RECHTBANK DEN HAAG Bestuursrecht zaaknummers: SGR 17/1675, 17/6019 en 17/6522 uitspraak van de meervoudige kamer van 7 maart 2018 in de zaken tussen 1. De Vereniging Aircraft Owners and Pilots Association Netherlands, te Den Haag, (hierna: AOPA)(gemachtigde: mr. R.D. Rischen), 2. Zeeland Airport B.V., te Middelburg, (hierna: Zeeland Airport) (gemachtigde: mr. R.M. Schnitker), 3. Koninklijke Nederlandse Vereniging voor Luchtvaart, te Woerden, (hierna: KNVvL) (gemachtigde: mr. R.M. Schnitker), en de minister van Landbouw, Natuur en Voedselkwaliteit, als rechtsopvolger van de staatssecretaris van Economische Zaken, verweerder (gemachtigden: mr. drs. K.K.E. Blom en mr. drs. P.J. Kooiman). Procesverloop Bij besluiten van 11 november 2016 (de toegangsbeperkingsbesluiten) heeft verweerder beperkingen gesteld aan de toegang tot de Natura 2000-gebieden “Haringvliet”, “Oosterschelde”, “Grevelingen”, “Hollands Diep”, “Westerschelde & Saeftinghe” en “Veerse Meer” (de Natura 2000-gebieden). Bij besluit van 26 januari 2017 heeft verweerder het bezwaar van AOPA niet-ontvankelijk verklaard. AOPA heeft tegen dit besluit beroep ingesteld. Het beroep is geregistreerd onder zaaknummer SGR 17/1675. Bij besluit van 2 maart 2017 (bestreden besluit I) heeft verweerder het bezwaar van Zeeland Airport niet-ontvankelijk verklaard. Zeeland Airport heeft tegen dit besluit beroep ingesteld bij de Rechtbank Zeeland-West-Brabant. Bij brief van 22 augustus 2017 heeft de Rechtbank Zeeland-West-Brabant de zaak doorverwezen omdat, gelet op de samenhang met het beroep van AOPA, behandeling door één rechtbank gewenst is. Het beroep van Zeeland Airport is geregistreerd onder zaaknummer SGR 17/6019. Bij besluit van 7 juli 2017 (bestreden besluit II) heeft verweerder het bezwaar van KNVvL gedeeltelijk gegrond verklaard. Verweerder heeft bij dit besluit tevens het besluit van 26 januari 2017 gewijzigd en het bezwaar van AOPA gedeeltelijk gegrond verklaard. Verweerder heeft daarbij de beperkingen in de toegankelijkheid van de Natura 2000-gebieden gewijzigd. KNVvL heeft tegen bestreden besluit II beroep ingesteld bij de Rechtbank Midden-Nederland. Bij beslissing van 15 september 2017 heeft de Rechtbank Midden-Nederland de zaak doorverwezen omdat, gelet op artikel 8:8, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb), niet zij maar deze rechtbank bevoegd is het beroep te behandelen. Het beroep van KNVvL is geregistreerd onder zaaknummer SGR 17/6522. Verweerder heeft verweerschriften ingediend. Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 8 februari 2018. Namens AOPA is verschenen [persoon 1] (voorzitter), bijgestaan door de gemachtigde. Namens KNVvL zijn verschenen mr. R.M. Schnitker (voorzitter) en [persoon 2]. Namens Zeeland Airport zijn verschenen [persoon 3] (bestuurder) en [persoon 4], bijgestaan door de gemachtigde. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigden, vergezeld van [persoon 5] (ecoloog) en [persoon 6], allen werkzaam bij de Rijksdienst voor Ondernemend Nederland. Overwegingen 1. Bij de toegangsbeperkingsbesluiten heeft verweerder op grond van artikel 20, eerste en tweede lid, van de Natuurbeschermingswet 1998 (Nbw) de toegang tot de Natura 2000-gebieden beperkt. 2. AOPA, Zeeland Airport en KNVvL hebben tegen de toegangsbeperkingsbesluiten bezwaar gemaakt. Verweerder heeft bij afzonderlijke besluiten van 26 januari 2017 (AOPA), 2 maart 2017 (Zeeland Airport) en 7 juli 2017 (KNVvL en opnieuw AOPA) op de bezwaren beslist. 