Rechtbank DEN Haag – ECLI:NL:RBDHA:2018:15432
RECHTBANK DEN HAAG Zittingsplaats Rotterdam Bestuursrecht zaaknummer: NL18.23688 uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen [eiser] (gemachtigde: mr. J. Luscuere), en de Staatssecretaris van Justitie en Veiligheid, verweerder (gemachtigde: mr. J.R. Bekink).
Procesverloop Bij besluit van 8 december 2018 (het bestreden besluit) heeft verweerder aan eiser de maatregel van bewaring op grond van artikel 59b, eerste lid, aanhef en onder a en b, van de Vreemdelingenwet 2000 (Vw) opgelegd.
Eiser heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld. Dit beroep strekt van rechtswege ook tot toekenning van schadevergoeding.
Verweerder heeft op 10 december 2018 de maatregel van bewaring opgeheven.
Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 19 december 2018. Eiser heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde.
Overwegingen 1. Omdat de bewaring is opgeheven, beperkt de beoordeling zich in deze zaak tot de vraag of aan eiser schadevergoeding moet worden toegekend. In dit verband moet de vraag worden beantwoord of de tenuitvoerlegging van de maatregel van bewaring op enig moment voorafgaande aan de opheffing daarvan onrechtmatig is geweest. Op grond van artikel 106 van de Vw kan de rechtbank indien de bewaring al is opgeheven vóór de behandeling van het verzoek om opheffing van de bewaring aan eiser een schadevergoeding ten laste van de Staat toekennen.
Eiser heeft de Algerijnse nationaliteit. Hij is geboren op 29 mei 2006 en is dus 12 jaar oud.
De migratiehond van de Koninklijke Marechaussee heeft hem (en een andere minderjarige vreemdeling) op 7 december 2018 aangetroffen tussen de banden van een trailer op het afgesloten terrein van veerdienstmaatschappij Stena Line in Hoek van Holland. Eiser had de bedoeling om zo illegaal naar Engeland te reizen. Het was de derde keer dat hij zo is aangetroffen. Eiser is (naar zijn zeggen) in juni 2018 vanuit Algerije via Italië en Frankrijk naar Nederland gereisd. Hij heeft asiel aangevraagd. Omdat hij te jong is om op een AZC te verblijven, heeft hij bij wijze van opvang verbleven bij een gastgezin, waar hij is vertrokken. Omdat hij vanwege zijn leeftijd ongeoorloofd op het AZC in Maastricht verbleef, was hem een gebiedsverbod opgelegd.
Op 31 juli 2018 heeft de rechtbank Noord-Nederland, locatie Groningen, Nidos benoemd tot eisers voogd.
Volgens het proces-verbaal van bevindingen van 7 december 2018 heeft eiser te kennen gegeven dat hij voorafgaande aan zijn verhoor een advocaat wenste te consulteren. Tijdens zijn gehoor op 8 december 2018 heeft hij dit herhaald. Vervolgens verklaarde hij desgevraagd dat hij het goed vindt om zonder aanwezigheid van zijn advocaat te worden gehoord en ving het gehoor aan. Op 8 december 2018 om 13:00 uur heeft verweerder de piketcentrale geïnformeerd. Eiser heeft de nacht van 8 december 2018 op 9 december 2018 in een wachtcel van de Koninklijke Marechaussee doorgebracht. Op 9 december 2018 is eiser vervolgens overgebracht naar politiebureau aan het Doelwater in Rotterdam, waar hij in een politiecel heeft verbleven tot 10 december 2018. Op die dag is eiser overgebracht naar Detentiecentrum Zeist, waar hij kennelijk in de gesloten gezinsvoorziening heeft verbleven. Verweerder heeft de maatregel van bewaring opgeheven op 10 december 2018
6.1.
De vergoeding, die eiser verzoekt op de voet van artikel 106 van de Vw is gericht op het compenseren van de schade die hij als gevolg van de onrechtmatige bewaring heeft geleden. Vooropgesteld wordt dat het door verweerder aangeboden bedrag, zoals gebruikelijk in dit soort gevallen, is gebaseerd op de forfaitaire vergoedingen die op de voet van artikel 89 van het Wetboek van Strafrecht (WbvSv) worden toegekend voor, kort gezegd, ten onrechte opgelegde voorlopige hechtenis. Deze vergoeding ziet niet alleen op vermogensschade, maar ook op immateriële schade. Omdat er in deze procedure niets is gesteld over materiële schade gaat de rechtbank er vanuit dat het eiser te doen is om vergoeding van de door hem geleden immateriële schade.
6.2.
Verweerder heeft bij het bepalen van de aangeboden schadevergoeding de geldende normbedragen tot uitgangspunt genomen, die (mede) een vergoeding zijn voor immateriële schade als gevolg van onrechtmatige bewaring zijn. Het is dan aan eiser om aannemelijk te maken dat hij meer dan gebruikelijk heeft geleden en dat er bijzondere feiten en omstandigheden zijn aanleiding geven tot een hogere schadevergoeding dan de standaardbedragen, zeker in het licht van de stelling ter zitting dat het een ‘door de wol geverfde vreemdeling’ betreft. Hij maakt dit niet aannemelijk. Dat eiser minderjarig is, is op zichzelf geen bijzondere omstandigheid, zoals ook blijkt uit de rechtspraak over op de voet van artikel 89 van het WbvSv toegekende schadevergoedingen.
Dat eiser één nacht in een wachtcel bij de Koninklijke Marechaussee heeft doorgebracht is ook geen bijzondere omstandigheid. Dat een maatregel van bewaring ten uitvoer wordt gelegd in een cel van de Koninklijke Marechaussee is toegestaan op grond van het bepaalde in artikel 5.4, eerste lid, van het Vreemdelingenbesluit. De standaardvergoeding houdt daar dus al rekening mee. De uitspraken in zaken van onrechtmatige vrijheidsbeneming, die worden besproken in de door de rechtbank geraadpleegde Smartengeldgids, geven ook geen aanleiding voor het oordeel dat een hogere schadevergoeding op zijn plaats is. Tot slot is de stelling dat de onrechtmatige bewaring (mogelijk) zal bijdragen aan nog meer wantrouwen van eiser is instanties en volwassenen onvoldoende om aan te nemen dat hij meer dan gemiddeld heeft geleden onder de maatregel van bewaring.
De rechtbank ziet kortom geen grond voor het oordeel dat in dit geval sprake is van bijzondere omstandigheden die aanleiding geven tot het toekennen van een hogere schadevergoeding dan berekend overeenkomstig de toepasselijke normbedragen voor de vaststelling van schadevergoeding ter zake van onrechtmatige vrijheidsontneming.
Het moet de rechtbank nog wel van het hart dat de gehele gang van zaken op zijn zachtst gezegd geen schoonheidsprijs verdient. Hopelijk trekt verweerder hieruit lering voor de toekomst.
Beslissing De rechtbank:
Deze uitspraak is gedaan door mr. I. Bouter, rechter, in aanwezigheid van mr. T. van Driel, griffier.
Deze uitspraak is in het openbaar gedaan, digitaal ondertekend en bekendgemaakt op:
Rechtsmiddel Tegen deze uitspraak kan hoger beroep worden ingesteld bij de Afdeling Bestuursrechtspraak van de Raad van State binnen één week na de dag van bekendmaking.