← Nederland

ECLI:NL:RBDHA:2017:782

vonnis RECHTBANK DEN HAAG Team handel zaaknummers / rolnummers: C/09/502037 / HA ZA 15-1405 C/09/519874 / HA ZA 16-1167 Vonnis van 1 februari 2017 in de zaak met zaak / rolnummer C/09/502037 / HA ZA 15-1405 van 1 [eiseres sub 1a] w.v. wijlen de heer [Q] , 2. [eiser sub 2a], beiden wonende te [woonplaats 1] , eisers, advocaat mr. L. Zegveld te Amsterdam, tegen de publiekrechtelijke rechtspersoon DE STAAT DER NEDERLANDEN, zetelend te Den Haag, gedaagde, advocaat mr. G.J.H. Houtzagers te Den Haag, en de op de rol gevoegde zaak met zaak / rolnummer C/09/519874 / HA ZA 16-1167 van [eiser sub 1b] , wonende te [woonplaats 2] , eiser, advocaat mr. L. Zegveld te Amsterdam, tegen de publiekrechtelijke rechtspersoon DE STAAT DER NEDERLANDEN, zetelend te Den Haag, gedaagde, advocaat mr. G.J.H. Houtzagers te Den Haag. Eisers zullen hierna afzonderlijk worden aangeduid als [eiseres sub 1a] , [eiser sub 2a] en [eiser sub 1b] . Gedaagde zal hierna de Staat worden genoemd. INHOUDSOPGAVE 1De procedure………………………………………………………………………4 2De feiten……………………………………………………………………………..5 Inleiding………………………………………………………………………….....5 Achtergrond Molukse gemeenschap in Nederland…………………………………5 Radicalisering Molukse jongeren…………………………………………………. 7 Opkomst internationaal terrorisme………………………………………………… 8 Nederlandse terreurbestrijding…………………………………………………….. 8 Verloop van gebrurtenissen leidend tot beëindiging van de gijzeling in de trein…. 9 Totstandkoming en inhoud van het initiatiefplan………………………………….. 12 Detailplan voor de precisieschutters……………………………………………….. 14 Detailplan voor de mariniers………………………………………………………. 15 Bewapening precisieschutters en mariniers……………………………………….. 16 Goedkeuring initiatiefplan…………………………………………………………. 17 Uitvoering van de bevrijdingsoperatie…………………………………………….. 17 Onderzoek aan en overdracht van de stoffelijke overschotten…………………….. 19 Strafrechtelijke procedure…………………………………………………………. 21 Informatieverstrekking inzake doodsoorzaak……………………………………... 21 3Het geschil in de beide hoofdzaken…………..……………………………………24 Het geschil in de exhibitieincidenten…………………………………………….... 25 In de hoofdzaken en in de exhibitieincidenten…………………………………….. 27 4De beoordeling in de hoofdzaken en de exhibitieincidenten………………….. 27 A. Inleiding en samenvatting……………………………………………………… 27 B. Beoordelingskader……………………………………………………………… 29 (

  1. i)Wettelijke regels en rechtspraak…………………………………………….. 29 (
  2. ii)Specifieke uitgangspunten voor de beoordeling…………………………… 34 Stelplicht, bewijslast en bewijsrisico…………………………………….…... 34 Gelding onderzoeksverplichtingen van artikel 2 EVRM in 1977……….…... 35 C. Inhoudelijke beoordeling………………………………………………………. 35 Absolute noodzaak geweldstoepassing……..……………………………..…… 36 De voorbereiding en leiding van de actie, meer in het bijzonder de in dat kader gegeven geweldsinstructie en de toestemming voor het gebruik van Hollow Point 5-munitie………………………………………………………… 37 De geweldsinstructie………………………………………………..……….. 37 Heimelijke geweldsinstructie?.......................................................................... 38 Exhibitievorderingen t.a.v. geweldsinstructie (3.9 III-VI)…………………… 40 Toestemming voor en gebruik van Hollow Point 5-munitie…………………. 41 Het geweldsgebruik in de trein met betrekking tot [gijzelnemer 1] en [gijzelnemer 2] ………………………………………………………………………...42 De dood van [gijzelnemer 1] en [gijzelnemer 2] ……………………………… 43 [gijzelnemer 1] …………………………………………………………….......... 43 [gijzelnemer 2] ……………………………………………………………. 50 Exhibitievordringen ten aanzien van de toedracht…..…………………..……... 54 Foto’s…………………………………………………………………………. 54 De geluidsbanden…………………………………………………………...... 55 Het materiaal dat ten grondslag ligt aan het NFI-rapport……….……………. 56 Het materiaal dat ten grondslag ligt aan de autopsierapporten….……………. 57 Stukken die in het kader van het strafrechtelijk onderzoek zijn opgemaakt..... 58 Het verslag van majoor [X] van 20 juni 1977………………………. 58 Het verslag van de vergadering van de ASTA van 20 december 1977………. 58 D. Beroep op verjaring is naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid onaanvaardbaar………………………………………………………………… 58 Verjaring……………………………………………………………………… 58 Standpunten partijen over de (on)aanvaardbaarheid van het beroep op verjaring……………………………………………………………………… 59 Toetsingskader (on)aanvaardbaarheid van het beroep op verjaring in deze zaken…………………………………………………………………………. 60 Het buiten toepassing laten van verjaring in de zaken van eisers……………. 62 Overige omstandheden van het geval………………………………………… 67 Resumé ten aanzien van het beroep op verjaring…………………………….. 67 Exhibitievordering t.a.v. het afwijzend beslissen op het verzoek tot inzage van de sectierapporten (3.9 II)…………………………………………………. 68 E. Geen voor vergoeding in aanmerking komende schade?..................................... 68 Resumé…………………………………………………………………………….. 70 5De beslissing…………………………………………………………………………. 70 In de hoofdzaken…………………………………………………………………... 71 In de incidenten…………………………………………………………………… 70 1De procedure 1.1. Het verloop van de procedure in de zaak met nummer C/09/502037 / HA ZA 15-1405 blijkt uit: - de dagvaarding van 4 december 2015 met producties 1 tot en met 66; - de conclusie van antwoord van 4 mei 2016; - het tussenvonnis van 29 juni 2016 waarbij een comparitie van partijen voor de meervoudige kamer is bevolen; - het buiten aanwezigheid van partijen opgemaakte proces-verbaal van de op 4 november 2016 gehouden comparitie van partijen voor de meervoudige kamer en de daarin genoemde stukken, te weten de producties 67 tot en met 96 van de zijde van [eiseres sub 1a] en [eiser sub 2a] en de producties 1 tot en met 5 van de zijde van de Staat, alsmede de pleitnota’s van de advocaten van partijen; - de op genoemde zitting van 4 november 2016 door [eiseres sub 1a] en [eiser sub 2a] genomen incidentele conclusie tot exhibitie; - de conclusie van antwoord in het incident ex artikel 843a van het wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering (Rv) van 30 november 2016 met producties 6 tot en met 10; - de brieven van 5 en 7 december 2016 van de zijde van de Staat met onder meer opmerkingen over de inhoud van genoemd proces-verbaal en - de brief van 6 december 2016 van de zijde van [eiseres sub 1a] en [eiser sub 2a] met onder meer opmerkingen over de inhoud van genoemd proces-verbaal. 1.2. Het verloop van de procedure in de zaak met nummer C/09/519874 / HA ZA 16-1167 blijkt uit: - de dagvaarding van 7 oktober 2016 met producties 1 tot en met 66; - de conclusie van antwoord van 2 november 2016; - het tussenvonnis van 2 november 2016 waarbij een comparitie van partijen voor de meervoudige kamer is bevolen, gelijktijdig te houden met de comparitie in de zaak met nummer C/09/502037 / HA ZA 15-1405; - het buiten aanwezigheid van partijen opgemaakte proces-verbaal van de op 4 november 2016 gehouden comparitie van partijen voor de meervoudige kamer en de daarin genoemde stukken, te weten de producties 67 tot en met 96 van de zijde van [eiser sub 1b] en de producties 1 tot en met 5 van de zijde van de Staat, alsmede de pleitnota’s van partijen; - de op genoemde zitting van 4 november 2016 door [eiser sub 1b] genomen incidentele conclusie tot exhibitie; - de conclusie van antwoord in het incident ex artikel 843a Rv van 30 november 2016 met producties 6 tot en met 10; - de brieven van 5 en 7 december 2016 van de zijde van de Staat met onder meer opmerkingen over de inhoud van genoemd proces-verbaal en - de brief van 6 december 2016 van de zijde van [eiser sub 1b] met onder meer opmerkingen over de inhoud van genoemd proces-verbaal. 1.3. Genoemde brieven van partijen van 5, 6 en 7 december 2016 zijn aan het proces-verbaal gehecht. Slechts indien het daarin door partijen gevoerde debat over hetgeen ter zitting op onderdelen precies is verklaard en over de vraag of in de brieven door de Staat in strijd met de instructies van de rechtbank nadere standpunten zijn ingenomen voor de beoordeling relevant zijn, zal de rechtbank dat debat beslechten. 1.4 Ten slotte is in beide zaken, zowel in het incident tot exhibitie als in de hoofzaak, uiteindelijk vonnis bepaald op heden. 2De feiten Inleiding 2.1. [eiseres sub 1a] is de moeder van [gijzelnemer 1] die geboren is op [geboortedatum 1] (hierna: [gijzelnemer 1] ). [eiser sub 2a] en [eiser sub 1b] zijn de broers van [gijzelnemer 2] die geboren is op [geboortedatum 2] (hierna: [gijzelnemer 2] ). 2.2. [gijzelnemer 1] en [gijzelnemer 2] zijn twee van de negen gewapende Molukse jongeren die op 23 mei 1977 de trein Assen-Groningen kaapten nabij het dorp De Punt in de provincie Drenthe en daarbij 54 passagiers in gijzeling namen. Tegelijkertijd met de treinkaping drongen vier gewapende Molukse jongeren de lagere school De Meenthe in Bovensmilde binnen en namen daar 125 kinderen en vijf leerkrachten in gijzeling. 2.3. Naast [gijzelnemer 1] en [gijzelnemer 2] (de enige vrouw) waren de gijzelnemers [gijzelnemer 3] (hierna: [gijzelnemer 3] ), [gijzelnemer 4] (hierna: [gijzelnemer 4] ), [gijzelnemer 5] (hierna: [gijzelnemer 5] ), [gijzelnemer 6] (hierna: [gijzelnemer 6] ), [gijzelnemer 7] (hierna: [gijzelnemer 7] ), [gijzelnemer 8] (hierna: [gijzelnemer 8] ) en [gijzelnemer 9] (hierna: [gijzelnemer 9] ). 2.4. In de vroege ochtend van 11 juni 1977 zijn beide kapingen door de Staat met geweld beëindigd. Bij de bevrijdingsactie in de school zijn geen slachtoffers gevallen. Bij de bevrijdingsactie in de trein zijn acht doden gevallen: twee gegijzelde passagiers en zes gijzelnemers, waaronder [gijzelnemer 1] en [gijzelnemer 2] . Zes gegijzelden, twee mariniers en één gijzelnemer raakten gewond. De overige gegijzelden en de overige twee gijzelnemers zijn ongedeerd gebleven. De toedracht van het overlijden van [gijzelnemer 1] en [gijzelnemer 2] staat in deze procedure centraal. Achtergrond Molukse gemeenschap in Nederland 2.5. De Molukse gemeenschap in Nederland kent een roerige historie, die nauw verbonden is met de dekolonisatie van het voormalig Nederlands-Indië en de gebeurtenissen daarna. Tijdens de kolonisatie was het Koninklijk Nederlands-Indische Leger (hierna: KNIL) het belangrijkste geweldsinstrument van het Nederlandse gezag. Veel Zuid-Molukkers maakten deel uit van het KNIL. In 1945 werd de deelstaat Republiek Indonesië uitgeroepen en na een dekolonisatieoorlog (1945-1949) volgde in 1949 de soevereiniteitsoverdracht. Hierna heeft de Nederlandse regering na onderhandelingen met Indonesië besloten om in juli 1950 het KNIL op te heffen. Daarmee kwam ook de toekomst van de Molukse oud-KNIL militairen op losse schroeven te staan. 2.6. Al gauw werd duidelijk dat de deelstaat Republiek Indonesië een eenheidsstaat wilde vormen met de overige deelstaten. Op 22 april 1950 stemde Oost-Indonesië (waarvan de Zuid-Molukken deel uitmaakten) voor de eenheidsstaat. De Zuid-Molukkers waren bij de soevereiniteitsoverdracht ook (tegen hun wil) Indonesisch staatsburger geworden. De Zuid-Molukkenraad proclameerde echter op 24 april 1950 de Republiek der Zuid-Molukken, Republik Maluku Selatan (RMS). Dit gebeurde onder leiding van de oud-vice-voorzitter van de senaat van de deelstaat Oost-Indonesië, ir. J.A. Manusama en mr. dr. Chr.R.S. Soumokil, oud-minister van Justitie van deze deelstaat, ondersteund door een deel van de bevolking en Molukse KNIL-eenheden. Een bittere onafhankelijkheidsstrijd tussen Indonesië en RMS volgde. 2.7. Ondertussen wachtten nog ruim vierduizend, veelal Molukse, oud-KNIL militairen op een beslissing over hun toekomst. Kort gezegd hadden zij de keuze tussen demobilisatie of overgang naar het federale Indonesische leger, net als bijna 21.000 andere oud-KNIL militairen die al een keuze hadden gemaakt. De opstand op de Zuid-Molukse eilanden tegen de centrale regering maakte het voor de Zuid-Molukse oud-KNIL militairen echter onmogelijk om af te vloeien naar Indonesië. Als tussenoplossing voor de positie van deze groep Zuid-Molukkers, kregen zij op 26 juli 1950 tijdelijk de status van militairen van de Koninklijke Landmacht (hierna: KL). Na verdere onderhandelingen met Indonesië – waarbij de Nederlandse regering de verhoudingen met Jakarta niet op scherp wilde stellen – is in 1951 besloten om de groep Zuid-Molukkers over te brengen naar Nederland. 2.8. Uiteindelijk maakten in totaal 12.500 Zuid-Molukse militairen en hun gezinsleden vanaf 20 februari 1951 tot en met 25 mei 1951 de overtocht naar Nederland. Zowel deze Zuid-Molukkers als de Nederlandse regering gingen ervan uit dat het verblijf van de Molukkers in Nederland tijdelijk zou zijn. De Zuid-Molukkers dachten daarbij nog immer aan het ideaal van een terugkeer naar een toekomstige vrije Republiek der Zuid-Molukken, terwijl de Nederlandse regering slechts kon denken aan en spreken over een wederopname in de Indonesische samenleving. Direct na aankomst in Nederland werd het dienstverband van de Zuid-Molukse oud-KNIL militairen bij de KL beëindigd, terwijl bovendien aan hen grotendeels de (door hen niet erkende) Indonesische nationaliteit was toegekend. Dit was door Nederland zo uitonderhandeld met Indonesië bij de soevereniteitsoverdracht. De Zuid-Molukkers waren nu voor de financiële gevolgen van het verleende ontslag afhankelijk van de staat Indonesië, waarmee zij zich in oorlog achtten. De Nederlandse regering vond daarnaast dat er geen grond was om een bijzondere voorziening voor de rechtspositie van de Molukkers te treffen (gezien de toen nog levende verwachting dat de Molukse ex-militairen spoedig naar Indonesië zouden terugkeren). Dit alles stuitte op groot onbegrip en wrevel jegens de Nederlandse autoriteiten en zou een voedingsbodem blijken voor de vele en langjarige conflicten tussen de Zuid-Molukkers in Nederland en de Nederlandse regering. 2.9. Gedurende de eerste vijf of zes jaren van het verblijf van de Molukkers in Nederland was – in verband met de terugkeer-gedachte – van integratie geen sprake. De Molukkers werden gehuisvest in aparte woonoorden en er werd voor hen apart beleid gemaakt. De Molukkers leefden gedwongen in isolement. Toen gaandeweg duidelijk werd dat op een spoedige terugkeer van de Molukkers naar Indonesië niet meer te rekenen viel, werden de Zuid-Molukkers geherhuisvest in woonwijken. Dit verliep niet zonder problemen en conflicten. 