← Nederland

ECLI:NL:RBDHA:2018:1388

RECHTBANK DEN HAAG Zittingsplaats Middelburg Bestuursrecht zaaknummer: NL18.138 uitspraak van de enkelvoudige kamer voor vreemdelingenzaken van 22 januari 2018 in de zaak tussen [naam] , eiser (gemachtigde: mr. H.W.F. Klarenaar), en de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid, verweerder (gemachtigde: mr. N.H.T. Jansen). Procesverloop Bij besluit van 3 januari 2018 (het bestreden besluit) heeft verweerder de aanvraag van eiser voor een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd niet in behandeling genomen. Eiser heeft beroep ingesteld tegen het bestreden besluit (NL18.138) en de voorzieningenrechter verzocht een voorlopige voorziening te treffen ter voorkoming van overdracht hangende het beroep (NL18.139). Het onderzoek ter zitting heeft, tezamen met de behandeling van de zaak NL18.139, plaatsgevonden op 18 januari

  1. Eiser is verschenen, bijgestaan door zijn gemachtigde. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde. Ook was aanwezig E.M. Spruit, tolk. Overwegingen
  2. Eiser is van Ivoriaanse nationaliteit. Hij is geboren op [geboortedatum] . Op 8 oktober 2017 heeft hij een aanvraag ingediend om verlening van een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd.
  3. Bij het bestreden besluit heeft verweerder deze aanvraag op grond van artikel 30, eerste lid, van de Vreemdelingenwet 2000, niet in behandeling genomen. Daaraan is ten grondslag gelegd dat Italië daarvoor verantwoordelijk is. Verweerder heeft de Italiaanse autoriteiten verzocht eiser terug te nemen op grond van artikel 18, eerste lid, aanhef en onder b, van de Verordening 604/2013 (de Dublinverordening). De Italiaanse autoriteiten hebben dit verzoek geaccepteerd op 31 oktober
  4. Op wat eiser daartegen heeft aangevoerd, wordt hierna ingegaan. De rechtbank oordeelt als volgt.
  5. Niet in geschil is dat Italië in beginsel verantwoordelijk is voor de behandeling van de asielaanvraag van eiser. In geschil is of verweerder ten aanzien van Italië nog mag uitgaan van het interstatelijk vertrouwensbeginsel.
  6. De rechtbank stelt voorop dat uit bestendige jurisprudentie van het Europees Hof voor de Rechten van de Mens blijkt dat hoewel er problemen zijn in de opvang van asielzoekers in Italië, de situatie niet vergelijkbaar is met die in Griekenland ten tijde van het arrest M.S.S. tegen België en Griekenland (onder meer het arrest M.O.S.H. tegen Nederland, nr. 63469/09) zodat ondanks bedoelde problemen verweerder nog steeds mag uitgaan van het interstatelijk vertrouwensbeginsel. Ook de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (Afdeling) volgt deze lijn (zie de door verweerder aangehaalde uitspraak van 10 augustus 2016, ECLI:NL:RVS:2016:2278, en meer recent de uitspraak van 30 mei 2017, ECLI:NL:RVS:2017:1454). De rechtbank ziet daarom geen aanleiding om tot een ander oordeel te komen.
  7. Eiser heeft niet met concrete aanwijzingen aannemelijk gemaakt dat er in Italië op dit vlak sprake is van systematische tekortkomingen. Verweerder heeft zijn standpunt, met verwijzing naar relevante jurisprudentie, voldoende gemotiveerd en ook terecht erop gewezen dat eiser over de gestelde bedreigingen in de opvang had kunnen klagen bij de (hogere) Italiaanse autoriteiten. Uit eisers persoonlijke relaas komt naar voren dat hij opvang kreeg en zelf gekozen heeft deze te verlaten omdat andere personen ook vertrokken. Eisers persoonlijk relaas biedt geen indicaties voor het oordeel dat de Italiaanse asielprocedure niet aan de daaraan te stellen eisen voldoet.
  8. De rechtbank is tot slot niet gebleken van bijzondere, individuele omstandigheden die maken dat overdracht van eiser aan Italië van een onevenredige hardheid getuigt. Daarom zijn er geen feiten of omstandigheden die maken dat Nederland de asielaanvraag van eiser op grond van artikel 17, eerste lid, van de Dublinverordening aan zich moet trekken.
  9. Het beroep is ongegrond.
  10. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding. Beslissing De rechtbank verklaart het beroep ongegrond. Deze uitspraak is gedaan door mr. C. van Boven-Hartogh, rechter, in aanwezigheid van S.A.K. Kurvink, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 22 januari
  11. griffier rechter Afschrift verzonden of digitaal ter beschikking gesteld aan partijen op: Rechtsmiddel Tegen deze uitspraak kan binnen één week na de dag van verzending daarvan of na de dag van plaatsing daarvan in het digitale dossier hoger beroep worden ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State. Als hoger beroep is ingesteld, kan bij de voorzieningenrechter van de hogerberoepsrechter worden verzocht om het treffen van een voorlopige voorziening.

🔗 Naar officiële bron

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.