← Nederland

ECLI:NL:RBDHA:2018:16655

RECHTBANK DEN HAAG Zittingsplaats Roermond Bestuursrecht Zaaknummers: AWB 17/13771 en AWB 17/13805 uitspraak van de enkelvoudige kamer van 15 mei 2018 in de zaak tussen [eiser 1], eiser 1 [eiseres 1] , eiseres 1 [eiseres 2] , eiseres 2 [eiseres 3] , eiseres 3 [eiseres 4] , eiseres 4 [eiser 2] , eiser 2 [eiseres 5] , eiseres 5 [eiseres 6] , eiseres 6 [eiseres 7] , eiseres 7 [eiseres 8] , eiseres 8 [referente] , referente (samen te noemen eisers) (gemachtigde: mr. C.H.M. Geraedts), en de Staatssecretaris van Veiligheid en Justitie, thans: de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid, verweerder (gemachtigde: mr. P. van Zijl). Procesverloop Op 13 november 2016 heeft [referente] (referente) ten behoeve van eisers aanvragen ingediend voor het verlenen van een machtiging tot voorlopig verblijf (mvv) in het kader van nareis voor wat betreft haar ouders (eiser 1 en eiseres 1) en met als verblijfsdoel ‘familie’ en ‘gezin’ in het kader van artikel 8 van Europees Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden (EVRM) voor wat betreft haar broer en zussen (eiser 2 en eiseres 2 tot en met 8). Bij afzonderlijke besluiten van 14 november 2016 (de primaire besluiten) heeft verweerder de aanvragen afgewezen. Bij afzonderlijke besluiten van 20 juli 2017 (de bestreden besluiten) heeft verweerder de bezwaren van eisers ongegrond verklaard. Eisers hebben tegen de bestreden besluiten beroep ingesteld. Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 7 mei

