Rechtbank DEN HAAG Meervoudige Kamer Rekestnummers: FA RK 15-9486 (echtscheiding) FA RK 16-2909 (afwikkeling huwelijkse voorwaarden) Zaaknummers: C/09/501306 (echtscheiding) C/09/509308 (afwikkeling huwelijkse voorwaarden) Datum beschikking: 5 december 2018 Echtscheiding met nevenvoorzieningen Beschikking op het op 4 december 2015 ingekomen verzoek van: [verzoekster] , de vrouw, wonende te Frankrijk, advocaat: eerst mr. E.K.E. van Herk, nu mr. S. Hussl te Amersfoort. Als belanghebbende wordt aangemerkt: [belanghebbende] de man, wonende te Frankrijk, advocaat: mr. M. van Riet-Holst te Utrecht. Procedure De rechtbank heeft bij beschikking van 4 oktober 2016 de behandeling van het verzoek tot echtscheiding en nevenvoorzieningen aangehouden teneinde partijen in de gelegenheid te stellen nadere stukken in het geding te brengen. De rechtbank heeft wederom kennisgenomen van de stukken, waaronder nu ook: de brief van 19 oktober 2018, met bijlagen, van de zijde van de man; het F9-formulier van 19 oktober 2018, met bijlagen, inhoudende aangepaste en aanvullende verzoeken van de zijde van de vrouw; het faxbericht van 29 oktober 2018 van de zijde van de vrouw. Op 31 oktober 2018 is de zaak ter zitting van de meervoudige kamer van deze rechtbank voortgezet. Hierbij zijn verschenen: de man en de vrouw bijgestaan door hun advocaten. Verzoek en verweer De vrouw heeft per brief van 19 oktober 2018 op bepaalde punten haar eerder ingediende verzoeken aangepast, aangevuld (en deels ingetrokken) en geconcretiseerd. Hiernaast is een aantal nieuwe verzoeken ingediend. Het verzoek van de vrouw strekt thans tot echtscheiding, met nevenvoorzieningen tot: - bepaling dat de minderjarige kinderen van partijen hun hoofdverblijfplaats bij de vrouw zullen hebben, met ingang van de datum waarop zij na verkoop van de echtelijke woning zelfstandige woonruimte betrekt; - bepaling dat de kinderen de helft van de tijd bij de vrouw en de helft van de tijd bij de man verblijven en dat deze regeling na verkoop van de echtelijke woning moet worden geëvalueerd en zo nodig moet worden aangepast; - bepaling dat de man – met ingang van de datum waarop de vrouw zelfstandige woonruimte betrekt, na verkoop van de echtelijke woning – gehouden is de vrouw een bedrag van € 598,- per kind per maand aan kinderalimentatie te voldoen bij vooruitbetaling voor de eerste van de maand een en ander te vermeerderen met enige tegemoetkoming vanuit de overheid die de man voor de kinderen ontvangt, althans de kinderalimentatie vast te stellen op een bedrag dat de rechtbank juist acht en te bepalen dat partijen de schoolkosten van de kinderen – voor zover die de in Frankrijk gangbare kosten overschrijven – bij helfte voor hun rekening dienen te nemen; - met ingang van de datum waarop de vrouw – na ontbinding van het huwelijk – zelfstandige woonruimte betrekt: bepaling van de bijdrage van de man in de kosten van levensonderhoud van de vrouw op € 5.000,- bruto per maand, bij vooruitbetaling te voldoen, althans de partneralimentatie vast te stellen op een bedrag per maand dat de rechtbank juist acht en te verstaan dat de man gehouden is om 100% van de met de echtelijke woning verband houdende lasten (waaronder de hypotheekrente) te voldoen, zolang partijen gezamenlijk eigenaar zijn van die woning, althans de beslissing op de partneralimentatie aan te houden tot de datum waarop duidelijk is welk vermogen de vrouw zal overhouden uit de verdeling/verrekening die nog tussen partijen moet plaatsvinden. Aanvullend bepaling dat tot de ingangsdatum van de partneralimentatie de financiële situatie doorloopt zoals hij thans is, in die zin dat de man de volledige salarissen van partijen op de en/of rekening stort en de lopende kosten van de huishouding daaruit betaald worden; - bepaling dat de echtelijke woning staande en gelegen in Frankrijk, te [echtelijke woning] bestens zal worden verkocht aan een derde en dat partijen de netto verkoopopbrengst – na aflossing van de leningen afgesloten bij BNP en ING en de lening bij de ouders van de vrouw waarvoor partijen beiden aansprakelijk zijn – bij helfte dienen te verdelen; - verklaring