Rechtbank Den HAAG Meervoudige Kamer Rekestnummer: FA RK 18-4449 Zaaknummer: C/09/555169 Datum beschikking: 21 augustus 2018 Internationale kinderontvoering Beschikking op het op 20 juni 2018 ingekomen verzoek van: [verzoeker] de vader, wonende te [woonplaats vader] , advocaat: mr. H.P. Scheer te Utrecht. Als belanghebbende wordt aangemerkt: [belanghebbende] , de moeder, wonende te [woonplaats vader] , advocaat: mr. H.A. Schipper te ‘s-Gravenhage. Procedure De rechtbank heeft kennisgenomen van de stukken, waaronder: het verzoekschrift, met bijlagen, van de zijde van de vader; het F9-formulier van 2 juli 2018, met bijlagen, van de zijde van de vader; het verweerschrift van 3 juli 2018, met bijlagen, van de zijde van de moeder; de reactie op het verweerschrift van 31 juli 2018, met bijlagen, van de zijde van de vader; het verslag van de bijzondere curator van 2 augustus 2018; het faxbericht van 6 augustus 2018 van de zijde van de vader. Op 5 juli 2018 is de zaak ter zitting van deze rechtbank behandeld. Hierbij zijn verschenen: de vader, bijgestaan door zijn advocaat, de moeder, bijgestaan door haar advocaat, en mevrouw K.A. Hompert namens de Raad voor de Kinderbescherming. Het betrof hier een regiezitting met als behandelend rechter, tevens kinderrechter, mr. A.C. Olland. De behandeling ter zitting is aangehouden. De ouders hebben na de regiezitting geen crossborder-mediationtraject gevolgd, omdat zij vóór indiening van het verzoek door de vader al een dergelijk traject, gefaciliteerd door het Mediation Bureau van het Centrum Internationale Kinderontvoering, hebben gevolgd. Zij zijn toen niet tot een minnelijke regeling gekomen. Bij beschikking van 6 juli 2018 is drs. J.A.M. Hendriks benoemd tot bijzonder curator over de minderjarigen [minderjarige 1] en [minderjarige 2] . De bijzondere curator is verzocht de volgende vragen te beantwoorden: Wat geven [minderjarige 1] en [minderjarige 2] zelf aan over een eventueel verblijf in [woonplaats vader] en een eventueel verblijf in Nederland? In hoeverre lijken [minderjarige 1] en [minderjarige 2] zich vrij te kunnen uiten? In hoeverre lijken [minderjarige 1] en [minderjarige 2] de gevolgen van het verblijf in [woonplaats vader] of het verblijf in Nederland te overzien? Willen [minderjarige 1] en [minderjarige 2] met de rechter(s) spreken en zo ja, wensen [minderjarige 1] en [minderjarige 2] dat de bijzondere curator daarbij aanwezig zal zijn? Zijn er nog bijzonderheden naar voren gekomen die van belang zijn voor de te nemen beslissingen? Bij afzonderlijke beschikking van 6 juli 2018 heeft de rechtbank zich onbevoegd verklaard om kennis te nemen van het door de vader ingediende verzoek ex artikel 223 van het Wetboek van Burgerlijke rechtsvordering, strekkende tot het vaststellen van een voorlopige omgangsregeling tussen de vader en de kinderen (C/09/555739, FA RK 18-4708). De rechtbank heeft die zaak verwezen naar de rechtbank Gelderland, locatie Zutphen. [minderjarige 1] en [minderjarige 2] hebben op 7 augustus 2018 – in het bijzijn van de bijzondere curator – in raadkamer met de rechters gepraat. Op 7 augustus 2018 is de behandeling ter zitting van de meervoudige kamer voortgezet. Hierbij zijn verschenen: de vader, bijgestaan door zijn advocaat; de moeder, bijgestaan door haar advocaat; de bijzondere curator; mevrouw M. van den Bom namens de Raad voor de Kinderbescherming. De rechtbank heeft de ouders de gelegenheid gegeven om na de zitting nog te proberen om in onderling overleg tot een oplossing voor hun geschil te komen. De griffier heeft op 15 augustus 2018 telefonisch contact gehad met mr. Schipper en met een kantoorgenoot van mr. Scheer, die de zaken van mr. Scheer gedurende haar vakantie waarneemt. Beide advocaten hebben aangegeven dat de ouders geen overeenstemming hebben bereikt. Verzoek en verweer De vader heeft verzocht de onmiddellijke terugkeer van na te melden minderjarige kinderen te bevelen naar het woonadres van de vader in [woonplaats vader] , althans naar [woonplaats vader] , en daarbij te bepalen dat de onmiddellijke terugkeer uiterlijk binnen veertien dagen na de te wijzen beschikking dient te geschieden, althans op een datum als door de rechtbank in goede justitie wordt bepaald, waarbij de moeder wordt bevolen de kinderen uiterlijk op die datum aan de vader af te geven met gelijktijdige afgifte van de geldige reisdocumenten