Rechtbank DEN HAAG Strafrecht Meervoudige strafkamer Parketnummers: 09/808327-16; 09/818058-16; 09/852116-17; 09/857377-15 (tul) en 09/174758-14 (tul) Datum uitspraak: 9 maart 2018 Tegenspraak (Promisvonnis) De rechtbank Den Haag heeft op de grondslag van de tenlastelegging en naar aanleiding van het onderzoek ter terechtzitting het navolgende vonnis gewezen in de zaak van de officier van justitie tegen verdachte: [verdachte] geboren op [geboortedatum] te [geboorteplaats] , BRP-adres: [adres verdachte] , thans gedetineerd in de penitentiaire inrichting Alphen aan den Rijn, Huis van Bewaring Maatschapslaan. 1Het onderzoek ter terechtzitting Het onderzoek is gehouden ter terechtzittingen van 20 maart 2017 (pro forma), 16 juni 2017 (pro forma), 18 juli 2017 (pro forma), 4 december 2017 (pro forma) en 8, 9, 12, 13 en 23 februari 2018 (inhoudelijk). De rechtbank heeft kennis genomen van de vordering van de officier van justitie mr. A.J. Algera en van hetgeen door verdachte en zijn raadsman mr. M.P. Glas naar voren is gebracht. 2De tenlastelegging Aan verdachte is – na wijziging in de tenlastelegging – kort gezegd ten laste gelegd: Dagvaarding I: 09/857526-16 Dat hij zich op of omstreeks 24 juli 2016 tezamen en in verenging heeft schuldig gemaakt aan een woninginbraak aan de Kromme Esse 4 (feit 2) en/of zich op of omstreeks de periode van 23 augustus 2016 tot en met 25 augustus 2016 tezamen en in vereniging heeft schuldig gemaakt aan een poging tot woninginbraak aan de Jupiterlaan 1 (feit 3) en/of zich op of omstreeks 30 september 2016 tezamen en in vereniging heeft schuldig gemaakt aan een woninginbraak aan de Akkerwinde 57 en/of een poging tot woninginbraak aan de Akkerwinde 59 (feiten 4 en 5) en/of zich op of omstreeks 1 oktober 2016 tezamen en in vereniging heeft schuldig gemaakt aan een poging tot woning aan de Verdistraat 2 en/of een poging tot woninginbraak aan de Baliemolenerf 6 en/of een woninginbraak aan de Snuifmolenerf 33 en/of een poging woninginbraak aan de Baljuwslag 23 (feiten 6, 7, 8 en 9) en/of zich op of omstreeks 22 november 2016 tezamen en in vereniging heeft schuldig gemaakt aan een woninginbraak aan de Herbarenerf 11 (feit 10) en/of zich op of omstreeks 3 juni 2016 schuldig heeft gemaakt aan het voorhanden hebben van een plastic (balletjes)geweer (feit 11). Voorts dat hij in de periode van 26 november 2015 tot en met 6 december 2016 heeft deelgenomen aan een criminele organisatie (feit 1). De deelname aan een criminele organisatie is aan alle verdachten in het onderzoek KOTTER ( [verdachte] , [medeverdachte 1] , [medeverdachte 2 ] , [medeverdachte 3 ] en [medeverdachte 4 ] ) ten laste gelegd. Dagvaarding II: 09/818058-16 Dat hij zich op of omstreeks 27 mei 2016 tezamen en in vereniging heeft schuldig gemaakt aan een poging woninginbraak aan de Waterlelie 32 met geweld. Dagvaarding III: 09/852116-17 Dat hij zich op of omstreeks 30 oktober 2016 heeft schuldig gemaakt aan openlijke geweldpleging tegen een persoon of personen dan wel mishandeling van deze persoon of personen. 3Bewijsoverwegingen 3.1 Inleiding Op 27 mei 2016 werd [verdachte] aangehouden voor een woninginbraak in Boskoop. Later werd een vuurwerkbom bij een getuige in deze zaak naar binnen gegooid. Vervolgens is een onderzoek naar dat incident gestart onder de naam PRAAM. In dat onderzoek zijn meerdere telefoons afgeluisterd die uiteindelijk geen verdenking voor de vuurwerkbom hebben opgeleverd maar dit onderzoek heeft wel tot een aantal verdenkingen ten aanzien van woninginbraken geleid. Naar aanleiding van die verdenkingen werd op 11 augustus 2016 een onderzoek onder de naam KOTTER gestart. Het vermoeden was dat [verdachte] , [medeverdachte 2 ] ), [medeverdachte 3 ] ) en [medeverdachte 4 ] ) op grote schaal verantwoordelijk zijn voor woninginbraken in Waddinxveen, Boskoop en omgeving. Van augustus 2016 tot en met oktober 2016 vond naar aanleiding van gepleegde woninginbraken in de plaatsen Alphen aan den Rijn en Hazerswoude een onderzoek onder de naam LOEF plaats. In dit onderzoek werd onder meer [medeverdachte 2 ] aangehouden. De woninginbraken Lisdodde en Eendenkooi uit het onderzoek LOEF zijn in het onderzoek KOTTER opgenomen als zaaksdossiers 13 en 14. Bijnamen Uit de politiesystemen, het onderzoek naar de tapgesprekken en de hierna te bespreken zaaksdossiers is gebleken dat verdachten de volgende bijnamen gebruiken. [medeverdachte 3 ] wordt aangesproken met [bijnamen medev3] [verdachte] wordt aangesproken met [bijnamen verdachte] . [medeverdachte 2 ] wordt aangesproken met [bijnamen medev.2] . [medeverdachte 1] wordt aangesproken met [bijnaam medev.1] . 3.2 Het standpunt van de officier van justitie De officier van justitie heeft, overeenkomstig haar op schrift gestelde requisitoir, gevorderd dat de rechtbank wettig en overtuigend bewezen zal verklaren dat verdachte zich schuldig heeft gemaakt aan de onder 1, 2, 3, 4, 5, 6, 7, 8, 9, 10 en 11 onder parketnummer 09/808327-16 ten laste gelegde feiten, het onder 1 onder parketnummer 09/818058-16 ten laste gelegde feit en het onder 1 onder parketnummer 09/852116-17 ten laste gelegde feit. Ten aanzien van feit 1 heeft de officier van justitie gevorderd de bewezenverklaring te beperken tot de periode van 1 juli 2016 tot 6 december 2016. Op de specifieke standpunten van de officier van justitie zal – voor zover van belang – bij de bespreking van de afzonderlijke feiten nader worden ingegaan. 