3.1 Voor de beoordeling van het geschil zijn de volgende bepalingen van de Nbw van belang. Artikel 20: “1. Gedeputeerde staten kunnen de toegang tot een beschermd natuurmonument als bedoeld in artikel 10, eerste lid, een Natura 2000-gebied of delen van bedoelde gebieden, voorzover dit noodzakelijk is voor de bescherming van natuurwaarden, beperken. 2. Indien een gebied als bedoeld in het eerste lid geheel of ten dele wordt beheerd door of onder verantwoordelijkheid van Onze Minister of een van Onze andere Ministers, wordt de in het eerste lid bedoelde bevoegdheid uitgeoefend door Onze Minister in overeenstemming met Onze andere Minister.” Artikel 1: “In deze wet en de daarop berustende bepalingen wordt verstaan onder: a. Onze Minister: Onze Minister van Economische Zaken.” 3.2 Ingevolge artikel 9.10, tweede lid, van de op 1 januari 2017 in werking getreden Wet natuurbescherming (Wnb) worden bezwaarschriften die betrekking hebben op besluiten die zijn genomen krachtens de Nbw, waarop nog niet is beslist op 1 januari 2017 – zoals in de onderhavige zaken – vanaf dat tijdstip behandeld overeenkomstig het bepaalde bij en krachtens de Wnb. 3.3 Voor de beoordeling van het geschil zijn de volgende bepalingen van de Wnb van belang. Artikel 2.5: “1. Gedeputeerde staten verbieden of beperken de toegang tot een in hun provincie gelegen Natura 2000-gebied of een in hun provincie gelegen gedeelte van een Natura 2000-gebied, indien dat nodig is gelet op de instandhoudingsdoelstellingen voor dat gebied.” Artikel 2.10: “1. Ingeval een Natura 2000-gebied geheel of gedeeltelijk wordt beheerd door één van Onze andere Ministers berusten voor dat gebied, onderscheidenlijk dat gedeelte: (…) b. de in artikel 2.5 bedoelde bevoegdheden bij Onze Minister.” Artikel 1.1: “1. In deze wet en de daarop berustende bepalingen wordt verstaan onder: (…) – Onze Minister: Onze Minister van Economische Zaken.” 4.1 De Natura 2000-gebieden worden beheerd door de minister van Infrastructuur en Waterstaat (I&W). De instandhoudingsdoelstellingen van alle Natura 2000-gebieden hebben betrekking op diverse vogelsoorten en, wat betreft de Natura 2000-gebieden “Oosterschelde” en “Westerschelde & Saeftinghe”, ook op zeehonden. 4.2 Met ingang van 26 oktober 2017 is de minister van Landbouw, Natuur en Voedselkwaliteit belast met de behartiging van de aangelegenheden op het terrein van natuur, voor zover deze voor 26 oktober 2017 waren opgedragen aan Onze minister van Economische Zaken (Stcrt. 2017, 2017001804). Het beroep van Zeeland Airport 5.1 Zeeland Airport exploiteert het vliegveld Midden-Zeeland (het vliegveld). Dit vliegveld wordt voornamelijk gebruikt voor kleine zakenluchtvaart en recreatieve vluchten. Zeeland Airport heeft – voor zover thans van belang – als statutaire doelstellingen het in stand houden en exploiteren van het vliegveld met toebehoren, alles in de meest ruime zin van het woord en het verrichten van al hetgeen daarmee verband houdt of daartoe bevorderlijk kan zijn. 5.2 Bij bestreden besluit I heeft verweerder het bezwaar van Zeeland Airport niet-ontvankelijk verklaard op de grond dat zij geen belanghebbende is als bedoeld in artikel 1:2 van de Awb. Verweerder heeft daaraan ten grondslag gelegd dat de toegangsbeperkingsbesluiten tot doel hebben de natuurwaarden van de betrokken Natura 2000-gebieden te beschermen, maar dat het belang van Zeeland Airport financieel van aard is. Zeeland Airport vreest dat piloten haar vliegveld zullen vermijden als gevolg van de toegangsbeperkingsbesluiten. Nu er rondom het vliegveld een aanvliegcirkel is vrijgehouden voor het opstijgen en landen van vliegtuigen en het vliegen over de Natura 2000-gebieden nog steeds mogelijk is op een hoogte van meer dan 1.000 voet, zijn de belangen van Zeeland Airport niet rechtstreeks bij de toegangsbeperkingsbesluiten betrokken, aldus verweerder. 