← Nederland

ECLI:NL:RBDHA:2018:14916

RECHTBANK DEN HAAG Zittingsplaats Middelburg Bestuursrecht zaaknummer: NL18.21265 V-nummer [nummer] proces-verbaal van de mondelinge uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen [naam] , ook genoemd: [naam 2] , eiser (gemachtigde: mr. H. van der Wal), en de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid, verweerder (gemachtigde: mr. E. van Hoof). Procesverloop Bij besluit van 12 november 2018 (het bestreden besluit) heeft verweerder de aanvraag van eiser tot het verlenen van een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd niet in behandeling genomen op de grond dat Duitsland verantwoordelijk is voor de behandeling van de aanvraag. Eiser heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld. Het onderzoek ter zitting heeft, tezamen met de behandeling van de zaak NL18.21266, plaatsgevonden op 12 december 2018 in Breda. Eiser is, zonder voorafgaand bericht, niet verschenen ter zitting. Na afloop van de behandeling van de zaak ter zitting heeft de rechtbank onmiddellijk ter zitting uitspraak gedaan. Beslissing De rechtbank verklaart het beroep ongegrond. Overwegingen

  1. Eiser voert aan dat verweerder ten onrechte geen gebruik heeft gemaakt van een niet-registertolk. Verweerder heeft daartegen in het bestreden besluit ingebracht dat er geen registertolken zijn in de taal van eiser, het Tadzjieks. Daarmee doet zich één van de twee uitzonderingen voor op de hoofdregel dat verweerder van een registertolk gebruik moet maken. Verder wordt overwogen dat niet is gebleken van communicatieproblemen met de tolk tijdens het gehoor. Ook zijn er geen correcties en aanvullingen bij het rapport van het gehoor ingediend. De grond dat het horen zonder registertolk onzorgvuldig was, faalt dan ook.
  2. Verweerder heeft volgens eiser onzorgvuldig gehandeld, omdat Duitsland zijn verantwoordelijkheid zou accepteren door middel van een automatisch gegenereerd proces. De rechtbank stelt vast dat verweerder de verantwoordelijkheid van Duitsland baseert op het onderzoek dat hij op 3 augustus 2018 in het Eurodac-systeem heeft verricht. Volgens de informatie in dit systeem heeft eiser op 15 september 2014 in Duitsland een verzoek om internationale bescherming gedaan. Duitsland heeft dat met de claimacceptatie ook bevestigd. Eiser heeft geen aanknopingspunten verschaft voor twijfel aan dat uitgangspunt. De rechtbank is daarom van oordeel dat verweerder ervan uit mag gaan dat eiser eerder in Duitsland asiel heeft gevraagd en dat Duitsland om die reden verantwoordelijk is voor de asielaanvraag van eiser.
  3. Eiser betwist dat Duitsland nog steeds verantwoordelijk is voor zijn asielaanvraag omdat hij voor een periode van langer dan drie maanden de Europese Unie heeft verlaten. Op grond van artikel 19, tweede lid, van de Dublinverordening, zou de verantwoordelijkheid van Duitsland zijn vervallen. Verweerder heeft zich terecht op het standpunt gesteld dat eiser niet heeft aangetoond dat hij ten minste drie maanden buiten de Europese Unie is geweest. Uit de eigen verklaring van eiser kan worden opgemaakt dat hij tussen 7 september en eind november 2017, dus minder dan drie maanden, buiten de Europese Unie is geweest.
  4. Het beroep is ongegrond. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding. De beslissing is in het openbaar uitgesproken door mr. B.F.Th. de Roos, rechter, in aanwezigheid van mr. M.I.P. Buteijn, griffier, op 12 december
  5. Dit proces-verbaal is digitaal ondertekend en bekendgemaakt op: Rechtsmiddel Tegen deze uitspraak kan hoger beroep worden ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State binnen één week na de dag van bekendmaking van dit proces-verbaal. Als hoger beroep is ingesteld, kan bij de voorzieningenrechter van de hogerberoepsrechter worden verzocht om het treffen van een voorlopige voorziening. genoemd in artikel 26, derde lid, van de Wet beëdigde tolken en vertalers. Verordening (EU) nr. 604/2013.

🔗 Naar officiële bron

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.