3.3 Het standpunt van de verdediging De raadsman van verdachte heeft, overeenkomstig zijn op schrift gestelde pleitnotities, ten aanzien van alle feiten vrijspraak bepleit, wegens het ontbreken van wettig en overtuigend bewijs. Met betrekking tot de criminele organisatie heeft de raadsman aangevoerd dat de deelname aan een criminele organisatie niet zonder meer uit de bewezenverklaarde feiten kan worden afgeleid (ECLI:NL:HR:2011:BQ0676). Er is nauwelijks gebleken van enige deelname van enig gewicht. De stoerdoenerij tussen jonge mannen over de telefoon en app is bepaald geen betrouwbaar bewijsmiddel. Daarnaast is – mede gelet op hetgeen de wetgever heeft bedoeld – geen sprake van een organisatie. Op andere specifieke standpunten van de raadsman zal – voor zover van belang – bij de bespreking van de afzonderlijke feiten nader worden ingegaan. 3.4 De beoordeling van de tenlastelegging De rechtbank ziet aanleiding om bij het bespreken van de feiten een andere volgorde te hanteren dan de volgorde zoals deze is aangehouden in de tenlastelegging. Dagvaarding I: 09/857526-16 3.4.1 Feit 2; zaaksdossier 2 ( Kromme Esse 4 in Waddinxveen) Aangever [slachtoffer 1] heeft verklaard dat hij op 17 juli 2016 op vakantie is gegaan. De buurman die voor de woning zorgde heeft op 24 juli 2016 omstreeks 09:30 uur de woning rondom slotvast afgesloten en in goede staat achtergelaten. Op 25 juli 2016 omstreeks 08:00 uur heeft de buurman de woninginbraak ontdekt. Op de zolderverdieping van de schuur is uit de kantoorruimte een brandwerende kast weggenomen. In de brandwerende kast zaten 5 stuks geheugenschijfjes van 16 GB van met merk ScanDisk, 2 accu’s van een Koga fiets, 2 displays van een Koga fiets, een map met pensioenoverzichten van het ABO, een map met pensioenoverzichten van SFB, een map met belastingpapieren, map met fotonegatieven (ongeveer 100 stuks), 5 sigarendozen met honderden negatieven, een CD en een DVD met daarop foto’s en filmpjes (ongeveer 60 stuks), externe harde schrijf van 500 gb van het merk Philips en 2 stuks externe harde schijf van het merk Seagate. Verder zijn de volgende goederen weggenomen: een boormachine (Makita), een HP Probook 650 (Notebook), een HP Pavilion (Notebook) en een fotocamera Nikon Coolpix P5100. Sporenonderzoek Tijdens sporenonderzoek werd waargenomen dat aan de voorzijde het openslaande raam van de woonkamer in de sluitnaad slot- en onderzijde was opengewrikt. In deze sluitnaden werden meerdere indruksporen van gebruikte werktuigen waargenomen. Via de ontstane opening was men de woning binnen gegaan. Op de vensterbank achter het inklimraam werd een schoenzoolafdruk aangetroffen. Deze afdruk is veiliggesteld en heeft het SIN-nummer [---] gekregen. In de deksel van een schoenendoos werd ook een schoenzoolafdruk veiliggesteld. Verbalisanten hadden de indruk dat dit hetzelfde schoenspoor als in de vensterbank betrof dus dit spoor heeft hetzelfde SIN-nummer gekregen. Vervolgens is vergelijkend schoensporenonderzoek verricht. Op grond van dit onderzoek concludeert de onderzoeker dat de op het plaats delict aan de Kromme Essen 4 aangetroffen schoensporen met SIN-nummers [---] en [---] waarschijnlijk zijn veroorzaakt door een rechterschoen van het merk Nike, maat 42, afkomstig van [medeverdachte 4 ] (SIN-nummer [---] ). Camerabeelden [Verbalisant 1] heeft de camerabeelden van de hefbrug van 24 juli 2016 bekeken en verklaart hierover als volgt. Op fragmenten van verschillende camera’s is te zien dat drie personen (in het proces-verbaal genoemd personen A, B en C) verschillende malen de brug over gaan. Deze drie personen zijn steeds samen en zij wisselen het lopen en fietsen af. Op het laatste fragment gaan zij in de richting van het centrum van Waddinxveen. In totaal zijn personen A, B en C op zondag 24 juli 2016 tussen 04:00 uur en 06:35 uur zes keer over de hefbrug gegaan. Op de beelden is voorts duidelijk te zien dat deze drie personen bij elkaar horen en elkaar kennen Vervolgens zijn de beelden van de Hefbrug door andere verbalisanten bekeken. [verbalisant 2] kreeg sterk het vermoeden dat de persoon die hij als persoon 1 omschrijft [medeverdachte 4 ] betreft en de persoon die hij als persoon 2 omschrijft [verdachte] betreft. Hij werkt reeds een aantal jaren in Waddinxveen en heeft zowel [medeverdachte 4 ] als [verdachte] regelmatig gecontroleerd. Ook werden beide personen regelmatig tijdens de politiebriefing getoond. [verbalisant 3] had sterk het vermoeden dat één van de personen op het eerste filmfragmenten [verdachte] betrof. Hij is [verdachte] eerder tijdens werkzaamheden tegengekomen en heeft toen ook met hem gesproken. Na het bekijken van het tweede filmfragment had hij sterk het vermoeden dat één van de drie personen [verdachte] betrof en een ander [medeverdachte 1] . De derde persoon herkent hij niet. Telefoongegevens Uit de tapgesprekken tussen [verdachte] en [medeverdachte 1] blijkt dat zij de nacht van 24 juli 2016 contact met elkaar hadden. Omstreeks 03:56 uur belde [verdachte] naar [medeverdachte 1] . [medeverdachte 1] fluisterde toen tegen [verdachte] : “Ja kom hier.” Op dat moment werd gebruik gemaakt van een zendmast aan de Kerkweg Oost te Waddinxveen en