voor recht dat partijen over en weer niets verschuldigd zijn ter zake de uitvoering van het periodieke verrekenbeding opgenomen in artikel 8 van de huwelijkse voorwaarden; - voorwaardelijk, indien de rechtbank zou bepalen dat de vrouw uit hoofde van het verrekenbeding enig bedrag aan de man dient te voldoen, bepaling dat dit bedrag pas opeisbaar is dan wel pas voldaan dient te worden nadat de vrouw de beschikking heeft over haar deel van de verkoopopbrengst van de gemeenschappelijke echtelijke woning te Frankrijk; - verklaring voor recht dat partijen gehouden zijn de tijdens het huwelijk opgebouwde pensioenaanspraken te verevenen conform de Wet VPS en dat enig opgebouwd partnerpensioen premievrij voor de vrouw gereserveerd blijft; - veroordeling van de man om binnen één maand na de in dezen te wijzen beschikking een bedrag van € 141.175,04 netto aan de vrouw te voldoen op grond van de huwelijkse voorwaarden, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf de dag van verzuim tot de datum der algehele voldoening; - bepaling dat de vrouw met uitsluiting van de man bevoegd zal zijn tot het gebruik van de woning staande en gelegen te Frankrijk te [echtelijke woning] en de tot de inboedel daarvan behorende zaken, gedurende zes maanden na inschrijving van de ten deze te wijzen echtscheidingsbeschikking en de man te verbieden de woning zonder voorafgaande toestemming van de vrouw te betreden; - veroordeling van de man om binnen twee weken na de in dezen te wijzen beschikking aan de vrouw te voldoen een bedrag van € 7.500,- en € 10.000,- ter zake teveel betaalde kosten van de huishouding, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf de dag van verzuim tot de datum der algehele voldoening; - veroordeling van de man om binnen twee weken na de in dezen te wijzen beschikking aan de vrouw te voldoen een bedrag van € 2.200,- ter zake het door hem van de bankrekening ten name van de vrouw bij BNP met nummer . [nr.] opgenomen bedrag d.d. 3 augustus 2018, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf de dag van verzuim tot de datum der algehele voldoening; - veroordeling van de man om binnen twee weken na de in dezen te wijzen beschikking aan de vrouw te voldoen een bedrag van € 23.544,50 ter zake de verdeling van het saldo op de gezamenlijke bankrekening Banque Cantonale Vaudoise [gezamenlijk bankrekening] , waarbij deze bankrekening aan de man wordt toebedeeld, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf de dag van verzuim tot de datum der algehele voldoening; - veroordeling van de man om binnen twee weken na de in dezen te wijzen beschikking op de bankrekeningen van de kinderen de door hem opgenomen bedragen terug te storten en derhalve de man te veroordelen om € 1.037,40 te storten op rekeningnummer [bankrekening kind1] t.n.v. [kind1] en € 2.106,24 te storten op rekeningnummer [bankrekening kind2] t.n.v. [kind2] , en € 1.000,-- te storten op rekeningnummer [bankrekening kind3] t.n.v. [kind3] , te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf de dag van verzuim tot de datum der algehele voldoening; - bepaling dat alle huuropbrengsten voortkomende uit de verhuur van de echtelijke woning staande en gelegen te Frankrijk te [echtelijke woning] (“ [naam villa] ”) gestort dienen te worden op de gezamenlijke rekening van partijen bij [gezamenlijke rekening pp] ; een en ander met uitvoerbaarverklaring bij voorraad en kosten rechtens. De man voert verweer, welk verweer hierna zal worden besproken. De man heeft zijn eerder ingediende verzoeken – die staan geformuleerd in de beschikking van deze rechtbank van 4 oktober 2016 – gehandhaafd. Beoordeling Echtscheiding Rechtsmacht en toepasselijk recht Nu ten tijde van de indiening van het verzoekschrift beide echtgenoten de Nederlandse nationaliteit bezaten, komt de Nederlandse rechter rechtsmacht toe om te oordelen over het verzoek tot echtscheiding. De rechtbank zal op grond van artikel 10:56 van het Burgerlijk Wetboek (BW) Nederlands recht op het verzoek tot echtscheiding toepassen. Ontvankelijkheid De rechtbank stelt vast dat geen door beide ouders ondertekend ouderschapsplan