder 23). 2.114. Deze regelgeving voorzag in standaardisatie van de verstrekte informatie, uitgaande van indirecte transparantie. De in de regelgeving neergelegde normen gelden voor de aanbieding van alle beleggingsverzekeringen. De regelgeving, gericht op het maken van een goed geïnformeerde en weloverwogen keuze door de hiervoor bedoelde consument, moet dus geacht worden te zijn afgestemd op de informatie die de gemiddelde verzekeringnemer van een beleggingsverzekering nodig heeft om deze keuze te maken. 2.115. Bij de toetsing aan artikel 6:194 (oud) BW moet worden uitgegaan van de vermoedelijke verwachting van de gemiddeld geïnformeerde, omzichtige en oplettende consument tot wie de mededeling zich richt of die zij bereikt, de ‘maatman’ (HR 30 mei 2008, ECLI:NL:HR:2008:BD2820, NJ 2010/622, TMF en HR 30 januari 2015, ECLI:NL:HR:2015:178 (Stichting Loterijverlies). 2.116. Gezien het hiervoor geformuleerde uitgangspunt voor de beoordeling – dat inhoudt dat Aegon bij naleving van de regelgeving, de CRR en Spaarkas-brochure op de door de Vereniging genoemde punten bij het aanbieden van de voorbeeldproducten, volgens de toen geldende normen de verzekeringnemers juist en volledig heeft geïnformeerd over deze onderwerpen en geen onjuiste of onvolledige mededelingen over deze onderwerpen heeft gedaan in de zin van artikel 6:194 (oud) BW – gaat de rechtbank bij de beoordeling van deze verwijten over de verstrekte informatie op beide grondslagen uit van dezelfde gemiddelde verzekeringnemer. 2.117. Bij de invulling van deze tot uitgangspunt te nemen verzekeringnemer zoekt de rechtbank aansluiting bij artikel 6:193a BW, dat thans voor consumenten in de plaats is gekomen van artikel 6:194 (oud) BW en de implementatie vormt van de Richtlijn Oneerlijke Handelspraktijken, waarin wordt verwezen naar de ‘gemiddelde consument’ (de gemiddeld geïnformeerde, omzichtige en oplettende consument) die in de relevante periode is ontwikkeld in de jurisprudentie van het HvJEG over misleidende reclame. Zie bijvoorbeeld HvJEG 16 juli 1998, C-210/96 (Gut Springenheide), HvJ EG 28 januari 1999, C-303/97 (Sektkellerei Kessler), HvJ EG 13 januari 2000, C-220/98 (Lifting) en HvJ EG 4 april 2000, C-465/98 (Adolf Darbo). In de wetsgeschiedenis van artikel 193a BW is opgemerkt: “Het gebruik van het begrip gemiddelde consument voorkomt dat de handelaar rekening moet houden met iedere consument ongeacht zijn vaardigheden of capaciteiten waaronder bijvoorbeeld de «naïeve» consument.” Zie: TK 2007-2007, nr. 30 928, nr. 3, p 14. 2.118. Voorts zoekt de rechtbank aansluiting bij hetgeen volgens de toen geldende normen werd verwacht van de verzekeringnemer die kennisnam van de op grond van de regelgeving voorgeschreven informatie, die niet te gedetailleerd moest zijn, zorgvuldig en helder en op overzichtelijke wijze moest worden aangeboden, in de polisvoorwaarden en zo nodig aanvullend, bijvoorbeeld in brochures. De verzekeringnemer waarop de Riav het oog had, werd dus geacht kennis te kunnen opnemen uit verschillende bronnen en de daarin verstrekte informatie met elkaar in verband te brengen. Ook werd het primair tot de eigen verantwoordelijkheid van de verzekeringnemer gerekend dat deze zich op de hoogte stelde van de modaliteiten van het product (zie onder 2.53), hetgeen vanzelfsprekend niet afdoet aan de verplichting van de verzekeraar om hem goed en volledig te informeren. 2.119. Dit een en ander leidt ertoe dat de rechtbank de volgende gemiddelde verzekeringnemer, die verder wordt aangeduid als ‘de verzekeringnemer’ tot uitgangspunt neemt bij de beoordeling van de verwijten over de informatieverstrekking bij het aanbieden van de voorbeeldproducten: een normaal geïnformeerde en redelijk omzichtige en oplettende gemiddelde consument die een beleggingsverzekering afsluit. Van deze verzekeringnemer mag worden verwacht dat hij bereid is zich te verdiepen in de kenmerken van het voorbeeldproduct en zich af te vragen of het voorbeeldproduct voor hem geschikt is, waarbij denkbaar is dat informatie langs verschillende wegen wordt aangeboden. De verzekeringnemer wordt in beginsel geacht in staat te zijn om verstrekte informatie op waarde te schatten, om zo nodig nadere informatie te zoeken en om vervolgens informatie uit verschillende bronnen met elkaar in verband te brengen. C bespreking van de verwijten over de informatievoorziening bij het aanbieden van de voorbeeldproducten 2.120. Eerst komt verwijt
- ii)over het verstrekken van informatie over het crashrisico (
- a)en het fata morgana-effect (
- b)aan de orde, daarna verwijt iii) over het verstrekken van informatie over de (eerste) kosten en de overliojdensrisicopremies. verwijt
- ii)– informatievoorziening over crashrisico en fata morgana-effect (
- a)het crashrisico 2.121. Met het crashrisico doelt de Vereniging op het feit dat koersdalingen – zeker aan het eind van de looptijd van een beleggingsverzekering met periodieke inleg – tot gevolg kunnen hebben dat het vermelde voorbeeldeindkapitaal nooit gehaald zal kunnen worden, ook als de vermelde gemiddelde rendementen wel worden gehaald gedurende de looptijd van de polis. 2.122. Aegon presenteerde bij haar aanbod van de voorbeeldproducten voorbeeldberekeningen met een constant berekend, vast gemiddeld rendement, dat was gebaseerd op historische gegevens. De Vereniging stelt dat hiermee onjuiste en misleidende voorlichting is gegeven, omdat de indruk wordt gewekt dat het crashrisico niet bestaat. Volgens de Vereniging volstaat Aegon ten onrechte met het waarschuwen voor het reguliere aan beleggingen verbonden risico, zonder dit specifieke effect van koersdalingen in relatie met de gepresenteerde eindkapitalen te vermelden. 