← Nederland

ECLI:NL:RBDHA:2018:15368

RECHTBANK DEN HAAG Zittingsplaats Arnhem Bestuursrecht zaaknummer: NL18.16070 uitspraak van de voorzieningenrechter in de zaak tussen [verzoeker] , geboren op [datum] 1978, v-nummer [nummer] , van Algerijnse nationaliteit, verzoeker (gemachtigde: mr. M.J.A. Rinkes), en de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid, verweerder (gemachtigde: mr. G.J. Douma). Procesverloop Bij besluit van 31 augustus 2018 (hierna: het bestreden besluit) heeft verweerder de aanvraag van verzoeker tot het verlenen van een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijdafgewezen als kennelijk ongegrond. Verzoeker heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld. Hij heeft verder de voorzieningenrechter verzocht om een voorlopige voorziening te treffen. Het onderzoek ter zitting heeft, tezamen met de behandeling van de beroepszaak NL18.16069, plaatsgevonden op 26 september

  1. Verzoeker is, met bericht van verhindering, niet verschenen. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde. Vervolgens is het onderzoek gesloten. Bij beslissing van 18 oktober 2018 is het onderzoek in de beroepszaak heropend en is bepaald dat de behandeling ervan wordt verwezen naar een meervoudige kamer. De rechtbank heeft vervolgens met toestemming van partijen bepaald dat een nadere zitting achterwege blijft en het onderzoek gesloten. Overwegingen
  2. In de gronden van het verzoekschrift brengt verzoeker naar voren dat verweerder ten onrechte de rechtsgevolgen van het bestreden besluit niet heeft opgeschort. Hij verwijst hierbij naar het arrest van het Hof van Justitie van de Europese Unie van 19 juni 2018 in de zaak van Gnandi tegen België (zaaknummer C-181/16, ECLI:EU:C:2018:465; hierna: arrest Gnandi). Gelet hierop bestond voor verzoeker aanleiding om dit verzoek om een voorlopige voorziening in te dienen, aldus verzoeker.
  3. Bij uitspraak van heden heeft de meervoudige kamer van deze rechtbank en zittingsplaats, uitspraak gedaan in de beroepszaak. Hierin is geoordeeld dat uit het arrest Gnandi volgt dat een terugkeerbesluit van rechtswege schorsende werking moet hebben gedurende de termijn voor het instellen van het rechtsmiddel en als dat is ingesteld, totdat daarop is beslist. In het bestreden besluit, dat tevens geldt als terugkeerbesluit, staat ten onrechte vermeld dat het indienen van een beroepschrift niet het gevolg heeft dat de rechtsgevolgen van het besluit worden opgeschort.
  4. Dit betekent dat verzoeker geen voorlopige voorziening hoefde te vragen. Aan het terugkeerbesluit komt immers van rechtswege schorsende werking toe. De voorzieningenrechter wijst het verzoek om die reden af.
  5. Gelet op de uitkomst van de bodemzaak veroordeelt de voorzieningenrechter verweerder wel in de door verzoeker gemaakte proceskosten. Deze kosten stelt de voorzieningenrechter op grond van het Besluit proceskosten bestuursrecht voor de door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand vast op € 501,- (1 punt voor het indienen van het verzoekschrift met een waarde per punt van € 501,- en een wegingsfactor 1). Beslissing De voorzieningenrechter: - wijst het verzoek om voorlopige voorziening af; - veroordeelt verweerder in de proceskosten van verzoeker tot een bedrag van € 501,-. Deze uitspraak is gedaan door mr. drs. J.H. van Breda, voorzieningenrechter, in aanwezigheid van mr. T.N.H. Tran, griffier. Deze uitspraak is in het openbaar gedaan, digitaal ondertekend en bekendgemaakt op: 21 december
  6. Rechtsmiddel Tegen deze uitspraak staat geen rechtsmiddel open.

🔗 Naar officiële bron

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.