5.3 Zeeland Airport voert aan dat uit haar statutaire doelstellingen volgt dat zij opkomt voor het algemene belang van de general aviation in Nederland en de luchtvarenden die op het vliegveld zijn gevestigd. Dat het vliegveld een publiek belang behartigt volgt ook uit het feit dat vliegvelden krachtens de Wet luchtvaart worden aangewezen. Nu de statutaire doelstellingen van Zeeland Airport geografisch (het vliegveld) en functioneel (instandhouding van het vliegveld) zijn afgebakend, wordt zij door de toegangsbeperkingsbesluiten rechtstreeks in haar belangen geraakt. Zeeland Airport betoogt voorts dat zij afhankelijk is van de dienstverlening aan de Nederlandse general aviation. Door de toegangsbeperkingsbesluiten wordt de toegankelijkheid van het vliegveld beperkt. Dit geldt temeer wanneer zichtvliegomstandigheden nopen tot het vliegen op lagere hoogte. Zeeland Airport wordt daarmee rechtstreeks geraakt in haar zakelijke belang bij exploitatie van het vliegveld en lijdt financiële schade. 5.4 Ingevolge artikel 1:2, eerste lid, van de Awb wordt onder belanghebbende verstaan: degene wiens belang rechtstreeks bij een besluit is betrokken. Ingevolge het derde lid worden ten aanzien van rechtspersonen als hun belangen mede beschouwd de algemene en collectieve belangen die zij krachtens hun doelstellingen en blijkens hun feitelijke werkzaamheden in het bijzonder behartigen. 5.5 De rechtbank is van oordeel dat uit de statuten van Zeeland Airport volgt dat zij geen algemene of collectieve belangen behartigt. Zeeland Airport is geen ideële organisatie of belangenbehartiger voor gebruikers van het luchtruim of het vliegveld. Dat een luchtvaartterrein krachtens publiekrecht – namelijk de Wet luchtvaart – wordt aangewezen, brengt evenmin met zich dat Zeeland Airport een algemeen belang behartigt. Zoals volgt uit de statuten, zijn de belangen van Zeeland Airport gelegen in de commerciële exploitatie van het vliegveld. In bestreden besluit I en ter zitting heeft verweerder toegelicht dat de toegangsbeperkingsbesluiten geen rechtstreekse invloed hebben op de bereikbaarheid van het vliegveld. Voor zover het vliegveld als gevolg van de toegangsbeperkingsbesluiten al minder wordt gebruikt – hetgeen niet is onderbouwd – is dit naar het oordeel van de rechtbank een afgeleid belang. Verweerder heeft het bezwaar van Zeeland Airport dan ook terecht niet-ontvankelijk verklaard. 5.6 Het beroep van Zeeland Airport is ongegrond. De beroepen van AOPA en KNVvL 6.1 Verweerder heeft het bezwaar van AOPA bij besluit van 26 januari 2017 niet-ontvankelijk verklaard op de grond dat AOPA geen belanghebbende is als bedoeld in artikel 1:2, eerste lid, van de Awb. 6.2 Bij bestreden besluit II heeft verweerder het besluit van 26 januari 2017 gewijzigd en onder andere het bezwaar van AOPA gedeeltelijk gegrond verklaard. Verweerder heeft de beperkingen in de toegankelijkheid van de Natura 2000-gebieden bij dit besluit gewijzigd. 6.3 Het beroep van AOPA tegen het besluit van 26 januari 2017 heeft ingevolge artikel 6:19, eerste en tweede lid, van de Awb van rechtswege mede betrekking op bestreden besluit II. Omdat het besluit van 26 januari 2017 is vervangen door bestreden besluit II en AOPA niet heeft gesteld schade te hebben geleden als gevolg van het besluit van 26 januari 2017, is de rechtbank van oordeel dat AOPA geen belang meer heeft bij een inhoudelijke beoordeling van haar beroep voor zover gericht tegen dit besluit. Het beroep van AOPA voor zover gericht tegen het besluit van 26 januari 2017 is daarom niet-ontvankelijk. 