Rechtbank DEN HAAG Strafrecht Meervoudige strafkamer Parketnummer: 09/837034-16 Datum uitspraak: 9 februari 2018 Tegenspraak (Promisvonnis) De rechtbank Den Haag heeft op de grondslag van de tenlastelegging en naar aanleiding van het onderzoek ter terechtzitting het navolgende vonnis gewezen in de zaak van de officier van justitie tegen de verdachte: [verdachte] , geboren op 6 februari 1981 te [geboorteplaats] ( [geboorteland] ), zonder bekende woon- of verblijfplaats hier te lande. 1Het onderzoek ter terechtzitting Het onderzoek is gehouden ter terechtzittingen van 27 oktober 2017 (behandeling aangehouden) en 26 januari 2018 (inhoudelijke behandeling). De rechtbank heeft kennis genomen van de vordering van de officier van justitie mr. S. van der Kallen en van hetgeen namens de verdachte door zijn raadsvrouw mr. A.C. van der Hulst, advocaat te Amsterdam, naar voren is gebracht. Ook heeft de rechtbank kennis genomen van de vordering van de benadeelde partij [benadeelde] en van hetgeen namens haar naar voren is gebracht door mr. T. Neijzen, advocaat te Leiden. 2De tenlastelegging Wat de verdachte wordt verweten is omschreven in de tenlastelegging, die als bijlage I onderdeel uitmaakt van dit vonnis. De beschuldiging komt er – kort en zakelijk weergegeven – op neer dat: hij zich schuldig heeft gemaakt aan het (mede)plegen van mensenhandel van [benadeelde] in de periode van 29 maart 2010 tot en met 21 december 2011 te Den Haag en/of elders in Nederland en/of Hongarije en/of België. In het bijzonder wordt de verdachte verweten dat hij zich schuldig heeft gemaakt aan de gedragingen zoals genoemd in artikel 273f Wetboek van Strafrecht (hierna: Sr) onder lid 1 sub 1, 3, 4, 6 en 9. 3Bewijsoverwegingen 3.1 Inleiding Op 17 november 2011 is een grootschalig onderzoek naar mensenhandel gestart onder de naam ‘ [naam onderzoek] ’. In het kader van dit onderzoek hebben verscheidene vrouwen aangifte gedaan tegen de verdachte. [benadeelde] was op dat moment nog niet in staat aangifte te doen. De verdachte is in eerste en tweede aanleg veroordeeld tot een langdurige gevangenisstraf wegens drie gevallen van mensenhandel die in het onderzoek ‘ [naam onderzoek] ’ zijn onderzocht. Tegen het arrest van het gerechtshof van 14 juni 2017 heeft de verdachte cassatie ingesteld. Op 15 januari 2015 heeft [benadeelde] (hierna ook: aangeefster) alsnog aangifte gedaan van mensenhandel, gepleegd door de verdachte in de periode van maart 2010 tot en met december 2011. Naar aanleiding van deze aangifte is het onderzoek ‘ [naam onderzoek] ’ gestart. De vraag die de rechtbank nu moet beantwoorden, is of de verdachte zich ten aanzien van [benadeelde] schuldig heeft gemaakt aan mensenhandel in de zin van (één of meer onderdelen van) artikel 273f lid 1 Sr. 3.2 Het standpunt van de officier van justitie De officier van justitie heeft, zoals verwoord in haar schriftelijk requisitoir, gevorderd dat de rechtbank wettig en overtuigend bewezen zal verklaren dat de verdachte het hem ten laste legde feit heeft begaan, met uitzondering van het medeplegen. 3.3 Het standpunt van de verdediging De raadsvrouw heeft, zoals verwoord in haar pleitnota, vrijspraak bepleit en heeft hiertoe aangevoerd dat de verklaring van aangeefster onbetrouwbaar is en niet voor het bewijs kan worden gebezigd. 3.4 De beoordeling van de tenlastelegging 3.4.1 Feiten en omstandigheden Verklaringen aangeefster Op 15 januari 2015 heeft aangeefster aangifte gedaan tegen de verdachte. Vervolgens is zij op 4 maart 2015 nader gehoord door de politie. Tot slot is aangeefster op 19 april 2016 door de rechter-commissaris gehoord. Samengevat heeft aangeefster het volgende verklaard. Aangeefster had van haar ‘nicht’ [betrokkene] (hierna: [betrokkene] ) gehoord dat zij in Nederland veel geld zou kunnen verdienen. [betrokkene] was op dat moment al werkzaam in de prostitutie en vertelde aangeefster dat zij gerust