2.10. In de jaren ‘60 en ‘70 escaleerde het Molukse nationalisme. Een belangrijke factor daarbij was de terdoodveroordeling van Soumokil, president van de RMS, eind april 1964 en zijn executie twee jaar later door de Indonesische autoriteiten. Soumokil belichaamde hét symbool van de hoop op een onafhankelijke Molukse republiek. De executie maakte grote emoties los bij de in Nederland verblijvende Molukkers, zoals onder meer bleek uit de brandstichting door Molukse jongeren in de Indonesische ambassade in Den Haag in juli 1966 en een poging om deze ambassade te bestormen in december van dat jaar. Ook kondigde ir. Manusama in 1966 in Nederland aan dat hij een RMS-regering in ballingschap had gevormd. Radicalisering Molukse jongeren 2.11. Binnen deze context gaf een groep Molukse jongeren vanaf midden jaren zestig een nieuwe en radicale invulling aan het RMS-ideaal. De problemen die zij in Nederland ondervonden, hun slechte sociaal economische positie (werkeloosheid en laag- of ongeschoold werk, taalachterstand, ontbreken van kennis van de maatschappij) en isolement in de Nederlandse samenleving, achtten zij oplosbaar in een nog te stichten Molukse Republiek. In de geest van die tijd (studentenprotesten in Parijs, demonstraties tegen het Amerikaanse ingrijpen in Vietnam, rebellie van jongeren tegen de gevestigde politieke orde, enz.) streefden zij naar een onafhankelijke Molukse republiek. Naast dat zij kritiek uitten op hun eigen leiders en de Nederlandse bevolking, riepen zij op om harde acties niet uit de weg te gaan. 2.12. Tussen 1970 en 1978 leidde dit tot een aantal gewelddadige en deels terroristische acties van Molukse jongeren, met als inzet de feitelijke totstandkoming van de RMS. Op 31 augustus 1970 bezetten Molukse jongeren, naar aanleiding van een staatsbezoek van de Indonesische president Soeharto aan Nederland, de residentie van de Indonesische ambassadeur in Wassenaar en gijzelden het aanwezige personeel en familieleden van de diplomaat. Zij doodden een agent die op wacht stond. In maart 1975 beraamde een groep RMS-aanhangers een ontvoering van het toenmalige Nederlandse staatshoofd koningin Juliana. Het plan lekte uit, waarna de politie een veertigtal Molukkers arresteerde. 2.13. Op 2 december 1975 kaapten zeven Molukse jongeren de stoptrein Groningen-Zwolle bij het Drentse Wijster. De machinist werd meteen gedood. De gijzelnemers eisten van de Nederlandse regering het bevorderen van gesprekken tussen de Molukse leiders en de Indonesische overheid, en het aan de orde stellen van de RMS-kwestie bij de Verenigde Naties (VN). De gijzelnemers voerden de druk op door twee gegijzelden in de gekaapte trein te executeren. Na onderhandelingen gaven de gijzelnemers zich op 14 december 1975 over. Het beeld van de executie waarbij het stoffelijk overschot van een van de gegijzelden uit de trein viel werd wereldwijd verspreid. Van 4 tot 19 december 1975 bezetten zeven Molukse jongeren het Indonesische consulaat in Amsterdam. 2.14. Twee jaar later vond de treinkaping plaats waarover deze zaak gaat: op 23 mei 1977 kaapten negen Molukse jongeren, waaronder dus [gijzelnemer 1] en [gijzelnemer 2] , een trein nabij De Punt en hielden 54 passagiers gedurende drie weken in gijzeling. De gijzelnemers waren in het bezit van vuurwapens. Opkomst internationaal terrorisme 2.15. Naast de hierboven beschreven gewelddadige, deels terroristische acties door Molukkers, werd de Nederlandse samenleving vanaf begin jaren `70 geconfronteerd met gewelddadige aanslagen en gijzelingen door internationale terreurgroepen. In 1971 en 1972 pleegden Palestijnse bevrijdingsorganisaties verschillende terreurdaden zoals de bomaanslagen op een Gulf olieopslagtank in het havengebied Europoort en gasinstallaties in Ommen en Ravenstein. Ook buiten Nederland vonden geruchtmakende terroristische acties plaats, zoals de gijzeling van leden van het Israëlische Olympisch team tijdens de Olympische Spelen in München in 1972. Deze gijzeling eindigde zeer bloedig: bij een bevrijdingspoging konden de gegijzelden niet van de gijzelnemers worden gescheiden en kwamen alle negen gegijzelden, een politieagent en vier gijzelnemers om het leven. Nederlandse terreurbestrijding 2.16. Vanaf 1972 stond de aanpak van terrorisme in Nederland hoog op de politieke agenda, en heeft de regering (onder meer) voor het eerst vastgelegd hoe te handelen in geval van gijzeling. Daartoe zijn in 1972 en 1973 twee vertrouwelijke circulaires en twee vertrouwelijke documenten opgesteld. Hierin werd bepaald wie het gezag had, hoe de besluitvorming liep en welke stappen moesten worden ondernomen bij een gijzeling. Ook besloot het kabinet tot de oprichting van eenheden precisieschutters, bestaande uit politieagenten en militairen: één bijzondere bijstandseenheid (BBE) bij het toenmalige Korps Rijkspolitie (BBE-RP) en één bij de Krijgsmacht (BBE-K). Daarnaast kwam het tot de opzet van een groep militairen die zich specialiseerde in close combat. Hiervoor werd bij het Korps Mariniers een aparte eenheid gevormd voor het gevecht van man tegen man: de BBE-mariniers (BBE-M). 2.17. Ten tijde van de gijzelingsacties door de Molukkers in 1977 waren de BBE-en als volgt ingericht. 1. BBE-RP Allereerst werden twee eenheden precisieschutters opgericht. Een van deze eenheden werd gevormd uit de Rijkspolitie en aangeduid als BBE-RP (later: BBE-P). Om praktische redenen vond de vorming van de eenheid uit de politie aanvankelijk alleen uit het Korps Rijkspolitie plaats. De teams bestonden uit een commandant tevens verbindingsman, een aantal precisieschutters, een waarnemer en een groepsbeveiliger (met machinepistool). Elke schutter was uitgerust met een FN FAL geweer (kaliber 7,62 x 51 mm). De schutters kregen een opleiding tot precisieschutter van vijf weken. Naast onderhoud en schietvaardigheid werd aandacht besteed aan “mentale training” en aan de samenwerking met de andere eenheden. 2. BBE-K De tweede eenheid precisieschutters werd gevormd onder de commandant Koninklijke Marechaussee (KMar) bij de krijgsmacht. Deze werd aangeduid als de BBE-K. Aanvankelijk was de bedoeling dat de BBE-K tijdelijk zou bestaan, totdat de BBE-RP op sterkte was. De eenheid kreeg uiteindelijk een permanent karakter en was onderverdeeld in zes, later vier, teams lange-afstandsschutters. De samenstelling van de teams, de opleiding en de bewapening was gelijk aan de BBE-RP. De leiding over de teams was in handen van een commandant, eveneens afkomstig van de KMar. Deze onderhield het contact met de leider plaats delict (LPD) en de commandanten van de overige BBE-en. Indien er een opdracht tot een vuurbevel zou worden geven door de minister van Justitie, was de commandant degene die dit moest afgeven. De spreiding van de eenheid was landelijk en wel zodanig dat bij alarmering steeds een aantal schutters redelijk snel ter plaatse kon zijn. 3. BBE-M Daarnaast werd uit het Korps Mariniers een gespecialiseerde eenheid gevormd, de BBE-M. Deze eenheid werd in het bijzonder opgeleid en gevormd voor het gewapend en ongewapend gevecht van man tegen man (close combat). De marinierscompagnie bestond uit een drietal pelotons elk onder leiding van een pelotonscommandant: BBE-1 (1e peloton), BBE-2 (2e peloton) en BBE-3 (3e peloton). Ieder peloton kon verder onderverdeeld worden in groepen die onder leiding van een onderofficier stonden. Indien gewenst kon een groep onderverdeeld worden in ploegen. De samenstelling van de pelotons, groepen en ploegen was flexibel zodat deze aangepast kon worden aan het gewenste optreden. De opleiding ving aan met een eerste traject van vier maanden, waarbij het ingedeelde personeel volledig op de taak werd voorbereid. Hierbij werd samengewerkt met instructeurs van het Korps Rijkspolitie. Deze basisopleiding werd gevolgd door een vervolgopleiding. Verloop van gebeurtenissen leidend tot beëindiging van de gijzeling in de trein 2.18. Direct na aanvang van de gijzeling op 23 mei 1977 bij De Punt werd op het ministerie van Justitie een crisiscentrum ingericht onder leiding van de minister van Justitie, Van Agt. Betrokken ministers (zoals minister-president Den Uyl en de minister van Binnenlandse zaken De Gaay Fortman) kwamen bijeen in het zogenaamde ministersberaad. 2.19. In Assen werden voor de twee gijzelingsacties twee beleidscentra (één voor de trein en één voor de school) ingericht, die kort daarna werden samengevoegd tot één beleidscentrum, onder leiding van de procureur-generaal mr. Baron W.A. van der Feltz . In het beleidsentrum werd een logboek bijgehouden. Het beleidscentrum in Assen had ook een stafgroep. Hierin zaten onder meer een coördinator landelijk bijstandsteam inlichtingendienst en bewaking en de coördinator BBE. De coördinator BBE (afkomstig van de Rijkspolitie) had de operationele coördinatie over de BBE. Zowel voor de gijzeling bij De Punt als die in Bovensmilde was er een LPD afkomstig van de Rijkspolitie. De autoriteiten in het beleidscentrum werden daarnaast geadviseerd door twee psychiaters en een psycholoog. Een van de psychiaters was de heer [A] . Hij had een groot aandeel in het contact met de gijzelnemers in de trein en de school. 2.20. Ook in de Molukse gemeenschap veroorzaakten de gebeurtenissen grote beroering. Binnen die gemeenschap werd in Capelle aan den IJssel een Moluks crisiscentrum opgericht onder leiding van de heer P.W. Lokollo (minister van bevoorrading in het eerste RMS-kabinet op Ambon en daarna vicepresident in het eerste kabinet van ir. Manusama in Nederland). Vanaf het begin van de gijzelingen onderhield de regering contact met het Moluks crisiscentrum. 2.21. Op 23 mei 1977 werden in de loop van de dag de eisen van de gijzelnemers bekend. Deze eisen zagen op de vrijlating van 21 Molukse gedetineerden en een vrije aftocht met medeneming van gegijzelden. Door de gijzelnemers werd een ultimatum gesteld op 25 mei 14.00 uur. Voor het verstrijken van dit ultimatum stonden alle eenheden in de hoogste staat van paraatheid. Het ultimatum verstreek echter zonder dat er iets gebeurde. In de middag van 25 mei werden de eisen van de gijzelnemers aangevuld. Deze eisen zagen opnieuw op vrijlating en medeneming van 21 Molukse gedetineerden en een vrije aftocht - zonder de wapens in te leveren - met medeneming van gegijzelden. 2.22. Het kabinet koos in eerste instantie voor het vermijden van geweld en voor overreding als middel om de gijzelingen te beëindigen. De tactiek van het kabinet was gebaseerd op het ‘murw’ maken van de gijzelnemers. Gewapend optreden was wel steeds in overweging. Gedurende het proces om met overreding de gijzelingen te beëindigen werd parallel aan diverse operationele plannen gewerkt. Een plan voor het geval de gijzelnemers zich zouden overgeven, een plan in het geval er een acute noodzaak tot ingrijpen zou ontstaan en een plan voor het geval het kabinet zou besluiten tot gewelddadig ingrijpen om de gijzelingen te beëindigen. 2.23. In de dagen na 27 mei 1977 werd diverse malen zowel aan de gijzelnemers in de trein als in de school gevraagd naar de bestemming van het verlangde vliegtuig. De gijzelnemers noemden echter geen bestemming. Op 31 mei 1977 vroegen de gijzelnemers om bemiddeling. In de dagen daarna werd er gezocht naar geschikte contactpersonen. Op 3 juni 1977 werd met de gijzelnemers overeenstemming bereikt over de inzet van mevrouw [contactpersoon 1] en de heer [contactpersoon 2] als contactpersonen. Het kabinet was van oordeel dat de inzet van deze contactpersonen alleen als uitkomst mocht hebben dat de rechtsorde zou worden hersteld en dat de gegijzelden ongedeerd zouden terugkeren. De heer Lokollo van het Molukse crisiscentrum werd gevraagd deze boodschap aan de contactpersonen over te brengen. 2.24. Op 5 juni 1977 lieten de gijzelnemers in de trein twee zwangere vrouwen uit de trein vrij. Zij werden opgehaald door een Molukse arts, dr. [ dr. B] (hierna: [ dr. B] ). Op 6 juni 1977 werd de gijzelnemers in de trein in een gesprek met psychiater [A] definitief duidelijk gemaakt dat een vrije aftocht niet meer in overweging was omdat de gijzelnemers geen bestemming hadden genoemd. Het beleidscentrum ging door op een nieuwe tactiek, te weten ‘operatie wanhoop’. Dit hield meer concreet in dat in contacten met de trein met name de uitzichtloosheid van de situatie werd benadrukt. 2.25. Op 7 juni 1977 gaf het beleidscentrum opdracht om een nieuw initiatiefplan te maken. Dit plan werd op 8 juni 1977 besproken met en technisch goedgekeurd door het beleidscentrum. Op 9 juni 1977 werd het initiatiefplan ook besproken met de betrokken bewindspersonen. Op 8 juni 1977 werd een mannelijke gegijzelde met gezondheidsklachten uit de trein vrijgelaten. 2.26. Op 9 juni 1977 brachten mevrouw [contactpersoon 1] en de heer [contactpersoon 2] een tweede bezoek aan de trein. Voordien, op 7 juni 1977, had de minister van Justitie de contactpersonen persoonlijk bericht over de standpunten van het kabinet. Op 9 juni 1977 werden de contactpersonen voor het gesprek met de trein wederom vooraf geïnformeerd en werd specifiek aandacht gevraagd voor het standpunt van de regering en de gezondheidstoestand van de gegijzelden. Bij dit tweede bezoek kregen de contactpersonen een op schrift gestelde boodschap van de gijzelnemers aan de regering mee, waarvan de kernzin luidde: “Wij hebben slechts twee dingen voor ogen. Of vertrek naar het buitenland of de dood.” Dit stuk bevatte ook het dreigement dat alle treinreizigers de dood zouden vinden wanneer er geen vliegtuig ter beschikking zou komen. 2.27. Op 10 juni 1977 werd vanuit het beleidscentrum opnieuw gepoogd beweging te krijgen in het standpunt van de gijzelnemers. De gijzelnemers leken er in de opvatting van het beleidscentrum geen moeite mee te hebben, hun actie nog langer voort te zetten. De secretaris-generaal van het ministerie van Justitie mr. A. Mulder en het bevoegde gezag, procureur-generaal Van der Feltz beschouwden op 10 juni 1977 de situatie als hopeloos aangezien de gijzelnemers in de trein verder contact weigerden. 2.28. Het kabinet maakte zich gedurende de gijzelingen in toenemende mate zorgen over de geestelijke en lichamelijke gezondheid van de gegijzelden. Er waren relatief veel signalen van nerveuze en depressieve klachten en onder de gegijzelden bevond zich een aantal psychiatrische patiënten. 2.29. De getuigenverklaringen van de op 5 en 8 juni 1977 vrijgelaten gegijzelden bleken niet alleen van belang om inzicht te krijgen in de gezondheidssituatie maar gaven ook een breder inzicht in de situatie in de trein. Zij verklaarden over het aantal gijzelnemers en hun gedrag, het aantal gegijzelden, de wapens van de gijzelnemers en de plaatsen in de trein waar de gijzelnemers zich veelal bevonden. Eén van de vrijgelaten gegijzelden gaf aan dat de hele situatie niet te lang meer moest duren aangezien de psychische druk te groot werd. Uit de toestand van de derde vrijgelaten gegijzelde op 8 juni 1977 werd opgemaakt dat de psychische druk en het gebrek aan beweging tot de meest bedreigende factoren behoorden. 2.30. Het kabinet achtte het een reëel gevaar dat als door de druk prikkelbaarheden in de trein zouden ontstaan, er niet in de hand te houden conflicten met de gijzelnemers konden ontstaan, met mogelijke repercussies voor de gegijzelden. Bij het voortduren van de gijzeling werd dit gevaar steeds groter geacht. Bovendien vreesde het beleidscentrum voor toenemende intimidatie door de gijzelnemers. 