is overgelegd. Op grond van artikel 815 lid 2 van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering (Rv) dient een verzoekschrift tot echtscheiding een ouderschapsplan te bevatten ten aanzien van de minderjarige kinderen van beide ouders over wie zij al dan niet gezamenlijk het gezag uitoefenen. Nu het ouderschapsplan in de wet is geformuleerd als een processuele eis bij een verzoek tot echtscheiding waarbij minderjarige kinderen zijn betrokken, heeft de rechtbank de bevoegdheid een echtgenoot in het verzoek tot echtscheiding niet-ontvankelijk te verklaren, tenzij er redenen zijn om aan te nemen dat het ouderschapsplan redelijkerwijs niet kan worden overgelegd (artikel 815 lid 6 Rv). De rechtbank is van oordeel dat de man en de vrouw voldoende hebben gemotiveerd dat het gedurende de procedure redelijkerwijs niet mogelijk is gebleken een door hen beiden getekend ouderschapsplan over te leggen. De rechtbank heeft hierbij in aanmerking genomen dat het voor de man en de vrouw op dit moment nog onduidelijk is hoe zij hun beider levens en het ouderschap willen gaan inrichten op het moment dat de echtelijke woning – waar zij nu nog beiden wonen – zal zijn verkocht. De afspraken die zij moeten maken over hun minderjarige zoon [kind3] hangen nauw samen met deze toekomstige situatie. Het is de ouders tot op heden niet gelukt om afspraken te maken over de hoofdverblijfplaats, de verdeling van de zorg- en opvoedingstaken en de kinderalimentatie voor [kind3] voor de toekomstige situatie dat zowel de man als de vrouw andere woonruimte betrekt. De rechtbank gaat er – zoals hierna ook wordt overwogen – vanuit dat de man en de vrouw de huidige situatie voorlopig zullen handhaven. Gelet op het voorgaande zal de rechtbank voorbij gaan aan het vereiste van artikel 815 lid 2 Rv. Nu aan de overige wettelijke formaliteiten is voldaan, zal de rechtbank de man en de vrouw ontvangen in hun verzoeken tot echtscheiding. Inhoudelijke beoordeling De vrouw en de man hebben beiden, in 2015 respectievelijk 2016, verzocht om de echtscheiding uit te spreken. De rechtbank heeft destijds na de mondelinge behandeling van 6 september 2016 – op verzoek van beide partijen – de beslissing inzake de echtscheiding (en alle nevenvoorzieningen) aangehouden. Tijdens de mondelinge behandeling op 31 oktober 2018 heeft de man aangegeven dat wat hem betreft de echtscheiding nog niet behoeft te worden uitgesproken. De vrouw heeft in reactie hierop gesteld dat zij volhardt in haar wens om te scheiden en hierbij heeft zij uitdrukkelijk aangegeven dat zij wenst dat de echtscheiding nu wel wordt uitgesproken. De rechtbank overweegt als volgt. De man heeft de door de vrouw gestelde duurzame ontwrichting van het huwelijk niet betwist én heeft bovendien ook zelf verzocht om de echtscheiding uit te spreken. De duurzame ontwrichting staat dus vast, zodat de daarop steunende wederzijdse verzoeken tot echtscheiding als op de wet gegrond voor toewijzing vatbaar zijn. De rechtbank zal dan ook de echtscheiding uitspreken. Uitsluitend gebruik echtelijke woning De vrouw verzoekt de rechtbank om te bepalen dat zij met uitsluiting van de man bevoegd zal zijn tot het gebruik van de woning (met inboedel) te Frankrijk. De Nederlandse rechter heeft – zoals tijdens de zitting al aangegeven – op grond van artikel 4 lid 3 onder a Rv geen rechtsmacht ten aanzien van dit verzoek, nu de woning in Frankrijk is gelegen. De rechtbank verklaart zich dan ook onbevoegd om van dit verzoek kennis te nemen. Hoofdverblijfplaats en verdeling zorg- en opvoedingstaken [kind3] Rechtsmacht en toepasselijk recht Blijkens artikel 12 lid 1 Brussel II-bis zijn de gerechten van een lidstaat in de uitoefening van hun bevoegdheid ter zake van een verzoek om echtscheiding ook bevoegd voor elke met dit verzoek samenhangende kwestie inzake de ouderlijke verantwoordelijkheid indien: a. ten minste één van de echtgenoten de ouderlijke verantwoordelijkheid voor het kind draagt; en b. de bevoegdheid van deze gerechten uitdrukkelijk dan wel op enige andere ondubbelzinnige wijze door de echtgenoten en door de personen die de ouderlijke verantwoordelijkheid