2.123. Niet is in geschil dat Aegon nergens met zoveel woorden in de door haar verstrekte informatie aandacht besteedt aan het crashrisico. Omdat de uitkering bij leven – en in sommige gevallen ook de uitkering bij overlijden – van de voorbeeldproducten is gekoppeld aan het resultaat van de beleggingen, loopt de verzekeringnemer beleggingsrisico. Dit is eveneens niet in geschil. Deze, aan de beleggingen gekoppelde uiteindelijke uitkeringen van de voorbeeldproducten zijn als gevolg van het beleggingselement dus intrinsiek onzeker. 2.124. Aegon moest op grond van artikel 2 lid 2 sub s Riav 1998 wijzen op het algemene aan beleggingsverzekeringen verbonden beleggingsrisico. Ook daarvóór was zij – zoals partijen ook tot uitgangspunt nemen – gehouden dit reguliere beleggingsrisico te vermelden als factor waarvan de uitkering van de voorbeeldproducten afhankelijk was. Deze verplichting vloeit voort uit artikel 2 lid 2 sub b Riav (beide versies). Nu de Riav 1994 het voorheen geldende ongeschreven recht codificeerde, gold deze verplichting ook vóór de inwerkingtreding van de Riav 1994. Indien – zoals de Vereniging stelt – het crashrisico een afzonderlijke, van het reguliere beleggingsrisico te onderscheiden, factor is waarvan de uitkering afhankelijk is, had Aegon dit specifieke risico op grond van artikel 2 lid 2 sub b Riav (beide versies) en het daarvoor geldende, in de Riav 1994 gecodificeerde ongeschreven recht moeten vermelden als factor waarvan de uitkering afhankelijk is. 2.125. Niet in geschil is dat Aegon bij haar aanbod van de voorbeeldproducten informatie heeft verstrekt over en heeft gewaarschuwd voor het reguliere beleggingsrisico. Dat is het risico dat aandelen (of andere effecten) in waarde kunnen stijgen of dalen als gevolg van koersbewegingen. Aegon weerspreekt niet dat, zoals de Vereniging onder verwijzing naar de geschiedenis van de AEX stelt, forse koersdalingen gemiddeld elk decennium wel een keer voorkomen. Wanneer is niet te voorspellen, maar statistisch zijn zulke koersdalingen met grote zekerheid te verwachten. Niet is in geschil dat dit reguliere beleggingsrisico ertoe kan leiden dat het bij het aanbod genoemde voorbeeldkapitaal niet gehaald wordt. 2.126. De voorbeeldproducten onderscheiden zich van regulier beleggen in effecten of in beleggingsfondsen doordat zij een vaste looptijd hebben en – afgezien van de gevallen waarin dat op grond van de toepasselijke productvoorwaarden kosteloos kan – niet zonder nadelige gevolgen (zowel kostentechnisch als fiscaal) tussentijds kunnen worden beëindigd. De Vereniging stelt dat Aegon had moeten waarschuwen voor het crashrisico in verband met deze onderscheidende kenmerken van de voorbeeldproducten, die maakten dat de verzekeringnemer in beginsel voor de duur van de looptijd ‘vast’ zat aan het fonds waarin wordt belegd. 2.127. Aegon betoogt dat het door de Vereniging aangeduide crashrisico niets anders is dan het reguliere beleggingsrisico en dat zij niet aanvullend behoefde te waarschuwen voor dit aspect daarvan. De Vereniging stelt dat het crashrisico een geheel ander risico is, dat geldt voor de voorbeeldproducten die een relatief lange looptijd hadden en in het bijzonder aan de orde is bij een periodiek ingelegde premie. Het crashrisico betekent namelijk dat, ook als de genoemde gemiddelde rendementen worden behaald, koersdalingen tot gevolg kunnen hebben dat het gepresenteerde eindkapitaal aan het eind van de looptijd niet gehaald wordt. De Vereniging stelt dat een forse afwijkende waardeontwikkeling als gevolg van het crashrisico geen uitzondering is. 2.128. Gezien het voorgaande bestaat het reguliere beleggingsrisico van de voorbeeldproducten uit koersfluctuaties van de opgebouwde beleggingen gedurende de in beginsel vaste, lange looptijd van de voorbeeldproducten. Dit is een factor waarvan de uitkering aan het eind van de looptijd afhankelijk is. Gezien de lange looptijd van de voorbeeldproducten zijn forse koersdalingen gedurende de looptijd met grote zekerheid te verwachten, zij het dat niet te voorspellen is wanneer deze koersdalingen zich kunnen voordoen. Iedere koersbeweging, ongeacht het moment waarop deze zich voordoet, beïnvloedt de uitkering aan het einde van de looptijd, waarvan vanwege die onvoorspelbare koersbewegingen intrinsiek onzeker is of die (bij benadering) gelijk zal zijn aan het voorbeeldkapitaal dat is gepresenteerd op basis van historische rendementen. 2.129. Gelet hierop is de rechtbank, met Aegon, van oordeel dat hetgeen de Vereniging aanduidt als het crashrisico, niets anders is dan het intreden van dit reguliere beleggingsrisico op een voor de verzekeringnemer ongunstig tijdstip. Daarmee is het crashrisico een onderdeel van het reguliere beleggingsrisico, waarvan niet te voorspellen is wanneer dat zich zal voordoen en wat de gevolgen daarvan zullen zijn voor de waardeontwikkeling van de beleggingen van de voorbeeldproducten. Aangetekend wordt dat niet kan worden aangenomen dat iedere koersdaling – ook niet indien deze zich later in de looptijd voordoet – zonder meer met zich brengt dat het genoemde eindkapitaal niet wordt gehaald. Dat hangt af van factoren als de resterende looptijd van de verzekering, de omvang en duur van de koersdaling, eventuele koersstijgingen alsmede eventuele tussentijdse aanpassingen van de voorbeeldproducten. Inherent aan het reguliere beleggingsrisico is dat de resultaten vanwege koersbewegingen – die zeker over een langere periode die zich verder in de toekomst uitstrekt niet of moeilijk te voorspellen zijn – anders kunnen uitvallen dan gehoopt of voorzien. Inherent aan het risico van beleggen in een fonds gedurende een vaste looptijd is dat een koersbeweging zich op een ongunstig tijdstip kan voordoen, waardoor het effect op de beleggingen zodanig is dat het gepresenteerde eindkapitaal nooit zal kunnen worden gehaald, ook niet als het gemiddelde rendement – van de koersen die kunnen bewegen – gedurende de hele looptijd gelijk is aan het gepresenteerde gemiddelde voorbeeldrendement. 