2.31. Er werden verschillende alternatieven in overweging genomen om de gijzeling op een minder gewelddadige manier te beëindigen. Daartoe behoorden onder meer het gebruik van chemische substanties (waaronder gas) en het toedienen van medicamenten via voeding. Deze alternatieven werden niet doeltreffend en onbruikbaar bevonden. Op 10 juni 1977 werd, na afweging van de verschillende factoren, besloten om, op basis van een daartoe eerder opgesteld initiatiefplan, de gijzelingen op 11 juni 1977 te beëindigen. Totstandkoming en inhoud van het initiatiefplan 2.32. In de ochtend van 7 juni 1977 werd het initiatiefplan door de coördinator, commandanten en stafofficieren van de BBE-en nader bezien op basis van de op dat moment bekende informatie, waaronder de informatie van de vrijgelaten gegijzelden. 2.33. De trein stond in een open landschap. Het was dus niet mogelijk om gedekt de trein te naderen. Bij de planning voor het initiatiefplan moest daarom bijzondere aandacht worden geschonken aan de vraag hoe de mariniers met minimaal risico bij de trein konden komen. Het gebruik van pantservoertuigen kon hierbij geen uitkomst bieden omdat deze niet via het open terrein bij de trein zouden kunnen komen, onder andere vanwege de bodemgesteldheid in de omgeving van de trein. 2.34. De toegang tot de trein werd bemoeilijkt omdat de instap vanaf het spoortalud, mede vanwege de scheve stand van de trein, erg hoog was en de deuren van de trein aan de binnenkant vergrendeld waren met touwen, kettingen en sloten. Voorzien werd dat het optreden in de trein door een aantal factoren belemmerd zou kunnen worden. Dit type treinstel had nauwe gangen en het zicht in de trein zou beperkt kunnen zijn, omdat de vensters in de trein waar zich gijzelnemers en gegijzelden bevonden, waren verduisterd met onder andere dekens, doeken en kranten. De beperkte ruimte, de verduistering en de scheve stand van de trein zouden de beweging voor de mariniers in de trein waarschijnlijk bemoeilijken. 2.35. Verschillende tactische alternatieven werden overwogen en vervolgens in het planningsproces als niet-haalbaar verworpen. Een voorbeeld hiervan was een nadering over het andere spoor met platte treinwagons vanwaar de trein zou worden aangevallen. Dit alternatief viel af omdat het vrijwel onmogelijk leek die trein exact op een tevoren bepaalde plaats tot stilstand te laten komen en omdat het plaatsen van springramen om de deuren te openen problemen zou opleveren. Een ander alternatief was om de trein te rammen met locomotieven, waardoor letterlijk en figuurlijk een schokeffect in de trein teweeggebracht zou worden. Ook het gebruik van traangas werd overwogen en verworpen omdat gasmaskers het optreden van de mariniers ernstig zouden hinderen. 2.36. De (technische) instrumenten en mogelijkheden van de BBE-en waren in 1977 van een geheel andere orde dan thans het geval is. Tegenwoordig hebben arrestatie en interventie eenheden beschikking over moderne richtmiddelen (laserpointer, nachtzichtapparatuur), moderne beschermingsmiddelen (kevlar helm, beschermingsschild), moderne communicatie (personal role radio) en moderne precisiebewapening. In 1977 beschikten de mariniers alleen over een uzi of revolver en een kogelwerend vest om hen te beschermen. 2.37. Gelet op de kwetsbaarheid van de mariniers en de vermoede wapens van de gijzelnemers werden aanvullende maatregelen in het initiatiefplan noodzakelijk geacht om de risico’s voor de mariniers te verkleinen en de kans van slagen van de beëindiging van de gijzeling te vergroten. De risico’s werden zo aanzienlijk geacht dat er rekening mee werd gehouden dat politieambtenaren, militairen en andere ingeschakelde personen slachtoffer zouden worden van de inzet. De minister van Justitie ondertekende in de nacht van 10 op 11 juni 1977 een verklaring waarin een uitkering bij overlijden of blijvende invaliditeit van ingezette personen werd toegezegd. 2.38. Om een beeld te krijgen van de situatie in de trein observeerden de politie en de BBE-en de trein voortdurend met videocamera’s, veldkijkers, schaarkijkers, infraroodkijkers en helderheidsversterkers. Ook voerden kikvorsmannen en mariniers nachtelijke verkenningen uit. Daarnaast bevonden zich in de trein zelf enige afluisterapparaten die naar binnen waren gesmokkeld. Deze apparatuur was verstopt in gebruiksvoorwerpen die meermalen door de gegijzelden en de gijzelnemers verplaatst werden in de trein. Zolang de batterijen van de afluisterapparatuur werkten, werden (veelal flarden van) gesprekken door de binnenlandse veiligheidsdienst geregistreerd. Lokalisering van de gesprekken was niet goed mogelijk, omdat niet bekend was waar de gebruiksvoorwerpen met afluisterapparatuur zich exact bevonden en deze bovendien geregeld werden verplaatst. 2.39. Met behulp van zogenoemde bewegingsdiagrammen, aangevuld met informatie verkregen door het afluisteren van de trein, werden conclusies getrokken over de posities van gijzelnemers en gegijzelden in de trein. Hierbij werd een NS-tekening van de trein gebruikt om posities aan te duiden waarbij alle ramen en deuren een nummer hadden gekregen. Met de beschikbare informatie werd het duidelijk dat de trein te verdelen was in gedeelten waar zich slechts gegijzelden enerzijds en slechts gijzelnemers anderzijds ophielden. Deze scheiding van gegijzelden en gijzelnemers vormde de basis van het initiatiefplan. 2.40. Volgens het initiatiefplan zou de hoofdaanval worden uitgevoerd door vijf groepen mariniers onder dekking van laag overvliegende straalvliegtuigen en de inzet van precisieschutters. Door het oorverdovende lawaai en de grote luchtdruk van de overvliegende straaljagers zou, zo was de gedachte, iedereen in de trein verstijven en door de beschieting van de precisieschutters zouden gijzelnemers worden verhinderd om naar de gegijzelden toe te gaan dan wel worden uitgeschakeld. 2.41. Het doel van het initiatiefplan was de gegijzelden te beschermen en te bevrijden en de gijzelnemers aan te houden dan wel indien noodzakelijk uit te schakelen. In het initiatiefplan was het essentieel te bewerkstelligen, dat de gijzelnemers tijdens de hele actie gescheiden zouden blijven van de gegijzelden. Voorkomen moest worden dat de gijzelnemers zich met hun wapens zouden begeven naar en mengen onder de gegijzelden tijdens de beëindiging van de gijzeling in de trein. Van belang was dus om de trein te “compartimenteren”. 2.42. Het initiatiefplan voor de beëindiging van de treinkaping werd op 9 juni 1977 in Gilze-Rijen beoefend met een identiek treintoestel dat ter beschikking was gesteld door de NS. Detailplan voor de precisieschutters 2.43. Het plan hield in dat de precisieschutters alle delen van de trein waar zich gijzelnemers zouden kunnen bevinden, zodanig onder vuur dienden te nemen dat de gijzelnemers zich tijdens de beëindiging van de gijzeling niet zouden kunnen mengen onder de gegijzelden. Deze inzet van de precisieschutters vormde de uitwerking in het plan van de term ‘compartimenteren’ (als eerder genoemd). Daartoe was het noodzakelijk, vooral in de beginfase van de beëindiging, zoveel mogelijk vuur uit te brengen op vooraf vastgestelde posities, te weten de plaatsen waar gijzelnemers werden vermoed. Tegelijkertijd zouden de mariniers, onder dekking van het vuur van de precisieschutters, zich verplaatsen naar de trein. 2.44. Vier precisieschutters (bewapend met een HK-geweer) zouden vanuit een westelijke opstelling de trein bewaken en kregen opdracht het vuur alleen te openen op de benen van vluchtende gijzelnemers. Twee precisieschutters (bewapend met een FAL-geweer) zouden vanuit een noordelijke opstelling de kop van de trein onder vuur nemen. Het merendeel van de precisieschutters (bewapend met 19 FAL-geweren en 4 MAG-mitrailleurs) zouden vanuit een oostelijke opstelling de lengte van de trein onder vuur nemen. 2.45. Op het moment waarop de eerste marinier aan zou komen bij de kop van de trein zouden de mitrailleurschutters opdracht krijgen het vuur te staken. Zodra de mariniers de aan de westzijde van de trein gelegen treindeuren zouden bereiken, zouden de precisieschutters het vuren op de deuren staken en het vuren bij de ramen verleggen naar de bovenzijde van de trein. Vlak voordat de mariniers de trein zouden binnendringen, zou het vuren op de trein geheel gestaakt worden. 2.46. Voor de precisieschutters werden twee soorten geweldsgebruik onderscheiden: het vuren op vastgestelde treindelen én het vuren op zichtbare gijzelnemers. Voor het vuren op de trein was exact bepaald welke posities onder vuur genomen moesten worden met welke wapens. Voor het vuren op zichtbare gijzelnemers gold dat de precisieschutters vluchtende gijzelnemers buiten gevecht moesten stellen door hen zo mogelijk in de benen te schieten. 2.47. De opdracht van de precisieschutters werd aldus samengevat: “In opdracht van LPD uitvoeren van een constante waarneming van de trein en verlenen van vuursteun aan de BBE-M, volgens de richtlijnen van het crisiscentrum d.m.v. het uitschakelen van T’s [lees: gijzelnemers, rechtbank] tijdens de acties van de BBE-M en het buiten gevecht stellen van vluchtende T’s door hen, indien mogelijk door de benen te schieten.” Detailplan voor de mariniers 2.48. Het plan hield in dat de mariniers, onder dekking van het vuur van de precisieschutters, met vijf groepen achter elkaar lopend, zich vanuit noordelijke richting zouden verplaatsen naar de trein, vervolgens de trein vanaf westelijke zijde op vijf plaatsen tegelijkertijd zouden binnen dringen en de gijzeling zouden beëindigen. 2.49. De vijf mariniersgroepen kregen daarin elk een afzonderlijke taak: 1. de eerste groep zou binnendringen bij positie 39 en linksom en rechtsom de trein zuiveren; 2. de tweede groep zou binnendringen bij positie 30 en linksom de trein zuiveren; 3. de derde groep zou binnendringen bij positie 25 en linksom de trein zuiveren; 4. de vierde groep zou binnendringen bij positie 15 en linksom en rechtsom gegijzelden bevrijden. De pelotonscommandant van de mariniers zou zich tijdens de actie in de directe omgeving van deze groep bevinden en instructies geven aan de daar vermoede (enkel) vrouwelijke gegijzelden; en 5. de vijfde groep zou binnendringen bij positie 5 en linksom de kop van de trein zuiveren. De opvolgend pelotonscommandant van de mariniers zou zich tijdens de actie in de directe omgeving van deze groep bevinden en instructies geven aan de daar vermoede (enkel) mannelijke gegijzelden. 2.50. De opdracht aan de mariniers werd aldus samengevat: “Het op bevel van de LPD, via een afgesproken codewoord, uitvoeren van een gecombineerde aanval op het treinstel vanuit noordwestelijke en westelijke richting, via de onderzijde van het talud aan de westzijde van de spoordijk, teneinde de gijzelaars te beschermen en te bevrijden, de terroristen aan te houden c.q. indien noodzakelijk uit te schakelen, e.e.a. in het kader van een nood- of initiatiefplan.” 2.51. Voor de mariniers waren er naast de gedetailleerde beschrijving van het geplande verloop van de actie ook enkele expliciete aanwijzingen over geweldsgebruik opgenomen in het plan: 1. wanneer gegijzelden op de portalen duidelijk zichtbaar zouden zijn, mochten geen springramen geplaatst worden maar zou moeten worden uitgeweken naar het eerstvolgende portaal; 2. wanneer gijzelnemers op de portalen tijdens de aanval zichtbaar zouden zijn, zou m.b.v. een uzi een vuurstoot door onderzijde deur worden gegeven; 3. uzi’s zouden enkelschots opereren. Alleen uzi’s voor het schieten door onderzijde deuren mochten automatisch vuren. Daarnaast kregen de mariniers van groep 5 (binnendringen in de kop van de trein) in het initiatiefplan als enigen uitdrukkelijk autorisatie om automatisch te vuren; 4. indien gijzelnemers zich duidelijk waarneembaar zouden overgeven, mocht niet op hen worden gevuurd, maar zou de krijgsgevangenen-procedure worden toegepast. Deze procedure bestond uit achtereenvolgens ‘ontwapenen’, ‘boeien’, ‘scheiden’ en ‘afvoeren’; 5. noise-granaten mochten alleen worden gebruikt indien op weerstand zou worden gestuit en mochten niet worden gebruikt in de compartimenten van de gegijzelden; en 6. de pelotonscommandant en opvolgend pelotonscommandant van de mariniers waren in het bezit van elk één aanvalshandgranaat als afschrikkingsmiddel, enkel te gebruiken buiten de trein. Bewapening precisieschutters en mariniers 2.52. Het standaardwapen van de precisieschutters was het HK-geweer (kaliber 5.56 mm). De precisieschutters van de BBE-K werden evenwel uitgerust met hun oude standaardwapen, het FAL-geweer (kaliber 7.62 mm). Het FAL-geweer heeft een langere dracht, een beter doordringingsvermogen en de mogelijkheid pantserdoorborende munitie te verschieten. Het FAL-geweer van de BBE-K schoot als precisiewapen niet automatisch maar schot voor schot. Om in de allereerste fase van de actie een sterk geconcentreerd snelvuur op diverse aangewezen punten van de trein uit te kunnen brengen, werd op het laatste moment de bewapening van de precisieschutters aangevuld met MAG-mitrailleurs. De MAG-mitrailleur kon dezelfde munitie verschieten als het FAL-geweer maar met een veel grotere vuursnelheid. Het FAL-geweer van de BBE-K zou, na kleine aanpassingen aan het wapen, ook wel automatisch hebben kunnen schieten, maar dan werd de spreiding mogelijk groter dan bij een MAG-mitrailleur. 2.53. In de ochtend van 10 juni 1977 bleken de aangewezen mitrailleurschutters bij de test op een schietbaan niet nauwkeurig genoeg te schieten. Binnen enkele uren werden andere mitrailleurschutters (winnaars van militaire schietwedstrijden) geselecteerd, op schietnauwkeurigheid getest, (psychisch) goedgekeurd en gereed gesteld. In de loop van de avond kwamen deze schutters aan bij de trein. 2.54. De persoonlijke bewapening van de mariniers bestond tijdens de actie uit òf een uzi òf een revolver. Met een uzi wordt bedoeld een pistoolmitrailleur (kaliber 9