dragen, is aanvaard op het tijdstip waarop de zaak bij het gerecht aanhangig wordt gemaakt en door het belang van het kind wordt gerechtvaardigd. Nu beide ouders belast zijn met het gezag over [kind3] is voldaan aan het vereiste onder lid 1 sub a. Voorts hebben de ouders – de personen die de ouderlijke bevoegdheid dragen – de bevoegdheid van de Nederlandse rechter ondubbelzinnig aanvaard, nu zij zich niet op de onbevoegdheid van de rechtbank ter zake hebben beroepen en beide ouders verzoeken betreffende [kind3] bij de Nederlandse rechter hebben ingediend. De rechtbank is voorts van oordeel dat het aannemen van de bevoegdheid van de Nederlandse rechter door het belang van [kind3] wordt gerechtvaardigd. Hoewel [kind3] zijn gewone verblijfplaats momenteel in Frankrijk heeft, acht de rechtbank zich op basis van hetgeen tijdens de zitting is besproken en de overgelegde stukken voldoende voorgelicht om in deze zaak gelijktijdig met de echtscheidingsbeslissing een weloverwogen beslissing te kunnen nemen. Gelet op het voorgaande acht de rechtbank zich op grond van artikel 12 lid 1 Brussel II-bis bevoegd om kennis te nemen van de nevenverzoeken inzake de ouderlijke verantwoordelijkheid. De rechtbank zal hier Nederlands recht op toepassen. Inhoudelijke beoordeling De rechtbank is uit de overgelegde stukken en hetgeen tijdens de zitting is besproken het volgende gebleken. De man en de vrouw wonen sinds 2005 met [kind1] , [kind2] en [kind3] in Frankrijk. Zij zijn na het feitelijk verbreken van hun relatie in 2015 samen, als gezin, in de echtelijke woning in [plaats echtelijke woning] blijven wonen. De echtelijke woning staat inmiddels geruime tijd te koop, maar de man en de vrouw zijn er nog niet in geslaagd om een koper te vinden. De man en de vrouw wonen tot op heden nog samen in de echtelijke woning. De rechtbank begrijpt dat de vrouw wil dat een beslissing wordt genomen over wie (met uitsluiting van de ander) in de echtelijke woning mag blijven wonen totdat deze is verkocht, omdat de vrouw eigenlijk niet langer samen met de man in de woning wil verblijven. De Nederlandse rechter kan echter niet beslissen dat een van partijen gerechtigd zal zijn tot het uitsluitend gebruik van de woning waarbij de ander de woning moet verlaten, nu zij daartoe – zoals hiervoor overwogen – niet bevoegd is. De rechtbank zal er dan ook vanuit gaan dat de man en de vrouw de huidige situatie voorlopig zullen voortzetten, in die zin dat zij nog (samen met de kinderen) in de echtelijke woning blijven wonen en grotendeels een gezamenlijke huishouding blijven voeren. De rechtbank acht het niet opportuun om nu al een beslissing te nemen, vooruitlopend op de toekomstige, en voor alle betrokkenen nog onzekere situatie dat de echtelijke woning zal zijn verkocht. Dit kan immers – zoals beide partijen zelf ook hebben aangegeven – nog geruime tijd duren. De rechtbank zal het verzoek van de vrouw, om de hoofdverblijfplaats van [kind3] met ingang van de datum waarop zij na verkoop van de echtelijke woning zelfstandige woonruimte betrekt bij haar te bepalen, dan ook afwijzen. Nu de rechtbank als uitgangspunt neemt dat de man en de vrouw samen met de kinderen in de echtelijke woning blijven wonen, ziet zij voorts geen aanleiding om de hoofdverblijfplaats van [kind3] bij de man te bepalen zolang de echtelijke woning nog niet is verkocht én ziet zij evenmin aanleiding om de verdeling van de zorg- en opvoedingstaken over [kind3] vast te stellen. De rechtbank zal de verzoeken van de man en de vrouw op deze punten afwijzen. De rechtbank zal aldus beslissen. Kinderalimentatie [kind3] Rechtsmacht en toepasselijk recht Nu het verzoek om kinderalimentatie als nevenverzoek is ingediend in de echtscheidingsprocedure, komt de Nederlandse rechter op grond van artikel 3 onder c van de Alimentatieverordening rechtsmacht toe ten aanzien van dit verzoek. Op het verzoek tot alimentatie voor [kind3] zal de rechtbank op grond van artikel 7 van het Protocol van 23 november 2007 inzake het recht dat van toepassing is op onderhoudsverplichtingen, conform de afspraak tussen de man en de vrouw, Nederlands recht