RECHTBANK DEN HAAG Zittingsplaats Middelburg Bestuursrecht zaaknummer: NL17.3722 uitspraak van de enkelvoudige kamer van 18 juli 2017 in de zaak tussen [eiser], eiser (gemachtigde: mr. M.J. Paffen), en de staatssecretaris van Veiligheid en Justitie, verweerder (gemachtigde: mr. J. Post). Procesverloop Eiser heeft beroep ingesteld tegen het besluit van verweerder van 21 juni 2017 (het bestreden besluit). Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 13 juli 2017. Eiser is verschenen, bijgestaan door zijn gemachtigde. Als tolk is verschenen F. Ciker-Özgül.Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde. Overwegingen Eiser is van Turkse nationaliteit. Hij is geboren op [geboortedatum]. Op 11 oktober 2016 heeft hij een aanvraag tot verlening van een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd ingediend. Aan deze aanvraag heeft hij het volgende ten grondslag gelegd. Eiser heeft van 25 september 2005 tot 30 september 2016 in Bosnië-Herzegovina verbleven, eerst om te studeren en daarna heeft hij daar gewerkt. Eiser heeft daar een verblijfsvergunning gekregen voor de duur van een jaar, die vervolgens steeds voor de duur van een jaar werd verlengd. Eiser is Gülen-aanhanger. In Bosnië-Herzegovina heeft eiser gewerkt voor [bedrijfsnaam], een reisagentschap van Gülen-aanhangers, en als journalist. Sinds de couppoging van 15 juli 2016 is het voor hem te gevaarlijk geworden om terug te keren naar Turkije. Ook kan hij niet terugkeren naar Bosnië-Herzegovina, omdat de Bosnische regering sterke banden heeft met de regering van Erdogan. Eisers laatste verblijfsvergunning in Bosnië-Herzegovina was geldig tot 29 juli 2017. Vanwege gewijzigde wetgeving, zal eiser zich voor een verlenging van deze vergunning moeten wenden tot de Turkse ambassade voor een antecedentenverklaring. 3. Bij het bestreden besluit heeft verweerder de aanvraag niet-ontvankelijk verklaard op grond van artikel 30a, eerste lid, aanhef en onder c, van de Vreemdelingenwet 2000 , omdat Bosnië-Herzegovina voor eiser als veilig derde land wordt beschouwd. Verweerder heeft daartoe onder meer verwezen naar de aanmerking van Bosnië-Herzegovina als veilig land van herkomst bij brief van 3 november 2015 (Tweede Kamer, vergaderjaar 2015-2016, 19637, nr. 2076) en zich op het standpunt gesteld dat gelet daarop tevens in zijn algemeenheid kan worden aangenomen dat vreemdelingen afkomstig uit Bosnië-Herzegovina aldaar niet te vrezen hebben voor problemen welke verlening van internationale bescherming rechtvaardigen. Het is aan eiser om het tegendeel aannemelijk te maken en daarin is hij volgens verweerder niet geslaagd. Eiser heeft niet aannemelijk gemaakt dat zijn verblijfsvergunning niet meer verlengd zal kunnen worden. Gelet op het feit dat eiser ruim 11 jaar in Bosnië-Herzegovina heeft verbleven, wordt verder aangenomen dat sprake is van een zodanige band met dat land dat het voor eiser redelijk zou zijn naar dat land te gaan. Eiser heeft niet aannemelijk gemaakt dat hij geen toegang zal krijgen tot Bosnië-Herzegovina. 4. Op wat eiser daartegen heeft aangevoerd, wordt hierna ingegaan. De rechtbank oordeelt als volgt. 5. Het wettelijk kader is opgenomen in de bijlage, die deel uitmaakt van deze uitspraak. 6. Ter zitting is het volgende tussen partijen vast komen te staan. Eiser is Gülen-aanhanger en vanwege zijn werkzaamheden als journalist ook als zodanig bekend bij zowel de Bosnische als de Turkse autoriteiten. Om de geldigheid van zijn huidige verblijfsvergunning in Bosnië-Herzegovina, die op 29 juli 2017 verloopt, te kunnen verlengen, dient eiser een antecedentenverklaring aan te vragen bij de Turkse ambassade in Bosnië-Herzegovina. Gelet op wat algemeen bekend is over de positie van Gülen-aanhangers in Turkije sinds de couppoging, kan niet van eiser verlangd worden dat hij zich wendt tot de Turkse autoriteiten. Eiser zal dus aangewezen zijn op het indienen van een asielaanvraag in Bosnië-Herzegovina. Verder is niet langer in geschil dat eiser toegang zal krijgen tot Bosnië-Herzegovina, omdat hij geen visum nodig heeft om het land in te kunnen reizen. 