RECHTBANK DEN HAAG Zittingsplaats Rotterdam Bestuursrecht zaaknummer: NL18.19199 uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen [eiser] (gemachtigde: mr. S.T.V. Le), en de Staatssecretaris van Justitie en Veiligheid, verweerder (gemachtigde: mr. K. Bruin). Procesverloop Verweerder heeft op 16 september 2018 aan eiser de maatregel van bewaring op grond van artikel 59a, eerste lid, van de Vreemdelingenwet 2000 (Vw) opgelegd. Deze maatregel duurt nog voort. Eiser heeft tegen het voortduren van de maatregel van bewaring beroep ingesteld. Daarbij heeft hij verzocht om schadevergoeding. Verweerder heeft een voortgangsrapportage overgelegd. Eiser heeft hierop gereageerd. Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 1 november 2018. Eiser is verschenen, bijgestaan door mr. R.W. Koevoets, als waarnemer van zijn gemachtigde. Als tolk is verschenen E. Salehi. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde. Overwegingen 1. De rechtbank stelt voorop dat zij deze maatregel van bewaring al eerder heeft getoetst. Uit de uitspraak van 3 oktober 2018 (in de zaak NL18.16976) volgt dat de maatregel van bewaring tot het moment van het sluiten van het onderzoek dat aan die uitspraak ten grondslag ligt, rechtmatig was. Daarom staat nu, voor zover dat in beroep wordt aangevochten, alleen ter beoordeling of sinds het moment van het sluiten van dat onderzoek de maatregel van bewaring rechtmatig is. 2. Eiser voert primair aan dat de maatregel van bewaring onrechtmatig moet worden geacht, omdat de overdrachtstermijn van zes weken, zoals bedoeld in artikel 28 van de Verordening (EU) 604/2013 (hierna: Dublinverordening), is verstreken. Eiser is op 16 september 2018 in bewaring gesteld ten behoeve van overdracht. Het claimakkoord van Bulgarije dateert van 19 september 2018. Zijn overdracht naar Bulgarije is niet uiterlijk binnen zes weken vanaf de datum van de acceptatie van het terugnameverzoek uitgevoerd. Deze beroepsgrond slaagt. 2.1. Uit artikel 28, derde lid, derde alinea, van de Dublinverordening (Verordening nr. 604/2013 van het Europees Parlement en de Raad van 26 juni 2013) volgt dat de overdracht van de vreemdeling zo spoedig mogelijk uitgevoerd dient te worden als praktisch mogelijk is, en uiterlijk binnen zes weken vanaf de impliciete of expliciete aanvaarding van het overname-of terugnameverzoek door een andere lidstaat, dan wel vanaf het tijdstip waarop het beroep of het bezwaar niet langer opschortende werking heeft overeenkomstig artikel 27, derde lid, van de Dublinverordening. Artikel 28, derde lid, vierde alinea, van de Dublinverordening bepaalt dat wanneer de verzoekende lidstaat zich niet houdt aan de termijnen voor het indienen van een overname- of terugnameverzoek, of wanneer de overdracht niet binnen de in de derde alinea genoemde termijn van zes weken geschiedt, de betrokkene niet langer in bewaring wordt gehouden. Artikel 27, derde lid, van de Dublinverordening bepaalt – voor zover hier van belang – dat de lidstaten voor een beroep of bezwaar tegen het overdrachtsbesluit één van de opschortingsalternatieven genoemd onder a), b), of
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.