  3. mm)geschikt voor het gevecht op de korte afstand en ook te gebruiken om, indien nodig, door de wanden van de trein heen te schieten. De revolver kon ‘hollow point’ munitie verschieten. Op 28 mei 1977 werd schriftelijk toestemming verleend aan de mariniers om hollow point munitie te gebruiken. Met het gebruik van hollow point munitie tijdens de beëindiging van de gijzeling, welke munitie in het lichaam blijft steken, was beoogd de mogelijkheid te hebben een gijzelnemer uit te schakelen zonder de gegijzelden te verwonden (ten gevolge van een doorschot). 2.55. In het initiatiefplan werd nauwkeurig vastgelegd welke marinier welk persoonlijk wapen ter beschikking zou krijgen tijdens de beëindiging van de gijzeling. Iedere mariniersgroep had zowel revolver- als uzi-schutters. Alleen mariniersgroep 5, die de kop van de trein met daarin naar verwachting vier gijzelnemers waaronder de leider van de gijzelnemers, moest binnendringen, werd geheel met uzi’s bewapend. 2.56. Naast de persoonlijke bewapening hadden enkele mariniers ook een noise-granaat ter beschikking. Deze granaat veroorzaakte een luide knal, waardoor omstanders korte tijd gedesoriënteerd werden. Verder beschikten alleen de commandant en de opvolgend commandant van het marinierspeloton elk over een aanvalshandgranaat die een zeer zware knal en drukgolf veroorzaakte en niet zonder gevaar voor met name gehoorbeschadiging in besloten ruimtes kon worden gebruikt. Goedkeuring initiatiefplan 2.57. Op 8 juni 1977 werd het initiatiefplan met daarin ook expliciete aanwijzingen over het geweldgebruik door precisieschutters en mariniers besproken met en goedgekeurd door het beleidscentrum. De consequentie dat waarschijnlijk alle gijzelnemers zouden worden gedood, werd geaccepteerd. Het plan werd dan ook beschouwd als “uiterste redmiddel”. 2.58. Het initiatiefplan werd op 9 juni 1977 ook uitvoerig besproken met de betrokken bewindspersonen. In de middag van 10 juni 1977 kwamen secretaris-generaal Mulder van het ministerie van justitie en procureur-generaal Van der Feltz tot de conclusie dat enkel nog een gewelddadige bevrijding restte. Op 10 juni 1977 om even voor elf uur ‘s avonds kreeg de procureur-generaal het bericht dat het ministersberaad groen licht had gegeven voor de actie. Uitvoering van de bevrijdingsoperatie 2.59. Vlak voor middernacht gaf de coördinator van de bijzondere bijstandseenheden het bericht aan de commandanten van de precisieschutters en de mariniers dat de actie ter beëindiging van de gijzeling op 11 juni 1977 om 04:45 uur zou plaatsvinden. 2.60. Bij aanvang van de operatie werden de volgende posities van de gijzelnemers en gegijzelden in de trein verondersteld: westzijde trein oostzijde trein posities 7 tot en met 14: mannelijke gegijzelden postities 16 tot en met 21: vrouwelijke gegijzelden positie 32 of 33: één gijzelnemer positie 22 en 23: drie gijzelnemers positie 15: één gijzelnemer positie 1: één gijzelnemer positie 3 en 4: twee gijzelnemers positie 5: één gijzelnemer 2.61. Vlak voordat de gijzelnemers en de gegijzelden de aanvliegende straaljagers konden horen, werd om 04:54 uur door de precisieschutters het vuur op de trein geopend. Twee precisieschutters (uitgerust met FAL geweer) gaven vanuit een noordelijke opstelling vuur af op de kop van de trein, die zich aan Groningse zijde bevond. 2.62. Andere precisieschutters (negentien FAL-schutters en vier MAG-schutters) gaven vanuit een oostelijke opstelling vuur af op de vooraf bepaalde delen van de trein. 2.63. Volgens het plan beschikte iedere FAL-schutter over 360 patronen 7.62 mm en iedere MAG-schutter over 600 patronen 7.62 mm. Vier precisieschutters (uitgerust met een HK geweer) bewaakten de trein vanuit een westelijke opstelling. Zij hadden opdracht het vuur te openen op vluchtende gijzelnemers. Omdat tijdens de beëindiging van de gijzeling de gijzelnemers de trein niet ontvluchtten, hebben zij hun vuurwapens niet gebruikt. 2.64. Van 04:55 uur tot 04:58 uur - vlak nadat de precisieschutters vanuit de oostelijke opstelling het vuur hadden geopend - vlogen zes straaljagers elk drie keer zeer laag over de trein heen. Gedurende drie minuten kwam gemiddeld iedere tien seconden met oorverdovend lawaai een straaljager over de trein. Tijdens deze schijnaanvallen simuleerde een kikvorsteam inslagen van vliegtuigbommen door explosieven naast de trein tot ontploffing te brengen. 2.65. Onder dekking van het precisievuur en de schijnaanvallen verlieten de mariniers rond 04:55 uur hun gedekte posities en naderden de vijf mariniersgroepen achter elkaar aanlopend de trein vanuit noordelijke richting via het talud van het spoor. Op het moment dat de eerste marinier aankwam bij de kop van de trein staakten de MAG’s het vuren op de toegewezen posities van de trein. Zodra de mariniers de deuren van de trein bereikten (omstreeks 05:01 uur), staakten de FAL’s het vuren op de deuren en verlegden zij het vuur bij de ramen naar de bovenzijde van de trein. Nadat mariniers van de achterste groep (groep 5) naast de trein met hun uzi enkele vuurstoten door de treinwand gaven op locaties waar zij gijzelnemers verwachtten (positie 3 en 4), staakten om 05:02 uur (vlak voordat de explosieven tegen de deuren van de trein tot ontploffing werden gebracht) alle FAL’s het vuren op de trein. 2.66. De eerste mariniersgroep bestaande uit zeven mariniers is, na het forceren van de deur van portaal 39, de trein binnengedrongen en heeft zich in tweeën gespitst; het ene deel sloeg linksaf en het andere rechtsaf. De eerste mariniersgroep heeft, als verwacht, geen gijzelnemers aangetroffen. 2.67. De tweede mariniersgroep bestaande uit vijf mariniers drong via portaal 30 de trein binnen en sloeg linksaf. Zij stuitten op [gijzelnemer 2] . 2.68. De derde mariniersgroep bestaande uit vijf mariniers drong de trein binnen via portaal 25 en sloeg linksaf. De mariniers stuitten in de eerste coupé op twee gijzelnemers: [gijzelnemer 9] (die was overleden) en [gijzelnemer 8] (die gewond was). In de tweede coupé stuitten zij op gijzelnemers [gijzelnemer 3] (die was overleden) en [gijzelnemer 5] (die ongedeerd was en zich overgaf). 2.69. De vierde mariniersgroep bestaande uit tien mariniers, drong de trein binnen via portaal 15. Enkele mariniers gingen rechtsaf, en enkelen linksaf. Vanuit portaal 15 in de coupé van de vrouwelijke gegijzelden werd geschoten door [gijzelnemer 4] op de eerste marinier die daar binnenkwam. De mariniers schoten terug. Het werd een chaos in de coupé, twee gegijzelden werden getroffen (waarvan één mannelijke gegijzelde dodelijk), er is een handgranaat in de coupé gegooid door de mariniers en [gijzelnemer 4] trok een vrouwelijke gegijzelde omhoog en schoot op haar waardoor zij gewond raakte. Na de explosie van de handgranaat kon [gijzelnemer 4] onder schot worden genomen en gaf hij zich over. 2.70. De vijfde mariniersgroep, bestaande uit vijf mariniers, drong de trein binnen via portaal 5, waar zij vier gijzelnemers verwachtten aan te treffen. Het betrof de kop van de trein. De mariniers zijn linksafgeslagen in de richting van de verduisterde coupes. In één van de coupes bevonden zich [gijzelnemer 6] en [gijzelnemer 7] . In een andere verduisterde coupé troffen zij [gijzelnemer 1] aan. In de machinistencabine bevonden zich geen gijzelnemers. 2.71. Bij de beëindiging van de gijzeling in de trein kwamen, zoals hiervoor reeds is opgenomen, twee van de 51 gegijzelden om, zes gegijzelden en een gijzelnemer liepen verwondingen op. Twee mariniers raakten gewond. Van de negen gijzelnemers kwamen er zes om het leven, waaronder dus [gijzelnemer 1] en [gijzelnemer 2] . Onderzoek aan en overdracht van de stoffelijke overschotten 2.72. Op 11 juni 1977 heeft dr. [dr C] autopsie verricht op het lichaam van [gijzelnemer 1] . Zijn autopsierapport d.d. 22 juni 1997 (hierna: het autopsierapport van [dr C] ) vermeldt onder meer het volgende: “E. SAMENVATTING EN BESCHOUWING. - In - en uitwendig onderzoek van het lijk van [gijzelnemer 1] toonde aan dat diverse schotwonden konden worden aangetoond waarvan voor het overgrote deel de kogelbanen in de lengte van het lichaam verliepen. In het hoofd, de rechter lies, de linker kuit en de rechter bil werden schotwonden gezien die verliepen van caudaal naar craniaal. In de linker bil, de rechter bil en het rechter bovenbeen werden schotwonden gezien die verliepen van craniaal naar caudaal. Slechts één schotwond aan de linker zijde van de knie verliep loodrecht op de lichaamslengte. Van de bovengenoemde verwondingen was de belangrijkste verwonding de wond die via een inschotopening boven het linker sleutelbeen toegang verschafte tot de borstholte. Hier had een kogel zich via het hartezakje toegang verschaft tot in het rechter hart, zich via het harttussenschot een weg gebaand door de wand van de linker hartkamer en was via de middenrif, de linker leverkwab, het pancreas, het mesocolon en de twaalfvingerige darm tot in de buikholte gekomen. De mogelijkheid bestaat dat de kogel die deze verwondingen had veroorzaakt via het defect in de rechter lies het lichaam weer had verlaten aangezien een projektiel niet kon worden aangetoond in de buikholte en evenmin op de röntgen foto te vinden was. Bovengenoemde verwonding had een grote bloeding in de linker borstholte veroorzaakt en een iets geringere bloeding in de buikholte. Deze bloedingen moeten evenals de verwoesting van de hartspier beschouwd worden als direkte doodsoorzaak. Waarschijnlijk vrijwel tegelijk met het projektiel dat deze verwondingen had veroorzaakt was een tweede projektiel afgeschoten dat aan de linkerzijde naast het borstbeen ter hoogte van de derde rib werd gevonden onderhuids. Voorts werd een verwonding aangetroffen in de linker wang die veroorzaakt was door een kogel die kon worden teruggevonden net onder de huid ter linker zijde van de schedel. Dit schot had geen dodelijke verwonding veroorzaakt. Van het, schot in de rug dat één van de vleugels van de lendenwervels had beschadigd kon het projektiel niet worden teruggevonden, mogelijk is het via het wervellichaam teruggekaatst en uit de wond. gerold. De overige verwondingen bevonden zich in de billen, liezen en benen. Een deel van deze verwondingen was veroorzaakt door kogels die meteen het lichaam weer hadden verlaten zoals in de rechter bil ende linker kuit. De kogel die de wond in de achterzijde, van het rechter bovenbeen had veroorzaakt kon worden teruggevonden tegel het bot van het bovenbeen. Van de overige verwondingen konden geen kogels worden aangetroffen. Uit de röntgen foto’s bleek dat geen projektielen waren achtergebleven. Op grond van het bovenstaande komt ondergetekende tot de F. KONKLUSIE dat [gijzelnemer 1] is overleden aan een schotwond die via de inschot opening boven het linker sleutelbeen verwonding van het hart had veroorzaakt met vervolgens een verwonding van het middenrif, lever, pancreas en de twaalfvingerige darm. De verwonding in het hart had aanleiding gegeven tot een grote bloeding in de linker borstholte. Deze bloeding evenals de sterke beschadiging van de hartspier waren direkte oorzaken voor het intreden van de dood.” 2.73. Op 11 juni 1977 heeft dr. [dr D] autopsie verricht op het lichaam van [gijzelnemer 2] . Zijn autopsierapport d.d. 23 juni 1977 (hierna: het autopsierapport van [dr D] ) vermeldt onder meer het volgende: “F. SAMENVATTING EN BESCHOUWING. Bij uit- en inwendige schouwing van het lijk van [gijzelnemer 2] werd een groot aantal verwondingen aangetroffen die voor het overgrote deel door afgeschoten kogels veroorzaakt zijn. De belangrijkste verwondingen zijn die aan de schedel achter het rechter oor

(2), aan de voorzijde rechts onder de ribbenboog
(8), in de rechter lies
(10)en in de rechter grote schaamlip
(11). Deze verwondingen zijn alle veroorzaakt door kogels die vanuit een lage positie rechts voor zijn afgeschoten, zij het dat de positie niet steeds dezelfde was daar de banen niet geheel evenwijdig lopen. De wond achter het rechter oor is veroorzaakt door een kogel (VII) die de hersenen van rechts naar links omhoog doorboord heeft. Hoewel mogelijk niet direkt dodelijk, heeft deze verwonding zeker bewusteloosheid tengevolge gehad. De verwonding onder de rechter ribbenboog
(8)was te vervolgen schuin omhoog naar achter tot boven het linker schouderblad. Voor de verwonding in de linker flank
(9)werden geen inwendige verwondingen van een kogelbaan aangetroffen, zodat mag worden aangenomen dat een hier intredend projektiel tegen de ribbenboog tot stilstand is gekomen en weet naar buiten is gevallen; de ribben bleken hier bij röntgen kontrole niet gebroken te zijn. (…) G. KONKLUSIE Op grond van bovenstaande komt ondergetekende tot de konklusie dat [gijzelnemer 2] is overleden aan de direkte gevolgen van op haar inwerkend geweld tengevolge van het afschieten van projektielen. Het projektiel dat verantwoordelijk moet worden geacht voor het intreden van de dood werd links achter in de hals teruggevonden, en had na intreden onder de rechter ribbenboog het hart en de linker longader verscheurd met als direkt gevolg inwendige verbloeding. In de schedel werd een kogel aan getroffen die was ingetreden achter het rechter oor, en die door verwonding van de hersenen mogelijk niet direkt de dood, maar wel bewusteloosheid veroorzaakt moet hebben. De volgorde waarin de schoten het lichaam getroffen hebben was niet vast te stellen.” 2.74. Na de autopsies zijn de lichamen van [gijzelnemer 1] en [gijzelnemer 2] , in opdracht van de officier van justitie en nadat de gebruikelijke zorg was verleend, nog dezelfde dag vrijgegeven en ter beschikking gesteld van de nabestaanden. De overdracht aan de families is gedaan aan de vertegenwoordiger van de Emmer Begrafenis Onderneming en vond plaats op maandag 13 juni 1977. De volgende dag zijn de overleden gijzelnemers ter aarde besteld. 2.75. De kisten waren verzegeld en voorzien van een lange glasruit of een kijkvenster. De lichamen waren van nette kleding voorzien en eventuele wonden aan het gezicht waren bijgewerkt. Niet zichtbaar was of de lichamen ten gevolge van schoten waren verwond, tenzij men de kisten geopend zou hebben. 2.76. Op 3 januari 1978 heeft de gerechtelijk deskundige ing. [ing. E] (hierna: [ing. E] ) een rapport uitgebracht “betreffende een onderzoek van projectielen, aangetroffen in de lichamen van de slachtoffers, in verband met de gewelddadige dood van de slachtoffers tijdens de bevrijding van de gegijzelden in de trein te Glimmen (De Punt)” (hierna: het rapport van [ing. E] ). Dit onderzoek richtte zich onder meer op de in de lichamen van [gijzelnemer 1] en [gijzelnemer 2] aangetroffen projectielen en schootsbanen. Strafrechtelijke procedure 2.77. Na de beëinding van de gijzeling is een strafrechtelijk onderzoek gestart tegen de nog levende gijzelnemers [gijzelnemer 4] , [gijzelnemer 5] en [gijzelnemer 8] . Hen is wederrechtelijke vrijheidsberoving tenlaste gelegd, het doen voortduren van die vrijheidsberoving en verboden wapenbezit. 2.78. Bij vonnis van 22 september 1977 heeft de rechtbank Assen de verdachten veroordeeld tot gevangenisstraffen variërend van zes tot negen jaren voor het “medeplegen van opzettelijke vrijheid beroving”, meermalen gepleegd en “het medeplegen van overtredingen van de vuurwapenwet”, meermalen gepleegd. Tegen het vonnis is door de veroordeelden en het Openbaar Ministerie geen hoger beroep ingesteld. Informatieverstrekking inzake doodsoorzaak 2.79. Bij de ouders van de omgekomen gijzelnemers leefde sinds de begrafenis de wens om de doodsoorzaak van hun kinderen te weten te komen. Zij hebben daarom via een advocaat verzocht om inzage in de autopsierapporten. Dit verzoek werd gedaan door mr. [advocaat 1] (hierna: mr. [advocaat 1] ) bij brief van 30 januari 1978, waarin onder meer is vermeld: “Thans zal ik trachten hieronder kort te motiveren welk belang onze cliënten hechten aan inzage in de eerder genoemde sectie rapporten. Daarbij zou ik allereerst willen opmerken dat mijns inziens, ouders, in het algemeen gesproken, altijd een recht hebben om te weten wat de doodsoorzaak is geweest van hun kinderen op welke wijze deze ook zijn omgekomen. Onze cliënten hebben de indruk gekregen, enerzijds uit geruchten anderzijds uit datgene wat zij konden waarnemen toen zij de overledenen in de lijkkisten aanschouwden, dat de lichamen van de overledenen ernstig waren beschadigd. Onze cliënten, die voor het merendeel een militaire opleiding functie en ervaring hebben gehad, hebben in hun leven vele doden die tengevolge van een vuurgevecht om het leven kwamen, van nabij gezien. Het is hun bekend welke schade projectielen kunnen aan richten. In casu menen zij de gevolgtrekking te moeten maken dat hier onnodig en zwaar geweld tegen hun zonen en dochter is gebruikt en dat mogelijk de ontzielde lichamen meer of minder ernstig verminkt waren. Door het uitblijven van de inzageverlening worden deze geruchten uitsluitend nog gevoed. Als gevolg hiervan bestaat er in de Zuid Molukse gemeenschap in Assen en Bovensmilde ontevredenheid en onrust. Een bespreking […] van deze sectierapporten met de ouders van de betrokkenen kan en zal een apaiserende uitwerking hebben […] Ik moet mij te dezer zake alle rechten voorbehouden wanneer op dit verzoek niet positief zou kunnen worden gereageerd.” 