7.1 AOPA heeft blijkens haar statuten onder meer als doelstelling het bevorderen van de algemene luchtvaart en het behartigen van de belangen van de leden. In het kader van deze doelstellingen onderneemt zij diverse activiteiten, zoals het deelnemen aan overleg met beleidsmakers van het ministerie van I&W over zaken die betrekking hebben of invloed hebben op de positie van de general aviation. Gelet daarop is de rechtbank van oordeel dat AOPA terecht – alsnog in bestreden besluit II – is aangemerkt als belanghebbende. 7.2 KNVvL heeft blijkens haar statuten onder meer als doelstelling het bevorderen van de sportieve en recreatieve luchtvaart, het verzekeren van voldoende en toegankelijke ruimte in de lucht en het adviseren aangaande vraagstukken, in het bijzonder waar deze het overheidsbeleid inzake de praktische uitvoering van de luchtvaart en het gebruik van het luchtruim betreffen. KNVvL onderneemt in het kader van haar doelstellingen diverse activiteiten, zoals het deelnemen aan overlegorganen en het publiceren van nieuwsbrieven. Gelet daarop is de rechtbank van oordeel dat ook zij belanghebbende is in de zin van artikel 1:2 van de Awb. 8.1 Bij de toegangsbeperkingsbesluiten heeft verweerder de toegang tot de Natura 2000-gebieden als volgt beperkt. Artikel 1, eerste lid, aanhef en onder a, verbiedt voor de gehele gebieden de toegang voor burgerluchtvaartverkeer, met uitzondering van burgerluchtvaartverkeer vliegend boven 1.000 voet (circa 300 meter) conform de Gedragscode verantwoord vliegen. Het tweede lid verbiedt het op een zodanige wijze besturen van modelvliegtuigen of modelluchtvaartuigen (drones (UAS of RPAS) inbegrepen) dat deze zich bevinden in of boven de Natura 2000-gebieden. 8.2 Bij bestreden besluit II heeft verweerder – onder gedeeltelijke gegrondverklaring van de bezwaren van AOPA en KNVvL – de beperkingen in de toegankelijkheid van de Natura 2000-gebieden gewijzigd in die zin dat artikel 1, eerste lid, aanhef en onder a de toegang tot de gehele Natura 2000-gebieden verbiedt voor burgerluchtvaartverkeer (exclusief drones en zweefvliegtuigen) vliegend op 1.000 voet above ground level (circa 300 meter) of lager, behoudens operationele noodzaak. Artikel 1, tweede lid, is vervallen. De aanhef van artikel 2 bepaalt – voor zover van belang – dat de toegang tot de in dat artikel genoemde delen van de Natura 2000-gebieden (behoudens enkele uitzonderingen) gedurende het gehele jaar is verboden, inclusief voor drones. 9.1 AOPA en KNVvL betogen dat de sector van de kleine luchtvaart en de recreatieve luchtvaart, waarvan de belangen mede door hen worden behartigd, ten onrechte niet bij de voorbereiding van de toegangsbeperkingsbesluiten zijn betrokken. Deze besluiten zijn aldus onzorgvuldig voorbereid. AOPA voegt daaraan toe dat de staatssecretaris van (destijds) Infrastructuur & Milieu (I&M) in een brief aan de Tweede Kamer van 16 maart 2016 heeft meegedeeld dat het general aviation-platform voortaan ook wordt gebruikt om verzoeken om luchtruimwijzigingen te bespreken. Gelet op deze brief mocht AOPA erop vertrouwen dat zij zou worden geraadpleegd voordat de toegangsbeperkingsbesluiten werden genomen. 