van de kinderen aan de vader, met veroordeling van de moeder in de kosten die de vader heeft moeten maken in verband met de ontvoering en teruggeleiding, een en ander voor zover mogelijk met uitvoerbaarverklaring bij voorraad. De moeder heeft verweer gevoerd tegen de verzoeken van de vader. Feiten De vader en de moeder zijn gehuwd op [huwelijksdatum] te [huwelijksplaats] . Zij zijn de ouders van de volgende nog minderjarige kinderen: - [minderjarige 1] geboren op [geboortedatum] te [geboorteplaats] ; - [minderjarige 2] , geboren op [geboortedatum] te [geboorteplaats] . De ouders oefenen het gezamenlijk gezag over de kinderen uit. De vader, de moeder en de kinderen hebben de Nederlandse nationaliteit. De kinderen zijn op 24 maart 2018 naar Nederland gekomen. Zij verblijven sindsdien in Nederland. De vader heeft zich niet gemeld bij de Nederlandse Centrale Autoriteit (CA). Beoordeling De vader heeft zijn verzoek gebaseerd op het Haagse Verdrag inzake de burgerrechtelijke aspecten van internationale ontvoering van kinderen van 25 oktober 1980 (hierna: het Verdrag). [woonplaats vader] is geen partij bij het Verdrag. Volgens artikel 2 van de Uitvoeringswet internationale kinderontvoering (hierna: de Uitvoeringswet) is deze wet ook van toepassing in de gevallen van internationale ontvoering van kinderen die niet door een verdrag worden beheerst. Op grond van artikel 11 lid 1 van de Uitvoeringswet is de kinderrechter van de rechtbank Den Haag bevoegd kennis te nemen van alle zaken met betrekking tot de gedwongen afgifte van een internationaal ontvoerd kind aan degene wie het gezag daarover toekomt en de teruggeleiding van een zodanig kind over de Nederlandse grens. De rechtbank ziet in het bepaalde in artikel 2 en 13 lid 3 van de Uitvoeringswet aanleiding de regels van het Verdrag naar analogie toe te passen. Het Verdrag heeft – voor zover hier van belang – tot doel de onmiddellijke terugkeer te verzekeren van kinderen die ongeoorloofd zijn overgebracht naar of worden vastgehouden in een Verdragsluitende staat. Het Verdrag beoogt hiermee een zo snel mogelijk herstel van de situatie waarin het kind zich bevond direct voorafgaand aan de ontvoering of vasthouding. Een snel herstel van de aan de ontvoering of vasthouding voorafgaande situatie wordt geacht de schadelijke gevolgen hiervan voor het kind te beperken. De rechtbank ziet in hetgeen de moeder heeft gesteld – en door de vader gemotiveerd is weersproken – geen aanleiding om in de onderhavige zaak van de in het Verdrag genoemde uitgangspunten af te wijken. Ongeoorloofde overbrenging of vasthouding in de zin van artikel 3 van het Verdrag Er is sprake van ongeoorloofde overbrenging of ongeoorloofde vasthouding in de zin van het Verdrag wanneer de overbrenging of het niet doen terugkeren geschiedt in strijd met een gezagsrecht ingevolge het recht van de staat waarin het kind onmiddellijk voor zijn overbrenging of vasthouding zijn gewone verblijfplaats had en dit recht alleen of gezamenlijk werd uitgeoefend op het tijdstip van het overbrengen of niet doen terugkeren, dan wel zou zijn uitgeoefend indien een zodanige gebeurtenis niet had plaatsgevonden (artikel 3 van het Verdrag). Gewone verblijfplaats en gezag Niet in geschil is dat [minderjarige 1] en [minderjarige 2] onmiddellijk voor de overbrenging naar Nederland hun gewone verblijfplaats in [woonplaats vader] hadden. Evenmin is in geschil dat de ouders samen het gezag hebben over [minderjarige 1] en [minderjarige 2] en dat het gezagsrecht daadwerkelijk gezamenlijk werd uitgeoefend. Toestemming Uit de overgelegde stukken en hetgeen tijdens de zitting is besproken is de rechtbank gebleken dat de relatie tussen de ouders in oktober 2017 feitelijk is verbroken. De ouders hebben vervolgens in onderling overleg en met behulp van een gezamenlijke vriendin, [naam vriendin] afspraken gemaakt met betrekking tot de kinderen. Deze afspraken zijn vastgelegd in een overeenkomst die op 27 januari 2018 door beide ouders en door [naam vriendin] is ondertekend. In deze overeenkomst is onder meer het volgende opgenomen: ‘(…) De kinderen zullen op 24/25-03 voor 3 weken op vakantie komen bij [belanghebbende] in NL, [verzoeker] zorgt voor deze vliegtickets. De kinderen zullen permanent naar NL komen na de laatste school term welke eindigt op 6 juli
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.