RECHTBANK DEN HAAG Bestuursrecht zaaknummer: AWB 17/4942 uitspraak van de enkelvoudige kamer van 31 juli 2017 in de zaak tussen [eiser] , eiser, V-nummer [vreemdelingennummer] (gemachtigde: O.D. Bahadoersing), en de minister van Buitenlandse Zaken, verweerder (gemachtigde: mr. F. Gieskes). Procesverloop Bij besluit van 11 oktober 2016 (het primaire besluit) heeft verweerder de visumaanvraag van eiser geweigerd. Bij besluit van 9 februari 2017 (het bestreden besluit) heeft verweerder het bezwaar van eiser kennelijk ongegrond verklaard. Eiser heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld. Verweerder heeft een verweerschrift ingediend. Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 30 juni 2017. Eiser is niet verschenen en heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde. Overwegingen Eiser heeft gesteld te zijn geboren op [geboortedatum] 1959 en de Surinaamse nationaliteit te hebben. Verweerder heeft de aanvraag van eiser van 21 september 2016 tot het verlenen van een visum voor kort verblijf bij het primaire besluit geweigerd. Verweerder heeft dit besluit, samengevat weergegeven, doen steunen op de volgende overwegingen. Verweerder heeft de aanvraag beoordeeld op grond van de artikelen 21 en 32 van de Verordening (EG) nummer 810/2009 van het Europees Parlement en de Raad van 13 juli 2009, tot vaststelling van een gemeenschappelijke visumcode (hierna: de Visumcode). Door eiser zijn valse/vervalste/nagemaakte documenten overgelegd ter onderbouwing van de visumaanvraag. Eiser heeft een valse doktersverklaring overgelegd. In deze doktersverklaring staat dat eiser en [persoon 1] biologische broers zouden zijn, terwijl referent aangeeft dat zij neven van elkaar zijn. Ook is de genoemde huisarts al enige jaren met pensioen en niet meer werkzaam bij de praktijk zoals deze is genoemd in de doktersverklaring. Bovendien is gebleken dat [persoon 1] geen patiënt is of was bij voornoemde praktijk. Door het overleggen van dit valse document is het niet meer mogelijk objectief vast te stellen wat eiser met de onderhavige visumaanvraag daadwerkelijk beoogt, hetgeen voor rekening en risico van eiser dient te blijven. Voorts roept het ernstige twijfel op ten aanzien van een tijdige terugkeer na afloop van het gestelde beoogde korte verblijf. Voorts zijn het doel en de omstandigheden van het voorgenomen verblijf onvoldoende aangetoond. Hierdoor kan onvoldoende worden vastgesteld dat aan alle voorwaarden voor het verlenen van een visum wordt voldaan. Eiser heeft in beroep – samengevat weergegeven – het volgende aangevoerd. Referent vermoedt dat [persoon 2] , de dochter van [persoon 1] , zelf heeft verzocht om een spoedvisum en dat zij heeft aangegeven dat eiser en [persoon 1] biologische broers zijn. [persoon 2] heeft aldus bewust een vervalste doktersverklaring heeft overgelegd, waarvan de inhoud en de strekking niet bekend zijn bij referent. In alle stukken die referent eerder heeft overgelegd en in haar garantverklaring heeft referent ingevuld dat eiser en [persoon 1] neven van elkaar zijn. Eiser is zich er niet van bewust wat hij verkeerd zou hebben gedaan. Referent heeft nooit stukken vervalst en/of nagemaakt. In deze zaak is onjuiste informatie door derden, namelijk door [persoon 2] , verstrekt. Het wettelijk kader is opgenomen in de bijlage. De bijlage maakt deel uit van deze uitspraak. 5. De rechtbank overweegt als volgt. 5.1 De rechtbank stelt allereerst vast dat eiser niet betwist dat er onjuiste informatie is verstrekt voor de visumaanvraag van eiser. Eiser stelt dat deze informatie niet door hem maar door een derde, namelijk [persoon 2] , is verstrekt. Eiser heeft deze stelling niet onderbouwd en dit mag wel verwacht worden van eiser. Het betreft immers een aanvraagsituatie en daarom rust de bewijslast bij eiser om aan te tonen dat hij aan de voorwaarden voldoet en in dit geval ook om aan te tonen dat [persoon 2] onjuiste informatie in het kader van de visumaanvraag heeft verstrekt. Nu eiser hierin niet is geslaagd heeft verweerder de visumaanvraag terecht geweigerd op grond van artikel 32, eerste lid, onder b, van de Visumcode. 5.2 De rechtbank stelt voorts vast dat de gang van zaken omtrent het verstrekken van de onjuiste informatie buiten [persoon 3] om is gegaan. Verweerder heeft dit ter zitting onderschreven. Verweerder heeft aangegeven dat onderhavige zaak geen gevolgen zal hebben voor [persoon 3] . Indien zij in de toekomst als garantsteller voor anderen dan eiser wil fungeren, dan zal onderhavige zaak niet aan haar worden tegengeworpen. 6. Het beroep zal ongegrond worden verklaard. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding. Beslissing De rechtbank verklaart het beroep ongegrond. Deze uitspraak is gedaan door mr. G. van Zeben-de Vries, rechter, in aanwezigheid van mr. L.M. Verwilligen, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 31 juli 2017. Rechtsmiddel Tegen deze uitspraak staat geen hoger beroep open. BIJLAGE – Wettelijk kader Ingevolge artikel 72, lid 2, van de Vreemdelingenwet 2000 (Vw 2000) worden beschikkingen omtrent de afgifte van visa of machtigingen tot voorlopig verblijf, gegeven krachtens het Soeverein Besluit van 12 december 1813, voor de toepassing van wettelijke voorschriften over bezwaar en beroep gelijkgesteld met beschikkingen aangaande toelating, gegeven op grond van de Vw 2000. Ingevolge artikel 1, eerste lid, van de Visumcode worden in deze verordening de procedures en voorwaarden vastgesteld voor de afgifte van visa voor de doorreis over het grondgebied van de lidstaten of een voorgenomen verblijf op het grondgebied van de lidstaten van ten hoogste drie maanden binnen een periode van zes maanden. Op grond van artikel 14 van de Visumcode wordt van aanvragers van een eenvormig visum verlangd dat zij - voor zover van belang - het volgende verstrekken: a.
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.