uit de historische gegevens van het nummer van [medeverdachte 1] blijkt dat hij gebruik maakte van een zendmast aan de Kerkweg Oost te Waddinxveen. Omstreeks 03:57 uur belde [verdachte] wederom naar [medeverdachte 1] en fluisterde [medeverdachte 1] : “Kom hierheen”, “Hier bij die OSSO, naar rechts bij de Hefbrug”, “Ga gelijk naar rechts bij de Hefbrug, neem gelijk de eerste naar beneden, gelijk, nu, nu.” Het is verbalisant bekend dat ‘Osso’ een ander woord voor huis betreft. Uit de zendmastgegevens blijkt wederom dat gebruik werd gemaakt van dezelfde zendmast aan de Kerkweg Oost te Waddinxveen. Indien je plaatselijk bekend bent in Waddixveen en je deze instructie volgt kom je uit op de Kromme Esse in Waddinxveen. Uit de historische gegevens van het nummer van [medeverdachte 1] blijkt dat hij gebruik maakt van een zendmast aan de Kerkweg Oost te Waddinxveen. Vervolgens vraagt [medeverdachte 1] aan [verdachte] waar hij is. Uit het voorgaande valt op te maken dan [medeverdachte 1] zeer vermoedelijk op de Kromme Esse is en [verdachte] daarheen loodst. Om 05:19 uur sms’t [verdachte] naar [medeverdachte 1] : “Pas op voor mensen”, om 05:35 uur sms’t hij naar [medeverdachte 1] : “Kijk uit als je weggaat” en om 05:40 uur: “Jala Zebi.” Zijn telefoon gebruikt op dat moment een zendmast aan de Kerkweg Oost 219 te Waddinxveen. Uit de historische gegevens van de telefoon van [medeverdachte 1] blijkt dat deze berichten niet aankomen omdat [medeverdachte 1] geen bereik heeft. Omstreeks 06:25 uur belt [verdachte] naar een nummer op naam van [naam] en blijkt dat [verdachte] het gesprek start en de telefoon overgeeft aan [medeverdachte 1] . Op dat moment maakte de telefoon van [verdachte] gebruik van een zendmast aan de Havikhoek 2 te Waddinxveen die zich ten Oosten van de woning bevindt waar werd ingebroken. Het nummer van [verdachte] heeft tussen 03:56 tot 06:07 uur gebruik gemaakt van zendmasten aan de Kerkweg Oost. De woning aan de Kromme Esse 4 te Waddinxveen valt binnen het bereik van de zendmast. Uit de historische gegevens blijkt dat [verdachte] en [medeverdachte 4 ] die nacht ook contact hebben gehad. Het eerste contact betreft een sms van [verdachte] naar [medeverdachte 4 ] om 05:46 uur. Om 05:59 uur belde [verdachte] naar [medeverdachte 4 ] en zei: “Effe serieus man, kankerdruk gozer”, waarop [medeverdachte 4 ] antwoordde: “Ik kom er nu aan, hoi.” Direct hierna om 06:03 uur sms’t [verdachte] naar [medeverdachte 4 ] : “Kijk uit iemand vor.” [verdachte] maakte op dat moment gebruik van een zendmast aan de Kerkweg Oost 219. Om 06:07 uur belde [medeverdachte 4 ] naar [verdachte] en zei: “Wat nou gozer, hele tijd bellen”, waarop [verdachte] zei: “Luister, ik heb de hele tijd een vrouw voor die fucking deur die hier net wegliep. Het wordt kankerheet gozer, kankerheet er staan mensen met honden voor de deur.” Op 25 juli 2016 stuurde [medeverdachte 1] een WhatsApp-bericht naar [verdachte] met de tekst: “Die kkding moe echt open.” Op 8 augustus 2016 start vanaf 14:00 uur een WhatsApp-gesprek tussen [medeverdachte 1] en een contact genaamd ‘MAMA’ waaruit op te maken valt dat dit zijn moeder betreft. De moeder zegt: “Ik hoor rare dingen over jou” “Haal die kluis weg uit de schuur”, waarop [medeverdachte 1] zegt: “Jaa doe ik morgen”, “Wat zeggen ze dan.” [medev. 1's moeder] reageert hierop met: “Buren hebben het gezien”, “Oke haal dat ding weg daar oke”, “dat ding uit de schuur.” Op dinsdag 6 december 2016 werd in de schuur, die bij de woning van de moeder van [medeverdachte 1] hoort, een kluis aangetroffen. Aangever heeft deze kluis als zijn eigendom herkend. De politie heeft vervolgens met de door aangever overhandigde sleutel de kluis/brandkast geopend. De in de kluis aanwezige goederen herkende aangever eveneens als zijn eigendom. Conclusie van de rechtbank Op basis van het voorgaande, de aangifte, de camerabeelden, de tap- en WhatsAppgesprekken, de sms-berichten, het aangetroffen schoenspoor en de aangetroffen kluis in de schuur bij [medeverdachte 1] , is de rechtbank van oordeel dat [medeverdachte 4 ] , [verdachte] en [medeverdachte 1] betrokken zijn geweest bij de woninginbraak aan de Kromme Esse 4 te Waddinxveen. Ten aanzien van [medeverdachte 4 ] overweegt de rechtbank dat de gesprekken tussen [verdachte] en [medeverdachte 4 ] in de nacht van 24 juli 2016, in de context van de contacten tussen [verdachte] en [medeverdachte 1] , betrekking op de inbraak lijken te hebben. Verder is die nacht gezien dat drie personen zesmaal over de hefbrug zijn gegaan. Deze beelden zijn aan verbalisanten getoond, waarna sterk het vermoeden ontstond dat één van die personen [medeverdachte 4 ] betreft en de andere twee personen [verdachte] en [medeverdachte 1] . Daarnaast zijn in de woning schoenafdrukken aangetroffen, waarvan één zich op de vensterbank achter het inklimraam bevindt. Gelet op de plaats van deze laatste voetafdruk en het feit dat een vensterbank geen verplaatsbaar object betreft is dit spoor naar het oordeel van de rechtbank aan te merken als een zogeheten ‘daderspoor’. Dit daderspoor is, blijkens onderzoek, waarschijnlijk veroorzaakt door een schoen van [medeverdachte 4 ] . De rechtbank is van oordeel dat de inhoud van de gesprekken alsmede de aanwezigheid van het schoenspoor van verdachte op de plaats delict