naar Nederland kon komen en dat de verdachte haar zou helpen. Omdat aangeefster in Hongarije maar net genoeg verdiende om van rond te komen, besloot zij in Nederland te gaan werken. Vervolgens heeft de verdachte een vliegticket geregeld en is aangeefster in maart 2010 naar Nederland gekomen. Eenmaal in Nederland aangekomen, is aangeefster door de verdachte van het vliegveld opgehaald en naar een woning aan de [verblijfadres benadeelde] te Den Haag gebracht. Aangeefster deelde deze woning met vijf of zes meisjes, die allemaal voor verdachte in de Doubletstraat als prostituee werkten. Ongeveer een maand na aankomst in Den Haag is aangeefster als prostituee gaan werken. Dat aangeefster gedurende de periode van maart 2010 tot december 2011 in de prostitutie heeft gewerkt, heeft ter terechtzitting niet ter discussie gestaan. Gedurende deze periode heeft zij in Den Haag en korte tijd in Gent, België, gewerkt. De verdachte liet aangeefster zeven dagen per week van ’s ochtends vroeg tot ’s avonds laat werken. Ook als zij ongesteld was, moest zij werken. Zij vond het niet prettig wat zij allemaal deed. Iedere dag werden aangeefster en de andere meisjes ’s ochtends door een taxi opgehaald en naar het werk gebracht en ’s avonds door een taxi weer thuisgebracht. Gedurende de werkdag werd aangeefster door de verdachte en diens vrienden in de gaten gehouden; zij hielden bij hoeveel klanten aangeefster per dag ontving. Aangeefster mocht niet naar buiten zonder dat eerst aan de verdachte te melden en hij verbood haar te bellen met haar moeder. ’s Ochtends, voordat zij door de taxi werd opgehaald, moest aangeefster haar verdiensten van de dag ervoor afstaan aan de verdachte. Vervolgens kreeg zij van de verdachte € 30,- waarvan zij eten, drinken, toiletspullen en condooms kon kopen. Als de verdachte vond dat aangeefster niet genoeg verdiend had, werd zij door de verdachte geslagen, met de blote hand, gebalde vuist of met een bezemsteel – dit gebeurde vrijwel dagelijks. Ook als aangeefster te laat was of een grote mond had, werd zij door de verdachte geslagen, uitgescholden en vernederd. Eenmaal heeft de verdachte aangeefster zo hard geslagen dat zij een week lang een dik oog heeft gehad en daarmee niets kon zien. Het was nooit zo dat aangeefster niet verplicht was om te werken. Zij moest overal verantwoording voor afleggen. Zij was in gevangenschap. Eind 2011 is aangeefster teruggegaan naar Hongarije. De verdachte heeft een vliegticket voor haar aangeschaft en [betrokkene] (hierna: [betrokkene] ) heeft haar naar het treinstation gebracht. Eenmaal in Hongarije heeft aangeefster besloten niet meer terug te keren naar Nederland. Toen aangeefster in Hongarije was, dreigde de verdachte haar moeder dat het hele gezin zou worden uitgeroeid als aangeefster niet terug naar Nederland zou komen. Getuigenverklaringen Uit onderzoek is gebleken dat aangeefster in Den Haag op verschillende adressen heeft samengewoond met onder anderen [betrokkene] , [betrokkene] en [betrokkene] (hierna: [betrokkene] ). Deze vrouwen zijn gehoord en verklaren in grote lijnen overeenkomstig de verklaring van aangeefster. De verklaringen worden hieronder kort en zakelijk weergegeven. - [betrokkene] heeft verklaard dat de verdachte haar heeft gevraagd of zij meisjes kende die naar Nederland konden komen om te werken. Zij moest toen denken aan aangeefster. [betrokkene] moest van de verdachte aangeefster opbellen en toen aangeefster akkoord ging, heeft de verdachte verder alles geregeld. - [betrokkene] en [betrokkene] hebben verklaard dat zij, net als aangeefster, zeven dagen per week van ’s ochtends vroeg tot ’s avonds laat moesten werken en dat zij de gehele (werk)dag in de gaten werden gehouden door de verdachte en diens vrienden. - [betrokkene] , [betrokkene] en [betrokkene] hebben allen verklaard dat zij, net als aangeefster, hun inkomsten aan de verdachte moesten