2.80. Op 24 april 1978 meldde de loco-secretaris-generaal van Justitie namens minister van Justitie De Ruiter aan mr. [advocaat 1] dat het verzoek tot kennisneming van de rapporten niet voor inwilliging in aanmerking kwam. Wel heeft de minister van Justitie aan de directeur van het Gerechtelijke Geneeskundig Laboratorium, dr. [F] , gevraagd om met een door de betrokken ouders aangewezen vertrouwensarts de rapporten te bespreken. In juni 1978 besprak dr. [F] deze rapporten, met de totstandkoming waarvan hij niet zelf betrokken is geweest, met de door de ouders aangewezen Molukse arts dr. [ dr. B] . Laatstgenoemde heeft vervolgens onder meer de ouders van [gijzelnemer 1] en [gijzelnemer 2] gesproken over zijn gesprek met [F] . 2.81. In juni 2013 werd “Air Mata Kebenaran, Het drama van de Punt” gepubliceerd, een reconstructie opgesteld door journalist J. [journalist] (hierna: [journalist] ) en (één van de gijzelnemers) [gijzelnemer 8] . Het rapport ziet op de aard en omvang van het geweld in de trein, aan de hand van de autopsierapporten van (onder meer) de gijzelnemers en gegijzelden, alsmede het rapport van [ing. E] . Deze autopsierapporten en het rapport van [ing. E] zijn door de autoriteiten nooit vrijgegeven; [journalist] heeft hierop zelf de hand weten te leggen. Ook de Volkskrant deed onderzoek in de archieven van het ministerie van Justitie naar “De Punt” en publiceerde in november 2013 de bevindingen van dit onderzoek. 2.82. Naar aanleiding van de onder 2.81 genoemde publicaties heeft de vaste Kamercommissie voor Defensie 32 vragen gesteld. Ter beantwoording daarvan hebben de minister van Justitie en Veiligheid en de minister van Defensie op 20 december 2013 een archiefonderzoek gelast naar de beëindiging van de treinkaping bij De Punt. Daartoe is een ambtelijke werkgroep opgericht, bestaande uit medewerkers van het ministerie van Veiligheid en Justitie en het ministerie van Defensie. Daarnaast zijn drie externe deskundigen bij het onderzoek betrokken, om toe te zien op de volledigheid en zorgvuldigheid van het onderzoek. Het betreft mr. [externe deskundige 1] (destijds senior rechter bij de rechtbank Rotterdam en oud-voorzitter van de Raad voor de Rechtspraak), prof. dr. [extern deskundige 2] (destijds emeritus-hoogleraar parlementaire geschiedenis) en Luitenant-generaal b.d. [extern deskundige 3] (destijds voormalig inspecteur-generaal der krijgsmacht), hierna: de externe deskundigen. In het kader van het Archiefonderzoek heeft het Nederlands Forensisch Instituut (NFI) een Aanvullend dossieronderzoek naar aanleiding van de beëindiging van de treinkaping in De Punt op 11 juni 1977 verricht. Het naar aanleiding van dat aanvullend onderzoek opgemaakte rapport is op 5 september 2014 uitgebracht (hierna: het NFI-rapport). 2.83. Gedurende bedoeld archiefonderzoek hebben eisers zich bij brief van 11 februari 2014 aan de minister van Justitie en Veiligheid het recht voorbehouden om een schadevergoeding van de Staat de vorderen. In die brief is door eisers vermeld dat de autopsierapporten lijken uit te wijzen dat er sprake is geweest van het executeren van treinkapers. Volgens eisers heeft de Staat de waarheid over de aard en omvang van het op 11 juni 1977 toegepaste geweld bewust niet naar buiten gebracht en: “zou er sprake zijn geweest van misleidende en/of onjuiste informatieverstrekking. Indien juist, dan zijn de nabestaanden en slachtoffers jarenlang in het ongewisse gelaten over wat er toen daadwerkelijk is gebeurd”. 2.84. Bij brief van 5 november 2014 hebben de advocaten van (onder meer) eisers de minister van Veiligheid en Justitie aansprakelijk gesteld voor het “executeren, dan wel doodschieten dan wel ernstig verwonden van hun zoon, broers en zus op 11 juni 1977”. 2.85. Bij brief van 19 november 2014 hebben de minister van Veiligheid en Justitie en de minister van Defensie het “Verslag van een archiefonderzoek naar de treinkaping bij De Punt in 1977” (hierna: het Archiefonderzoek) aangeboden aan de Voorzitter van de Tweede Kamer. In die brief is, onder meer, het volgende vermeld: “Zij [drie externe deskundigen] hebben het archiefonderzoek nauwgezet gevolgd en hebben ons laten weten dat het naar hun oordeel volledig en zorgvuldig is uitgevoerd en dat de conclusies die in het verslag worden getrokken worden gesteund door het onderzochte materiaal”. 2.86. Bij brief van 9 februari 2015 is namens de Staat gereageerd op de aansprakelijk-stelling door (onder anderen) eisers. De Staat heeft zich op het standpunt gesteld dat er geen sprake is geweest van onrechtmatig handelen en hij acht zich om die reden niet aansprakelijk voor de gestelde schade. Voorts is in die brief, onder verwijzing naar het Archiefonderzoek, een aantal stellingen van eisers weersproken. 2.87. Bij brief van 29 mei 2015 hebben de advocaten van eisers de minister van Veiligheid en Justitie geïnformeerd dat zij een dagvaardingsprocedure zouden starten. 3Het geschil in de beide hoofdzaken 3.1. Eisers vorderen dat de rechtbank, bij voor zover mogelijk uitvoerbaar bij voorraad te verklaren vonnis,
  1. i)voor recht zal verklaren dat de Staat onrechtmatig jegens hen heeft gehandeld door de zoon van [eiseres sub 1a] - [gijzelnemer 1] - respectievelijk de zus van [eiser sub 2a] en [eiser sub 1b] - [gijzelnemer 2] - op 11 juni 1977 zonder noodzaak dood te schieten;
  2. ii)de Staat zal veroordelen tot vergoeding van de dientengevolge door eisers geleden en nog te lijden schade, op te maken bij staat en te vereffenen volgens de wet, alsmede iii) de Staat zal veroordelen in de kosten van dit geding. 3.2. Eisers leggen aan hun vordering het navolgende ten grondslag. De mariniers hebben [gijzelnemer 1] en [gijzelnemer 2] geëxecuteerd. [gijzelnemer 1] en [gijzelnemer 2] zijn immers van nabij doodgeschoten op een moment waarop zij, als gevolg van de ernstige verwondingen die zij hadden opgelopen ten gevolge van de inleidende beschietingen van de precisieschutters, reeds - kenbaar - uitgeschakeld waren en geen bedreiging meer konden vormen voor de mariniers en de gegijzelde passagiers. Dit terwijl de mariniers een concrete mogelijkheid hadden om hen te arresteren. Eisers benadrukken daarbij dat vast gesteld kan worden dat [gijzelnemer 1] en [gijzelnemer 2] ongewapend waren en dat dat voor de mariniers zeker in het geval van [gijzelnemer 2] , die immers schaars gekleed was, ook kenbaar moet zijn geweest. De handelwijze van de mariniers, die aan de Staat moet worden toegerekend, levert een onrechtmatige daad van de Staat op, aldus eisers, om de hierna volgende redenen. 3.3. Allereerst heeft de Staat volgens eisers gehandeld in strijd met artikel 2 van het Europees Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden (EVRM), waarin de bescherming van “het recht op leven” is vastgelegd, en welk artikel een onderzoeksverplichting op de Staat legt. Het doodschieten van [gijzelnemer 1] en [gijzelnemer 2] was niet absoluut noodzakelijk en disproportioneel. Uit de autopsierapporten en het rapport van [ing. E] blijkt dat [gijzelnemer 1] en [gijzelnemer 2] , nadat zij tijdens de voorbeschietingen waren doorzeefd met kogels en als gevolg daarvan reeds voor de mariniers kenbaar waren uitgeschakeld, door de mariniers alsnog van nabij zijn beschoten, met hun dood tot gevolg. Bovendien is er geschoten met Hollow Point 5-munitie; munitie die uitzet in het lichaam. Deze handelwijze dient te worden gekwalificeerd als intentional killing, oftewel executie. Dat is in strijd met artikel 2 EVRM. 3.4. Voorts is het optreden van de mariniers volgens eisers in strijd met de op schrift gestelde geweldsinstructie zoals die in het kader van de beëindiging van de gijzeling door de autoriteiten aan de mariniers is verstrekt. Het betreft de geweldsinstructie die is vervat in het initiatiefplan van 8 juni 1977 (hierna: de geweldsinstructie). De opdracht aan de mariniers was immers de gijzelnemers zo mogelijk aan te houden, niet om hen te executeren. De mariniers hebben in strijd met die opdracht gehandeld, om redenen als in hiervoor overweging 3.2. genoemd. 3.5. Indien, zoals de Staat betoogt, geweldsinstructie aldus moet worden uitgelegd dat gijzelnemers die zich niet duidelijk waarneembaar overgaven, onder alle omstandigheden gedood mochten worden, dan is die geweldsinstructie volgens eisers op zichzelf strijdig met artikel 2 EVRM en heeft de Staat om die reden onrechtmatig gehandeld. 3.6. Dat laatste geldt ook, zo stellen eisers ten slotte, voor het geval komt vast te staan dat de mariniers hebben gehandeld op grond van de volgens eisers tijdens een briefing van de mariniers heimelijk gegeven geweldinstructie (hierna: de gestelde heimelijke geweldsinstructie). Die heimelijke instructie zou hebben geluid dat het de wens van de regering was dat geen enkele gijzelnemer het zou overleven, althans in ieder geval leider [gijzelnemer 1] en de enige vrouwelijke gijzelnemer [gijzelnemer 2] niet. 3.7. Eisers stellen als gevolg van het door de Staat onrechtmatig handelen jegens zowel henzelf, als, zo hebben zij toegevoegd, jegens [gijzelnemer 1] en [gijzelnemer 2] , zowel materiële als immateriële schade te hebben geleden die voor vergoeding in aanmerking komt. De materiële schade bestaat uit de weggevallen inkomsten in de gezinnen waarvan eisers deel uitma(a)k(t)en. Ondanks dat de ouders van [gijzelnemer 1] en [gijzelnemer 2] inkomsten uit arbeid genoten, was het noodzakelijk dat de (oudere) kinderen, ook [gijzelnemer 1] en [gijzelnemer 2] , financieel bijdroegen aan de gezamenlijke huishouding, zoals zij dat deden vóór hun overlijden. Dit gebeurde op grond van het Molukse culturele principe genaamd ‘tali persaudaraan’ (‘de trouw van de broederschap’), inhoudende dat familiebanden worden gerespecteerd en familie elkaar helpt en ondersteunt, ook in financie zin. De immateriële schade is een vorm van genoegdoening waar eisers stellen recht op te hebben. 3.8. De Staat voert verweer. Hij bestrijdt dat sprake is geweest van executies en een heimelijke instructie daartoe. Volgens de Staat was het toegepaste geweld absoluut noodzakelijk in de zin van artikel 2 EVRM en bovendien proportioneel. Er is niet gehandeld in strijd met de geweldsinstructie. [gijzelnemer 1] en [gijzelnemer 2] hebben zich volgens hem niet duidelijk waarneembaar overgegeven en bovendien hadden de mariniers gedurende de fractie van een seconde waarin zij moesten handelen niet de tijd om vast te stellen of [gijzelnemer 1] en [gijzelnemer 2] inderdaad uitgeschakeld en ongewapend waren. Voorts beroept de Staat zich op verjaring van de vorderingen van eisers. Ten slotte betoogt de Staat dat niet aannemelijk is geworden de mogelijkheid dat eisers rechtens voor vergoeding in aanmerking komende schade hebben geleden. De Staat concludeert tot afwijzing van de vorderingen van eisers. Het geschil in de exhibitieincidenten 3.9. Eisers vorderen bovendien van de Staat op grond van artikel 843a Rv afschrift van: I) een honderdtal foto’s en dia’s met zowel buiten- als binnenopnamen van de trein kort na het einde van de kaping, waaronder opnamen die zien op het stoffelijk overschot van [gijzelnemer 1] en [gijzelnemer 2] en de gedeelten van de trein waarin zij werden aangetroffen, welke opnamen zich onder inventarisnummers 2045-8, 10-13, 16-17 en 70 bevinden in de collectie van het Nederlands Instituut voor Militaire Historie (NIMH) te Den Haag; II) stukken betreffende het afwijzend beslissen op een verzoek van de ouders van de overleden treinkapers om inzage van de sectierapporten en betreffende het gesprek dat directeur-generaal [F] van het Gerechtelijk Laboratorium na inzage van de sectierapporten met de ouders heeft gevoerd, welke stukken zich onder inventarisnummer 192 (collectie Molukse acties) bevinden in het Nationaal Archief te Den Haag; III) de inhoud van dozen 13A en 13C die zich bevinden in het KMar Museum te Buren, waaronder een uitgewerkte bandopname van een geluidsfragment opgenomen door commandant BBE-K; IV) stukken betreffende de inzet van de BBE, het voeren van overleg met stafofficieren die zich onder inventarisnummer 156 (collectie Molukse acties) bevinden in het Nationaal Archief te Den Haag; V) stukken betreffende de treinkaping bij De Punt en schoolkaping te Bovensmilde die zich onder inventarisnummer 886 bevinden in Tresoar te Leeuwarden; VI) stukken betreffende de inzet van de BBE, aanvalsplannen, die zich onder inventarisnummer 155 (collectie Molukse acties) bevinden in het Nationaal Archief te Den Haag; VII) een verslag van 20 juni 1977, opgemaakt door majoor [X] ; VIII) het (volledige) verslag van de reconstructie van de bevrijding van de trein van de Ambtelijke Stuurgroep Terroristische Acties (ASTA) van 20 december 1977, dat zich bevindt in het archief van het ministerie van Veiligheid en Justitie; IX) alle bronnen die ten grondslag hebben gelegen aan het NFI-rapport van 5 september 2014, waaronder de daarin genoemde MP4-bestanden (betreffende de reconstructie) en het origineel van de in het rapport opgenomen foto’s en diagrammen; X) de autopsiedossiers van [gijzelnemer 1] en [gijzelnemer 2] , meer in het bijzonder de foto’s van de stoffelijke overschotten, aantekeningen van de pathologen-anatoom en de diagrammen van de verwondingen en het traject van de projectielen die in de lichamen zijn aangetroffen en XI) de (overige) resultaten van het justitieel onderzoek naar de treinkaping bij De Punt, waaronder in ieder geval de (beeld)opnames die direct na de beëindiging van de treinkaping zijn gemaakt en de verslagen van gesprekken en/of verhoren van bij de beëindiging betrokken personen. Voorts hebben eisers, in navolging van de rechtbank die dienaangaande voorafgaande aan de zitting de Staat reeds een bevel op grond van artikel 22 Rv had gegeven, (bij aanvulling) exhibitie gevorderd van XII) (een transcriptie van) een geluidsband met 3 geluidsfragmenten opgenomen door commandant BBE-M, de commandant BBE-2 en de opvolgende commandant BBE-2 met betrekking tot de inzet van de BBE-M tijdens de actie ter beëindiging van de gijzeling bij De Punt, welke geluidsband zich onder inventarisnummer TO-F-1102 bevindt in de collectie van het NIMH te Den Haag, en eventuele andere geluidsbanden (van mariniers) die zien op de beëindiging van de gijzeling. 