redengevende omstandigheden zijn die, zeker gelet op de overige omstandigheden, om een verklaring vragen. Verdachte heeft geen enkele verklaring willen afleggen. Hoewel de omstandigheid dat een verdachte weigert een verklaring af te leggen of een bepaalde vraag te beantwoorden op zichzelf, mede gelet op het bepaalde in artikel 29, eerste lid, van het Wetboek van Strafvordering, niet tot het bewijs kan bijdragen, kan de rechter, indien een verdachte voor een omstandigheid die op zichzelf of in samenhang met de verdere inhoud van de bewijsmiddelen beschouwd redengevend moet worden geacht voor het bewijs van het aan hem ten laste gelegde feit, geen redelijke, die redengevendheid ontzenuwende, verklaring heeft gegeven, zulks in zijn overwegingen omtrent het gebezigde bewijsmateriaal betrekken. De rechtbank zal het zwijgen van verdachte dan ook op die grond meenemen in haar overwegingen. Op basis van het voorgaande acht de rechtbank wettig en overtuigend bewezen dat [verdachte] samen met [medeverdachte 4 ] en [medeverdachte 1] de woninginbraak aan de Kromme Esse 4 te Waddinxveen heeft gepleegd. 3.4.2 Feit 3; zaaksdossier 3 (Jupiterlaan 1 in Waddinxveen) Verklaringen getuigen/aangifte Op donderdag 25 augustus 2016 omstreeks 04:05 uur werd [getuige1 ] wakker van getik en gebonk. Zij hoorde een hard geluid en had het idee dat met een hamer werd geslagen. Toen zij uit het raam aan de voorzijde van de woning keek zag zij een jongen op straat ter hoogte van Jupiterlaan 1 te Waddinxveen staan. De jongen keek veel om zich heen en keek naar de woning op nummer 1 . De jongen was zenuwachtig en zij zag dat hij een paar passen heen en weer liep. Ze hoorde nog steeds bonkgeluiden en hoorde dat dit bij de buren vandaan moest komen. Op dat moment had ze het idee dat bij de buren werd ingebroken. Zij heeft toen haar man wakker gemaakt. De jongen die bij de lantaarnpaal stond was blank, ongeveer 20 á 30 jaar oud, ongeveer 1,70 meter lang, smal postuur, bruin haar en een blauw/kobalt blauw T-shirt. Bij de aangifte die [degene die namens aangever 1 aangifte deed] namens [naam ] deed, verklaarde aangever dat hij donderdag 25 augustus 2016 omstreeks 04:05 uur samen met zijn vrouw – de rechtbank begrijpt: [getuige1 ] – in hun woning aan de Jupiterlaan 3 was. Hij werd wakker gemaakt door zijn vrouw. Toen hij naar buiten keek zag hij een persoon op de hoek van de Jupiterlaan/Junolaan staan. Deze man was 18 tot 25 jaar oud, licht getint, had kort donker haar, geen baard, was 1,70 tot 1,80 meter lang, droeg een opvallend blauw shirt, een zwarte broek en rookte een sigaret. Aangever heeft de sleutel van de woning aan de Jupiterlaan 1 omdat de buren op vakantie zijn. Hij was afgelopen dinsdag nog in de woning om de zonneschermen omlaag te doen en heeft de woning toen deugdelijk afgesloten. Toen hij omstreeks 04:20 uur samen met de politie de woning betrad zag hij dat in de woning was ingebroken. Aan het raam aan de zijde van de Jupiterlaan zat schade. De politie heeft later met de bewoonster in de woning gekeken, maar er was niets weggenomen. Men had wel gepoogd om de kluis die op zolder staat weg te nemen. Aangeefster verklaarde verder dat de kluis vrij stevig in de muur op zolder is ingebouwd en de kluis niet zomaar van de muur los te krijgen is. De inbrekers hebben echt enorm hun best gedaan om de kluis uit de muur te krijgen. Zij zag namelijk dat aan één kant van de muur waar de kluis was ingebouwd veel schade was. Aan de andere kant van de kluis zit een kast. Daar was waarschijnlijk ook geprobeerd de kluis los te krijgen want er was ook schade aan de kastdeur. [getuige 2 ] heeft verklaard dat hij op 24 augustus 2016 tussen 22:00 uur en 22:30 uur [verdachte] op een snorscooter door de Jupiterlaan zag rijden. Hij kent [verdachte] van gezicht. [verdachte] reed vol gas door de straat en stopte vervolgens bij nummer 1 waar hij 3 á 5 seconden stil bleef staan en reed vervolgens de wijk uit. [getuige 2 ] vond dat raar omdat hij [verdachte] normaal nooit in de wijk ziet rijden. Aantreffen schoensporen en aanhouding [medeverdachte 1] en [verdachte] Verbalisanten kwamen om 04:18 uur ter plaatse bij de woning aan de Jupiterlaan 1 en hebben samen met de man van de meldster de woning betreden. Op zolder zagen verbalisanten dat de luxaflex waren verbogen en een raamhefboom op de vensterbank lag. Verbalisanten zagen tevens schoensporen in deze kamer. Verbalisanten [verbalisant 4] en [verbalisant 5] kwamen omstreeks 04:30 uur ter plaatse. Zij kregen over de portofoon de informatie dat een groep jongens in Waddinxveen actief was met inbraken en er werd verzocht in de omgeving van de [adres verdachte] te kijken, omdat één van de jongens, [verdachte] , daar woont. In de politiesystemen was een foto van [verdachte] beschikbaar, die zij hebben bekeken. Omstreeks 05:05 uur reden verbalisanten door de Sterrenlaan te Waddinxveen en zagen twee jongens lopen. Toen zij dichterbij kwamen, herkende zij één van de personen als [verdachte] . Zij zagen dat de andere jongen een opvallend blauw shirt aan had. Beide jongens waren een sigaret aan het roken. Verbalisanten hebben beide jongens naar hun identiteitsbewijs gevraagd. De jongen met het blauwe shirt bleek [medeverdachte 1] te zijn. [verbalisant 4] zag dat [medeverdachte 1] volledig aan het via de portofoon