RECHTBANK DEN HAAG Zittingsplaats Arnhem Bestuursrecht zaaknummer: NL17.8009 uitspraak van de meervoudige kamer van 31 januari 2018 in de zaak tussen [eiser] , geboren op [geboortedatum] , v-nummer [v-nummer] , van Soedanese nationaliteit, eiser (gemachtigde: mr. M.J.W. Melchers), en de staatssecretaris van Veiligheid en Justitie, thans de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid, verweerder. Procesverloop Bij besluit van 25 augustus 2017 heeft verweerder de aanvraag van eiser tot het verlenen van een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd op grond van artikel 31, eerste lid, van de Vreemdelingenwet 2000 (hierna: Vw 2000) afgewezen. Daarnaast heeft verweerder geweigerd eiser een verblijfsvergunning regulier voor bepaalde tijd of hem uitstel van vertrek op grond van artikel 64 van de Vw 2000 te verlenen. Eiser heeft tegen dit besluit beroep ingesteld. De openbare behandeling van het beroep heeft plaatsgevonden op 28 september
(2015)6250 final (het Terugkeerhandboek), dat handvatten biedt voor de interpretatie van de Terugkeerrichtlijn, volgt dat deze handelwijze in overeenstemming is met de Terugkeerrichtlijn. Dat eiser hierdoor het risico loopt dat hij reeds ten tijde van de termijn van vrijwillig vertrek onderworpen zal worden aan de tenuitvoerlegging van de terugkeerverplichting (gedwongen verwijdering) of tijdens de beroepsprocedure tegen de afwijzing van de asielaanvraag die hij in Nederland mag afwachten, zoals eiser stelt, is niet juist. In artikel 3, vierde lid, van de Terugkeerrichtlijn is een terugkeerbesluit gedefinieerd als de administratieve of rechterlijke beslissing of handeling waarbij wordt vastgesteld dat het verblijf van een onderdaan van een derde land illegaal is of dit illegaal wordt verklaard en een terugkeerverplichting wordt opgelegd of vastgesteld. Het terugkeerbesluit legt dus de illegale status van het verblijf van de vreemdeling vast en verplicht hem terug te keren. Uit de woorden ‘wordt verklaard’ leidt de rechtbank af dat de illegale status ook later kan ingaan. Anders dan de AG heeft betoogd, is de rechtbank dus niet van oordeel dat een asielzoeker die na afwijzing van de asielaanvraag nog op het grondgebied van een lidstaat mag verblijven in afwachting van vrijwillig vertrek of tijdens een beroepsprocedure en daarom niet kan worden geacht aldaar illegaal te verblijven, geen voorwerp kan uitmaken van een terugkeerbesluit. Deze vreemdeling kan wel voorwerp van een terugkeerbesluit uitmaken. Dat betekent echter naar het oordeel van de rechtbank nog niet dat deze vreemdeling op dat moment al illegaal is op de wijze waarop het Hof van Justitie van de Europese Unie in het arrest van 30 mei 2013 in de zaak Arslan (C-534/11) artikel 3, tweede lid, van de Terugkeerrichtlijn, uitlegt. Het terugkeerbesluit wordt opgelegd onder opschortende voorwaarden. De gevolgen van het niet nakomen van de opgelegde vertrekplicht treden eerst later, afhankelijk van de tijd en de handelwijze van de vreemdeling, in. Het stelsel van de Terugkeerrichtlijn kenmerkt zich namelijk door een trapsgewijze verzwaring van de ter tenuitvoerlegging van het terugkeerbesluit te nemen maatregelen. Dit begint met de maatregel die de meeste vrijheid aan de betrokkene laat, namelijk de toekenning van een termijn voor zijn vrijwillige vertrek en eindigt met de maatregelen die hem meer beperken, zoals gedwongen verwijdering en vreemdelingenbewaring. De rechtbank wijst in dit verband op het arrest van het Hof van Justitie van de Europese Unie van 28 april 2011, C-61/11 PPU, El Dridi. Voorts geldt op grond van artikel 82, eerste lid, van de Vw 2000, welk artikellid ook op eiser van toepassing is, als hoofdregel dat de werking van het besluit tot weigering van een verblijfsvergunning asiel, daaronder begrepen het terugkeerbesluit, wordt opgeschort totdat de beroepstermijn is verstreken of, indien (tijdig) beroep is ingesteld, op het beroep is beslist. Conclusie
- Gelet op het voorgaande is het beroep ongegrond. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding. Beslissing De rechtbank verklaart het beroep ongegrond. Deze uitspraak is gedaan door mr. R.A. Eskes, voorzitter, mr. J.J.W.P. van Gastel en mr. R. Ortlep, rechters, in aanwezigheid van mr. R. Barzilay, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 31 januari
- griffier voorzitter Afschrift verzonden of digitaal ter beschikking gesteld aan partijen op: RechtsmiddelTegen deze uitspraak kan binnen één week na de dag van verzending daarvan of na de dag van plaatsing daarvan in het digitale dossier hoger beroep worden ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State. Als hoger beroep is ingesteld, kan bij de voorzieningenrechter van de hogerberoepsrechter worden verzocht om het treffen van een voorlopige voorziening of om het opheffen of wijzigen van een bij deze uitspraak getroffen voorlopige voorziening. BIJLAGE – Wettelijk kader Vreemdelingencirculaire 2000 Paragraaf C2/3.2 Artikel 29 eerste lid, aanhef en onder a Vw, vluchtelingschap Risicogroepen De Staatssecretaris van Veiligheid en Justitie kan een bevolkingsgroep als risicogroep aanwijzen als blijkt dat vervolging van vreemdelingen behorend tot deze bevolkingsgroep in het land van herkomst voorkomt. […] De vreemdeling die behoort tot een bevolkingsgroep die in het landgebonden beleid door de Staatssecretaris van Veiligheid en Justitie is aangewezen als een risicogroep, kan indien er sprake is van geloofwaardige en individualiseerbare verklaringen, met geringe indicaties aannemelijk maken dat zijn problemen die verband houden met één van de vervolgingsgronden leiden tot een gegronde vrees voor vervolging. Het individualiseringsvereiste blijft van toepassing op de vreemdeling, die behoort tot een risicogroep. Paragraaf C2/3.