2.130. Het gestelde crashrisico is dus geen afzonderlijk te vermelden factor waarvan de uitkering afhankelijk is. Aegon behoefde haar afnemers niet afzonderlijk voor te lichten over of te waarschuwen voor dit aspect van het reguliere beleggingsrisico. Reeds omdat dit geen specifiek, van het reguliere beleggingsrisico te onderscheiden risico van de voorbeeldproducten is, vergde de op Aegon rustende bijzondere zorgplicht niet dat Aegon hiervoor waarschuwde. 2.131. De Vereniging stelt nog dat Aegon met de wijze waarop informatie over het reguliere beleggingsrisico wordt verstrekt, juist de indruk wekt dat het crashrisico niet bestaat, bijvoorbeeld in de brochure van FundPlan uit 1990, waarin staat: “koersfluctuaties zijn bij aandelen groter, maar gemiddeld geven ze op de langere termijn een hoger rendement.” Volgens de Vereniging wordt in de daarbij weergegeven grafiek, waarin het gemiddelde als een constante lijn is weergegeven, geen rekenschap gegeven van het crashrisico, terwijl andere brochures van FundPlan volgens de Vereniging ook een ‘misleidende grafiek’ met een vast gemiddeld rendement bevatten. 2.132. Deze stelling treft geen doel, net zo min als het – in algemene termen geformuleerde – standpunt van de Vereniging dat de uitkering die Aegon op grond van een constant rendement voorrekende geen nauwkeurige inschatting was van het te behalen eindkapitaal en dat de economische gevolgen van het crashrisico niet inzichtelijk werden gemaakt. Het door de Vereniging aangehaalde citaat duidt op het feit van algemene bekendheid dat met beleggen in aandelen op de langere termijn hogere rendementen kunnen worden behaald, terwijl daaraan – vanwege de koerschommelingen – grotere risico’s verbonden zijn dan aan andere vormen van kapitaalopbouw. De standpunten van de Vereniging over de berekeningen en de grafische weergave gaan eraan voorbij dat geen peil erop is te trekken wanneer de forse koersdalingen, die zich – naar niet in geschil is – naar redelijke verwachting gedurende de looptijd zullen voordoen, zich daadwerkelijk zullen manifesteren, temeer daar niet gezegd is dat de koersdaling zich steeds voordoet op een moment gedurende de looptijd dat de koersdaling leidt tot de gestelde ‘crash’ waardoor het gestelde eindkapitaal nimmer kan worden gehaald. De aan beleggingen inherente koersbewegingen kunnen er evengoed toe leiden dat het eindkapitaal juist veel hoger uitvalt. 2.133. Dit een en ander staat ook in de weg aan het honoreren van hetgeen de Vereniging naar voren brengt over soortgelijke passages uit brochures van de andere voorbeeldrendementen en de berekeningen op basis van constant berekende rendementen. Daarbij komt dat, nog daargelaten dat Aegon terecht opmerkt dat een constant rendement per definitie ook een gemiddeld rendement is, bij zowel het gebruik van een constant als een gemiddeld rendement het eindkapitaal afhankelijk is van de ontwikkeling van de koersen en dus kan afwijken van het voorbeeldeindkapitaal, temeer daar intrinsiek onzeker is wanneer de koersontwikkelingen waarop het crashrisico ziet zich voordoen. 2.134. De slotsom luidt dat het verwijt over het niet vermelden van het crashrisico geen doel treft. In het verlengde hiervan faalt het verwijt van de Vereniging dat Aegon, nadat het crashrisico zich in 2001 en in 2008 manifesteerde, geen actie heeft ondernomen om haar klanten te waarschuwen en om de geleden schade te repareren. Bij gebrek aan enige gehoudenheid van Aegon tot voorlichting over dit aspect van het reguliere beleggingsrisico, heeft Aegon haar afnemers niet misleid door het crashrisico niet te vermelden en is er geen juridische grondslag voor schadeplichtigheid van Aegon in verband met dit gestelde nalaten. 2.135. Het door de Vereniging benadrukte, in voorkomende gevallen ‘desastreus’ uitpakken van het optreden van het crashrisico leidt niet tot een ander oordeel. Niet in geschil is dat koersdalingen verstrekkende gevolgen kunnen hebben voor de waarde van de beleggingen en ook op het na afloop van de looptijd van de voorbeeldproducten uit te keren eindkapitaal, voor zover dat niet uit een gegarandeerd bedrag bestond. Dat is echter het reguliere beleggingsrisico. (
- b)het fata morgana-effect 2.136. Het fata morgana-effect komt volgens de Vereniging in de kern erop neer dat de voorbeeldberekeningen die Aegon hanteerde onjuist of misleidend zijn. De eerste twee door de Vereniging gestelde varianten van dit effect hebben betrekking op het verschil tussen twee berekeningswijzen van het voorbeeldkapitaal: de (voorgeschreven) meetkundige berekening en de rekenkundige berekening. Bij een meetkundige berekening worden de effecten van de koersbewegingen – die gemiddeld gelijk zijn aan het gelijkblijvende stijgingspercentage – in de berekening verdisconteerd. De effecten van de koersbewegingen worden niet verdisconteerd bij een rekenkundige berekening, waarbij de waarde wordt berekend met een jaarlijks gelijkblijvend stijgingspercentage. De eerste door de Vereniging gestelde variant van het fata morgana-effect ziet op de periode vóór invoering van de CRR in 1997, het tweede op de periode vanaf 1997. Volgens de Vereniging doen deze varianten zich bij alle drie de voorbeeldproducten voor. de periode vóór 1997 2.137. Niet in geschil is dat de