afstaan. - [betrokkene] heeft verklaard dat aangeefster vaak door de verdachte werd geslagen. Zij en [betrokkene] hebben verklaard dat aangeefster daardoor een keer letsel aan haar oog had. Ook [betrokkene] en [betrokkene] hebben verklaard dat de verdachte hen sloeg wanneer zij niet genoeg hadden verdiend. - In de maanden oktober/november/december van 2011 zijn veel van de meisjes vertrokken, aldus [betrokkene] . [betrokkene] , [betrokkene] en [betrokkene] zijn allen in december 2011 weggegaan. Ook aangeefster is in die periode (eind 2011) vertrokken. Verklaring van de verdachte De verdachte heeft tegenover de rechter-commissaris verklaard dat hij aangeefster kent en dat zij tegelijk met onder anderen [betrokkene] en [betrokkene] in Nederland in de prostitutie heeft gewerkt. De verdachte heeft aangeefster op aanwijzing van [betrokkene] van het vliegveld opgehaald en naar de woning aan de [verblijfadres benadeelde] gebracht. Hij kreeg elke maand geld van aangeefster, voor boodschappen en huisvesting. Van het geld dat de verdachte van de vrouwen kreeg kon hij goed leven. Volgens de verdachte waren de vrouwen vrij om te gaan en staan waar zij wilden, maar belden ze hem wel altijd om hem te laten weten waar zij heen gingen. 3.4.2 Oordeel van de rechtbank Tussenconclusie – betrouwbaarheid van de verklaring van aangeefster De rechtbank ziet geen aanleiding om, zoals door de raadsvrouw is bepleit, de verklaring van aangeefster als onbetrouwbaar ter zijde te schuiven. De verklaring vindt op belangrijke onderdelen voldoende bevestiging in de andere bewijsmiddelen, onder meer in de eigen verklaring van de verdachte en in de verklaringen van de getuigen [betrokkene] , [betrokkene] en [betrokkene] . Daarbij merkt de rechtbank op dat de verklaringen die deze getuigen gedurende het onderzoek ‘ [naam onderzoek] ’ hebben afgelegd, overeenkomen met de verklaringen die aangeefster heeft afgelegd in het onderzoek ‘ [naam onderzoek] ’. De verklaringen van aangeefster zijn gedetailleerd en consistent; ongerijmdheden daartussen betreffen ondergeschikte onderdelen. De rechtbank ziet dan ook geen aanleiding om de betrouwbaarheid van de verklaringen van aangeefster in twijfel te trekken. In de omstandigheid dat aangeefster pas in 2015 aangifte heeft gedaan, ziet de rechtbank evenmin grond om haar verklaring als onbetrouwbaar uit te sluiten van het bewijs. Aangeefster heeft hiervoor naar het oordeel van de rechtbank een aannemelijke verklaring gegeven, namelijk dat zij bang was voor de verdachte en pas aangifte durfde te doen toen zij hoorde dat de verdachte in de gevangenis zat. Ten slotte acht de rechtbank niet aannemelijk dat aangeefster haar verklaringen heeft afgestemd op de verklaringen van haar vriendinnen [betrokkene] , [betrokkene] en [betrokkene] , te minder nu [betrokkene] juist over aangeefster heeft verklaard dat zij op iedereen neer keek en altijd aan het slijmen was bij de verdachte. Overwegingen ten aanzien van (het oogmerk van) uitbuiting en dwang Aan de verdachte is tenlastegelegd dat hij zich schuldig heeft gemaakt aan – kort gezegd –mensenhandel als omschreven in artikel 273f, eerste lid, sub 1, 3, 4, 6 en 9 Sr. Wezenlijk bestanddeel van de diverse varianten van het delict mensenhandel is dat het oogmerk van de dader op uitbuiting van het slachtoffer gericht is. Van uitbuiting is sprake als een prostituee niet in staat is te bepalen of, waar, wanneer, met wie en onder welke omstandigheden zij werkt. In de jurisprudentie wordt in dat verband gesproken van de situatie dat de prostituee in een situatie verkeert die niet gelijk is aan de omstandigheden waarin de “gemiddelde mondige prostituee in Nederland” pleegt te verkeren. Artikel 273f, eerste lid sub 1 Sr Voor beantwoording van de vraag of mensenhandel als bedoeld in artikel 273f, eerste lid, onder 1 Sr kan worden bewezen, dient te worden vastgesteld of een of meer van de in sub 