RECHTBANK DEN HAAG Zittingsplaats 's-Gravenhage Bestuursrecht zaaknummer: NL17.3471 uitspraak van de enkelvoudige kamer van 12 juli 2017 in de zaak tussen [eiser] , eiser (gemachtigde: mr. S.S.M. van Beek), en de Staatssecretaris van Veiligheid en Justitie, verweerder (gemachtigde: mr. G.M.L. van Doornum). Procesverloop Bij besluit van 19 juni 2017 (het bestreden besluit) heeft verweerder de aanvraag van eiser tot het verlenen van een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd in de algemene procedure afgewezen als kennelijk ongegrond. Eiser heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld. Het onderzoek ter zitting heeft, tezamen met de behandeling van de zaak NL17.3472, plaatsgevonden op 4 juli 2017. Partijen hebben zich laten vertegenwoordigen door hun gemachtigden. Overwegingen 1. Eiser is van Hondurese nationaliteit. Hij is geboren op [geboortedatum] 1979. Eiser is op 27 november 2016 vanuit Honduras naar Europa gekomen en heeft sindsdien in Frankrijk en Spanje verbleven. Op 5 juni 2017 heeft eiser aan de grens op de luchthaven Schiphol te kennen gegeven een asielaanvraag te willen indienen. 2. Eiser heeft aan zijn asielaanvraag ten grondslag gelegd dat hij bij terugkeer naar Honduras vreest te worden gedood, omdat hij in Spanje door zijn (ex-)vrouw, die eveneens in Spanje verblijft, telefonisch is bedreigd met de dood. Eiser heeft verklaard dat hij ook op zijn werk telefonisch is bedreigd door een hem onbekende man. Omdat eiser ook het gevoel had dat hij werd gevolgd, heeft hij uit angst besloten te stoppen met werken en terug te gaan naar Honduras. Op de terugweg van Spanje naar Honduras, bij de tussenstop op luchthaven Schiphol, zijn twee mensen op hem afgekomen en heeft één van hen hem gezegd dat hij hem zou doden bij terugkomst in Honduras. Toen eiser zag dat deze personen op dezelfde vlucht zaten, heeft hij besloten niet zijn vlucht te nemen maar naar de immigratiedienst te gaan om asiel aan te vragen. Eiser heeft verder verklaard dat hij ook bij de immigratiedienst nog door een jongen is achtervolgd. Voorts vreest eiser in Honduras het slachtoffer te worden van oorlogsbelasting. Eiser heeft een eigen bedrijfje aan huis en vreest om die reden te worden afgeperst en te worden vermoord als hij de oorlogsbelasting niet betaalt. 3. Het asielrelaas van eiser bevat volgens verweerder de volgende relevante elementen: de identiteit en nationaliteit van eiser; de (telefonische) bedreigingen en achtervolgingen. Verweerder heeft zich hierover op het standpunt gesteld dat de gestelde identiteit en nationaliteit geloofwaardig worden geacht. Verweerder acht de gestelde bedreigingen en achtervolgingen echter ongeloofwaardig, omdat eiser hierover naar het oordeel van verweerder kennelijk inconsequent, tegenstrijdig en duidelijk onwaarschijnlijk heeft verklaard. Verweerder is verder van oordeel dat eiser niet aannemelijk heeft gemaakt een reële vrees te hebben voor schending van artikel 3 van het Europees Verdrag voor de Rechten van de Mens en de fundamentele vrijheden (EVRM) vanwege de gestelde oorlogsbelasting nu eiser zelf nooit problemen heeft ondervonden in Honduras. Verweerder concludeert daarom dat de asielaanvraag kennelijk ongegrond is. 4. Eiser voert, kort samengevat, aan dat hij wel degelijk geloofwaardig heeft verklaard. Voor zover dat niet het geval is wijst eiser op het FMMU-advies, waarin gesproken wordt van mogelijk oplopende spanning en stress. Dit heeft volgens eiser op momenten geleid tot concentratieverlies en tegenstrijdige verklaringen afgelegd op die momenten mogen dan ook niet worden tegengeworpen. 5.1. Ingevolge artikel 29 van de Vw 2000 kan een verblijfsvergunning voor bepaalde tijd als bedoeld in artikel 28 van de Vw 2000 worden verleend aan de vreemdeling: a. die verdragsvluchteling is; of b. die aannemelijk heeft gemaakt dat hij gegronde redenen heeft om aan te nemen dat hij bij uitzetting een reëel risico loopt op ernstige schade, bestaande uit: 1°. doodstraf of executie; 2°. folteringen, onmenselijke of vernederende behandelingen of bestraffingen; of 3°. ernstige en individuele bedreiging van het leven of de persoon van een burger als gevolg van willekeurig geweld in het kader van een internationaal of binnenlands gewapend conflict. 5.2. Ingevolge artikel 30b, eerste lid, aanhef en onder e, van de Vw 2000 kan een aanvraag tot het verlenen van een verblijfsvergunning voor bepaalde tijd als bedoeld in artikel 28 worden afgewezen als kennelijk ongegrond in de zin van artikel 32, tweede lid, van de Procedurerichtlijn, indien de vreemdeling kennelijk inconsequente en tegenstrijdige, kennelijk valse of duidelijk onwaarschijnlijke verklaringen heeft afgelegd die strijdig zijn met voldoende geverifieerde informatie over het land van herkomst, waardoor zijn verklaringen alle overtuigingskracht wordt ontnomen met betrekking tot de vraag of hij in aanmerking komt voor verlening van een verblijfsvergunning voor bepaalde tijd als bedoeld in artikel 28. 5.3. Volgens paragraaf C1/4.4 van de Vreemdelingencirculaire 2000 (Vc 2000) beoordeelt de IND de geloofwaardigheid van de relevante elementen. Relevante elementen zijn feiten en omstandigheden die in de volgende twee categorieën worden onderscheiden:
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.