gepresenteerde voorbeeldkapitalen vóór en na 1997 op meetkundige wijze moesten worden berekend. De Vereniging stelt in algemene termen dat ‘verzekeraars’ vóór 1997 bij het maken van de voorbeeldberekeningen geen rekening hielden met de volatiliteit en de berekeningen opstelden aan de hand van een normaal (rekenkundig) gemiddelde. Zij stelt dat zij niet kan vaststellen hoe de door Aegon gebruikte voorbeeldrendementen tot stand zijn gekomen en wijst erop dat Aegon vóór 1997 bij een groot aantal producten ieder jaar opnieuw met dezelfde voorbeeldpercentages rekende, terwijl voorts veelal werd gerekend met afgeronde jaarrendementen (bijvoorbeeld 10%, 12% en 14%), hetgeen erop lijkt te wijzen dat geen rekening werd gehouden met de daadwerkelijke koersontwikkeling van het fonds waarin werd belegd; een historische reeks zal niet snel op een exact afgerond getal uitkomen, aldus de Vereniging, die ter onderbouwing van haar standpunt over het vóór 1997 hanteren van de rekenkundige methode verder verwijst naar de door haar in het geding gebrachte rapporten van Capital Consult. 2.138. Uit het door de Vereniging in het geding gebrachte rapport van Capital Consult blijkt niet dat Aegon, afgezien van de afloopjaren 1992 en 1993 ten aanzien van KoersPlan en VermogensPlan, in de relevante periode voorbeeldrendementen van de voorbeeldproducten rekenkundig heeft berekend. Aegon erkent dit. Voor het overige heeft de Vereniging haar, door Aegon gemotiveerd betwiste, stelling dat Aegon tot 1997 de rendementen van de voorbeeldproducten structureel op onjuiste, want rekenkundige wijze berekende, op geen enkele manier geconcretiseerd. Zij heeft ook niet weersproken dat het destijds gebruikelijk was om afgeronde percentages te noemen, hetgeen overigens past bij het destijds geldende uitgangspunt dat niet te gedetailleerde, betrekkelijk makkelijk toegankelijke informatie moest worden verstrekt. De afgeronde getallen waarop de Vereniging wijst, zijn dus op zichzelf onvoldoende voor de conclusie dat Aegon de rendementen niet op meetkundige wijze berekende, dan wel dat deze op willekeurige wijze werden vastgesteld. 2.139. Wat rest, is de vaststelling dat Aegon het rendement van KoersPlan en VermogensPlan in de afloopjaren 1992 en 1993 op onjuiste wijze, want rekenkundig, heeft berekend. Onbetwist is dat Aegon bij de berekening van de rendementen de historische rendementen van de laatste zes jaar hanteerde. Aegon heeft concreet en met berekeningen onderbouwd uiteengezet dat het verschil tussen de over de afloopjaren 1992 en 1993 meetkundig en rekenkundig berekende rendementen vrijwel geen invloed heeft gehad op de over zes jaar berekende bedragen van de voorbeeldkapitalen waarvoor deze onjuist berekende rendementen zijn gebruikt. 2.140. Tegenover dit verweer van Aegon had de Vereniging dit verwijt in haar akte moeten concretiseren en nader moeten onderbouwen. De enkele verwijzing naar r.o. 4.50 en 4.51 van het arrest van het gerechtshof in de KoersPlanzaak is daartoe onvoldoende. De overwegingen van het gerechtshof in dat arrest gelden niet zonder meer voor deze zaak, temeer nu de verwijten in deze zaak betrekking hebben op een langere periode dan bij KoersPlan aan de orde was. De enkele, in verband met deze verwijzing, geponeerde stelling van de Vereniging dat een afwijking in het jaarrendement van 1%, naar Aegon ‘zeer wel bekend’ is grote gevolgen heeft, is in dit verband onvoldoende. Dit verwijt gaat dus niet op. de periode na 1997 2.141. Niet in geschil is dat Aegon na 1997 de voorbeeldkapitalen op de juiste (meetkundige) wijze berekende, met verdiscontering van de koersbewegingen van de beleggingen. Toepassing van de meetkundige rekenmethode leidt tot lagere rendementspercentages en tot een lager voorbeeldkapitaal, dan toepassing van de rekenkundige methode, waarin het effect van de koersbewegingen niet is verdisconteerd. “Waar de schoen wringt”, in de woorden van de Vereniging, is dat de verzekeringnemer, die niet op de hoogte is van de werking van de volatiliteit en de bij de meetkundige berekening gebruikte wiskundige formule niet kent, op geen enkele wijze kenbaar wordt gemaakt dat wordt gerekend met een meetkundig gemiddelde. De gemiddelde consument rekent volgens de Vereniging met het gewone rekenkundig gemiddelde en beziet de voorbeeldkapitalen aldus met een ‘rekenkundige bril’. Het betoog van de Vereniging komt erop neer dat verzekeringnemers daarbij zelf, en op een rekenkundige manier, de voorbeeldrendementen gingen afzetten tegen de gemiddelde beleggingsrendementen en dan bedrogen uitkwamen, omdat zij de (lagere) meetkundige gemiddelden vergeleken met de rekenkundig benaderde werkelijke gemiddelden. 2.142. Aegon heeft hieraan geen aandacht besteed in haar informatieverstrekking, die daarom in de visie van de Vereniging onvolledig en misleidend was; Aegon, die de wijze waarop de gemiddelde consument de berekeningen zou bezien kende, althans moest kennen, gaf volgens de Vereniging een onjuist en te rooskleurig beeld, daar waar zij had moeten waarschuwen voor de werking van de volatiliteit en het verschil tussen het rekenkundig en meetkundig gemiddelde. De Vereniging heeft de volgende waarschuwing geformuleerd: “Let op: dit voorbeeld is berekend op basis van het meetkundig gemiddelde (een wiskundige rekenvariant), waarmee wij rekening hebben gehouden met het negatieve effect van koersschommelingen op de waarde van uw beleggingen. Om het geprognosticeerde kapitaal daadwerkelijk te behalen zal de koers van uw beleggingen gemiddeld met een hoger percentage per jaar, namelijk x% dienen te stijgen. Uw adviseur licht dit graag verder toe.” 2.143. De rechtbank laat onbesproken of de verzekeringnemeer de door de Vereniging veronderstelde rekenkundige berekeningen maakte. Zij gaat veronderstellenderwijs ervan uit dat de verzekeringnemer, zoals de Vereniging stelt, met een ‘rekenkundige bril’ keek naar de meetkundig berekende voorbeeldkapitalen. 