3.10. De Staat voert verweer en concludeert, onder overlegging van enkele van de gevorderde stukken, tot afwijzing van de exhibitievorderingen. in de hoofdzaken en in de exhibitieincidenten 3.11. Op de stellingen van partijen zal de rechtbank hierna, voor zover van belang, nader ingaan. 4De beoordeling in de hoofdzaken en de exhibitieincidenten A. Inleiding en samenvatting 4.1. De rechtbank is zich ervan bewust dat de gijzeling en de beëindiging daarvan beladen zijn. Daarmee zijn ook deze civiele zaken beladen. Dat zal in de eerste plaats zonder meer gelden voor de nabestaanden van de twee bij deze beëindiging omgekomen passagiers, [passagier 1] en [passagier 2] , en ook voor de overige passagiers die gedurende drie angstige weken in de trein gegijzeld zijn geweest. Het geldt evenzeer, vanuit een geheel ander perspectief, voor eisers als de nabestaanden van twee omgekomen gijzelnemers. Zij menen dat ook nabestaanden van personen die misdrijven hebben begaan, het recht hebben deze omstandigheden te kennen en onrechtmatigheid van gewelddadig overheidsoptreden door de rechter vast te laten stellen. Voorts heeft de Staat op zijn beurt over het voetlicht gebracht wat de zaak betekent voor degenen die de beëindiging van de gijzeling hebben uitgevoerd, in het bijzonder de betrokken mariniers die daarbij hun leven in de waagschaal hebben gelegd. Ook, zo is de rechtbank in deze procedure reeds gebleken, heeft de zaak sterke gevoelens opgewekt onder degenen die weliswaar niet direct betrokken waren bij (de beëindiging van) de gijzeling, maar zich levend herinneren de periode waarin Nederland gedurende drie weken in de ban was van deze gijzeling en de gelijktijdige gijzeling in de basisschool te Bovensmilde. 4.2. De rechtbank ziet zich in deze zaak allereerst voor de vraag gesteld of de rechtmatigheid van de beëindiging van de gijzeling nog wel ter toetsing aan de rechter kan worden voorgelegd. De vorderingen van eisers zijn, en daarover is geen discussie tussen partijen, inmiddels verjaard. De rechtbank is echter met eisers van oordeel dat het beroep van de Staat op verjaring naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid onaanvaardbaar is. De Staat kan zich dan ook niet met succes op verjaring beroepen, zoals verderop in dit vonnis zal worden toegelicht. De rechtbank komt daarmee toe aan een inhoudelijke beoordeling van de vraag of de beëindiging van de gijzeling onrechtmatig is geweest. De rechtbank dient die inhoudelijke beoordeling te geven in een spanningsveld waarin enerzijds eisers stellen dat [gijzelnemer 1] en [gijzelnemer 2] zonder noodzaak zijn gedood en hadden moet worden aangehouden – eisers betitelen dit als een executie - en waarin anderzijds de Staat aanvoert dat degenen die de beëindiging succesvol hebben uitgevoerd, met name de mariniers, ten onrechte in het beklaagdenbankje worden gezet. De beëindiging van de gijzeling is volgens de Staat juist op zorgvuldige wijze geschied; [gijzelnemer 1] en [gijzelnemer 2] hebben zich niet duidelijk waarneembaar overgegeven en bovendien hadden de mariniers gedurende de split second waarin zijn moesten handelen niet de tijd om vast te stellen of [gijzelnemer 1] en [gijzelnemer 2] uitgeschakeld en ongewapend waren. 4.3. De vraag of zich ten aanzien van de dood van [gijzelnemer 1] en [gijzelnemer 2] onrechtmatigheden hebben voorgedaan tijdens de beëindiging, of dat dit nu uitdrukkelijk niet het geval is, kan de rechtbank in dit vonnis nog niet beantwoorden. Daarvoor is namelijk nodig dat de mariniers verklaren over de gang van zaken in en rondom de trein. Hun verklaringen zijn tot op heden niet voorhanden. De rechtbank kan op dit moment dus nog geen eindvonnis wijzen. In dit tussenvonnis zal een bewijsdracht aan eisers worden geven, die nodig is om de precieze toedracht van de dood van [gijzelnemer 1] en [gijzelnemer 2] te kunnen vaststellen. Die bewijsopdracht aan eisers brengt dan ook in ieder geval met zich dat eerst de betrokken mariniers van aanvalsgroepen 2 en 5 als getuigen zullen worden gehoord. 4.4. De rechtbank zal bij haar beoordeling in dit vonnis als volgt te werk gaan. 4.4.1. Zij zal in onderdeel B het beoordelingskader schetsen. Daarbij komen vanaf 4.5 aan de orde: (
  3. i)de relevante wettelijke regels, waaronder de rechtsregels uit het EVRM en de invulling hiervan in de rechtspraak van het Europees Hof voor de Rechten van de Mens in Straatsburg (EHRM). Naar deze rechtspraak dient de rechtbank zich namelijk te richten. Daarna komen vanaf 4.16 aan de orde (
  4. ii)de specifieke uitgangspunten in de zaken van eisers, zoals de bewijslastverdeling en de gelding in 1977 van onder meer de onderzoeksverplichting voor de Staat. 4.4.2. In onderdeel C volgt de inhoudelijke beoordeling. De rechtbank moet de geweldstoepassing ook in een breder verband toetsen, en zij zal om die reden naast een inhoudelijk oordeel over het geweld in de trein, ook oordelen over de absolute noodzaak van de geweldstoepassing in algemene zin, waaronder de geweldstoepassing buiten de trein (vanaf 4.21). De rechtbank moet daartoe (kort gezegd) beoordelen of de geweldstoepassing in algemene zin absoluut noodzakelijk is geweest. Belangrijke factoren bij de beoordeling zijn voorts de voorbereiding en de leiding van de actie, meer in het bijzonder de geweldsinstructie (vanaf 4.24), het al dan niet bestaan van een door eisers gestelde heimelijke geweldsinstructie (vanaf 4.27) en de toestemming tot het gebruik van Hollow Point 5-munitie (vanaf 4.37). Vanzelfsprekend zal de rechtbank uitgebreid stilstaan bij de omstandigheden rondom de dood van [gijzelnemer 1] (vanaf 4.44) en [gijzelnemer 2] (vanaf 4.58), waarbij ook de onderzoeksplicht van de Staat aan bod komt. De beoordelingen leiden, als gezegd, tot een bewijsopdracht aan eisers. 4.4.3. Gaandeweg zullen ook de exhibitievorderingen van eisers worden beoordeeld. De Staat zal worden opgedragen om enkele stukken aan eisers te verstrekken en aan het dossier toe te voegen. 4.4.4. Vervolgens zal de rechtbank in onderdeel D uiteenzetten waarom de Staat zich niet met succes op verjaring kan beroepen (vanaf 4.86). 4.4.5. Ten slotte zal de rechtbank in onderdeel E motiveren waarom zij niet volgt het door de Staat ingenomen standpunt dat de vorderingen reeds dienen te worden afgewezen omdat nu al kan worden vastgesteld dat, ook al zou sprake zijn van onrechtmatigheid, eisers geen rechtens voor vergoeding in aanmerking komende schade hebben geleden (vanaf 4.120). De paragraaf 4.127 is resumerend van aard. 4.4.6. De rechtbank zal veelvuldig verwijzen naar het in opdracht van de Staat uitgevoerde en in deze procedure overgelegde Archiefonderzoek, waarop niet alleen door de Staat een beroep wordt gedaan, maar ook door eisers. Eisers hebben dat onderzoek als “redelijk volledig” aangemerkt, op een aantal voor deze zaak relevante punten (“kritiekpunten”) na. De rechtbank zal zich in haar beoordeling dan ook richten naar de uitkomsten van het Archiefonderzoek en de aan haar voorgelegde punten beoordelen. B. Beoordelingskader (
  5. i)Wettelijke regels en rechtspraak 4.5. Eisers gronden hun vorderingen op de stelling dat de Staat onrechtmatig heeft gehandeld, welke onrechtmatigheid bestaat in de executie van hun familieleden door de mariniers (al dan niet op grond van een gestelde heimelijke instructie daartoe). Omdat de gestelde onrechtmatigheid zich op of omstreeks 11 juni 1977 heeft voorgedaan, is, zoals partijen terecht als uitgangspunt hebben genomen, het vóór 1 januari 1992 geldende Nederlands burgerlijk recht van toepassing. 4.6. Daarvan maakte - voor zover hier relevant - deel uit artikel 1401 van het Burgerlijk Wetboek (oud), hierna: BW (oud), dat luidt: “Elke onregtmatige daad, waardoor aan een ander schade wordt toegebragt, stelt dengenen door wiens schuld die schade veroorzaakt is in de verpligting om dezelve te vergoeden”. 4.7. Artikel 1406 BW (oud) luidt: “In geval van moedwilligen of onvoorzigtigen doodslag, hebben de overblijvende echtgenoot, de kinderen of de ouders van den nedergeslagene, die door zijnen arbeid plegen te worden onderhouden, eene rechtsvordering tot schadevergoeding, te waarderen, naar gelang van den wederzijdschen stand en de fortuin der personen, en naar de omstandigheden”. 4.8. In de stellingen van eisers ligt besloten dat de Staat verantwoordelijk moet worden geacht voor de gestelde executies, ook indien daartoe geen (expliciete) instructie is gegeven. In dat verband is nog van belang dat artikel 1403, eerste volzin, BW (oud) onder meer luidt: “Men is niet alleen verantwoordelijk voor schade welke hij door zijne eigene daad veroorzaakt, maar ook voor die welke veroorzaakt is door de daad van personen voor welke men aansprakelijk is […]”. In de derde volzin van dit artikel is voorts onder meer vermeld: “De meesters […] zijn verantwoordelijk voor de schade, door hunne […] ondergeschikten veroorzaakt in de werkzaamheden waartoe zij dezelve gebruikt hebben”. Terwijl ten slotte de vijfde volzin luidt: “De hierboven vermelde verantwoordelijkheid houdt op, indien […] zij de daad voor welke zij aansprakelijk zijn, niet hebben kunnen beletten”. 4.9. In 1977 gold in Nederland reeds het EVRM en dus ook artikel 2 van dat verdrag waarin het recht op leven is vervat. Volgens eisers heeft de Staat onrechtmatig gehandeld door zijn verplichtingen uit artikel 2 EVRM te schenden. Artikel 2 EVRM luidt in de Nederlandse vertaling als volgt: “1. Het recht van een ieder op leven wordt beschermd door de wet. Niemand mag opzettelijk van het leven worden beroofd, behoudens door de tenuitvoerlegging van een gerechtelijk vonnis wegens een misdrijf waarvoor de wet in de doodstraf voorziet. 2. De beroving van het leven wordt niet geacht in strijd met dit artikel te zijn geschied ingeval zij het gevolg is van het gebruik van geweld, dat absoluut noodzakelijk is: a. ter verdediging van wie dan ook tegen onrechtmatig geweld; b. teneinde een rechtmatige arrestatie te bewerkstelligen of het ontsnappen van iemand die op rechtmatige wijze is gedetineerd, te voorkomen; c. teneinde in overeenstemming met de wet een oproer of opstand te onderdrukken.” 4.10. De Nederlandse rechter heeft zich bij de toepassing van (artikel 2 van) het EVRM te richten naar de rechtspraak van het EHRM. Het EHRM heeft over de bijzondere status van het recht op leven onder meer het navolgende overwogen: “It must also be borne in mind that, as a provision [...] which not only safeguards the right to life but sets out the circumstances when the deprivation of life may be justified, Article 2 [...] ranks as one of the most fundamental provisions in the Convention […] Together with Article 3 of the Convention [folteringsverbod, toevoeging rechtbank], it also enshrines one of the basic values of the democratic societies making up the Council of Europe [...]” (“McCann and others vs The United Kingdom”, EHRM 27 september 1995, nr. 18984/91, par. 147). 4.11. In de eerste plaats vloeit uit artikel 2 EVRM voor de Staat de (negatieve) verplichting voort om niemand opzettelijk en onrechtmatig van het leven te beroven. 4.11.1. Volgens het EHRM zien de uit artikel 2 voortvloeiende verplichtingen niet alleen op het doelbewust doden van personen, maar ook op het gebruik van geweld dat, als een onbedoelde uitkomst, de dood van personen tot gevolg heeft. De rechter moet bij de beoordeling van dergelijk geweldsgebruik toetsen of dit geweld absoluut noodzakelijk was. Daarbij geldt dat het geweld in een strikt proportionele verhouding moet staan tot het behalen van de onder artikel 2, tweede lid onder a, b en c, EVRM genoemde doelen: “The Court considers that the exceptions delineated in paragraph 2 indicate that this provision extends to, but is not concerned exclusively with, intentional killing. […] the text of Article 2, read as a whole, demonstrates that paragraph 2 does not primarily define instances where it is permitted intentionally to kill an individual, but describes the situations where it is permitted to "use force" which may result, as an unintended outcome, in the deprivation of life. The use of force, however, must be no more than "absolutely necessary" for the achievement of one of the purposes set out in sub-paragraphs (a), (
  6. b)or (
  7. c)[...] In this respect the use of the term "absolutely necessary" in Article 2 para. 2 […] indicates that a stricter and more compelling test of necessity must be employed from that normally applicable when determining whether State action is "necessary in a democratic society" […] In particular, the force used must be strictly proportionate to the achievement of the aims set out in sub-paragraphs 2 (a), (
  8. b)and (