opgegeven signalement voldeed. [verbalisant 6] zag ook dat de door een getuige opgegeven signalementen overeenkwamen met [verdachte] en [medeverdachte 1] . [verbalisant 7] is vervolgens ter plaatse gekomen omdat zij op het dak van de woning aan de Jupiterlaan 1 schoensporen had aangetroffen waarvan zij foto’s had gemaakt. Ter plaatse heeft zij de schoenafdrukken met de onderzijde van de schoenen van [verdachte] en [medeverdachte 1] vergeleken en zag dat er sterke gelijkenissen waren tussen de afdrukken die zij op het dak had gezien en de onderzijde van de schoenen van deze personen. Hierna zijn [verdachte] en [medeverdachte 1] als verdachten aangemerkt. [verdachte] heeft zich toen losgerukt en is weggerend. Hij rende over het grasveld in de richting van [adres verdachte] . Verbalisanten hebben daarna de woning van [verdachte] betreden en hebben hem op zolder achter een doek en onder een deken, slechts gekleed in een sportbroek en sokken aangetroffen . Op ongeveer 50 meter van de plaats waar [verdachte] en [medeverdachte 1] staande waren gehouden trof [verbalisant 8] ter hoogte van de Sterrenlaan 2 een snorfiets van het merk Puch, type Zip, zwart van kleur, met een windscherm aan de voorzijde en kenteken [---] aan. De motor en uitlaat van de snorfiets waren nog warm. De snorfiets bleek op de naam van de moeder van [verdachte] te staan. Verder bleek uit de systemen dat [verdachte] veelvuldig gebruikt maakt van genoemde snorfiets. Tapgesprekken Uit de tapgesprekken blijkt het volgende. Op 22 augustus 2016 zegt [medeverdachte 1] tegen [medeverdachte 2 ] : Ik moet jou zien ik heb wel wat leuks ze zijn er voor 100 procent niet.” Vervolgens blijkt uit de gesprekken dat ze afspreken. Op 23 augustus 2016 om 04:45 uur sms’t [verdachte] naar [medeverdachte 1] : “Hayek die herie snel.” [verdachte] maakt vanaf 03:03 uur tot 05:02 uur gebruik van de zendmasten Kanaaldijk 16 en Coenecoop 57. De Jupiterlaan valt eveneens onder het bereik van deze zendmast. Om 04:47 uur belt [verdachte] naar [medeverdachte 2 ] en vraagt wat er is, waarna [medeverdachte 2 ] zegt: “Kom snel, kom snel, snel. Ga herrie, herrie, he mattie Herrie.” Uit de zendmastgegevens blijkt dat [medeverdachte 2 ] ook gebruik maakt van de zendmast aan de Kanaaldijk 16 te Waddinxveen. Om 16:26 uur belt [medeverdachte 2 ] naar [medeverdachte ZD13] en zegt dat hij “lange wijven” van [medeverdachte ZD13] wil lenen. [medeverdachte ZD13] geeft aan dat dit niet kan, waarop [medeverdachte 2 ] zegt: “Hij wil niet loskomen.” [medeverdachte ZD13] zegt: “Wanneer”, waarna [medeverdachte 2 ] zegt: “Gisteravond , ik ga zo meteen terug. Ik heb daar heel de nacht gezeten, hij wil niet. Ik heb nog twee stuks nodig. Pak ze ik kom met die Hollander halen.” Vervolgens belt [medeverdachte 2 ] [verdachte] dat hij “twee lange” wil halen bij die gozer uit Haas. Uiteindelijk zegt [medeverdachte ZD13] dat hij ze komt brengen. Om 17:34 uur belt [medeverdachte 2 ] naar [verdachte] en vraagt: “Zijn jullie nog langs die ding geweest is die nog goed”, waarop [verdachte] met “Ja” antwoordt. Vervolgens zegt [medeverdachte 2 ] : “Haal nog zo’n lange ding bij Formido”. Als [verdachte] zegt “geen geld gozer” reageert [medeverdachte 2 ] met “geflipt, wil je hem mislopen ofzo”, waarna ze uiteindelijk besluiten samen te gaan. De politie heeft het vermoeden dat met ‘Lange wijven” en “Twee lange” in combinatie met de bouwmarkt “Formido” een ‘koevoet’ wordt bedoeld. Op 23 aug 2016 sms’t [verdachte] naar [medeverdachte 1] : “Eeh, bewaar die handdingen van mij goed he”, “Die moet je niet kwijtraken.” De politie heeft het vermoeden dat hiermee handschoenen worden bedoeld die [medeverdachte 1] kennelijk voor [verdachte] bewaard. Omstreeks 18:41 uur vraagt [verdachte] aan [medeverdachte 1] of hij heeft gekeken, waarna [medeverdachte 1] zegt dat het niet meer kan: “Ijn terug”, “Ja bove is open die gordijn.” [verdachte] zegt daarop: “Dat was al zo voor”, “Achter dicht.” [medeverdachte 1] zegt dat de lamellen toch dicht waren en nu omhoog zijn, waarop [verdachte] zegt: “Nee dat was zo gelaten gister al vraag bary”, “je moet nu kijken of bened lict is. Dat weet je gelijk als bende donkeris.” Door deze mailwisseling ontstaat bij de politie de indruk dat [medeverdachte 1] en [verdachte] bezig zijn met verkennen en kijken of de mensen in de tussentijd al dan niet thuis zijn gekomen. Op 24 augustus 2016 om 00:01 uur belt [medeverdachte 2 ] naar [medeverdachte 3 ] en zegt: “Je gaat met hem naar binnen, je gaat niet buiten blijven. Ik heb iets geks, nadat ik die wilde pakken, krijg ik die niet eruit.” [medeverdachte 3 ] zegt: “Wat. Een kist/kluis”, waarop [medeverdachte 2 ] “Ja” zegt. [medeverdachte 3 ] zegt dan: “Krijg je hem niet uit de kast.” en “Zeg tegen hem dat hij mij op komt halen. Jij en ik gaan optillen maar hoe gaan we eten en zo, ik de helft met jou”. [medeverdachte 2 ] zegt “Ik eet sowieso de helft. Ik heb daaro psychisch gedaan”. [medeverdachte 3 ] zegt “ik ga risico lopen”. Het is de politie bekend dat met ‘eten’ delen wordt bedoeld. Uit tapgesprekken blijkt dat als men over eten praat dat veelal betrekking heeft op het verdelen van de buit. Om 01:25 uur belt [medeverdachte 2 ] naar [verdachte] dat hij zijn handschoenen wil hebben. [verdachte] belt om 02:18 uur naar [medeverdachte 1] . Uit het gesprek