2.144. Het hanteren van het meetkundig gemiddelde past bij de destijds tot uitgangspunt genomen indirecte transparantie, waarbij de factoren waarvan de uitkering afhankelijk was moesten worden verdisconteerd in gepresenteerde voorbeeldrendementen en netto-eindkapitalen. De gegeven voorbeelden waren daarmee – naar niet in geschil is – de resultante van een complexe (meetkundige) berekening waarin verschillende factoren waren verdisconteerd. Het verdisconteerde beleggingsrisico was gebaseerd op historische gegevens, die – naar niet ter discussie staat – geen voorspellende waarde hebben voor de toekomstige koersontwikkelingen van de beleggingen, die op niet te voorspellen momenten fors konden fluctueren. 2.145. De door de Vereniging aangeduide rekenkundige benadering bij het bezien van de voorbeeldrendementen en netto-voorbeeldkapitalen sluit dus niet aan bij de informatieverstrekking op grond van de destijds geldende regelgeving en de CRR. Nu Aegon op grond daarvan en het vóór 1994 geldende ongeschreven recht gehouden was de in de voorbeeldberekeningen verdisconteerde factoren te noemen waarvan de uitkering afhankelijk was, behoefde zij niet nog eens afzonderlijk te vermelden dat de uitkomsten van deze gebruikte meetkundige rekenmethode anders waren dan de uitkomst bij gebruikmaking van de rekenkundige methode, waarin die factoren niet verdisconteerd waren. Dit verwijt gaat dus niet op. productrendement/fondsrendement 2.146. De derde variant van het fata morgana-effect doet zich volgens de Vereniging voor bij de spaarkasovereenkomsten KoersPlan en VermogensPlan. Zij stelt dat Aegon de rendementen van deze twee voorbeeldproducten op onjuiste en misleidende wijze heeft gepresenteerd, omdat vóór 1998 is nagelaten te vermelden dat werd gerekend met een productrendement, dat lager is dan het fondsrendement. Aegon had volgens de Vereniging moeten vermelden dat de beleggingen een hoger rendement moesten behalen om de genoemde eindkapitalen te halen. 2.147. Aegon wijst erop dat niet alleen vanaf 2000 in de certificaten van deze twee voorbeeldproducten informatie werd gegeven over het verschil tussen het fondsrendement en productrendement, maar ook in de brochures vanaf 1997. De Vereniging onderschrijft dit, zodat de rechtbank ervan uitgaat dat dit verwijt ziet op de documentatie van vóór 1997, die – naar niet in geschil is – geen uitleg bevatte over het verschil tussen deze twee rendementen. 2.148. Op grond van de op 1 oktober 1997 in werking getreden versie van de CRR kon het rendement waarmee het voorbeeldkapitaal kan worden berekend zowel een fonds- als een productrendement zijn. Indien het productrendement werd gehanteerd, diende dit uitdrukkelijk te worden vermeld. Voordien was er geen voorschrift over de wijze waarop de soorten rendement moesten worden weergegeven. Bij het gebruik van het productrendement, behoefde dat dus niet uitdrukkelijk te worden vermeld. Daarmee heeft Aegon geen op haar rustende verplichting geschonden door vóór 1997 bij gebruik van het productrendement dit niet uitdrukkelijk te vermelden. de in de KoersPlanzaak vastgestelde misleiding bij het presenteren van de voorbeeldkapitalen 2.149. Onder verwijzing naar het arrest van het gerechtshof in de KoersPlanzaak stelt de Vereniging dat Aegon in de brochures van KoersPlan en VermogensPlan in de periode van 1989 tot en met 1997 onjuiste en daarmee misleidende voorbeeldkapitalen heeft gepresenteerd. 2.150. Het gerechtshof heeft wat betreft de voorbeeldkapitalen op twee punten vastgesteld dat Aegon zich schuldig heeft gemaakt aan misleiding met onvolledige en onjuiste contractdocumentatie. Het eerste door het gerechtshof genoemde punt komt, samengevat, erop neer dat in de brochures van KoersPlan van 1989 tot en met 1994 voorbeeldkapitalen zijn getoond die door geen enkele maatman gehaald konden worden. Het tweede, hiermee samenhangende, punt is dat in de brochures van 1989 tot en met 1994 voor de berekening van de getoonde historische rendementen voor de jaren 1983 tot en met 1988 is uitgegaan van een looptijd van 15,5 jaar, terwijl van een looptijd van 15 jaar uitgegaan had moeten worden. De tabellen over de jaren 1983 tot en met 1998 toonden hierdoor te hoge rendementen, die het verschil tussen het gepresenteerde rendement – dat door geen enkele maatman gehaald kon worden – en het werkelijk haalbare rendement vergrootten. 2.151. De Vereniging betoogt, zo begrijpt de rechtbank, dat deze vaststellingen ook gelden in deze zaak ten aanzien van KoersPlan en VermogensPlan. Aegon, op wiens weg het ligt dit standpunt gemotiveerd te betwisten, heeft in algemene termen aangevoerd dat voor het merendeel van de verzekeringnemers de geïndividualiseerde rendementen gelijk of hoger uitvallen vergeleken met de in de brochures getoonde voorbeeldrendementen en voorts dat het hanteren van een andere risicopremie dan die van de maatman en een termijn van 15,5 in plaats van 15 jaar slechts een zeer beperkt effect heeft op het rendement. 