RECHTBANK DEN HAAG Bestuursrecht zaaknummer: SGR 17/6241 uitspraak van de enkelvoudige kamer van 12 januari 2018 in de zaak tussen [eiseres], te [plaats], eiseres (gemachtigde: mr. M.L.M. Klinkhamer), en het college van burgemeester en wethouders van Alphen aan den Rijn, verweerder (gemachtigde: mr. N.T. Bui). Procesverloop Bij besluit van 16 mei 2017 (het primaire besluit) heeft verweerder het vrij te laten vermogen van eiseres zoals bedoeld in de Participatiewet (Pw) vastgesteld op € 0,00. Bij besluit van 9 augustus 2017 (het bestreden besluit) heeft verweerder het bezwaar van eiseres ongegrond verklaard en besloten het primaire besluit in stand te laten. Eiseres heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld. Bij brief van 3 oktober 2017 heeft verweerder het bestreden besluit herzien en bepaald dat het primaire besluit in stand wordt gelaten. Verweerder heeft een verweerschrift ingediend. Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 5 januari 2018. Eiseres is verschenen, bijgestaan door haar gemachtigde. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde. Overwegingen 1. De rechtbank gaat bij de beoordeling uit van de volgende feiten en omstandigheden. Eiseres ontvangt sinds 8 januari 2008 een bijstandsuitkering. Eiseres heeft twee brieven van 15 februari 2016 ontvangen van Nationale Nederlanden (NN) waarin is vermeld dat op 22 juni 2015 een lijfrentekapitaal van € 8.484,00 en een lijfrentekapitaal van € 7.150,00 is vrijgekomen dat voor eiseres is gereserveerd. Ze wordt verzocht om voor 1 april 2016 te reageren. Daarnaast wordt aan haar medegedeeld dat als ze niet uiterlijk op 31 december 2016 een keuze maakt, de Belastingdienst dit ziet als een belaste afkoop, waardoor ze inkomstenbelasting en revisierente over het bedrag moet betalen. Dit laatste is een boete van maximaal 20% over het vrijgekomen lijfrentekapitaal. 1.1. Eiseres heeft bij brief van 22 februari 2016 aan verweerder gevraagd wat ze het beste kan doen met het vrijgekomen lijfrentekapitaal. Eiseres is vervolgens uitgenodigd voor een rechtmatigheidsgesprek op 18 maart 2016. Verweerder heeft bij brief van 19 september 2016 eiseres verzocht informatie over te leggen over haar keuze. Eiseres heeft bij brief van 21 september 2016 gereageerd met de mededeling dat door een medewerker van verweerder is aangegeven dat ze het lijfrentekapitaal moet laten uitbetalen. Ze heeft geen actie ondernomen, omdat in de brief van 15 februari 2016 staat dat het bedrag wordt uitgekeerd als op 31 december 2016 geen bericht wordt ontvangen. 1.2. Eiseres heeft bij brief van 8 november 2016 opnieuw informatie van NN ontvangen over haar lijfrentekapitaal. Er is medegedeeld dat de waarde uitstijgt boven de grens “kleine lijfrente” en dat het daardoor niet is toegestaan om de waarde contant uit te betalen. Ze is gehouden om het kapitaal onder te brengen in een lijfrenteproduct en NN is niet bevoegd om op verzoek van verweerder het lijfrentekapitaal uit te betalen. 1.3. Eiseres heeft de brief van 8 november 2016 bij brief van 11 november 2016 doorgestuurd naar verweerder en verzocht om een reactie voor uiterlijk 25 november 2016. 2. Verweerder heeft bij het primaire besluit het vrij te laten vermogen vastgesteld op € 0,00. Hieraan is ten grondslag gelegd dat op 31 december 2016 een lijfrentekapitaal van €8.484,00 is vrijgekomen. Verweerder merkt dit bedrag minus de belastingheffing en de revisierente aan als vermogen en telt dit op bij het al eerder vastgestelde vermogen van € 4.576,37. Dit leidt tot de volgende rekensom van verweerder: Afkoopwaarde verzekering € 8.484,00 52% belastingheffing € 4.411,68 20% revisierente (boete) € 1.696,80 – Totaal € 2.375,52 Van toepassing zijnde bijstandsnorm € 982,79 – In aanmerking te nemen vermogen: € 1.392,73 Het vermogen van eiseres is daardoor vastgesteld op € 5.969,10. Dit betekent dat eiseres met € 29,10 boven het vrij te laten vermogen uit komt, maar bij hoge uitzondering is besloten om af te zien van interen op het vermogensoverschot en is het vermogen van eiseres gelijkgesteld aan het maximaal vrij te laten vermogen van € 5.940,00. 