blijkt dat [medeverdachte 1] , [medeverdachte 3 ] en [medeverdachte 2 ] bij elkaar zijn. Op 24 augustus 2016 om 20:26 uur zegt [medeverdachte 3 ] in een gesprek met [medeverdachte 2 ] : “Die ding is nog steeds zelfde.” Om 20:49 uur vraagt [medeverdachte 2 ] in een gesprek met [verdachte] “of die ding nog hetzelfde is”, waarop [verdachte] “Ja” zegt. Om 23:04 uur zegt [verdachte] in een gesprek met [medeverdachte 2 ] : “Hoe laat kom je naar Waddinxveen. Je moet gewoon je fiets pakken twaalf uur moet je er gewoon zijn ja.” [verdachte] belt om 23:24 uur naar [medeverdachte 1] dat hij naar [medeverdachte 1] toe zal komen bij die school. Omstreeks 23:50 uur sms’t [medeverdachte 1] naar [verdachte] : “Niet daarlangslopen he heb net al gdn anders haaayek jwt”, “Kom gelyk di sgool.” De politie heeft het vermoeden dat met “Haayek jwt” ‘maak je het stuk/verpest je het’ wordt bedoeld. Op 25 augustus 2016 om 00:16 uur sms’t [medeverdachte 1] : “Waar zyn juli dn” naar [verdachte] . Om 00:21 uur zegt [verdachte] tegen iemand dat hij bij de pilaren is. Vervolgens belt [medeverdachte 1] [verdachte] en zegt: “He wat moet ik dan doen moet ik die dingen meenemen.” [verdachte] zegt dat [medeverdachte 1] “die spullen bij de school moet leggen”, waarop [medeverdachte 1] zegt dat die daar al liggen. [verdachte] zegt vervolgens dat [medeverdachte 1] [verdachte] ’s handschoenen moet meenemen. Uit onderzoek blijkt dat het op 25 augustus 2016 minimaal 17,2 graden was dus geen weer om handschoenen te dragen. Omstreeks 03:02 uur zegt [medeverdachte 1] via de telefoon dat [verdachte] naar het gemeentehuis moet komen. Omstreeks 04:27 uur belt [medeverdachte 3 ] [verdachte] en zegt: “Je moet mi ek ze staan overal te wachten op de hoek op rotondes wholla overal zijn ze he planken.” Om 15:52 uur vindt een gesprek tussen [medeverdachte 3 ] en Omar plaats waarin [medeverdachte 3 ] zegt: “he die gasten zijn opgeruimd he, het staat op internet alles man”, “na een uurtje zijn ze opgepakt. “Niet gaan verstoppen, echt kankermongolen.” Op internet bleek een bericht met betrekking tot de inbraak te staan. Om 19:15 uur vindt een gesprek tussen [medeverdachte 3 ] en [medeverdachte 2 ] plaats waarin [medeverdachte 2 ] vraagt: “Vertel waar zijn jullie gisteren gegaan?”, waarop [medeverdachte 3 ] zegt: “Die gasten zijn opgeruimd”, “ [bijnaam medev.1] en [bijnamen verdachte] .” [medeverdachte 2 ] zegt: “zeg wholla zij jullie gevlucht”, waarop [medeverdachte 3 ] antwoordt: “Ja ik en die andere gozer zijn we gevlucht en BLACKS is ook gevlucht.” en “we waren aan het vluchten, ik sprinten met die andere gasten, ik zweer het, wij kwamen weg zij zijn opgepakt.” [medeverdachte 2 ] vraagt: “Maar die ding is er niet uitgekomen?”, waarop [medeverdachte 3 ] zegt: “Die ding is er niet uitgekomen, nee man, we hebben echt kankerveel kracht gezet.” Conclusie Uit het voorgaande leidt de rechtbank af dat op verschillende momenten is geprobeerd om de kluis uit de woning aan de Jupiterlaan 1 weg te nemen. In de nacht van 22 augustus op 23 augustus 2016 heeft [medeverdachte 2 ] geprobeerd de kluis los te krijgen maar dat is niet gelukt. [medeverdachte 2 ] heeft die nacht ook contact met [verdachte] en [medeverdachte 1] . Blijkens zendmastgegevens is [verdachte] die nacht ook in de buurt van de woning. [medeverdachte 2 ] spreekt op 23 augustus 2016 overdag af om met [verdachte] een koevoet te halen. In de nacht van 23 augustus op 24 augustus 2016 spreken [medeverdachte 1] en [verdachte] over het verkennen van de woning en de mogelijke aanwezigheid van mensen in de woning. [medeverdachte 2 ] en [medeverdachte 3 ] hebben het vervolgens over een kluis die er niet uitkwam en het optillen daarvan. Verder spreken zij over het verdelen van de buit. [medeverdachte 2 ] belt die nacht naar [verdachte] dat hij zijn handschoenen wil hebben en uit dit gesprek blijkt verder dat [medeverdachte 1] , [medeverdachte 3 ] en [medeverdachte 2 ] samen zijn. Die nacht wordt gekeken of de bewoners nog steeds weg zijn. [verdachte] gaat vervolgens de avond van 24 augustus 2016 op de snorfiets naar de woning aan de Jupiterlaan 1, kennelijk om te controleren of de bewoners thuis zijn. In de nacht van 24 augustus op 25 augustus 2016 zijn [verdachte] en [medeverdachte 1] in Waddinxveen. Die nacht vindt de (voortzetting van
- de)inbraak omstreeks 04:05 uur plaats. [medeverdachte 3 ] waarschuwt [verdachte] om 04:27 uur dat hij weg moet omdat de politie in de buurt is. Op 25 augustus 2016 overdag vindt een gesprek tussen [medeverdachte 3 ] en [medeverdachte 2 ] plaats waarin [medeverdachte 3 ] zegt dat [verdachte] en [medeverdachte 1] zijn aangehouden en hij met een ander is gevlucht. De politie heeft die nacht [verdachte] en [medeverdachte 1] aangehouden nadat de schoensporen op het dak van de woning aan de Jupiterlaan 1 visueel overeenkwamen met de onderzijde van de schoenen van [verdachte] en [medeverdachte 1] en [medeverdachte 1] aan het signalement van twee getuigen voldeed. Vervolgens spreken [medeverdachte 3 ] en [medeverdachte 2 ] tijdens een telefoongesprek over dat ding dat er niet uit is gekomen en dat ze veel kracht hebben gezet. De rechtbank gaat er vanuit dat dit gesprek over de kluis gaat, nu aangever ook heeft aangegeven dat er schade aan de zijkant van de muur zat en de kluis niet