Rechtbank DEN HAAG Zittingsplaats 's-Gravenhage AL Zaaknr.: 7385251 EJ VERZ 18-78366 Datum: 12 december 2018 Beschikking van de kantonrechter op een verzoek tot onderbewindstelling op verzoek van: [verzoeker 1] wonende te [woonplaats] , [adres] , en [verzoeker 2] , wonende te [woonplaats] , [adres] , hierna ook te noemen: verzoekers. Het verzoek strekt tot onderbewindstelling van de goederen van: [rechthebbende] , geboren te [geboorteplaats] , op [geboortedatum] , wonende te [woonplaats] , [adres] , hierna te noemen: rechthebbende. Procedure De kantonrechter heeft kennisgenomen van: - het verzoekschrift met bijlagen, ter griffie ingekomen op 29 november 2018, - een bereidverklaring van de beoogd-bewindvoerder [verzoeker 2] , tevens verzoeker en zoon van rechthebbende, - een bereidverklaring van de beoogd-bewindvoerder [verzoeker 1] , tevens verzoekster en dochter van rechtehbbende, - het bezwaarschrift van [betrokkene 1] , dochter van rechthebbende, ingekomen op 4 december 2018, - het bezwaarschrift van [betrokkene 2] , zoon van rechthebbende, ingekomen op 4 december 2018, Beoordeling Het verzoek strekt tot instelling van een bewind over de goederen die (zullen) toebehoren aan rechthebbende met benoeming van [verzoeker 1] , wonende te [woonplaats] , [adres] , geboren te [geboorteplaats] , op [geboortedatum] en [verzoeker 2] , wonende te [woonplaats] , [adres] , geboren te [geboorteplaats] , op [geboortedatum] , tot bewindvoerders. Grondslag van het verzoek is dat rechthebbende als gevolg van haar lichamelijke of geestelijke toestand tijdelijk of duurzaam niet in staat is ten volle haar vermogensrechtelijke belangen zelf behoorlijk waar te nemen. Ter zitting is het volgende naar voren gekomen. Rechthebbende en de verzoekers, tevens dochter en zoon, gaven ter zitting aan dat de echtgenoot van rechthebbende en vader van de verzoekers altijd de vermogensrechtelijke belangen van de rechthebbende heeft waargenomen. De echtgenoot van rechthebbende is op 17 november 2018 overleden. Rechthebbende kan haar vermogensrechtelijke belangen nu niet zelf waarnemen, omdat zij de Nederlandse taal in woord en schrift onvoldoende beheerst. Dat brengt met zich dat rechthebbende, volgens verzoekers en rechthebbende, onvoldoende in staat is om zelfstandig in de Nederlandse samenleving te functioneren. Voorts is aangevoerd dat bewind bescherming zou bieden tegenover de broer en zus die niet hebben ingestemd met het verzoek onderbewindstelling. Volgens verzoekers zijn bij de echtgenoot van rechthebbende, tijdens zijn ziekte, financiële problemen ontstaan, omdat zijn vermogensrechtelijke belangen niet afdoende zijn behartigd door de zus die niet heeft ingestemd met het bewind. De verzoekers willen, door instelling van een bewind, voorkomen dat bij rechthebbende dezelfde financiële problemen zullen gaan ontstaan. De rechthebbende heeft ter zitting verklaard dat zij wil dat verzoekers haar vermogensrechtelijke belangen gaan waarnemen. Voorop staat dat bewind alleen kan worden uitgesproken indien bij rechthebbende een medische of geestelijke toestand aanwezig is, die maakt dat bewind een noodzakelijke maatregel is of indien er problematische schulden zijn. Daar is in dit geval geen sprake van. Het beheer van de financiële zaken van rechthebbende kan ook worden gevoerd door verzoekers een volmacht te geven op de bankrekening van rechthebbende. Ter zitting is ook al naar voren gebracht dat een van de verzoekers reeds in het bezit is van een machtiging om de bankzaken van rechthebbende te regelen. Indien dit niet afdoende is kan ook gedacht worden aan het aanvragen van een notariële volmacht waarmee verzoekers namens rechthebbende haar zakelijke belangen kunnen behartigen. Vorenstaande betekent dat de kantonrechter, gelet op de inhoud van de stukken, het verhandelde ter zitting en het ontbreken van een afdoende medische verklaring, van oordeel is dat thans onvoldoende aannemelijk is geworden dat betrokkene als gevolg van haar lichamelijke of geestelijke toestand tijdelijk of duurzaam niet in staat is ten volle haar vermogensrechtelijke belangen zelf behoorlijk waar te nemen. Nu zich geen situatie voordoet als bedoeld in artikel 1:431 lid 1 BW, zal het verzoek tot instelling van een bewind worden afgewezen. Beslissing De kantonrechter: - wijst het verzoek af. Deze beschikking is gegeven door mr. C.M. Derijks, kantonrechter, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van 12 december 2018. Tegen deze beslissing kan door indiening van een beroepschrift (door een advocaat) ter griffie van het Gerechtshof Den Haag hoger beroep worden ingesteld: a door de verzoek(st)er en door de in de procedure verschenen belanghebbenden, binnen drie maanden na de dag van de uitspraak. b door andere belanghebbenden binnen drie maanden na de betekening daarvan of nadat de beschikking hun op andere wijze bekend is geworden.
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.