← Nederland

ECLI:NL:RBDHA:2018:13140

vonnis RECHTBANK DEN HAAG Team handel zaaknummer / rolnummer: C/09/557125 / HA ZA 18-819 Vonnis van 10 oktober 2018 in de zaak van [eiseres] , gevestigd te [vestigingsplaats 2] , eiseres, advocaat mr. I.M.C.A. Reinders Folmer te Amsterdam, tegen [gedaagde] , wonende te [woonplaats] , gedaagde, advocaat mr. C.W. Wernink te Leiden. 1Rechtsoverwegingen 1.

  1. Namens gedaagde is pleidooi gevraagd. Dit verzoek is onderbouwd met de toelichting dat de advocaat als gevolg van een misverstand zijnerzijds in de veronderstelling verkeerde dat een uitstel van vier weken meer voor antwoord zou kunnen worden verleend, terwijl dit volgens hem nu niet meer mogelijk is sinds de inwerkingtreding van het nu geldende Landelijk Procesreglement op 1 februari
  2. Gelet hierop en nu de wederpartij niet wenst mee te werken aan een verzoek om eenstemmig uitstel, wordt een reparatiepleidooi verzocht, subsidiair het gelasten van een comparitie van partijen, zodat het standpunt van gedaagde mondeling ter zitting kan worden toegelicht. 1.
  3. Voordat de rechter over de zaak beslist, wordt aan partijen desverlangd gelegenheid geboden voor pleidooien (art. 134 Rv). Het recht om het standpunt mondeling te bepleiten vloeit ook voort uit artikel 6 EVRM. Dit een en ander brengt met zich mee dat een verzoek om de zaak te mogen bepleiten slechts in zeer uitzonderlijke gevallen mag worden afgewezen. Daartoe is noodzakelijk dat van de zijde van de wederpartij tegen toewijzing van het verzoek klemmende redenen worden aangevoerd of dat toewijzing van het verzoek strijdig zou zijn met de eisen van een goede procesorde. Verg. onder meer HR 2 december 2011, ECLI:NL:HR:2011:BT7596, HR 27 januari 2012, ECLI:NL:HR:2012:BU7254 en meer recent HR 15 december 2017, ECLI:NL:HR:2017:
  4. 1.
  5. Gedaagde heeft niet tijdig voor antwoord geconcludeerd. Hij heeft evenmin tijdig uitstel verkregen voor deze proceshandeling. Daarbij wordt overigens opgemerkt dat zowel voor als na 1 februari 2018 op grond van het Landelijk procesreglement uitstel kan worden verleend voor het verrichten van een proceshandeling indien een eenstemmig verzoek daartoe is gedaan, dan wel indien sprake is van klemmende redenen of overmacht. Omdat gedaagde niet tijdig voor antwoord heeft geconcludeerd, is zijn recht om deze proceshandeling te verrichten ingevolge artikel 133 lid 4 Rv vervallen. Uit de toelichting van gedaagde op zijn verzoek om pleidooi blijkt dat hij zich alsnog mondeling tegen de vorderingen wenst te verweren. Op grond van artikel 128 lid 3 Rv was zijn recht daartoe echter reeds voordat hij om pleidooi vroeg vervallen, nu hij niet ten principale heeft geantwoord. Gedaagde beoogt volgens zijn toelichting het nalaten tijdig voor antwoord te concluderen te ‘repareren’. Ingeval van toewijzing van dit verzoek wordt de in artikel 128 lid 3 Rv neergelegde regel van verval van recht van een gedaagde om zich tegen een vordering te verweren indien niet tijdig voor antwoord wordt geconcludeerd, feitelijk ter zijde gesteld. Dat is in strijd met de eisen van een goede procesorde. Het verzoek om pleidooi wordt daarom afgewezen, net als het subsidiaire verzoek om een comparitie van partijen te gelasten. Net als het primaire verzoek, heeft het subsidiaire verzoek de strekking tot reparatie te dienen van het niet tijdig voor antwoord concluderen. Dat verzoek strandt eveneens op het gegeven dat dit recht is vervallen. 2De beslissing De rechtbank - wijst het verzoek om pleidooi af; - bepaalt het vonnis op 21 november
  6. Dit vonnis is gewezen door mr. L. Alwin en in het openbaar uitgesproken op 10 oktober 2018, in tegenwoordigheid van de griffier. type: 308 coll:

🔗 Naar officiële bron

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.