  9. c)of Article 2” (“Mc Cann and others vs The United Kingdom”, EHRM 27 september 1995, nr. 128984/91, par. 148 en 149). 4.11.2. Bij de toetsing van het geweldsgebruik moet niet alleen acht worden geslagen op het optreden van degenen die het geweld werkelijk hebben uitgeoefend, maar ook op de overige omstandigheden, waaronder de wijze waarop de gewelddadige actie is voorbereid en geleid. Daarbij dient ook betrokken te worden het juridische kader waarbinnen degenen die het geweld werkelijk hebben uitgevoerd, opereerden, waaronder de geweldsinstructies. In de woorden van het EHRM: “In cases concerning the use of force by State agents, it must take into consideration not only the actions of the agents of the State who actually administered the force but also all the surrounding circumstances, including such matters as the relevant legal or regulatory framework in place and the planning and control of the actions under examination. (“Nachova and others vs. Bulgaria”, EHRM 6 juli 2005, nrs. 43577/98 en 43579/98, par. 93). 4.11.3. Bij de toetsing van het optreden van degenen die het geweld werkelijk hebben uitgevoerd moet de rechter ervoor waken geen onrealistisch hoge eisen aan dit optreden te stellen. De rechter moet zich daarbij realiseren dat zij die het geweld werkelijk uitvoerden – met gevaar voor eigen leven en dat van anderen – in het heetst van de strijd hebben moeten opereren (“in the heat of the moment”). Daarom kan ook dodelijk geweld gerechtvaardigd worden geacht, wanneer dat geweld is ingegeven door een oprechte overtuiging (“honest belief”) van degene die het geweld heeft aangewend, gebaseerd op goede gronden op het moment van de geweldstoepassing, maar welke overtuiging achteraf onjuist is gebleken. Het EHRM overweegt: “The use of force by agents of the State in pursuit of one of the aims delineated in paragraph 2 of Article 2 […] may be justified […] where it is based on an honest belief which is perceived, for good reasons, to be valid at the time but which subsequently turns out to be mistaken. To hold otherwise would be to impose an unrealistic burden on the State and its law-enforcement personnel in the execution of their duty, perhaps to the detriment of their lives and those of others”. (“McCann and others vs. The United Kingdom”, par. 200), en “[…] the Court cannot with detached reflection substitute its own assessment of the situation for that of the officers who were required to react in the heat of the moment in what was for them a unique and unprecedented operation to save life”.(“Andronicou and Constantinou vs. Cyprus”, EHRM 9 oktober 1997, nr. 25052/94, par. 192). 4.12. In de tweede plaats legt artikel 2 EVRM een aantal procedurele (positieve) verplichtingen op de Staat. Eén daarvan is de verplichting een effectief onderzoek in te stellen naar de toedracht in gevallen waarin geweldsgebruik vanwege de overheid tot de dood van één of meer personen heeft geleid. De verplichting tot het instellen van een effectief onderzoek, dat ook het algemeen belang dient, geldt niet alleen als er op voorhand (sterke) aanwijzingen zijn dat het geweld onrechtmatig is. Het onderzoek - dat direct na het geweldsgebruik moet worden ingesteld - moet nu juist mogelijk maken dat op verantwoorde wijze wordt vastgesteld of het geweld rechtmatig was of niet. Aan dit onderzoek kunnen niet in algemene zin welomlijnde vereisten worden gesteld. Duidelijk is echter wel dat het onderzoek moet zijn gericht op het verkrijgen van verklaringen van ooggetuigen en forensisch bewijs, alsmede een autopsie moet omvatten op grond waarvan de doodsoorzaak kan worden vastgesteld. In de woorden van het EHRM: “The investigation must also be effective in the sense that it is capable of leading to a determination of whether the force used in such cases was or was not justified in the circumstances […] The authorities must have taken the reasonable steps available to them to secure the evidence concerning the incident, including inter alia eye witness testimony, forensic evidence and, where appropriate, an autopsy which provides a complete and accurate record of injury and an objective analysis of clinical findings, including the cause of death [...]. Any deficiency in the investigation which undermines its ability to establish the cause of death or the person or persons responsible will risk falling foul of this standard […] A […] prompt response by the authorities in investigating a use of lethal force may generally be regarded as essential in maintaining public confidence in their adherence to the rule of law and in preventing any appearance of collusion in or tolerance of unlawful acts […]” (“Hugh Jordan vs. The United Kingdom”, EHRM 4 mei 2001, nr. 24746/94, par. 107 en 108). 4.13. Het onderzoek moet ook omvatten een verhoor van degenen die het geweld hebben toegepast. Het EHRM grondde in het arrest “Öğur vs. Turkey” (EHRM 20 mei 1999, nr. 21594/93, par. 90 en 93) een schending van artikel 2 EVRM mede op het achterwege laten van het verhoren van de veiligheidstroepen die het dodelijk geweld (mogelijk) hadden toegepast. Verder volgt uit vaste jurisprudentie van het EHRM het volgende: “Failing to follow an obvious line of inquiry undermines to a decisive extent the investigation’s abililty to establish the circumstances of the case and […] is liable to fall foul of the required measure of effectiveness” (onder meer in “Muradyan vs. Armenia”, EHRM 24 november 2016, nr. 11275/07, par. 135). 4.14. In het hierboven aangehaalde arrest Hugh Jordan heeft het EHRM (in par. 109), in lijn met eerdere arresten geoordeeld dat uit artikel 2 EVRM voortvloeit dat alle nabestaanden betrokken dienen te worden in het onderzoek en de resultaten daarvan met het oog op hun gerechtvaardigde belangen. Dit geldt ook voor nabestaanden van een persoon die gedood is in het kader van de beëindiging van een door hem gepleegd misdrijf. Het EHRM overweegt in dit verband: “[…] there must be a sufficient element of public scrutiny of the investigation or its results to secure accountability in practice as well in theory. The degree of public scrutiny required may well vary from case tot case. In all cases, however, the next-of-kin of the victim must be involved in the procedure to the extent necessary to safeguard his or her legitimate interests”. (“Hugh Jordan vs. The United Kingdom”, EHRM 4 mei 2001, nr. 24746/94, par. 107 en 108). 4.15. Ten slotte heeft het EHRM in het arrest “Kaya vs. Turkey” van 19 februari 1998 (hierna: het Kaya-arrest) geoordeeld dat de overheid in die zaak op inadequate wijze invulling had gegeven aan haar onderzoeksverplichting, en daarmee de nabestaanden de weg naar de (civiele) rechter en het instellen van een (enigszins kansrijke) schadevergoedingsvordering had afgesneden. Een effectieve mogelijkheid ter vaststelling van de toedracht van de dood van hun overleden familielid was niet (meer) voorhanden. Het EHRM oordeelt dat nabestaanden recht hebben op een “effective remedy” als bedoeld in artikel 13 EVRM in gevallen van (mogelijke) schendingen van artikel 2 EVRM. Daarbij komt de overheid wel enige beoordelingsvrijheid toe als het gaat om de wijze waarop hieraan invulling wordt gegeven. Duidelijk is echter wel dat het verkrijgen van genoegdoening niet ongerechtvaardigd mag worden bemoeilijkt door handelingen of nalaten van die overheid (vgl. ook “Isayeva vs. Russia”, EHRM 24 februari 2005, nr. 57950100, par. 229). Het EHRM oordeelt in het Kaya-arrest verder dat een “effective remedy” in ieder geval inhoudt (naast de betaling van schadevergoeding) dat een diepgaand en effectief onderzoek wordt gedaan. Daarbij moet het wel gaan om nabestaanden die een enigszins gestaafde vordering (een “arguable claim”) hebben betreffende de onrechtmatigheid van het doden van hun naaste: “107. In the view of the Court the nature of the right which the authorities are alleged to have violated in the instant case, one of the most fundamental in the scheme of the Convention, must have implications for the nature of the remedies which must be guaranteed for the benefit of the relatives of the victim. In particular, where those relatives have an arguable claim that the victim has been unlawfully killed by agents of the State, the notion of an effective remedy […] entails, in addition to the payment of compensation where appropriate, a thorough and effective investigation […] the fact that the […] allegations were not ultimately substantiated does not prevent [a] claim from being an arguable one […] 108. The Court recalls its earlier findings on the serious defeciencies of the autopsy and forensic examination conducted at the scene as well as on the failure of the investigating authorities to consider seriously any alternative options which may have explained the death […] Having regard to the absence of any effective investigation into the circumstances of the killing, it must be concluded that the […] next-of-kin were on that account also denied an effective remedy against the authorities in respect of the death of […] Kaya, in violation of Article 13 […].” (“Kaya vs. Turkey”, EHRM 9 februari 1998, nr. 158/1996/777/978, par. 107 en 108). (
  10. ii)Specifieke uitgangspunten voor de beoordeling 4.16. Gelet op de hiervoor weergegeven wettelijke regels en rechtspraak van het EHRM moet de rechtbank beoordelen - zo niet sprake is geweest van het executeren van [gijzelnemer 1] en [gijzelnemer 2] - of het gebruik van het geweld dat hun dood tot gevolg heeft gehad absoluut noodzakelijk was. Daarbij dient ook de vraag te worden beantwoord of dat geweld in een strikt proportionele verhouding stond tot het doel van het geweld. Dit doel was gelegen in het bevrijden van de gegijzelden, en het zo mogelijk aanhouden van de gijzelnemers, waarbij zo min mogelijk risico’s ten aanzien van het leven en welzijn van de gegijzelden en de mariniers zouden worden genomen. 4.17. De rechtbank moet bij de beoordeling van het geweldsgebruik niet alleen acht slaan op het optreden van de mariniers, maar ook op de overige omstandigheden. Daaronder vallen onder meer de wijze waarop de gewelddadige actie is voorbereid en geleid, inclusief de inhoud van de geweldsinstructies, en de inzet van het geweld in brede zin, ook buiten de trein. Bij de beoordeling van het geweld in de trein neemt de rechtbank op grond van de rechtspraak van het EHRM als maatstaf dat het door de mariniers aangewende geweld niet onrechtmatig wordt geacht als dat was ingegeven door een oprechte overtuiging van de mariniers die het geweld hebben aangewend, gebaseerd op goede gronden op het moment van die geweldstoepassing, maar welke overtuiging achteraf onjuist is gebleken. Die oprechte overtuiging wordt hierna aangeduid als een “honest belief”. Het moet daarbij gaan om een subjectief gerechtvaardigde overtuiging van de desbetreffende mariniers, waarbij de rechtbank geen onrealistisch hoge eisen aan het optreden van de mariniers mag stellen. Ten aanzien van het kader voor het geweld in de trein wordt voor het overige verwezen naar 4.42. Stelplicht, bewijslast en bewijsrisico 4.18. De hoofdregel van artikel 150 Rv bepaalt dat de partij die zich beroept op rechtsgevolgen van door haar gestelde feiten of rechten, de bewijslast van die feiten of rechten draagt, tenzij uit enige bijzondere regel of uit de eisen van redelijkheid en billijkheid een andere verdeling van de bewijslast voortvloeit. Eisers beroepen zich op de rechtsgevolgen van de door hen gestelde executies. [gijzelnemer 1] en [gijzelnemer 2] zijn volgens hen zonder noodzaak opzettelijk gedood en dat is onrechtmatig, aldus eisers. Op grond daarvan vorderen zij een verklaring voor recht en schadevergoeding. De stelplicht en – in het verlengde daarvan – de bewijslast ter zake van die gestelde executies rust naar het oordeel van de rechtbank, ingevolge genoemde hoofdregel, op eisers. Overigens hebben eisers noch de Staat een andere verdeling van de bewijslast bepleit. Deze bewijslast impliceert dat ook het bewijsrisico bij eisers ligt; indien eisers hun stelling niet zullen kunnen bewijzen, worden hun vorderingen afgewezen. Gelding onderzoeksverplichtingen van artikel 2 EVRM in 1977 4.19. De rechtbank is voorts van oordeel dat de hiervoor uitgewerkte positieve verplichtingen die voortvloeien uit artikel 2 EVRM (waaronder de onderzoeksverplichting en de verplichting om nabestaanden bij het onderzoek te betrekken) ook al golden in 1977. Het betoog van de Staat dat die verplichtingen pas halverwege de jaren negentig van de vorige eeuw zijn ontwikkeld en dus nog niet golden ten tijde van de beëindiging van de gijzeling medio 1977, gaat niet op. Allereerst volgt uit (par 149 - 151 van) het arrest “Janowiec and others vs Russia” van 21 oktober 2013 (nrs. 55508/07 en 29520/09) dat de uit artikel 2 EVRM voortvloeiende onderzoeksplicht kan terugwerken tot de datum waarop het EVRM is gesloten, 4 november 1950, onder omstandigheden zelfs ten laste van Staten die het verdrag ten tijde van de te onderzoeken omstandigheden nog niet hadden geratificeerd. De onderzoeks-verplichtingen voor de Staat uit artikel 2 EVRM gelden in Nederland daarom in beginsel in ieder geval sinds 1954 (het moment van ratificeren door Nederland). Het is juist dat het McCann-arrest van 27 september 1995 het eerste arrest was, waarin het EHRM de aard en reikwijdte van artikel 2 EVRM heeft geëxpliciteerd. Dit betekent niet dat de door het EHRM geformuleerde onderzoeksverplichtingen en de verplichting om nabestaanden bij het onderzoek te betrekken eerst zijn ontstaan als gevolg van die explicitering door het EHRM. De bestendige lijn van het EHRM op dit punt is dat zij aan haar voorgelegde rechtszaken, die gaan over gebeurtenissen van vóór 1995, beoordeelt aan de hand van de positieve verplichtingen die het EHRM (onder meer) heeft geformuleerd in het McCann-arrest van 1995. Ten slotte verdient opmerking dat geen sprake is geweest van aan het McCann-arrest voorafgegane EHRM-jurisprudentie die wat de positieve verplichtingen betreft in een andere richting wees en het EHRM op 27 september 1995 dan ook niet “om” is gegaan. De Staat heeft desgevraagd ook geen bevredigend antwoord kunnen geven op de vraag van de rechtbank waarom deze verplichtingen, waaronder de onderzoeksplicht en de verplichting nabestaanden te betrekken bij het onderzoek, wel al golden ten aanzien van gebeurtenissen die zich hadden voorgedaan in bijvoorbeeld 1988 (McCann), 1990 (Öğur), 1992 (Hugh Jordan) en 1993 (Kaya), maar niet in 1977. Het verweer van de Staat faalt dus op dit onderdeel. 4.20. Het voorgaande neemt niet weg dat overheden tot op zekere hoogte vrijheid hebben in de wijze waarop zij aan hun positieve verplichtingen voldoen. Bij de beoordeling daarvan moet ook acht worden geslagen op de destijds geldende praktijk. C Inhoudelijke beoordeling 4.21. Uit de rechtspraak van het EHRM volgt dat inherent aan de toetsing aan artikel 2 EVRM is dat het gebruik van geweld bij de beëindiging van de treinkaping (in een breder verband beschouwd) absoluut noodzakelijk was. Duidelijk is dat het eisers in de kern gaat om het gestelde onrechtmatige optreden van de mariniers in de trein jegens [gijzelnemer 1] en [gijzelnemer 2] . Eisers hebben hun pijlen expliciet niet gericht op “de overmaat aan geweld” die bij de beëindiging van de gijzeling is toegepast. De rechtmatigheid van de beschietingen van buiten de trein door zowel precisieschutters als mariniers wordt door hen niet ter discussie gesteld. Niettemin moet de rechtbank dus oordelen over de absolute noodzaak van de gewelddadige beëindiging van de gijzeling in algemene zin, waaronder de beschietingen van buiten de trein door zowel precisieschutters als mariniers. In dat verband hebben eisers (als het gaat om de voorbereiding en leiding van de bevrijdingsactie) de inhoud van de geweldsinstructie aan de mariniers en het bestaan van een gestelde heimelijke instructie, alsook de toestemming voor het gebruik van Hollow Point 5-munitie aan de orde gesteld. De rechtbank zal al deze factoren, die bij de beoordeling van de absolute noodzaak een rol spelen, hierna bespreken. Absolute noodzaak geweldstoepassing 4.22. De Staat betoogt gemotiveerd dat de inzet van geweld in het algemeen ter beëindiging van de gijzeling - waaronder de beschietingen buiten de trein - absoluut noodzakelijk was en in overeenstemming was met de proportionaliteitseisen die uit artikel 2 EVRM voortvloeien. De Staat heeft verwezen naar de ter zake dienende inhoud van het Archiefonderzoek (waarvan een deel onder nummers 2.18 tot en met 2.31 van dit vonnis in vrijwel gelijkluidende bewoordingen is opgenomen) waaruit voor zover relevant het volgende blijkt. Er zijn uitputtende pogingen gedaan de gijzeling op niet-geweldadige wijze te beëindigen, met name door het gedurende lange tijd voeren van onderhandelingsgesprekken met de gijzelnemers en het inschakelen van personen uit de Molukse gemeenschap met wiens hulp getracht is de gijzelnemers de gijzeling zelf te laten beëindigen. Bovendien blijkt uit het Archiefonderzoek dat de autoriteiten een groot aantal minder gewelddadige alternatieven hebben overwogen, maar deze, mede vanwege de dreiging die van de gijzelnemers uitging ten opzichte van de gegijzelden en mariniers, terecht als niet doeltreffend hebben verworpen. Daarbij weegt zwaar dat, vanwege de ligging van de trein in open veld, de mariniers de trein niet ongezien en beschut konden bereiken. Ten slotte is van belang dat de dreiging die van de gijzelnemers uitging bijzonder groot mocht worden geacht, omdat zij nog kort voor de beëindiging, namelijk op 9 juni 1977, een schriftelijke boodschap aan de regering hadden laten overbrengen luidende: “Wij hebben slechts twee dingen voor ogen. Of vertrek naar het buitenland of de dood”. Deze schriftelijke boodschap bevatte ook het dreigement dat alle gegijzelden in de trein de dood zouden vinden indien er geen vliegtuig ter beschikking zou worden gesteld. Tegen de achtergrond van het dodelijk geweld tegen gegijzelden dat in 1975 bij de eerdere treinkaping in Wijster had plaatsgevonden, mocht deze dreiging zonder meer serieus worden genomen. De rechtbank onderschrijft dan ook de conclusie uit het Archiefonderzoek (bladzijde 140): “dat het bevoegd gezag en de politieke ambtsdragers zich de vragen van proportionaliteit en subsidiariteit van het ingrijpen uitdrukkelijk hebben gesteld en dat […] geen feiten en omstandigheden naar voren zijn gekomen die leiden tot de conclusie dat de afweging destijds onzorgvuldig, onvolledig of onjuist is geweest”. 