2.152. Het oordeel van het gerechtshof is niet bindend in deze zaak. Dat neemt niet weg dat van Aegon een meer concrete en onderbouwde betwisting mocht worden verwacht ten aanzien van de brochures van KoersPlan 1989 tot en met 1994. Nu die ontbreekt, staat tussen partijen vast dat de brochures van KoersPlan over de jaren 1989 tot en met 1994 op dezelfde punten onvolledig en onjuist waren, zodat daarmee onvoldoende informatie werd verstrekt. Aegon heeft onvoldoende gemotiveerd betwist dat zij de verzekeringnemers hiermee heeft misleid. Deze verwijten van de Vereniging treffen dus doel. 2.153. Ten aanzien van de brochures van KoersPlan over de jaren 1995 tot en met 2004 en de brochures van VermogensPlan is de enkele verwijzing van de Vereniging naar het oordeel van het gerechtshof in de KoersPlanzaak, zonder nadere toelichting – die ontbreekt – echter onvoldoende om te kunnen concluderen dat Aegon ook in die brochures op deze punten onjuiste en onvolledige informatie heeft verstrekt. Voor deze brochures gaan deze verwijten van de Vereniging dus niet op. 2.154. In dit verband stelt de Vereniging nog dat Aegon tot en met 1997 bij KoersPlan en VermogensPlan niet heeft vermeld hoe de overlijdensrisicopremies werden vastgesteld, welke factoren daarbij van belang waren en hoe de premie de kapitaalopbouw kon beïnvloeden. 2.155. Ook dit verwijt treft geen doel. Deze door de Vereniging genoemde specifieke informatie over de overlijdensrisicopremie behoefde niet te worden verstrekt op grond van de regelgeving of de CRR en op het daarvóór geldende ongeschreven recht. De Spaarkas-brochure noopt daar ook niet toe. De op Aegon rustende bijzondere zorgplicht stelt geen aanvullende eisen ten aanzien van de in het kader van het fata morgana-effect verweten wijze van informatieverstrekking. Slotsom fata morgana-effect 2.156. Dit verwijt treft doel ten aanzien van de brochures van KoersPlan van 1989 tot en met 1994, waarin Aegon onjuiste voorlichting heeft gegeven en een misleidende mededeling heeft gedaan door: voorbeeldkapitalen te tonen die door geen enkele maatman gehaald konden worden en voor de berekening van de getoonde historische rendementen voor de jaren 1983 tot en met 1988 uit te gaan van een looptijd van 15,5 jaar, terwijl van een looptijd van 15 jaar uitgegaan had moeten worden. 2.157. Voor het overige gaan de verwijten van de Vereniging over het gestelde fata morgana-effect niet op. Aegon heeft bij het presenteren van de voorbeeldkapitalen op de door de Vereniging genoemde onderdelen niet gehandeld in strijd met de regelgeving, de CRR of de door Aegon ten aanzien van KoersPlan en VermogensPlan op zich genomen verplichting uit de Spaarkas-brochure. De op Aegon rustende bijzondere zorgplicht stelde geen aanvullende eisen ten aanzien van de in het kader van het fata morgana-effect verweten wijze van informatieverstrekking. De rechtbank tekent daarbij aan dat dit verwijt, dat wordt gepresenteerd als betrekking hebbend op een risicovol productspecifiek kenmerk van de voorbeeldproducten, bij nadere beschouwing ziet op de wijze waarop Aegon voorlichting verstrekte over die producten, namelijk met behulp van de voorbeeldkapitalen. Het verwijt ziet dus niet op specifieke risicovolle eigenschappen van de voorbeeldproducten waarvoor op grond van de bijzondere zorgplicht mogelijk een waarschuwingsplicht kan bestaan, maar op het uitgangspunt van indirecte transparantie en de wijze waarop Aegon daaraan invulling heeft gegeven met de door haar gepresenteerde voorbeeldberekeningen. verwijt iii) – informatieverstrekking over (het effect van) de (eerste) kosten en de overlijdensrisicopremie 2.158. Achtereenvolgens komen aan de orde de verwijten over informatieverstrekking over de kosten (A) en over de overlijdensrisicopremie (B). A informatieverstrekking over de kosten 2.159. Voorafgaand aan het bespreken van de verwijten over informatieverstrekking over (het effect van) de (eerste) kosten, stelt de rechtbank het volgende voorop met betrekking tot de informatieverstrekking over de kosten van de voorbeeldproducten. 2.160. De verzekeringnemer betaalt een prijs: de premie. De kosten van de voorbeeldproducten worden op twee manieren in rekening gebracht. In de eerste plaats komen kosten ten laste van de bruto-premie, doordat zij net als de overlijdensrisicopremie daarop worden ingehouden voordat het na deze inhouding resterende deel van premie (de netto-premie) wordt belegd. Als tweede worden kosten in rekening gebracht door deze te onttrekken aan de spaarkas (van KoersPlan en VermogensPlan) respectievelijk de beleggingen (van FondsPlan). Dat zijn de in de regelgeving aangeduide kosten die naast de bruto-premie in rekening worden gebracht en die sinds inwerkingtreding van de Riav 1998 afzonderlijk vermeld moeten worden. 2.161. De destijds toepasselijke regelgeving voorzag in een algemene verplichting om de factoren te noemen waarvan de uitkering afhankelijk was. Deze verplichting was neergelegd in artikel 2 lid 2 sub b Riav 1998. Uit de toelichting kan worden afgeleid dat deze bepaling in de optiek van de wetgever een daarvóór op grond van artikel 2 lid 2 sub b Riav 1994 reeds bestaande, maar niet steeds nageleefde verplichting expliciteerde. Deze verplichting om de factoren waarvan de uitkering afhankelijk is te vermelden bij het aanbieden van beleggingsverzekeringen bestond dus reeds op grond van de Riav 1994. Nu, zoals partijen ook tot uitgangspunt nemen, de Riav 1994 de daarvóór bestaande ongeschreven zorgvuldigheidsnormen expliciteerde, gold deze verplichting ook vóór inwerkingtreding van de Riav 1994. De rechtbank voegt daaraan toe dat het indirect inzicht geven in het onzekere resultaat van de inleg van de premie zinledig is zonder de factoren te noemen waarvan de uitkering op de einddatum afhankelijk is. Zonder te weten van welke factoren de uitkering afhankelijk is, is een goed geïnformeerde en weloverwogen keuze voor een beleggingsverzekering niet goed denkbaar. Als uitgangspunt geldt dus dat de informatieverstrekking zonder de factoren te noemen waarvan de uitkering afhankelijk is, onjuist en onvolledig is. 2.162. Niet in geschil is dat de kosten een factor vormen waarvan de uitkering afhankelijk is. Dat geldt zowel voor de kosten die ten laste van de bruto-premie komen als de kosten die naast de bruto-premie in rekening worden gebracht, door ze te onttrekken aan de spaarkas dan wel de beleggingen. Aegon diende de kosten dus gedurende de gehele relevante periode te noemen als factor waarvan de uitkering afhankelijk was, door bijvoorbeeld duidelijk te maken dat de gegeven voorbeeldkapitalen nettoresultaten zijn na aftrek van kosten dan wel anderszins duidelijk te maken dat kosten van invloed zijn op het op de einddatum te behalen beleggingsresultaat. 