- Ernstige schade als bedoeld in artikel 29 eerste lid, aanhef en onder b Vw Kwetsbare minderheidsgroepen De Minister is bevoegd om een bevolkingsgroep in een land van herkomst aan te merken als kwetsbare minderheidsgroep. […] De vreemdeling die behoort tot een bevolkingsgroep die in het landgebonden beleid is aangewezen als een kwetsbare minderheidsgroep, kan indien er sprake is van geloofwaardige en individualiseerbare verklaringen, met beperkte indicaties aannemelijk maken dat hij vreest voor ernstige schade daden als hier bedoeld. Het individualiseringsvereiste beperkt zich in deze gevallen niet tot wat de vreemdeling persoonlijk heeft ondervonden. De IND weegt op basis van de verklaringen van de vreemdeling mee wat personen, die behoren tot de kwetsbare minderheidsgroep, in de naaste omgeving van de vreemdeling aan mensenrechtenschendingen hebben ondervonden. De vreemdeling hoeft in dit geval niet aannemelijk te maken dat de mensenrechtenschendingen zijn ingegeven door het behoren tot de kwetsbare minderheidsgroep. Deze mensenrechtenschendingen kunnen ook hebben plaatsgevonden in de naaste omgeving van de vreemdeling in het land van herkomst, nadat de vreemdeling al uit het land was vertrokken. De IND verleent geen verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd op grond van artikel 29 eerste lid, aanhef en onder b, Vw aan de vreemdeling die behoort tot een kwetsbare minderheid, als in ieder geval: • sprake is van een aanzienlijk tijdsverloop tussen de mensenrechtenschendingen en het vertrek van de vreemdeling uit het land van herkomst; • de vreemdeling gedurende de periode van aanzienlijk tijdsverloop geen nieuwe problemen heeft ondervonden. Paragraaf C7/26.3.
- Risicogroepen in de zin van paragraaf C2/3.2 Vc De IND merkt voor Sudan uitsluitend aan als risicogroep: • Vreemdelingen die (vermeend) aanhanger zijn van een (gewapende) oppositiegroep Gelet op de algemeen bekende informatie wordt er vanuit gegaan dat in ieder geval vreemdelingen behorend tot de niet-Arabische bevolkingsgroepen uit Darfur (Noord-, Oost, Zuid- en Centraal-Darfur) en vreemdeling die behoren tot de bevolkingsgroep van de Nuba door de autoriteiten gezien worden als (vermeend) aanhanger van een (gewapende) oppositiegroep. Paragraaf C7/26.4.
- Kwetsbare minderheidsgroepen in de zin van paragraaf C2/3.3 Vc De IND merkt uitsluitend aan als kwetsbare minderheidsgroep: • Vreemdelingen die (vermeend) aanhanger zijn van een (gewapende) oppositiegroep Gelet op de algemeen bekende informatie wordt er vanuit gegaan dat in ieder geval vreemdelingen behorend tot de niet-Arabische bevolkingsgroepen uit Darfur (Noord-, Oost, Zuid- en Centraal-Darfur) en vreemdeling die behoren tot de bevolkingsgroep van de Nuba door de autoriteiten gezien worden als (vermeend) aanhanger van een (gewapende) oppositiegroep. Richtlijn 2008/115/EG (Terugkeerrichtlijn) Artikel 3 […]
- „ illegaal verblijf”: de aanwezigheid op het grondgebied van een lidstaat, van een onderdaan van een derde land die niet of niet langer voldoet aan de voorwaarden voor toegang die zijn vastgesteld in artikel 5 van de Schengengrenscode, of aan andere voorwaarden voor toegang tot, verblijf of vestiging in die lidstaat; […]
- „ terugkeerbesluit”: de administratieve of rechterlijke beslissing of handeling waarbij wordt vastgesteld dat het verblijf van een onderdaan van een derde land illegaal is of dit illegaal wordt verklaard en een terugkeerverplichting wordt opgelegd of vastgesteld; […] Artikel 6 […]
- Deze richtlijn belet niet dat in de lidstaten het besluit inzake de beëindiging van het legaal verblijf tezamen met een terugkeerbesluit en/of een verwijderingsbesluit en/of een inreisverbod overeenkomstig de nationale wetgeving met één administratieve of rechterlijke besluit of handeling kan worden genomen, onverminderd de procedurele waarborgen die zijn vervat in hoofdstuk III en in andere toepasselijke bepalingen van het communautair en het nationaal recht.