1 genoemde handelingen is verricht (werven, vervoeren, overbrengen, huisvesten en/of opnemen), of gebruik is gemaakt van een van de aldaar genoemde middelen (dwang, geweld/andere feitelijkheid, bedreiging met geweld/andere feitelijkheid, misleiding, misbruik uit feitelijke omstandigheden voortvloeiend overwicht, misbruik van de kwetsbare positie), en of bij de dader het oogmerk van uitbuiting aanwezig was. Waar het in de kern om gaat, is of de verdachte de bedoeling had aangeefster door ongeoorloofde middelen tot prostitutie te brengen of daarin te houden. In dat geval is ‘instemming’ van aangeefster met de beoogde of daadwerkelijke uitbuitingssituatie niet meer relevant. In de hiernavolgende bewijsoverweging zal op deze onderdelen worden ingegaan. Handelingen Uit de hiervoor genoemde bewijsmiddelen volgt naar het oordeel van de rechtbank dat sprake is geweest van het werven, vervoeren en huisvesten van aangeefster. De verdachte heeft [betrokkene] gevraagd of zij geschikte meisjes wist en is via haar bij aangeefster terecht gekomen. De verdachte heeft vervolgens een vliegticket voor aangeefster geregeld, haar opgehaald van het vliegveld en haar naar een woning in Den Haag gebracht. De verdachte heeft dit erkend bij de rechter-commissaris. Middelen De rechtbank heeft uit de hiervoor genoemde bewijsmiddelen voorts de overtuiging gekregen dat de verdachte misbruik heeft gemaakt van uit feitelijke omstandigheden voortvloeiend overwicht jegens aangeefster, dat hij misbruik heeft gemaakt van haar kwetsbare positie, dat hij haar (aldus) heeft misleid en dat sprake is geweest van geweld en dreiging met geweld. De rechtbank overweegt in dat verband als volgt. Misbruik van uit feitelijke omstandigheden voortvloeiend overwicht en misbruik van een kwetsbare positie en misleiding Dat aangeefster zich in een kwetsbare positie bevond volgt uit de feiten en omstandigheden die blijken uit de hiervoor genoemde bewijsmiddelen. Zo bevond zij zich op het moment dat zij door [betrokkene] werd benaderd in een slechte financiële situatie. De verdachte heeft, bij monde van [betrokkene] , aangeefster de belofte gedaan dat, als zij in Nederland in de prostitutie zou gaan werken, zij veel geld zou kunnen verdienen. Van deze belofte is echter niets terecht gekomen en de verdachte heeft enkel zichzelf verrijkt ten koste van aangeefster. Aangeefster moest al haar verdiensten aan hem afdragen en zag daarvan slechts een heel klein deel terug. De verdachte heeft aangeefster op deze wijze misleid en misbruik gemaakt van haar kwetsbare positie. Daarnaast was aangeefster – in een voor haar vreemd land waarvan zij de taal niet sprak – van de verdachte afhankelijk voor huisvesting en werd zij door hem geïsoleerd en gecontroleerd. Zij was niet vrij te gaan en staan waar zij wilde en het was haar verboden contact te onderhouden met haar familie. Dwang Op basis van de voornoemde bewijsmiddelen concludeert de rechtbank dat aangeefster door de verdachte zowel tijdens als buiten werktijd werd gecontroleerd en overal verantwoording voor moest afleggen. Zo hield de verdachte zelf of via vrienden in de gaten hoeveel klanten aangeefster ontving en moest zij aan hem laten weten als zij ergens heen ging. Aangeefster was verplicht om altijd, zeven dagen per week van ’s ochtends vroeg tot ’s avonds laat, te werken, ook als zij ongesteld was en verklaart dat zij in gevangenschap leefde. Gelet op dit alles kan niet gesproken worden van een vrije wil. Geweld en/of dreiging met geweld Uit bovengenoemde verklaringen van aangeefster en de getuigen [betrokkene] , [betrokkene] en [betrokkene] kan worden afgeleid dat aangeefster vrijwel dagelijks door de verdachte werd geslagen en werd uitgescholden wanneer zij niet genoeg geld had verdiend of een grote mond had. Ook als aangeefster te laat thuis kwam, werd zij door de verdachte geslagen. Zij was daardoor bang voor de