7. Gelet op artikel 3.106a, eerste lid, van het Vreemdelingenbesluit 2000 dient verweerder op grond van alle relevante feiten en omstandigheden te onderzoeken of in het geval van eiser sprake is van een veilig derde land. In het geval van eiser is met name van belang of Bosnië-Herzegovina het beginsel van non-refoulement naleeft met betrekking tot Gülen-aanhangers. De openbare bronnen die verweerder heeft gebruikt ter onderbouwing van zijn standpunt dat Bosnië-Herzegovina in het geval van eiser als veilig derde land kan worden aangemerkt, dateren van vóór de couppoging in Turkije en hebben geen betrekking op de positie van Gülen-aanhangers in Bosnië-Herzegovina en de banden tussen de Bosnische en Turkse autoriteiten. De rechtbank is reeds daarom van oordeel dat verweerder onvoldoende heeft onderzocht of Bosnië-Herzegovina voor eiser als veilig derde land kan worden aangemerkt. Verweerder heeft zich ten onrechte op het standpunt gesteld dat het aan eiser is om aannemelijk te maken dat Bosnië-Herzegovina hem, in strijd met het beginsel van non-refoulement, zal terugsturen naar Turkije. 8. Verweerders verwijzing naar een uitspraak van deze rechtbank, zittingsplaats Haarlem, van 21 februari 2017 (AWB 17/1803 en 17/1801) en de bevestiging van die uitspraak door de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (Afdeling) van 23 maart 2017 (201701806/1/V3) kan niet tot een ander oordeel leiden. De genoemde uitspraken zien weliswaar op Gülen-aanhangers uit Turkije, maar voor hen werd Macedonië aangemerkt als veilig derde land, niet Bosnië-Herzegovina. Bovendien heeft de Afdeling, anders dan in het geval van Macedonië, nog geen oordeel gegeven over de aanmerking van Bosnië-Herzegovina als veilig land van herkomst of veilig derde land. 9. De aanvraag is ten onrechte niet-ontvankelijk verklaard. Het beroep is gegrond en de rechtbank vernietigt het bestreden besluit vanwege strijd met artikel 3:2 en artikel 3:46 van de Algemene wet bestuursrecht. De rechtbank ziet geen aanleiding de rechtsgevolgen van het bestreden besluit in stand te laten of zelf in de zaak te voorzien, omdat verweerder nader onderzoek dient te verrichten. Verweerder zal daarom een nieuw besluit moeten nemen met inachtneming van deze uitspraak. 10. De rechtbank veroordeelt verweerder in de door eiser gemaakte proceskosten. Deze kosten stelt de rechtbank op grond van het Besluit proceskosten bestuursrecht voor de door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand vast op € 990,- (1 punt voor het indienen van het beroepschrift en 1 punt voor het verschijnen ter zitting met een waarde per punt van € 495,- en een wegingsfactor 1). Omdat aan eiser een toevoeging is verleend, moet verweerder de proceskostenvergoeding betalen aan de rechtsbijstandverlener. Beslissing De rechtbank:- verklaart het beroep gegrond;- vernietigt het bestreden besluit; - draagt verweerder op een nieuw besluit te nemen op de aanvraag met inachtneming van deze uitspraak; - veroordeelt verweerder in de proceskosten van eiser tot een bedrag van € 990,-. Deze uitspraak is gedaan door mr. C. van Boven-Hartogh, rechter, in aanwezigheid van mr. A.A. Dijk, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 18 juli 2017. griffier rechter Afschrift verzonden of digitaal ter beschikking gesteld aan partijen op: RechtsmiddelTegen deze uitspraak kan binnen één week na de dag van verzending daarvan of na de dag van plaatsing daarvan in het digitale dossier hoger beroep worden ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State. Als hoger beroep is ingesteld, kan bij de voorzieningenrechter van de hogerberoepsrechter worden verzocht om het treffen van een voorlopige voorziening of om het opheffen of wijzigen van een bij deze uitspraak getroffen voorlopige voorziening. BIJLAGE Recht van de Europese Unie Richtlijn 2013/32/EU van het Europees Parlement en de Raad van 26 juni 2013 betreffende gemeenschappelijke procedures voor de toekenning en intrekking van de internationale bescherming (Procedurerichtlijn) Artikel 38 – Het begrip “veilig derde land” 1. De lidstaten mogen het begrip „veilig derde land” alleen toepassen indien de bevoegde autoriteiten zich ervan hebben vergewist dat een persoon die om internationale bescherming verzoekt in het betrokken derde land overeenkomstig de volgende beginselen zal worden behandeld: a.
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.