← Nederland

ECLI:NL:RBDHA:2018:14914

RECHTBANK DEN HAAG Zittingsplaats Middelburg Bestuursrecht zaaknummer: NL18.21109 v-nummer: [nummer] proces-verbaal van de mondelinge uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen [naam] , eiser (gemachtigde: mr. drs. E.R. Weegenaar), en de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid, verweerder (gemachtigde: mr. E. van Hoof). Procesverloop Bij besluit van 9 november 2018 (het bestreden besluit) heeft verweerder eisers aanvraag tot het verlenen van een verblijfsvergunning asiel niet in behandeling genomen op grond van artikel 30, eerste lid, van de Vw, omdat Denenmarken verantwoordelijk is voor de behandeling ervan. Eiser heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld. Het onderzoek ter zitting heeft, tezamen met de behandeling van de zaak NL18.21110, plaatsgevonden op 12 december 2018 te Breda. Eiser en zijn gemachtigde zijn, met voorafgaand bericht, niet verschenen. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde. Na afloop van de behandeling van de zaak ter zitting heeft de rechtbank onmiddellijk ter zitting uitspraak gedaan. Beslissing De rechtbank verklaart het beroep ongegrond. Overwegingen

  1. Niet in geschil is dat Denenmarken primair verantwoordelijk is voor de behandeling van eisers asielaanvraag. Denenmarken heeft deze verantwoordelijkheid ook aanvaard.
  2. Eiser heeft niet met documenten aangetoond of anderszins aannemelijk gemaakt dat er concrete aanwijzingen zijn dat Denenmarken het Vluchtelingenverdrag, het EVRM en de Europese richtlijnen voor asielzoekers niet naleeft, en dat daarom ten aanzien van Denenmarken niet kan worden uitgegaan van het interstatelijk vertrouwensbeginsel.
  3. De door eiser gestelde medische klachten geven geen aanleiding voor het oordeel dat verweerder de asielaanvraag ten onrechte niet aan zich heeft getrokken. Eiser heeft niet eens onderbouwd dat hij momenteel medische klachten heeft waarvoor hij moet worden behandeld. Verweerder mag er bovendien van uitgaan dat de medische voorzieningen in Denenmarken vergelijkbaar zijn met die in Nederland. Eiser heeft niet met medische stukken onderbouwd dat zijn medische situatie aanzienlijk en onomkeerbaar zal verslechteren door de overdracht zelf.
  4. Verweerder werpt eiser niet ten onrechte tegen dat hij zich bij voorkomende problemen in Denemarken kan wenden tot de daartoe aangewezen (hogere) Deense autoriteiten dan wel geëigende instanties, en dat niet is gebleken dat deze hem niet zouden kunnen of willen helpen. Eisers enkele stelling dat klagen in Denemarken over het ontbreken van medische zorg eerder niet leidde tot verbetering, slaagt niet. Eiser heeft ook deze stelling niet onderbouwd.
  5. Met betrekking tot eisers beroep op artikel 17 van de Dublinverordening overweegt de rechtbank dat aan verweerder beoordelings- en beleidsruimte toekomt bij de vraag of sprake is van zodanig bijzondere feiten en omstandigheden dat overdracht van kennelijke hardheid getuigt. De door eiser aangevoerde feiten en omstandigheden zijn niet zodanig bijzonder dat aanleiding bestaat voor het oordeel dat verweerder niet in redelijkheid heeft kunnen afzien van toepassing van de humanitaire clausule.
  6. De conclusie is dat het beroep ongegrond is. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding. De beslissing is in het openbaar uitgesproken door mr. B.F.Th. de Roos, rechter, in aanwezigheid van mr. M.I.P. Buteijn, griffier, op 12 december
  7. Vreemdelingenwet
  8. Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden. Richtlijn 2013/33/EU, Richtlijn 2011/95/EU en Richtlijn 2013/32/EU. Verordening 604/2013/EU.

🔗 Naar officiële bron

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.