9.2 Uit bestreden besluit II blijkt dat verweerder de belangen van AOPA en KNVvL in de bezwaarfase heeft betrokken. Dit heeft in bestreden besluit II ook tot enige aanpassingen aan de toegangsbeperking geleid. Zo is zweefvliegen geheel en vliegen met drones gedeeltelijk uitgezonderd van het verbod om op 1.000 voet of lager boven de Natura 2000-gebieden te vliegen. Voorts is bepaald dat de toegangsbeperking niet geldt indien er een operationele noodzaak bestaat tot het vliegen op een lagere hoogte dan 1.000 voet. Verweerder heeft ter zitting toegelicht dat als operationele noodzaak mede wordt aangemerkt het moeten aanhouden van een lagere vlieghoogte vanwege van slechte zichtomstandigheden als gevolg van het weer. Van een gemankeerde belangenafweging is, gelet daarop, naar het oordeel van de rechtbank geen sprake. Voor zover AOPA met de verwijzing naar de brief van de staatssecretaris van I&M beoogt een beroep op het vertrouwensbeginsel te doen, slaagt dit niet, reeds nu van een aan verweerder toe te rekenen toezegging geen sprake is. 10.1 AOPA en KNVvL voeren aan dat artikel 2.5, eerste lid, van de Wnb slechts de bevoegdheid geeft de toegang tot een Natura 2000-gebied te beperken. Het luchtruim boven een Natura 2000-gebied maakt daarvan geen deel uit, zodat verweerder met de huidige toegangsbeperking zijn bevoegdheid te buiten gaat. Uit de Nota van antwoord van de minister van Landbouw, Natuur en Voedselkwaliteit bij de inspraakprocedure voor de aanwijzing van Natura 2000-gebieden van november 2007 blijkt dat bewust is afgezien van het opnemen van generieke normen over vlieghoogten boven Natura 2000-gebieden. Ook in de aanwijzingsbesluiten zijn de Natura 2000-gebieden niet verticaal begrensd. De lucht is daarom geen onderdeel van de Natura 2000-gebieden. 10.2 Verweerder stelt zich op het standpunt dat de Natura 2000-gebieden als zodanig zijn aangewezen om de gunstige staat van instandhouding van de in die gebieden voorkomende natuurlijke habitats en wilde diersoorten te behouden of te herstellen. De gebieden hebben een ecologische waarde en een functie voor de habitats en soorten. Deze ecologische functionaliteit ziet niet alleen op de grond, maar ook op de lucht. Hieruit vloeit voort dat de lucht boven de Natura 2000-gebieden – voor zover ecologisch relevant voor de aangewezen habitats en soorten – daarvan deel uitmaakt. Ingevolge artikel 6, eerste en tweede lid, van de Richtlijn 92/43/EEG van de Raad van 21 mei 1992 inzake de instandhouding van de natuurlijke habitats en de wilde flora en fauna (PbEU 1992, L 206, hierna: de Habitat-richtlijn) is Nederland verplicht om instandhoudings- en passende maatregelen te nemen die nodig zijn voor Natura 2000-gebieden, gelet op de instandhoudingsdoelstellingen. Deze verplichting is geïmplementeerd in paragraaf 2.2 van de Wnb, waarin ook de bevoegdheid is opgenomen om toegangsbeperkingsbesluiten te nemen. Dat betekent dat verweerder – indien daartoe ecologisch gezien aanleiding bestaat – bevoegd is het gebruik van het luchtruim boven de Natura 2000-gebieden te beperken. Tevens mag deze beperking in de toegang verder gaan dan reeds heeft plaatsgevonden op grond van de luchtvaartregelgeving. 10.3 De rechtbank is met verweerder van oordeel dat de lucht boven een Natura 2000-gebied ecologische betekenis heeft voor dat Natura 2000-gebied. AOPA en KNVvL hebben dit ook niet betwist. De rechtbank stelt voorts vast dat in de aanwijzingsbesluiten voor de Natura 2000-gebieden geen verticale begrenzing is opgenomen. In de nota’s van toelichting op de aanwijzingsbesluiten wordt hierover vermeld dat moet zijn gewaarborgd dat vliegbewegingen in de omgeving van de Natura 2000-gebieden niet tot aantasting van de natuurlijke kenmerken leiden, maar dat het niet zinvol werd geacht om hiervoor generieke normen in de besluiten op te nemen. De effectbeoordeling van vliegactiviteiten kan het best per gebied plaatsvinden, toegesneden op de omstandigheden ter plekke. Naar het oordeel van de rechtbank volgt uit de vermelding in de (toelichting op
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.