  1. Referente is verschenen, bijgestaan door de gemachtigde van eisers. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde. Overwegingen
  2. De rechtbank gaat uit van de volgende, niet betwiste feiten en omstandigheden. [referente], referente, geboren op [geboortedatum] 1998, bezit de Eritrese nationaliteit. Bij besluit van 19 oktober 2015 is aan referente een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd verleend op grond van artikel 28 van de Vreemdelingenwet 2000 (Vw 2000).
  3. Referente heeft op 13 januari 2016 aanvragen ingediend tot het verlenen van een mvv in het kader van nareis voor: - haar gestelde vader, [eiser 1], geboortedatum onbekend; - haar gestelde moeder, [eiseres 1], geboren op (naar gesteld) [geboortedatum] 1978;
  4. Referente heeft op 13 januari 2016 verder aanvragen ingediend tot het verlenen van een mvv met als verblijfsdoel ‘familie’ en ‘gezin’ in het kader van artikel 8 van het EVRM voor: - haar gestelde zus, [eiseres 2], geboortedatum onbekend; - haar gestelde zus, [eiseres 3], geboortedatum onbekend; - haar gestelde zus [eiseres 4], geboortedatum onbekend; - haar gestelde broer [eiser 2], geboortedatum onbekend; - haar gestelde zus [eiseres 5], geboortedatum onbekend; - haar gestelde zus [eiseres 6], geboortedatum onbekend; - haar gestelde zus [eiseres 7], geboortedatum onbekend; - haar gestelde zus [eiseres 8], geboortedatum onbekend.
  5. Verweerder heeft de mvv-aanvragen afgewezen en deze afwijzingen bij de bestreden besluiten gehandhaafd. Hieraan legt verweerder primair ten grondslag dat eisers de identiteit van eiser 1 en eiseres 1 niet met documenten hebben aangetoond. Er is weliswaar een kopie van identiteitskaarten overgelegd, maar de vertaling die is overgelegd voldoet volgens verweerder niet, omdat de naam, de handtekening van de tolk, de datum waarop de documenten zijn vertaald en de gegevens van het bureau waarbij de tolk is aangesloten, ontbreken. Daarom wordt geen bewijsnood ten aanzien van een officieel identificerend document aangenomen. Subsidiair heeft verweerder aan de afwijzingen ten grondslag gelegd dat eisers geen documenten hebben overgelegd die de familierechtelijke relatie tussen eiser 1, eiseres 1 en referente aantonen. Hierbij heeft verweerder zich op het standpunt gesteld dat eisers tot op heden, hoewel daartoe in de gelegenheid gesteld, niet beschikbaar zijn geweest voor onderzoek naar de familierechtelijke relatie op de ambassade in Addis Abeba in Ethiopië, waardoor niet kan worden beoordeeld of zij in aanmerking komen voor een afgeleide verblijfsvergunning asiel en in het verlengde daarvan een (afhankelijke) verblijfsvergunning regulier. Eisers hebben geen tijdsindicatie gegeven binnen welke afzienbare termijn zij zich alsnog zouden melden. Nu de (gestelde) ouders (eiser 1 en eiseres 1) van referente niet in aanmerking komen voor een mvv worden de broer en zussen (eiser 2 en eiseres 2 tot en met 8) van referente niet van hen gescheiden. Deze broer en zussen kunnen dan ook hun familieleven met hun ouders voortzetten en komen niet in aanmerking voor een verblijfsvergunning op grond van artikel 8 van het EVRM. Niet is gebleken dat de banden die referente heeft met haar gestelde broer en zussen bijzonder afwijken van de banden die gebruikelijk zijn tussen broers en zussen. Voorts geldt ten aanzien van de broer en zussen dat de intentieverklaringen van de broers en zussen voor een tbc-onderzoek, een antecedentenverklaring en een ongehuwdverklaring ontbreken. Reeds daarom komen de broer en zussen niet in aanmerking voor gezinshereniging in het kader van artikel 8 van het EVRM, aldus verweerder.
  6. Eisers kunnen zich hier niet in vinden. Op hetgeen eisers hebben aangevoerd wordt, voor zover van belang hieronder nader ingegaan.
  7. De rechtbank overweegt als volgt.
  8. Voorop staat dat artikel 8:69, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) bepaalt dat de rechtbank uitspraak doet op de grondslag van het beroepschrift, de overgelegde stukken, het verhandelde tijdens het vooronderzoek en het onderzoek ter zitting.
  9. Eisers stellen zich op het standpunt dat het beroep ziet op het feit dat de identiteitskaarten van eiser 1 en eiseres 1 ter vertaling zijn aangeboden aan vertaalbureau Concorde, een gerenommeerd vertaalbureau. Niet gezegd kan worden dat de vertalingen die zijn overgelegd niet voldoen. De bestreden besluiten zijn in zoverre onzorgvuldig.
  10. De rechtbank stelt allereerst vast dat – op grond van het beroepschrift – uitsluitend in geschil is of de vertaling van de identiteitskaarten die zijn overgelegd voldoen. De rechtbank stelt voorts vast dat uit de vertaling die is overgelegd, de naam, de handtekening van de tolk, de datum waarop de documenten zijn vertaald en de gegevens van het bureau waarbij de tolk is aangesloten, ontbreken. Eisers hebben voorts desgevraagd ter zitting aangegeven dat er weliswaar een aanbiedingsbrief is van vertaalbureau Concorde, maar dat zij deze brief niet hebben overgelegd aan verweerder. Evenmin heeft de gemachtigde van eisers deze brief ter zitting overgelegd. De rechtbank is van oordeel dat het op weg van eisers ligt om verweerder van voldoende stukken te voorzien. Temeer nu eisers reeds in het primaire besluit zijn verzocht om een vertaling van de identiteitskaarten te overleggen en het dossier met andere documenten compleet te maken. Nu weliswaar een vertaling is overgelegd, maar geen gegevens die uitsluitsel geven over de betrouwbaarheid van de vertaling, heeft verweerder terecht overwogen dat eiser 1 en eiseres 1 hun identiteit niet met documenten hebben aangetoond.
  11. Aan de vraag of verweerder zich voorts terecht op het standpunt heeft gesteld dat de familierechtelijke relatie tussen referente en eiser 1 en eiseres 1 niet is komen vast te staan, waardoor niet wordt voldaan aan de voorwaarden van het in paragraaf C2/4.1 van de Vreemdelingencirculaire 2000 (Vc 2000) neergelegde beleid ten aanzien van nareis, komt de rechtbank niet toe. Dit zou, gelet op artikel 8:69 van de Awb, de omvang van het geding te buiten gaan.
  12. Gelet op het vorenstaande heeft verweerder dus terecht geen grond gezien om de gestelde ouders (eiser 1 en eiseres 1) een mvv in het kader van nareis te verlenen. Het gevolg daarvan is dat de gestelde broer en zussen van referente (eiser 2 en eiseres 2 tot en met 8) niet van hun ouders gescheiden worden. Verweerder heeft daarom naar het oordeel van de rechtbank terecht overwogen dat de broer en zussen niet in aanmerking komen voor een mvv op grond van artikel 8 van het EVRM. Dit nog daargelaten dat de broer en zussen onbetwist de intentieverklaringen van de broer en zussen voor een tbc-onderzoek, een antecedentenverklaring en een ongehuwdverklaring, niet hebben overgelegd.
  13. Ten aanzien van het beroep van eisers op schending van de hoorplicht overweegt de rechtbank dat van het horen in bezwaar slechts met toepassing van artikel 7:3, aanhef, en onder b, van de Awb mag worden afgezien, indien op voorhand redelijkerwijs geen twijfel mogelijk is dat de bezwaren niet kunnen leiden tot een andersluidend besluit. Gelet op de motivering van de bestreden besluiten en de gronden in het bezwaarschrift is in dit geval aan deze maatstaf voldaan, zodat verweerder van het horen van referente heeft mogen afzien.
  14. De beroepen zijn ongegrond. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding. Beslissing De rechtbank verklaart de beroepen ongegrond. Deze uitspraak is gedaan door mr. F.A.G.M. Vluggen, rechter, in aanwezigheid van mr. E.M.L. Kousen, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 15 mei
  15. griffier rechter Afschrift verzonden aan partijen op: 15 mei 2018 Rechtsmiddel Tegen deze uitspraak kan binnen vier weken na de dag van verzending daarvan hoger beroep worden ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State. Als hoger beroep is ingesteld, kan bij de voorzieningenrechter van de hogerberoepsrechter worden verzocht om het treffen van een voorlopige voorziening of om het opheffen of wijzigen van een bij deze uitspraak getroffen voorlopige voorziening.

🔗 Naar officiële bron

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.