4.23. Het gewapenderhand beëindigen van de gijzeling, inclusief de inleidende beschietingen van buiten de trein, was absoluut noodzakelijk en de rechtbank ziet geen aanleiding het handelen van de Staat in zoverre in strijd met artikel 2 EVRM te achten. De voorbereiding en leiding van de actie, meer in het bijzonder de in dat kader gegeven geweldsinstructie en de toestemming voor het gebruik van Hollow Point 5-munitie De geweldsinstructie 4.24. Zoals uit het Initiatiefplan van 8 juni 1977 en de letterlijke tekst van de daarin opgenomen geweldsinstructie blijkt, luidde de officiële opdracht aan de mariniers de gegijzelden te beschermen en te bevrijden en de gijzelnemers “aan te houden c.q. indien noodzakelijk uit te schakelen”, waarbij als instructie werd gegeven: “indien terroristen zich duidelijk waarneembaar overgeven mag niet op hen worden gevuurd, doch wordt de [krijgsgevangenen]procedure toegepast”. 4.25. De rechtbank stelt voorop dat uit deze geweldsinstructie - naar de letterlijke tekst daarvan en in samenhang bezien met de ruimere, zojuist aangehaalde opdracht - niet, zoals de Staat lijkt te betogen, a contrario mag worden beredeneerd dat de dood van elke gijzelnemer die zichzelf niet direct duidelijk waarneembaar overgaf, onder alle omstandigheden rechtmatig is. De tekst van de instructie laat namelijk terecht ruimte voor aanhouding van gijzelnemers die zich niet direct zelf duidelijk waarneembaar overgaven. Deze ruimte omvat ook een categorie gijzelnemers waarvan eisers stellen dat [gijzelnemer 1] en [gijzelnemer 2] daartoe behoorden; Gijzelnemers waarvan voor de mariniers kenbaar was dat zij ongewapend en door ernstige verwondingen uitgeschakeld waren, ten gevolge waarvan deze gijzelnemers geen gevaar meer konden vormen voor gegijzelden en mariniers en zich wellicht ook niet meer duidelijk waarneembaar kónden overgeven. De ruimte voor aanhouding van gijzelnemers die zich niet direct zelf duidelijk waarneembaar overgaven is door de mariniers die gijzelnemers [gijzelnemer 5] en [gijzelnemer 8] hebben aangehouden kennelijk ook benut. Zo heeft [gijzelnemer 5] op 15 juni 1977 ten overstaan van de Rijkspolitie over zijn aanhouding verklaard (productie 4 Staat, bladzijde B 14): “Ik ben […] achter [ [gijzelnemer 3] ] gaan liggen op de grond […] Na enige tijd kwam er een marinier door het kapotte raam van de schuifdeur. Deze riep tegen mij: “Handen omhoog”. Ik ben toen gaan staan en ben door het raam heengestapt. Hierna werd ik naar portaal 25 gebracht. Daar werd ik gefouilleerd en daarna geboeid”. [gijzelnemer 8] heeft op 14 juni 1977 ten overstaan van de Rijkspolitie over zijn aanhouding verklaard (prod. 4 Staat, bladzijde B 71): “Ikzelf sliep in het middelste deel van de trein, samen met [gijzelnemer 9] […] Van buitenaf werd er door onze cabine geschoten. We zijn plat op de grond gaan liggen. Ik werd toen geraakt door een aantal kogels in armen, benen en borst. [gijzelnemer 9] was toen al doodgeschoten. Ik heb toen ik geraakt werd om hulp geroepen en vrij kort daarna kwamen er mensen van het Rode Kruis in de trein. Die hebben mij geholpen en ik ben daarna afgevoerd”. 4.26. De geweldsinstructie is zo bezien niet in strijd met artikel 2 EVRM. De rechtbank is echter van oordeel dat het veeleer aankomt op de vraag of, en zo ja, hoe die geweldsinstructie mondeling aan de mariniers is overgebracht en toegelicht, en of daardoor mogelijk een andere interpretatie leidend is geworden. Daarbij oordeelt de rechtbank dat, indien de mariniers feitelijk zijn geïnstrueerd dat op elke gijzelnemer die zich niet direct zelf duidelijk waarneembaar zou overgeven onder alle omstandigheden, dus ook die van de onder 4.25 bedoelde categorie, mocht worden geschoten, deze mondeling verstrekte geweldsinstructie strijdig is met artikel 2 EVRM. De wijze waarop de mariniers feitelijk zijn geïnstrueerd over de geweldsinstructie zal tijdens de verhoren van de mariniers aan de orde komen. Heimelijke geweldsinstructie? 4.27. Eisers hebben zich nog beroepen op het bestaan van een - van de zojuist besproken (op schrift gestelde) geweldsinstructie te onderscheiden - heimelijke geweldsinstructie aan de mariniers. Zij stellen dat uiteindelijk niet de (op schrift gestelde) geweldsinstructie aan de mariniers is verstrekt, maar dat een uit Den Haag overgekomen autoriteit tijdens een briefing van de mariniers aan de vooravond van de beëindiging namens de regering een heimelijke geweldsinstructie heeft verstrekt. Deze instructie zou hebben geluid dat het de wens van de regering was, dat geen enkele gijzelnemer de beëindiging van de gijzeling zou overleven, althans [gijzelnemer 1] , als leider, en [gijzelnemer 2] , als enige vrouwelijke gijzelnemer, niet. De Staat betwist deze stelling met klem. De rechtbank overweegt het volgende. 4.28. Eisers gronden hun stelling op een schriftelijke verklaring van advocaat [advocaat 3] uit Amsterdam (productie 82 eisers) waarin [advocaat 3] verklaart dat een cliënt van hem die anoniem wenst te blijven, hem heeft verteld dat hij, de cliënt, als marinier betrokken is geweest bij de beëndiging van de gijzeling en de gestelde heimelijke geweldsinstructie tijdens die briefing heeft horen geven. Voorts hebben eisers in het geding gebracht een recente e-mail van een persoon die eveneens anoniem wenst te blijven die de lezing van de cliënt van [advocaat 3] onderschrijft en die voorts mededeelt in 1981 en 1982 aan een politieschool te hebben gestudeerd en van medestudenten die bij de bevrijdingsactie waren ingezet te hebben gehoord van een vooropgezet plan van hoger hand om de kapers te doden (productie 96 eisers). Productie 84 van de zijde van eisers betreft een korte e-mail aan mr. [advocaat 3] van ene “ [… 1] ” waarin is opgenomen dat de niet bij naam genoemde broer van “ [… 1] ”, marinier, “omhoog schoot” en nu hopeloos is. Voorts zijn door eisers in dit verband in het geding gebracht een aan mr. Zegveld verstuurde e-mail waarin de afzender verklaart te hebben vastgezeten in Grave met één van de mariniers en dat de afzender van deze marinier heeft begrepen dat geen van de kapers mocht overleven (productie 79 eisers), alsmde een schriftelijke verklaring van een voormalig vrijwilligster bij SOS telefonische hulpdienst Groningen/Drenthe (productie 80) waarin deze voormalig vrijwilligster verklaart dat zij, tussen ongeveer 2000 en 2005, een man met een paniekaanval aan de lijn kreeg die vertelde dat hij had deelgenomen aan de beëindiging van de gijzeling en dat hij ervan getuige was geweest dat een gijzelnemer die zijn handen in de lucht had gestoken en in het Maleis riep dat hij zich overgaf, werd doorzeefd met kogels. De naam van de man die belde is haar niet bekend. 4.29. Verder hebben eisers in dit verband nog in het geding gebracht een e-mail aan mr. Zegveld van een persoon die daarin verklaart dat hij van zijn inmiddels overleden vader, die Hoofd Meldkamer van het Korps Rijkspolitie District Utrecht was, heeft gehoord dat er op een gegeven moment een geheime melding doorkwam via de meldkamer, luidende dat op bevel van minister Van Agt “de Zuidmolukse terroristen” in geen geval de trein levend mochten verlaten en dan met name de destijds zeventienjarige gijzelneemster [gijzelnemer 2] niet (productie 81 eisers). In een schriftelijke verklaring van een voormalig docent wiskunde te Groningen (productie 83 eisers) is opgenomen dat een niet bij naam genoemde chirurg van het Groningse Academische ziekenhuis die bij de opvang van de gewonden uit de trein betrokken was geweest, tijdens een verjaardagsfeestje dat enkele maanden na de beëindiging van de gijzeling plaatsvond, heeft verteld dat tijdens een voorafgaande briefing van de medici was gezegd: “Er zullen geen levende Molukkers worden binnengebracht”. 4.30. Ten slotte hebben eisers in het geding gebracht een pagina van een document genaamd “Secret UK Eyes A” (productie 85 eisers) waarop onder meer te lezen valt: “The main briefing by Captain [Z] took place at the crisis sub centre at Assen at about midnight on the night of 10th/11th June […] The orders given to the Marines were to shoot at the terrorists legs. At the end of the briefing in an aside, one unnamed senior officer is believed to have said, ‘Remember their legs go up to their necks’. Clearly from all the evidence the Marines were intended to kill all or as many of the terrorists as possible to avoid problems in the Courts afterwards.” 4.31. De Staat heeft de volgende feiten en omstandigheden aangevoerd ter betwisting van de gestelde heimelijke geweldsinstructie. De Staat wijst erop dat de onder 4.28 tot en met 4.30 weergegeven schriftelijke verklaringen en e-mails wellicht talrijk in aantal zijn, maar als gemeenschappelijk kenmerk hebben dat zij verklaringen “van horen zeggen” bevatten én dat degenen die de opstellers daarvan het één en ander zouden hebben horen zeggen, niet bij naam worden genoemd, ontraceerbaar zijn, niet meer leven, of anoniem willen blijven. 4.32. De rechtbank deelt de kanttekeningen die de Staat bij de verklaringen maakt. Bovendien vallen dubbeltellingen door de anonimiteit niet uit te sluiten. Daarbij komt nog dat het merendeel van de verklaringen weinig concreet of zeer summier van aard is en dat enkele verklaringen inhoudelijk sterk afwijken van de overige verklaringen (bijvoorbeeld de verklaring over de instructie via de meldkamer). Voorts heeft de Staat er terecht op gewezen dat vaststaat dat een aantal van de gijzelnemers niet is gedood, maar juist is aangehouden, hetgeen zich niet met de gestelde heimelijke geweldsinstructie verdraagt. Bij de aanhoudingen van [gijzelnemer 5] en [gijzelnemer 8] in respectievelijk coupés 23 en 24 van de trein is dit gebeurd buiten directe aanwezigheid van gegijzelden. Daardoor kan niet worden gezegd dat slechts vanwege de aanwezigheid van gegijzelden als getuigen afgezien zou kunnen zijn van het uitvoeren van de gestelde heimelijke instructie. Deze omstandigheden in de trein doen dus afbreuk aan de door eisers gestelde heimelijke instructie. Bij deze stand van zaken luidt het voorlopig oordeel van de rechtbank dan ook dat eisers onvoldoende concrete feiten en omstandigheden hebben aangedragen die de stelling kunnen dragen dat aan de mariniers een heimelijke geweldsinstructie is gegeven. Eisers hebben in deze stand van de procedure niet aan hun stelplicht voldaan. Bij deze stand van zaken kunnen eisers niet toegelaten worden tot bewijs van de stelling dat aan de mariniers een heimelijke geweldsinstructie is gegeven. 4.33. Daarbij geldt nog het volgende. Zoals reeds onder 4.26 is overwogen, zal in het kader van het verhoor van de mariniers aan de orde komen op welke wijze de geweldsinstructie aan hen is overgebracht. De mariniers zal dus worden gevraagd naar de inhoud van de eventuele mededelingen tijdens (
  11. de)briefing(
  12. s)over de (op schrift gestelde) geweldsinstructie. De rechtbank bepaalt dat de mariniers in dat verband, mede om proces-economische redenen, ook vragen gesteld zullen mogen worden naar de gestelde en uitdrukkelijk betwiste heimelijke instructie die tijdens diezelfde briefing(
  13. s)zou zijn gegeven. Dit is enerzijds ingegeven door de overweging dat eisers hun stelling niet eenvoudig op een andere wijze kunnen onderbouwen dan met verklaringen van mariniers. Een eventuele bevestiging van de heimelijke instructie door de mariniers in de verhoren zal tot nadere substantiëring van de stelling van eisers kunnen dienen. Anderzijds is deze mogelijkheid tot het stellen van vragen over de gestelde heimelijke instructie ingegeven door de overweging dat, indien de gestelde heimelijke instructie inderdaad niet is gegeven, het ook in het belang van de Staat moet worden geacht dat een zo vergaande stelling niet in het luchtledige blijft hangen en in rechte zonder tegenspraak van direct betrokkenen zal blijven. De rechtbank zal haar definitieve oordeel over de vraag of eisers ten aanzien van de gestelde heimelijke instructie aan hun stelplicht hebben voldaan, opschorten tot na de getuigenverhoren van de mariniers van aanvalsgroepen 2 en 5. Indien dit definitieve oordeel zal afwijken van het voorlopige, zal worden bezien of (nadere) bewijslevering op dit punt aan de orde zal zijn. Exhibitievorderingen t.a.v. geweldsinstructie (3.9 III – VI) 4.34. Eisers vorderen ten aanzien van de geweldsinstructie van de mariniers exhibitie van de in 3.9 onder III tot en met VI genoemde documenten. De Staat heeft zich, onder overlegging van enkele van deze stukken, tegen exhibitie van de overige stukken verzet, met name op de grond dat deze overige stukken niet concreet gespecificeerd zijn en het rechtmatig belang bij afgifte daarvan onvoldoende is toegelicht. De Staat heeft het (geanonimiseerde) verslag van de stafofficieren BBE van 9 juni 1977 en enkele pagina’s uit het logboek van het beleidscentrum overgelegd. 4.35. De rechtbank stelt voorop dat artikel 843a Rv ziet op een bijzondere exhibitieplicht in en buiten rechte. Deze exhibitieplicht dient ertoe om bepaalde bewijsstukken in de procedure als bewijsmiddel ter beschikking te doen komen. In Nederland bestaat géén algemene exhibitieplicht voor procespartijen in die zin dat zij als hoofdregel verplicht kunnen worden tot het elkaar verschaffen van alle denkbare informatie en documenten. Met het oog daarop en ter voorkoming van zogenaamde “fishing expeditions” is de toewijsbaarheid van een op artikel 843a Rv gebaseerde vorde

🔗 Naar officiële bron

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.