makkelijk uit de muur te krijgen is. Op basis van het voorgaande concludeert de rechtbank dat [verdachte] , [medeverdachte 1] , [medeverdachte 3 ] en [medeverdachte 2 ] betrokken zijn geweest bij de inbraak. Zij hebben hierover geen enkele verklaring willen afleggen. De rechtbank is van oordeel dat de voorgaande redengevende feiten en omstandigheden, waaronder de tapgesprekken voor en na de inbraak, het kort na de inbraak aantreffen van [verdachte] en [medeverdachte 1] , waarbij de schoensporen op het dak van de woning visueel overeen kwamen met de onderzijde van de onderzijde van de schoenen van [medeverdachte 1] en [verdachte] en het feit dat [medeverdachte 1] aan het signalement voldeed van de man die op de uitkijk stond, om een verklaring vragen. Verdachten hebben geen aannemelijke verklaring hiervoor gegeven. Hoewel de omstandigheid dat een verdachte weigert een verklaring af te leggen of een bepaalde vraag te beantwoorden op zichzelf, mede gelet op het bepaalde in artikel 29, eerste lid, van het Wetboek van Strafvordering, niet tot het bewijs kan bijdragen, kan de rechter, indien een verdachte voor een omstandigheid die op zichzelf of in samenhang met de verdere inhoud van de bewijsmiddelen beschouwd redengevend moet worden geacht voor het bewijs van het aan hem ten laste gelegde feit, geen redelijke, die redengevendheid ontzenuwende, verklaring heeft gegeven, zulks in zijn overwegingen omtrent het gebezigde bewijsmateriaal betrekken. De rechtbank zal het zwijgen van verdachte dan ook op die grond meenemen in haar overwegingen. Op grond van voornoemde redengevende feiten en omstandigheden acht de rechtbank dan ook bewezen dat [verdachte] , [medeverdachte 1] , [medeverdachte 3 ] en [medeverdachte 2 ] samen – al dan niet in wisselende samenstelling en op verschillende momenten – naar de woning zijn gegaan, en ook samen – gelijkelijk – handelingen hebben verricht, gericht op het voltooien van de inbraak in de woning. Er heeft aldus een nauwe en bewuste samenwerking tussen verdachte en zijn medeverdachten bestaan. Derhalve kan het onderdeel medeplegen eveneens bewezen worden verklaard. Dit betekent dat de rechtbank het medeplegen van de ten laste gelegde poging tot woninginbraak wettig en overtuigend bewezen zal verklaren. 3.4.3 Feit 4; zaaksdossier 5 (Akkerwinde 57 in Waddinxveen) en feit 5; zaaksdossier 6 (Akkerwinde 59 in Waddinxveen) Op 30 september 2016 werd [aangever 2] door zijn buurman gebeld dat in zijn woning aan de Akkerwinde 57 te Waddinxveen was ingebroken. Uit de woning waren de volgende goederen weggenomen; een Nikon camera, twee videocamera’s, een zilveren spaarvarken, doosje sieraden van de overleden vrouw van aangever. De fotocamera van het merk Nikon betrof een type D60 en de lens was 70 tot en met 300 mm zoom. De camera en lens waren ongeveer 8 jaar oud. Verder was nog een fotocamera van het merk Canon en een fotocamera van het merk Pentax weggenomen. Ook bleek een laptop van het merk Acer te zijn weggenomen. Uit sporenonderzoek is gebleken dat de voordeur van de woning, die was afgesloten met de dagschoot, was verbroken. Op 28 september 2016 heeft [aangever 3] zijn woning aan de Akkerwinde 59 verlaten en is op vakantie gegaan. Op 11 oktober 2016 om 08:30 uur kwam aangever bij de woning en zag dat gepoogd was om in te breken. Ongeveer 15 centimeter onder het slot van de voordeur zat een moet, vermoedelijk van een schroevendraaier. Uit het onderzoek naar de peilzendergegevens van het baken die op het voertuig, een snorfiets Puch, type Zip, kenteken [---] , was aangebracht, bleek dat dit voertuig op vrijdag 30 september 2016 tussen 03:52 uur tot en met 04:05 uur en 04:09 uur tot en met 04:20 uur heeft stil gestaan op de Groenvoorde te Waddinxveen. Deze locatie ligt op 150 meter afstand van de woning aan de Akkerwinde 57. De scooter was in de tussenliggende periode rijdend. Vanaf 05:35 tot en met 12:07 uur stond de woning stil aan [adres verdachte] , alwaar [verdachte] woonachtig is. Tapgesprekken Uit de tapgesprekken van 30 september 2016 blijkt het volgende. Om 21:53 uur zegt [verdachte] tegen een onbekend gebleven persoon dat ze gaan zoeken. Om 02:53 uur belt [verdachte] naar [medeverdachte 1] en zegt dat hij onderweg op de scooter naar de ‘Wereldwijd’ is. Om 02:57 uur belt [verdachte] naar [medeverdachte 3 ] en zegt: “ja ze hebben eentje maar die is echt kankergaaf.” Om 03:05 uur zegt [verdachte] dat hij er is waarna [medeverdachte 3 ] vraagt of er ‘ibahesh’ (politie) is. [medeverdachte 1] belt om 03:38 uur naar [verdachte] en vraagt fluisterend waar [verdachte] is. [medeverdachte 1] zegt dat hij bij het Waddepad is waarna [verdachte] zegt: “ga na uh Groenspoor”. Om 04:01 uur belt [verdachte] naar [medeverdachte 3 ] en zegt: “zijn twee naast elkaar.” [medeverdachte 3 ] zegt: “Probeer hem te openen, als het niet lukt bel mij”. [verdachte] belt om 04:21 uur naar [medeverdachte 1] en zegt dat hij hem komt halen en “hij is open al”. Hij wil niet over de telefoon zeggen. [verdachte] zegt dat hij naar binnen gaat met [medeverdachte 3 ] en één van hen. [verdachte] zegt dat hij over twee minuten bij de schuur van de flat is waar [medeverdachte 3 ] woont om hem op te halen. Verbalisant merkt hierbij op dat uit de gegevens van het peilbaken blijkt dat de scooter van [verdachte] vanaf 04:37 