vonnis RECHTBANK DEN HAAG Team handel Vonnis van 17 oktober 2018 in de zaak met zaaknummer / rolnummer: C/09/536199 / HA ZA 17-754 van de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid VHC JONGENS B.V., gevestigd te Oostzaan, eiseres, advocaat mr. B.G. Baljet te Velsen, tegen de publiekrechtelijke rechtspersoon DE STAAT DER NEDERLANDEN (ministerie van Infrastructuur en Milieu), zetelend te Den Haag, gedaagde, advocaat mr. E.H.P. Brans te Den Haag. Partijen zullen hierna VHC Jongens en de Staat genoemd worden. 1De procedure 1.
(1)is vereist. Dat zou het rijden met dergelijke voertuigen bedrijfseconomisch minder rendabel maken, waardoor de realisering van de doelstellingen van het actieplan in gevaar zou worden gebracht. Met haar besluit van 31 maart 2010 heeft de Commissie ingestemd met het verzoek en onder bepaalde voorwaarden vrijstelling verleend voor een periode van 5 jaar. Op basis hiervan was in artikel 15, vijfde lid, de mogelijkheid opgenomen om toe te staan dat voertuigen, die worden aangedreven met een (hybride) elektrische motor en een tmm hebben van meer dan 3.500 maar minder dan 7.500 kg, en bestemd zijn voor het vervoer van goederen worden bestuurd met rijbewijs B in plaats van rijbewijs C. De betreffende pilots zijn inmiddels beëindigd en hebben kennis en ervaring opgeleverd voor de verdere ontwikkeling en uitrol van elektrisch rijden. De markt voor elektrisch aangedreven voertuigen heeft de afgelopen vijf jaar een forse ontwikkeling doorgemaakt en naar verwachting wordt deze trend voortgezet. Een van de conclusies van de pilots is dat elektrisch aangedreven voertuigen bij specifieke inzet – zoals distributie – aan de gewenste functionaliteiten kunnen voldoen. Met het beëindigen van de pilots is het kader van deze regeling komen te vervallen en dient ook de wettelijke basis te vervallen. Met de aanpassing van artikel 15, vijfde lid, is de wettelijke basis ingetrokken en is de regelgeving in lijn gebracht met richtlijn 2006/126/EG van het Europees Parlement en de Raad van 20 december 2006 betreffende het rijbewijs (PbEG L 403). Op grond van artikel II gebeurt dit met ingang van 1 januari 2016. Met deze datum wordt aan de betrokkenen een redelijke termijn gegeven om zich hierop voor te bereiden. Conform het verzoek van de Commissie zal binnen zes maanden een eindverslag over de toepassing, inclusief de veiligheidsaspecten, worden uitgebracht. Administratieve lasten en nalevingskosten Het voorstel heeft geen gevolgen voor de administratieve lasten voor het bedrijfsleven. De doelgroep van de regeling bestaat uit chauffeurs van motorrijtuigen met een elektrische of hybride motor die een tmm van 3.500 tot 7.500 kg hebben die in het kader van de pilot voor de door de Commissie aangegeven duur van 5 jaar deze motorrijtuigen mochten besturen met een rijbewijs B. Het betreft hier een beperkte groep bestuurders van een beperkt aantal motorrijtuigen. Volgens de informatie van de Dienst Wegverkeer gaat het om 43 motorrijtuigen. Omdat naar verwachting deze motorrijtuigen zullen worden bestuurd door meerdere bestuurders, is voor de berekening van de administratieve lasten uitgegaan van 2,5 bestuurders per motorrijtuig (derhalve in totaal 107 bestuurders. Door de beëindiging van de vrijstelling hebben zij voor het besturen van dergelijke motorrijtuigen rijbewijs C1 of C nodig. Voor de chauffeurs die slechts in het bezit van rijbewijs B zijn, betekent dit dat zij het rijbewijs C1 of C moeten gaan halen. Hieraan zijn eenmalige en structurele kosten verbonden.” 