verdachte. (Vermeende) vrijwillige prostitutie Nu de verdachte daartoe ongeoorloofde middelen heeft aangewend, is niet van belang of aangeefster (initieel) al dan niet heeft ingestemd met het werken in de prostitutie. Door het gebruik van die middelen heeft de verdachte haar immers in een uitbuitingssituatie doen belanden en verkeerde zij niet in een positie waarin zij vrijelijk kon beslissen of, waar en wanneer zij werkte. Oogmerk van uitbuiting De vraag of sprake is van ’uitbuiting’ in de zin van artikel 273f lid 1 sub 1 Sr, is naar het oordeel van de rechtbank in dit geval eenvoudig te beantwoorden. Gelet op de hiervoor weergegeven omstandigheden is de rechtbank van oordeel dat evident sprake was van uitbuiting. Door gebruik te maken van ongeoorloofde middelen heeft de verdachte aangeefster ertoe aangezet als prostituee te (blijven) werken, en bovendien onder omstandigheden die zij niet wilde. Daarmee was sprake van onvrijwillige prostitutie, dus van uitbuiting. Artikel 273f, eerste lid sub 3 en 4 Uit het hiervoor overwogene volgt dat de verdachte aangeefster door middel van ongeoorloofde middelen heeft aangeworven en haar heeft bewogen en/of gedwongen zich beschikbaar te stellen tot het verrichten van prostitutiewerkzaamheden in een ander land. Deze handelingen zijn, zoals hierboven onder ‘Oogmerk van uitbuiting’ is uiteengezet, bovendien begaan met het oogmerk van uitbuiting, dan wel onder omstandigheden waarbij (het oogmerk van) uitbuiting kan worden verondersteld. Artikel 273f, eerste lid sub 6 en 9 Uit het hiervoor overwogene volgt eveneens dat de verdachte opzettelijk voordeel heeft getrokken uit de uitbuiting van aangeefster, alsmede dat hij aangeefster heeft gedwongen tot het afstaan van haar verdiensten uit de prostitutie. Medeplegen Met de officier van justitie en de raadsvrouw is de rechtbank van oordeel dat op basis van het dossier en het ter terechtzitting verhandelde niet kan worden vastgesteld dat verdachte heeft gehandeld in bewuste nauwe samenwerking met een ander of anderen. De rechtbank zal de verdachte daarom vrijspreken van het ten laste gelegde medeplegen. 3.4.3 Conclusie Gelet op al het voorgaande is de rechtbank van oordeel dat alle aan de verdachte ten laste gelegde varianten van mensenhandel wettig en overtuigend bewezen kunnen worden verklaard op de wijze zoals hierna weergegeven. Van het medeplegen zal de rechtbank de verdachte vrijspreken. 3.5 De bewezenverklaring De rechtbank verklaart bewezen dat: hij in de periode van maart 2010 tot december 2011 in 's-Gravenhage en/of in Hongarije en/of in België, - [benadeelde] door dwang en/of geweld en/of door dreiging met geweld en/of een andere feitelijkheid en/of door misleiding en/of door misbruik van uit feitelijke omstandigheden voortvloeiend overwicht en/of door misbruik van een kwetsbare positie, heeft geworven en vervoerd en gehuisvest, met het oogmerk van uitbuiting van die [benadeelde] en - [benadeelde] heeft aangeworven met het oogmerk om die [benadeelde] in een ander land ertoe te brengen zich beschikbaar te stellen tot het verrichten van seksuele handelingen met of voor een derde tegen betaling en - [benadeelde] door dwang en/of geweld en/of door dreiging met geweld en/of door misleiding en/of door van uit feitelijke voortvloeiend overwicht en/of door van een kwetsbare positie, heeft gedwongen en/of bewogen zich beschikbaar te stellen tot het verrichten van arbeid en/of diensten (van seksuele aard) en - telkens opzettelijk voordeel heeft getrokken uit de uitbuiting van [benadeelde] en - door dwang en/of geweld en/of door dreiging met geweld en/of door misleiding dan wel door van uit feitelijke omstandigheden voortvloeiend overwicht en/of door van een kwetsbare positie, die [benadeelde] heeft gedwongen dan wel bewogen hem, verdachte, te bevoordelen uit de opbrengst van de seksuele handeling(
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.