3. Verweerder heeft bij het bestreden besluit het bezwaar van eiseres tegen het primaire besluit ongegrond verklaard. Hieraan heeft verweerder een advies van een externe adviseur ten grondslag gelegd. Uit dit advies volgt dat de vrijgekomen lijfrente als vermogen moet worden beschouwd en het nieuwe vermogen op juiste wijze is berekend. De bescherming van artikel 15, tweede lid, aanhef en onder b, van de Pw is niet van toepassing, omdat dit artikel alleen van toepassing is bij een aanvraag om bijstand. Daarvan is hier geen sprake. Daarnaast stelt verweerder dat eiseres de inlichtingenplicht heeft geschonden door geen mededeling te doen van het bestaan van twee lijfrenteverzekeringen. 4. Eiseres kan zich niet verenigen met het bestreden besluit en voert hiertoe – kort samengevat weergegeven – aan dat zij de inlichtingenplicht nimmer heeft geschonden. Beide polissen zijn vanaf de aanvraag om bijstand bekend bij verweerder. Eiseres bestrijdt dat de lijfrente als vermogen moet worden beschouwd. De vrijgekomen lijfrente moet op grond van artikel 15, tweede lid, aanhef en onder b, van de Pw buiten beschouwing worden gelaten. Voorts wijst eiseres ter zitting op de bevoegdheid van verweerder om ten positieve of ten negatieve af te wijken van de voorwaarden van artikel 15, tweede lid, van de Pw. 5.1. De rechtbank ziet zich ambtshalve geplaatst voor de vraag of de brief van 3 oktober 2017 moet worden aangemerkt als besluit in de zin van artikel 1:3 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) en of het beroep van rechtswege betrekking heeft hierop. 5.2. Ingevolge artikel 1:3, eerste lid, van de Awb wordt onder besluit verstaan: een schriftelijke beslissing van een bestuursorgaan, inhoudende een publiekrechtelijke rechtshandeling. Ingevolge artikel 6:19, eerste lid, van de Awb heeft het beroep van rechtswege mede betrekking op een besluit tot intrekking, wijziging of vervanging van het bestreden besluit, tenzij partijen daarbij onvoldoende belang hebben. 5.3. Verweerder heeft in de brief van 3 oktober 2017 het bestreden besluit herzien en het primaire besluit in stand gelaten. Uit het advies van 27 september 2017 en het verweerschrift van 14 september 2017, die aan de brief van 3 oktober 2017 ten grondslag liggen, volgt dat verweerder de schending van de inlichtingenplicht niet langer aan eiseres tegenwerpt. De rechtbank is gelet hierop van oordeel dat de brief van 3 oktober 2017 op rechtsgevolg is gericht. Dit betekent dat de brief van 3 oktober 2017 als besluit moet worden aangemerkt. Aangezien het besluit van 3 oktober 2017 (wijzigingsbesluit) het bestreden besluit herziet, heeft het beroep ingevolge artikel 6:19, eerste lid, van de Awb van rechtswege mede betrekking hierop. 5.4. De beroepsgrond van eiseres dat de schending van de inlichtingenplicht haar ten onrechte wordt tegengeworpen, slaagt. Uit het wijzigingsbesluit volgt immers dat verweerder de schending van de inlichtingenplicht niet langer tegenwerpt. Gelet hierop heeft eiseres terecht beroep in gesteld, is het beroep gegrond en zal de rechtbank het wijzigingsbesluit vernietigen. 6.1. Vervolgens ziet de rechtbank zich in het kader van de finale geschilbeslechting geplaatst voor de vraag welke gevolgen hieraan moeten worden verbonden. In dit kader hebben partijen ter zitting de rechtbank uitdrukkelijk verzocht om een oordeel te geven over de vraag of de vrijgekomen lijfrente valt onder de bescherming van artikel 15, tweede lid, aanhef en onder b, van de Participatiewet en of verweerder de lijfrente terecht als vermogen heeft aangemerkt. De rechtbank overweegt daartoe als volgt. 6.2. Ingevolge artikel 15, tweede lid, aanhef en onder b, van de Pw wordt onder een beroep kunnen doen op een voorliggende voorziening niet verstaan het op verzoek van het college benutten van de mogelijkheid om te beschikken over de waarde van een lijfrente zolang de belanghebbende de pensioengerechtigde leeftijd nog niet heeft bereikt, en: 1º. tijdens de toetsingsperiode de ingangsdatum van de lijfrente niet is uitgesteld; 2º. voor zover de totale waarde van deze lijfrente of lijfrenten niet meer bedraagt dan € 250.900,00, waarbij voor de vaststelling van de waarde wordt uitgegaan van de waarde zonder aftrek van de eventueel door de belanghebbende daarvoor verschuldigde bedragen als bedoeld in artikel 31, derde lid; en 3º. voor zover de inleg in het kader van de lijfrente of lijfrenten: (
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.