3Het geschil 3.1. VHC Jongens vordert bij uitvoerbaar bij voorraad verklaard vonnis I voor recht te verklaren dat de Staat onrechtmatig heeft gehandeld jegens VHC Jongens door enerzijds kenbaar te maken dat de vrijstellingsregeling zoals ingevoerd bij besluit van 27 januari 2010 (Stb. 2010/33) van tijdelijke duur was en anderzijds door de vrijstelling van het rijbewijs C1 voor het besturen van hybride bestelauto’s in te trekken zonder daarbij te voorzien in een overgangsregeling dan wel te voorzien in een compensatieregeling, aldus handelend in strijd met het rechtszekerheidsbeginsel en het zorgvuldigheidsbeginsel, dan wel anderszins in strijd met de zorgvuldigheid die in het maatschappelijk verkeer betaamt; II de Staat te veroordelen tot betaling van € 16.396,68, vermeerderd met de wettelijke rente daarover vanaf 26 juli 2016, althans vanaf de dag der dagvaarding; III de Staat te veroordelen tot betaling van € 6.975, vermeerderd met de wettelijke rente daarover vanaf de dag der dagvaarding; IV de Staat te veroordelen tot betaling van € 3.254, vermeerderd met de wettelijke rente daarover vanaf de dag der dagvaarding; V de Staat te veroordelen tot betaling van € 349.440, vermeerderd met de wettelijke rente daarover vanaf de dag der dagvaarding; VI de Staat te veroordelen tot betaling van € 2.775, vermeerderd met de wettelijke rente daarover vanaf de dag der dagvaarding; VII de Staat te veroordelen in de proceskosten, met rente, en de nakosten. 3.2. De Staat voert verweer. 3.3. Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover van belang, nader ingegaan. 4De beoordeling 4.1. De (besluiten tot) invoering en intrekking van de vrijstelling door wijziging van het Reglement rijbewijzen zijn besluiten van algemene strekking, waartegen geen rechtstreeks bezwaar en beroep mogelijk is. VHC Jongens kunnen deze besluiten ook niet bij wege van exceptieve toetsing aan de bestuursrechter voorleggen.VHC Jongens kunnen dus in deze procedure bij de burgerlijke rechter, gelijk zij hebben gedaan, opkomen tegen de invoering en intrekking van de vrijstelling. In deze procedure is aan de orde of de Staat onrechtmatig heeft gehandeld jegens VHC Jongens en uit dien hoofde aansprakelijk is voor de gevorderde schadevergoeding. 4.2. Tijdens de comparitie van partijen heeft VHC Jongens toegelicht dat zij de Staat primair op grond van het zogenoemde égalité-beginsel (égalité devant les charges publiques) aansprakelijk acht voor de door haar gevorderde schade. Het égalité-beginsel is een van de verschijningsvormen van het gelijkheidsbeginsel, dat inhoudt dat de onevenredig nadelige – dat wil zeggen: buiten het normale maatschappelijke risico of het normale bedrijfsrisico vallende, en op een beperkte groep burgers of instellingen drukkende – gevolgen van een overheidshandeling of overheidsbesluit niet ten laste van die beperkte groep behoren te komen, maar gelijkelijk over de gemeenschap dienen te worden verdeeld. Daaruit vloeit voort dat het toebrengen van zodanige onevenredige schade bij een op zichzelf rechtmatige overheidshandeling of overheidsbesluit jegens de getroffene onrechtmatig is. Voor toepassing van deze regel is eerst plaats indien sprake is van een beperkte groep burgers of instellingen die onevenredig door een overheidshandeling wordt getroffen. 4.3. Met de Staat wordt geoordeeld dat de vordering op de primaire grondslag dient te stranden omdat niet gesteld of gebleken is dat VHC Jongens de enige is of één is van een beperkte groep ondernemingen die onevenredig wordt getroffen door de intrekking van de vrijstelling. Het enkele gegeven dat in de periode van de vrijstelling een overzichtelijk aantal van 43 hybride vrachtwagens is aangeschaft door maximaal dat aantal ondernemingen, is onvoldoende om dat te kunnen aannemen. 