2.163. Er zijn geen aanknopingspunten om te oordelen dat deze verplichting naar de toen geldende maatstaven ook het noemen van kostensoorten omvatte, zoals de Vereniging betoogt. De door de Vereniging gestelde verplichting staat op gespannen voet met de destijds geldende opvattingen die onder meer blijken uit de hiervoor geciteerde passages (zie 2.49 en 2.68). Daaruit volgt dat gedetailleerde informatie niet nodig werd geacht. Het ging om de prijs in de zin van eindprijs, waarbij wel moest worden vermeld dat kosten een factor waren waarvan de uitkomst afhankelijk was. Het niet nodig achten om de kostensoorten te vermelden kan bijvoorbeeld worden afgeleid uit de onder 2.68 aangehaalde opvatting van de wetgever dat de kosten van de assurantietussenpersoon (die ook deel konden uitmaken van de ‘eerste kosten’) niet behoefden te worden genoemd. 2.164. In het destijds als uitgangspunt geldende systeem van indirecte transparantie werd informatie over kosten indirect gegeven met behulp van voorbeeldkapitalen. Tot de invoering van de Riav 1998 werd in de regelgeving geen onderscheid gemaakt tussen naast de bruto-premie in rekening gebrachte kosten en kosten die ten laste van de bruto-premie kwamen. In de Riav 1998 wordt dit onderscheid wel gemaakt en moest de verzekeraar – indien van toepassing – kennis geven van de naast de bruto-premie in rekening gebrachte kosten. Uit de toelichting blijkt dat niet kan worden volstaan met het noemen van de kostensoort; deze kennisgeving “betreft (…) niet slechts de kostensoorten, maar ook een kwantitatieve weergave van de kosten”. De verzekeraar moest vanaf 1 januari 1999 dus informatie geven over de soort en (gekwantificeerde) hoogte van de naast de bruto-premie in rekening gebrachte kosten. 2.165. Hieruit volgt dat vanaf de inwerkingtreding van de Riav 1998 het indirect informeren over de kosten van de voorbeeldproducten alleen nog aan de orde was voor kosten die ten laste van de bruto-premie kwamen, dus kosten die tegelijk met de overlijdensrisicopremie werden ingehouden op de bruto-premie alvorens het restant werd belegd. 2.166. De Vereniging stelt dat Aegon is tekortgeschoten in haar verplichting haar afnemers juist, duidelijk en volledig voor te lichten over (de effecten van) de (eerste) kosten die werden ingehouden, door de (hoogte van) verschillende kosten en inhoudingsposten in het geheel niet te noemen (i), door de kosten in de polisvoorwaarden en algemene voorwaarden op te nemen (
- ii)en niet te wijzen op de gevolgen van de kosten voor het te behalen rendement, door op geen enkele manier te vermelden op welke wijze de kosten van invloed waren op het op te bouwen kapitaal en op welke wijze fluctuerende beleggingsrendementen in combinatie met de kosten en inhoudingen het op te bouwen kapitaal beïnvloedden (iii). 2.167. Hiervoor is reeds overwogen dat er in de relevante periode geen ongeschreven rechtsregel bestond die eraan in de weg stond dat de informatie over de (hoogte van
- de)kosten in de algemene voorwaarden werd opgenomen. Daarmee is het lot van deelverwijt
- ii)gegeven. (
- a)niet noemen van (de hoogte van) wel in rekening gebrachte kosten KoersPlan en VermogensPlan 2.168. Dit deelverwijt
- i)over het niet noemen van (de hoogte van) wel in rekening gebrachte kosten ziet ten aanzien van KoersPlan en VermogensPlan in de eerste plaats op kosten die vanaf 2000 wel worden genoemd in de door Aegon verstrekte overzichten en die niet zijn genoemd bij het aanbieden van de voorbeeldproducten. Het gaat om ‘aan- en verkoopkosten’ en ‘fondsbeheerkosten’. fondsbeheerkosten 2.169. Niet in geschil is dat de vanaf 2000 door Aegon vermelde fondsbeheerkosten een vergoeding voor de fondsmanager en het beheer van het beleggingsfonds betreffen. Deze kosten worden ten laste gebracht van het fondsvermogen en waren verdisconteerd in de koers van het fonds. Daarmee zijn deze kosten verdisconteerd in het (historisch) rendement op basis waarvan de voorbeeldeindkapitalen zijn berekend. Aegon heeft informatie over deze kosten verstrekt via de voorbeeldkapitalen. Uit de destijds geldende voorschriften vloeide niet voort dat zij meer of andere informatie over deze kosten moest verstrekken. Dit verwijt van de Vereniging faalt dan ook. aan- en verkoopkosten 2.170. De Vereniging heeft hiermee het oog op de vanaf 2000 in artikel 6 van de productinformatie bij Koersplan genoemde aan- en verkoopkosten: “Deze bedragen bij een belegging bestaande uit aandelen en/of andere effecten respectievelijk 0,4% van de waarde ingebracht in het fonds en 0,3% van de waarde onttrokken aan het fonds.” 