RECHTBANK DEN HAAG Bestuursrecht zaaknummer: SGR 17/5865 uitspraak van de enkelvoudige kamer van 15 februari 2018 in de zaak tussen [eiser] h.o.d.n. [bedrijf], te [plaats], eiser (gemachtigde: mr. F. Yildiz), en De burgemeester van Den Haag, verweerder (gemachtigde: mr. G.J. Broekhuis). Procesverloop Bij besluit van 9 februari 2017 (het primaire besluit) heeft verweerder eiser de gevraagde vergunningen ten behoeve van de exploitatie van een speelautomatenhal geweigerd. Bij besluit van 26 juli 2017 (het bestreden besluit) heeft verweerder het bezwaar van eiser ongegrond verklaard. Eiser heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld. Verweerder heeft een verweerschrift ingediend. Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 7 februari
(7)dat de gemeente afgeeft is bereikt. U kunt daarom geen vergunningen meer aanvragen. Zodra dit weer kan, wordt dat op de pagina gemeld.” Verderop stond onder het kopje ‘aanvullende informatie’ echter ook vermeld: “De gemeente verleent niet meer dan 8 vergunningen voor speelautomatenhallen. Voor een aantal gebieden is het maximale aantal vergunningen vastgelegd: -voor het uitgaansgebied van Scheveningen maximaal 4 vergunningen -voor het centrum van Den Haag maximaal 3 vergunningen -voor het gemeentelijk kampeerterrein Ockenburg maximaal 1 vergunning.” Nu verweerder onder het kopje ‘aanvullende informatie’ meer vergunningen vermeldde dan daarboven, heeft eiser naar eigen zeggen aangenomen dat het aantal af te geven vergunningen was uitgebreid en dat verweerder dit, conform de eerdere aankondiging, op de website had vermeld. Van een tikfout of een kennelijke vergissing kan volgens eiser geen sprake zijn geweest, nu de som van de aantallen per gebied eveneens acht bedraagt. 5.3 Uit jurisprudentie van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State, bijvoorbeeld 8 oktober 2008, ECLI:NL:RVS:2008:BF7228, en 26 november 2008, ECLI:NL:RVS:2008:BG5360, volgt dat voor een geslaagd beroep op het vertrouwensbeginsel als maatstaf geldt dat er aan het bestuursorgaan toe te rekenen concrete, ondubbelzinnige toezeggingen zijn gedaan door een daartoe bevoegd persoon, waaraan rechtens te honoreren verwachtingen kunnen worden ontleend. 5.4 Van een dergelijke situatie is in eisers geval geen sprake. Verweerder heeft zich naar het oordeel van de rechtbank in redelijkheid op het standpunt kunnen stellen dat, hoewel de inmiddels gewijzigde tekst op de website van de gemeente Den Haag, bij eiser mogelijk voor verwarring heeft gezorgd, eiser op grond daarvan niet gerechtvaardigd erop heeft kunnen vertrouwen dat aan hem door verweerder een vergunning zou worden verleend. Verweerder betoogt terecht dat uit de tekst op de website niet ondubbelzinnig kan worden opgemaakt dat aan eiser een exploitatievergunning zou worden verleend en dat eiser, voordat hij een aanvraag indiende, contact had moeten opnemen met verweerder om in dit verband duidelijkheid te verkrijgen. Verweerder heeft zich terecht op het standpunt gesteld dat niet de tekst op de website van de gemeente Den Haag, maar de van toepassing zijnde regelgeving leidend moet worden geacht, en dat daarom altijd (ook) de regelgeving zelf moet worden geraadpleegd. Zoals blijkt uit het onder
- overwogene vloeit uit de Verordening op de kansspelen onmiskenbaar voort dat in Den Haag maximaal zeven speelautomatenhallen zijn toegestaan. Verweerder heeft ook mogen meewegen dat eiser al bij brief van 15 maart 2016 is kenbaar gemaakt dat de Toetsingscommissie Horecabestemmingen naar aanleiding van eisers beginselaanvraag een negatief advies heeft uitgebracht, omdat de vestiging van een gokhal in strijd is met het bestemmingsplan. Het feit dat eiser al op 15 maart 2016 is medegedeeld dat een aanvraag weinig kans van slagen zou hebben, maakt eens temeer dat eiser niet gerechtvaardigd erop heeft kunnen vertrouwen dat aan hem een vergunning zou worden verleend. 5.5 Eisers standpunt dat de brief van 15 maart 2016 geen rol kan en mag spelen bij de beoordeling, nu hij daarbij enkel is geïnformeerd over de strijdigheid met het bestemmingsplan maar niet over de overschrijding van het maximale aantal speelautomatenhallen, slaagt niet. Evenmin slaagt eisers standpunt dat verweerder door zijn verwijzing naar de brief van 15 maart 2016 een extra afwijzingsgrond (strijd met het bestemmingsplan) aan het bestreden besluit heeft toegevoegd. De rechtbank constateert dat verweerder slechts naar deze brief heeft verwezen om te verduidelijken dat eiser al op voorhand had kunnen en moeten weten dat de kans dat hem een vergunning zou worden verleend klein was. Dat in de brief van 15 maart 2016 de overschrijding van het maximale aantal speelautomatenhallen in Den Haag (nog) niet als reden voor de geringe slagingskans van een aanvraag is genoemd, doet daaraan niet af. 5.6 Nu eisers beroep op het vertrouwensbeginsel niet slaagt heeft verweerder op grond van artikel 10, eerste lid, aanhef en onder c van de Verordening op de kansspelen de gevraagde exploitatievergunning terecht geweigerd. 5.7 Dat verweerder eiser naast de gevraagde exploitatievergunning, ook de drank- en horecavergunning en de aanwezigheidsvergunning voor kansspelautomaten heeft mogen weigeren wordt door eiser niet inhoudelijk betwist. Naar het oordeel van de rechtbank heeft verweerder eiser ook deze vergunningen op goede gronden geweigerd.
- Het beroep is ongegrond. Nu hieruit volgt dat zich geen van de in artikel 8:88, eerste lid, van de Awb opgenomen omstandigheden voordoen op grond waarvan een veroordeling van verweerder tot vergoeding van geleden schade kan worden uitgesproken, zal het verzoek van eiser daartoe reeds daarom worden afgewezen.
- Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding. Beslissing De rechtbank: verklaart het beroep ongegrond; wijst het verzoek om schadevergoeding af. Deze uitspraak is gedaan door mr. drs. L.B.M. Klein Tank, rechter, in aanwezigheid van mr. D.D. van Loopik, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 15 februari
- Rechtsmiddel Tegen deze uitspraak kan binnen zes weken na de dag van verzending daarvan hoger beroep worden ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State. Als hoger beroep is ingesteld, kan bij de voorzieningenrechter van de hogerberoepsrechter worden verzocht om het treffen van een voorlopige voorziening of om het opheffen of wijzigen van een bij deze uitspraak getroffen voorlopige voorziening.