4.4. Subsidiair stelt VHC Jongens dat de Staat heeft gehandeld in strijd met hetgeen volgens ongeschreven recht in het maatschappelijk verkeer betaamt, door in strijd met het beginsel van rechtszekerheid na te laten bij invoering van de vrijstelling duidelijk kenbaar te maken dat de vrijstelling van tijdelijke duur was en door in strijd met het zorgvuldigheidbeginsel en een op de Staat rustende zorgplicht, de vrijstelling zonder enige compensatie- of overgangsregeling in te trekken. 4.5. De tekst van de vrijstelling houdt geen beperking in de tijd in. De Nota van Toelichting verwijst naar het Plan van Aanpak en duidt als de kern daarvan aan het in de komende jaren positioneren van Nederland als internationale proeftuin voor elektrisch rijden. Daarmee kan uit de Nota van Toelichting worden afgeleid dat de vrijstelling wordt ingevoerd in verband met een proeftuin aangaande de inzet van elektrisch rijden voor stadsdistributie. In de Van Dale is ‘proeftuin’ gedefinieerd als ‘gebied waar iets nieuws wordt uitgeprobeerd’. De kern van een proeftuin is daarmee ‘uitproberen’. Een proeftuin kan vele verschillende vormen aannemen, die van korte(
- re)of lange(
- re)duur zijn. Kenmerkend is dat op voorhand niet vaststaat of een proeftuin zal leiden tot een definitieve regeling in dezelfde vorm. Het uit de Nota van Toelichting kenbare feit dat de vrijstelling is ingevoerd in verband met een proeftuin, impliceert dat het een tijdelijke maatregel is, waarvan niet zeker is of die na afloop van de proeftuin (in dezelfde vorm) zal blijven voortbestaan. De vrijstelling bracht kleine elektrische vrachtauto’s die – anders dan hun door fossiele brandstof aangedreven soortgenoten – meer dan 3.500 kg wegen, tijdelijk binnen het bereik van rijbewijs B. De Nota van Toelichting vermeldt dat bij voorkeur op korte termijn ervaring wordt opgedaan en daarna dat de komende jaren (…) de ervaringen met deze maatregelen (zullen) worden gevolgd. Daaruit kan afgeleid dat het de bedoeling is om op korte termijn na invoering van de vrijstelling, gedurende een niet nader geduide periode van enkele jaren, ervaringen op te doen in deze proeftuin. 4.6. Uit het voorgaande volgt dat de Staat, anders dan VHC Jongens betoogt, bij de invoering van de vrijstelling voldoende duidelijk heeft gemaakt dat het om een tijdelijke maatregel ging. Het verwijt van VHC Jongens dat in strijd met het rechtszekerheidsbeginsel is gehandeld door na te laten bij de invoering van de vrijstelling duidelijk kenbaar te maken dat de vrijstelling van tijdelijke duur was, treft dus geen doel. Reeds omdat bij de invoering duidelijk was dat de vrijstelling een tijdelijke maatregel was in verband met een proeftuin, leidt het nalaten om een regeling van overgangsrecht en/of een compensatieregeling te treffen bij intrekking van de vrijstelling niet tot schadeplichtigheid van de Staat. Het tweede verwijt van VHC Jongens treft dus ook geen doel. 4.7. Bij de bespreking van de toerekening van het door haar gesteld onrechtmatig handelen, wijst VHC Jongens erop dat de Staat eenvoudig de onduidelijkheid van de wetgeving en de daaruit voortvloeiende schade had kunnen voorkomen door in de Nota van Toelichting duidelijk te vermelding dat de vrijstelling slechts voor de duur van vijf jaar zou gelden. VHC Jongens betoogt dat het niet vermelden van deze beperkte geldigheidsduur