2.171. Aegon voert aan dat zij gedurende de gehele relevante periode voorlichting heeft gegeven over deze kosten, door vóór 2000 in de contractdocumentatie voorlichting te geven over de ‘kosten voortvloeiende uit de beleggingen der gelden’ (de aan- en verkoopkosten) in de volgende bepalingen uit de algemene voorwaarden die voor VermogensPlan en KoersPlan gelijkluidend zijn: in 1989-1990: artikel 13, dat – voor zover relevant – bepaalde: “ Iedere jaarkas wordt afzonderlijk geadministreerd. De in de gezamenlijke jaarkassen aanwezige gelden worden als een geheel voor rekening van deze jaarkassen belegd in aandelen. De kosten voortvloeiend uit de belegging der jaarkasgelden komen ten laste van de jaarkassen. (...)” in 1991-1995: artikel 7, dat – voor zover hier van belang – luidde: “De kosten voortvloeiend uit de beleggingen der gelden komen ten laste van de beleggingskas”. in 1996-1999: artikel 4, dat – voor zover hier van belang – luidde: “Alle kosten voortvloeiend uit het beleggen van de spaarstortingen komen ten laste van de gezamenlijke aandelen van de inschrijvers.” 2.172. De Vereniging betoogt dat ‘kosten voortvloeiende uit de beleggingen’ andere kosten zijn dan de vanaf 2000 genoemde aan- en verkoopkosten, omdat dit (alleen) de kosten zijn die het beleggingsfonds zelf maakt, zoals de aankoopkosten die het fonds zelf maakt voor beleggingen die het fonds aankoopt (met de inleg op de participaties). 2.173. De rechtbank volgt de Vereniging niet in dit betoog. De Vereniging gaat uit van een te beperkte lezing van de kosten voortvloeiende uit de beleggingen. Er is geen aanknopingspunt om deze ruim geformuleerde term, die in den brede ziet op kosten die verband houden met de beleggingen, van welke aard dan ook, te beperken tot de door de Vereniging genoemde kosten die het beleggingsfonds zelf maakt. De in artikel 6 van de productvoorwaarden meer specifiek geformuleerde kosten vallen evengoed binnen de reikwijdte van de ‘kosten voortvloeiende uit de beleggingen’. 2.174. De vóór 2000 bij KoersPlan en VermogensPlan genoemde ‘kosten voortvloeiende uit de beleggingen’ worden uit de spaarkas voldaan. Het zijn dus kosten die niet uit de bruto-premie van deze voorbeeldproducten worden voldaan, waarover Aegon op grond van de Riav 1998 de verzekeringnemers naar soort en gekwantificeerd moest informeren. 2.175. Naar het oordeel van de rechtbank kon dit ook voordien van Aegon worden verwacht, op grond van de Spaarkas-brochure, die vermeldt “de maatschappij vertelt u hoe deze posten zijn onderverdeeld zoals ook duidelijk is welk deel wordt belegd.” De brochure verwijst hier onder meer naar ‘de kosten die de maatschappij maakt voor het administreren en beheren van de jaarkas’. Hoewel deze kosten in de brochure worden benoemd als onderdeel van de storting, maken deze kosten deel uit van de in de algemene voorwaarden van Koersplan en VermogensPlan omschreven ‘kosten voortvloeiende uit de beleggingen’ die uit de spaarkas worden voldaan. Dat is verklaarbaar omdat de brochure dateert uit een tijd – vóór de Riav 1998 – waarin geen onderscheid werd gemaakt tussen de kosten die ten laste kwamen van de bruto-premie enerzijds en kosten die naast de bruto-premie (in het geval van KoersPlan en VermogensPlan uit de spaarkas) in rekening werden gebracht. Los daarvan, geldt dat de Spaarkas-brochure met zoveel woorden de kosten voor “het administreren en beheren van de spaarkas” noemt. De verzekeringnemers van KoersPlan en VermogensPlan, die ervan uit konden gaan dat zij informatie verkregen zoals vermeld in deze brochure, konden dus ervan uitgaan dat zij zouden worden geïnformeerd over deze kosten. 2.176. Aegon heeft hiernaar gehandeld door de kosten die ten laste van de spaarkas kwamen te noemen: naast de wel gekwantificeerde administratiekosten, wees zij de gehele relevante periode op de (niet gekwantificeerde) ‘kosten voortvloeiend uit de beleggingen’. Vanaf 2000 heeft zij de aan- en verkoopkosten afzonderlijk en gekwantificeerd vermeld. 2.177. Gezien de tekst van de Spaarkas-brochure en de kennelijke strekking ervan – het geven van duidelijkheid over het voor beleggen aangewende deel van de premie – voorzag de in de brochure omschreven informatieverstrekking echter óók in het geven van een kwantitatieve weergave van de daar genoemde kosten: de verzekeringnemer kon verwachten dat hem verteld werd ‘welk deel’ van de premie werd aangewend voor de daarin genoemde kosten. Dat duidt op een concrete, gekwantificeerde aanduiding van deze kosten. 2.178. Door in de periode waarop het verwijt van de Vereniging ziet, geen kwantitatieve weergave te geven van de ‘kosten voortvloeiende uit de beleggingen’ waarin de door de Vereniging genoemde aan- en verkoopkosten begrepen waren, heeft Aegon (vanaf 1 januari 1999) in strijd gehandeld met de Riav 1998. In de periode 1989 tot en met 1998 week zij af van de Spaarkas-brochure. Dat betekent dat dit verwijt doel treft ten aanzien van het vermelden van de hoogte (in kwantitatieve zin) van de door de Vereniging bedoelde aan- en verkoopkosten, die vóór 2000 waren begrepen in de ‘kosten voortvloeiende uit de beleggingen’. hoogte van de naast de bruto-premie in rekening gebrachte kosten 2.179. De Vereniging stelt dat Aegon ten onrechte heeft nagelaten melding te maken van de ten laste van de spaarkas gebrachte, dus naast de bruto-premie in rekening gebrachte, in artikel 7 algemene voorwaarden 1991-1995 en in artikel 4 van de algemene voorwaarden 1996-2000 genoemde beleggingskosten. 2.180. Niet in geschil is dat Aegon de hoogte van deze kosten niet heeft vermeld. Het algemene verweer hierover van Aegon is verworpen. Daarmee is het lot van dit verwijt gegeven: Aegon heeft gedurende de gehele relevante periode ten onrechte geen informatie verstrekt over de hoogte (in kwantitatieve zin) van deze naast de bruto-premie in rekening gebrachte kosten van KoersPlan en VermogensPlan. ‘afkoopkosten’ 2.181. De door de Vereniging als ‘afkoopkosten’ gepresenteerde kosten waarop het door haar genoemde artikel 10 van de algemene voorwaard