toepassen. Inhoudelijke beoordeling De rechtbank constateert dat het verzoek van de vrouw betreffende de kinderalimentatie ziet op de toekomstige situatie dat de echtelijke woning is verkocht en partijen beiden een eigen woning hebben. De rechtbank zal – onder verwijzing naar hetgeen hierboven is overwogen – dit verzoek van de vrouw afwijzen. Het is immers nog niet bekend bij welke ouder [kind3] tegen die tijd zijn hoofdverblijfplaats zal hebben en hoe de man en de vrouw de zorg- en opvoedingstaken zullen gaan verdelen. Verder kan de rechtbank op dit moment niet inschatten hoe de financiële situatie van beide partijen dan is en wat dit voor gevolgen heeft voor de verdeling van de kosten van [kind3] over beide ouders. De rechtbank ziet hiernaast geen aanleiding om, zoals de man verzoekt, de beslissing ten aanzien van de kinderalimentatie aan te houden totdat partijen dit in het ouderschapsplan nader vorm hebben gegeven. De rechtbank heeft in het voorgaande al geconcludeerd dat het de man en de vrouw tot op heden niet is gelukt om afspraken te maken over [kind3] en zij gaat er niet vanuit dat hen dit – gelet op de onduidelijkheid waarin zij nu verkeren rondom de verkoop van de echtelijke woning – binnen afzienbare tijd zal lukken. De rechtbank zal dit verzoek afwijzen. Bijdrage voor [kind1] en [kind2] De rechtbank overweegt dat van [kind1] en [kind2] – die beiden jong-meerderjarig zijn – geen machtiging is overgelegd. Bovendien liggen geen verzoeken ter zake de bijdrage in de kosten van hun levensonderhoud en studie voor. De rechtbank kan, en zal, in deze procedure dan ook geen beslissing nemen over de bijdrage in de kosten van levensonderhoud en studie van [kind1] en van [kind2] . Partneralimentatie Rechtsmacht en toepasselijk recht Nu het verzoek om partneralimentatie als nevenverzoek is ingediend in de echtscheidingsprocedure, komt de Nederlandse rechter op grond van artikel 3 onder c van de Alimentatieverordening rechtsmacht toe ten aanzien van dit verzoek. Op het verzoek tot alimentatie voor de vrouw zal de rechtbank op grond van artikel 5 van het Protocol van 23 november 2007 inzake het recht dat van toepassing is op onderhoudsverplichtingen, Nederlands recht toepassen. De rechtbank overweegt dat zij – met partijen – van mening is dat het huwelijk van partijen nauwer is verbonden met Nederland. De rechtbank heeft in haar overweging de volgende factoren meegenomen. De man en de vrouw, die beiden de Nederlandse nationaliteit hebben, zijn in 1995 in Nederland gehuwd. Hiernaast hebben zij het overgrote deel van hun huwelijk in Nederland gewoond en zal de echtscheiding ook in Nederland worden uitgesproken. Inhoudelijke beoordeling De rechtbank zal – onder verwijzing naar hetgeen hiervoor is overwogen – het verzoek van de vrouw tot het vaststellen van partneralimentatie afwijzen. De rechtbank overweegt dat zij ten aanzien van de partneralimentatie geen aanleiding ziet om vooruit te lopen op de toekomstige situatie dat de echtelijke woning is verkocht en de vrouw zelfstandige woonruimte betrekt. Dit kan immers nog geruime tijd duren en de rechtbank kan op dit moment niet inschatten hoe de financiële situatie van beide partijen dan is en wat dit voor gevolgen heeft voor de behoefte en behoeftigheid van de vrouw alsmede de draagkracht van de man. De rechtbank ziet hiernaast geen rechtsgrondslag voor de ‘verstaansbeslissing’ dat de man gehouden is om 100% van de met de echtelijke woning verband houdende lasten te voldoen zolang partijen gezamenlijk eigenaar zijn van die woning. Dit verzoek zal de rechtbank ook afwijzen. Afwikkeling huwelijksvermogen Rechtsmacht en toepasselijk recht Nu de Nederlandse rechter rechtsmacht heeft met betrekking tot het echtscheidingsverzoek, heeft hij tevens rechtsmacht met betrekking tot het verzoek ten aanzien van de afwikkeling van het huwelijksvermogen. Gelet op de huwelijksdatum van de echtgenoten – [huwelijksdatum] – dient de vraag welk recht van toepassing is op het huwelijksvermogensregime beslist te worden door toepassing van het Haags Huwelijksvermogensverdrag
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.