van de vrijstelling, terwijl dit zonder kosten of inspanningen zou hebben kunnen geschieden, met zich brengt dat het onzorgvuldig handelen van de Staat moet worden aangemerkt als opzet, dan wel grove schuld en dat de onzorgvuldige handelswijze en de schade aan de Staat moeten worden toegerekend. In dit betoog ligt het verwijt besloten dat bij invoering van de vrijstelling ten onrechte niets is vermeld over de toen wel bij de Staat bekende maximale (initiële) duur van de vrijstelling, die werd bepaald door de periode waarvoor de Commissie op grond van artikel 3, lid 6, van de oude Rijbewijsrichtlijn instemming had verleend. Dit verwijt treft op grond van het navolgende doel. 4.8. De vrijstelling kon alleen met instemming van de Commissie worden ingevoerd. De periode waarvoor instemming was verleend, bepaalde de maximale (initiële) duur van de vrijstelling. Het instemmingsbesluit was niet gepubliceerd en was dus niet kenbaar voor derden, zoals VHC Jongens. De Staat kende de duur van de aan hem verleende instemming wel en wist dus bij invoering van de vrijstelling dat deze per 1 april 2015 moest worden ingetrokken, tenzij instemming werd verkregen voor een langere periode. Daar waar de Staat precies wist wat de maximale (initiële) duur van de vrijstelling was, kon hij bij invoering van deze tijdelijke maatregel niet volstaan met toelichten dat de vrijstelling in het kader van een proeftuin is verleend, met de bedoeling de komende jaren ervaring op te doen. Het nalaten van de Staat om bij invoering van de vrijstelling de hem bekende maximale (initiële) duur daarvan te vermelden, is in strijd met hetgeen volgens het ongeschreven recht in het maatschappelijk verkeer betaamt en is onrechtmatig jegens VHC Jongens. 4.9. VHC Jongens stelt dat zij, als zij zou hebben geweten dat de vrijstelling een tijdelijke maatregel was, niet was overgegaan tot de aankoop van de hybride vrachtauto’s, die een afschrijftermijn van acht jaar hebben. De door VHC Jongens gevorderde schade bestaat uit de kosten van de rijopleiding, de salariskosten voor de uren waarin de opleiding is gevolgd en de structurele lasten omdat chauffeurs met rijbewijs C1 in een hogere loonschaal vallen dan chauffeurs met rijbewijs B. 4.10. Zoals hiervoor is overwogen, was in 2010 duidelijk dat de vrijstelling werd ingevoerd als een tijdelijke maatregel, om bij voorkeur op korte termijn, in de komende jaren in het kader van een proeftuin ervaring op te doen. De vrijstelling was reeds enkele jaren van kracht toen VHC Jongens in 2014 overging tot de aanschaf van de hybride vrachtauto’s, die zij de komende acht jaar wilde gebruiken. De chauffeurs met rijbewijs B die VHC Jongens wilde laten rijden in de door haar in 2014 aangeschafte hybride vrachtauto’s, hadden dus hoe dan ook op enig moment gedurende de economische levensduur (van acht jaar) van de hybride vrachtauto’s moment rijbewijs C moeten halen. Daarmee ontbreekt het voor toewijzing van de schadevorderingen vereiste causaal verband tussen het onrechtmatig nalaten van de Staat en de gevorderde schade. 4.11. De slotsom is dat de vorderingen van VHC Jongens dienen te worden afgewezen. Aan bespreking van de overige geschilpunten komt de rechtbank niet toe. Omdat partijen over en weer op punten in het ongelijk zijn gesteld, worden de proceskosten gecompenseerd. 5De beslissing De rechtbank: 5.1. wijst de vorderingen af; 5.2. compenseert de proceskosten in de zin dat partijen ieder hun eigen kosten dragen. Dit vonnis is gewezen door mr. L. Alwin en in het openbaar uitgesproken op 17 oktober 2018.