RECHTBANK DEN HAAG Zittingsplaats Amsterdam Bestuursrecht zaaknummer: AWB 17/6171 V-nummers: [V-nummer] , [V-nummer] , [V-nummer] en [V-nummer] uitspraak van de meervoudige kamer voor vreemdelingenzaken van 20 november 2018 in de zaak tussen […] , geboren op [geboortedatum] , […] , geboren op [geboortedatum] , […] , geboren op [geboortedatum] , […] , geboren op [geboortedatum] , allen van Syrische, hierna te noemen: eisers (gemachtigde: mr. M. Issa), en de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid, verweerder (gemachtigde: mr. L.S. van Tol). Procesverloop Bij besluit van 9 augustus 2016 (het primaire besluit) heeft verweerder de aanvraag van eisers van 1 maart 2016 om verlening van een machtiging tot voorlopig verblijf (mvv) met als doel “gezinshereniging in het kader van nareis” afgewezen. Het daartegen gemaakte bezwaar is bij besluit van 14 maart 2017 (het bestreden besluit) ongegrond verklaard. Op 20 maart 2017 heeft de rechtbank het beroepschrift van eisers ontvangen. Verweerder heeft een verweerschrift ingediend. Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 30 oktober 2018. Partijen zijn vertegenwoordigd door hun voornoemde gemachtigden. De rechtbank heeft het onderzoek ter zitting gesloten. Overwegingen 1. […] (referent) is de zoon respectievelijk broer van eisers en geboren op [geboortedatum] . Hij heeft op 8 september 2015 een asielaanvraag ingediend en aan hem is op 12 februari 2016 een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd verleend. 2. Verweerder heeft de mvv-aanvraag afgewezen omdat referent niet kan worden aangemerkt als alleenstaande minderjarige in de zin van artikel 2, aanhef en onder f, van de Gezinsherenigingsrichtlijn. Hierbij heeft verweerder in eerste instantie de leeftijd van referent ten tijde van zijn mvv-aanvraag als peildatum gehanteerd. Naar aanleiding van het arrest A. en S. van 12 april 2018 van het Hof van Justitie van de Europese Unie (het arrest A. en S.) heeft verweerder de leeftijd van referent ten tijde van zijn asielaanvraag als peilmoment gehanteerd. Om die reden komen eisers volgens verweerder niet in aanmerking voor een afgeleide verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd als bedoeld in artikel 29, tweede lid, van de Vreemdelingenwet (Vw) 2000. Verder stelt verweerder zich op het standpunt dat de afwijzing niet in strijd is met artikel 8 van het EVRM. Nu eisers niet voldoen aan de voorwaarden van artikel 29, tweede lid, van de Vw 2000 hoeft verweerder niet te toetsen aan andere gronden, zoals artikel 8 van het EVRM. 3.1 Eisers voeren aan dat verweerder uitgaat van een onjuiste peildatum. Niet de datum van de aanvraag om een mvv is bepalend, maar het moment waarop referent het land van herkomst heeft verlaten. Referent was op het moment van vertrek uit Syrië minderjarig. Daarbij wijzen eisers erop dat referent ten tijde van het indienen van zijn asielaanvraag een voogd van NIDOS had. Verder voeren eisers aan dat zij op grond van familie- en gezinsleven zoals omschreven in artikel 8 van het EVRM toe moeten worden gelaten. Door de mvv te weigeren is sprake van inmenging in het familie- en gezinsleven. Er is sprake van een meer dan gebruikelijke afhankelijkheid tussen referent en zijn ouders. Eisers voeren aan dat het beleid met betrekking tot jongvolwassen op referent van toepassing is en verwijzen naar verschillende uitspraken. Ook doen eisers een beroep op artikel 4:84 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) omdat volgens eisers in deze zaak sprake is van een combinatie van bijzondere omstandigheden. 3.2 Naar aanleiding van het arrest A. en S. voeren eisers in beroep aan dat referent als minderjarige dient te worden beschouwd nu hij ten tijde van zijn asielaanvraag minderjarig was. 4.1 De rechtbank overweegt als volgt. In het arrest A. en S. heeft het Hof van Justitie van de Europese Unie uitgelegd hoe artikel 2, aanhef en onder f, van de Gezinsherenigingsrichtlijn in het kader van nareis moet worden toegepast. Kort gezegd blijkt uit dit arrest dat een onderdaan van een derde land of staatloze die op het tijdstip van zijn aankomst op het grondgebied van een lidstaat en van indiening van zijn asielverzoek in die staat jonger dan 18 jaar oud was, maar die gedurende de asielprocedure meerderjarig wordt en vervolgens wordt erkend als vluchteling, moet worden gekwalificeerd als “minderjarige” in de zin van die bepaling. 4.2 De rechtbank stelt vast dat ter zitting is gebleken dat niet meer in geschil is dat referent ten tijde van het asielverzoek meerderjarig was en niet onder de reikwijdte van het arrest A.S. valt. 5. Ten aanzien van het betoog van eisers dat referent als jongvolwassene moet worden aangemerkt en verweerder ten onrechte zijn beleid met betrekking tot jongvolwassenen niet heeft toegepast, overweegt de rechtbank als volgt. 6. Op grond van artikel 29, tweede lid, van de Vw 2000, kan een verblijfsvergunning voor bepaalde tijd als bedoeld in artikel 28 worden verleend aan de hierna te noemen gezinsleden, indien deze op het tijdstip van binnenkomst van de in het eerste lid bedoelde vreemdeling behoorden tot diens gezin en gelijktijdig met die vreemdeling Nederland zijn ingereisd dan wel zijn nagereisd binnen drie maanden nadat aan die vreemdeling de verblijfsvergunning voor bepaalde tijd, bedoeld in artikel 28, is verleend: (
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.