uur bij de flat op de Lage Weide, nabij de woning van [medeverdachte 3 ] , heeft stilgestaan. Later op de dag, om 15:39 uur, spreken [verdachte] en [medeverdachte 1] over een ‘leppie’ en dat [bijnamen medev3] iemand kent die leppies koopt. [medeverdachte 3 ] wordt door [naam] , vermoedelijk zijn broer [naam] , gebeld dat een kapje voor die lens vergeten is. Om 19:57 uur belt [verdachte] naar [medeverdachte 1] en zegt [medeverdachte 1] dat ze 70 hebben gekregen. Met de anderen kon hij niets, “die anderen waren allemaal antiek.” Vervolgens spreken ze af dat [verdachte] en [medeverdachte 1] 20 euro krijgen en [bijnamen medev3] ) 30 euro krijgt. Om 20:11 uur belt [verdachte] naar [medeverdachte 3 ] . [medeverdachte 3 ] zegt dat ze 7 donnies (70 euro) voor die Niko hebben gekregen en dat die anderen allemaal niets waard zijn omdat ze antiek zijn en die fotorolletjes nergens mee te koop zijn. Op basis van het voorgaande concludeert de rechtbank dat [verdachte] , [medeverdachte 1] en [medeverdachte 3 ] betrokken zijn geweest bij de inbraak. De rechtbank is van oordeel dat de voorgaande redengevende feiten en omstandigheden, waaronder de tapgesprekken voor en na de inbraak die lijken te gaan over de inbraak en het verkopen van de bij de inbraak weggenomen Nikon en het verdelen van de buit en de peilbakengegevens, om een verklaring vragen. Verdachten hebben geen aannemelijke verklaring hiervoor gegeven. Hoewel de omstandigheid dat een verdachte weigert een verklaring af te leggen of een bepaalde vraag te beantwoorden op zichzelf, mede gelet op het bepaalde in artikel 29, eerste lid, van het Wetboek van Strafvordering, niet tot het bewijs kan bijdragen, kan de rechter, indien een verdachte voor een omstandigheid die op zichzelf of in samenhang met de verdere inhoud van de bewijsmiddelen beschouwd redengevend moet worden geacht voor het bewijs van het aan hem ten laste gelegde feit, geen redelijke, die redengevendheid ontzenuwende, verklaring heeft gegeven, zulks in zijn overwegingen omtrent het gebezigde bewijsmateriaal betrekken. De rechtbank zal het zwijgen van verdachte dan ook op die grond meenemen in haar overwegingen. Op basis van het voorgaande acht de rechtbank wettig en overtuigend bewezen dat [verdachte] samen met [medeverdachte 1] en [medeverdachte 3 ] de inbraak aan de Akkerwinde 57 heeft gepleegd. Het dossier biedt onvoldoende aanknopingspunten dat [verdachte] en [medeverdachte 1] ook de poging tot woninginbraak aan de Akkerwinde 59 gepleegd zouden hebben. De rechtbank zal [verdachte] en [medeverdachte 1] derhalve vrijspreken. 3.4.4 Feiten 6 tot en met 9; zaaksdossiers 8 tot en met 11 Verdistraat 2 in Gouda (zaaksdossier 8) [aangever 4] heeft verklaard dat zij zich op 1 oktober 2016 omstreeks 00:25 uur alleen op de eerste verdieping in haar woning aan de Verdistraat 2 te Gouda bevond. Plotseling hoorde zij een hard kabaal aan de voorzijde van haar woning. Het klonk als een bonkend geluid en zij had het vermoeden dat iemand met kracht probeerde de deur of de garagedeur te openen. [aangever 4] probeerde goed te luisteren en deed het licht in de gang/overloop aan. Daarna hoorde zij nog heel even het bonkende geluid en na enkele seconden hoorde zij een brommer of scooter wegrijden. Zij durfde niet te kijken wat er gebeurd was omdat ze alleen thuis was. De dag erna vertelde haar man dat er was gepoogd om in de woning in te breken door het keukenraam open te breken. [aangever 4] zag dat in de linkerhoek van het kozijn diverse plekken zichtbaar waren waar het hout van het kozijn was versplinterd. Uit sporenonderzoek blijkt dat is geprobeerd het keukenraam aan de voorzijde van de woning te forceren. Naar alle waarschijnlijk had men een schroevendraaier in de linkerzijde gestoken. Ook werd een breekwerktuigspoor van vermoedelijk de spijkertrekkerzijde van een breekijzer aan de onderzijde van het raam waargenomen. [getuige 3] heeft verklaard dat hij om 00:30 uur die nacht in zijn achtertuin stond en hoorde dat vlakbij zijn achtertuin een scooter kwam aanrijden. Hij had het vermoeden dat de scooter stopte ter hoogte van de heg van de Verdistraat 9. Hij hoorde dat de scooter werd uitgezet, waarna het een poosje stil was. Vervolgens klonk het alsof ergens in de buurt visite wegging. [getuige 3] hoorde dat de scooter wegreed, een rondje reed en op dezelfde plek als daarvoor stopte. Toen hoorde hij gerommel en klimgeluiden die uit de tuin van de achterburen leken te komen. [getuige 3] is zijn tuin uitgelopen en zag een scooter tegen de heg staan. Hij zag twee personen, één liep zijn kant op en stapte, nadat [getuige 3] hem had aangesproken, op de scooter en reed weg, de andere persoon liep van [getuige 3] weg de Verdistraat in. Peilzendergegevens Uit onderzoek naar de peilzendergegevens (baken) met betrekking tot een snorfiets van het merk Puch, type Zip en kenteken [---] , in gebruik bij [verdachte] , blijkt het volgende. Tussen 20:06 uur en 21:54 uur bevond de snorfiets zich op [adres verdachte] , het woonadres van [verdachte] . Om 21:54 uur reed de snorfiets naar de Lage Weide te Boskoop waar de scooter tussen 22:03 uur en 22:16 uur stilstond. Om 22:16 uur vertrok de snorfiets naar Gouda waar deze om 22:44 uur bij de Watergangpolderweg aankwam. Deze locatie werd gedurende deze nacht nog enkele keren bezocht. Om 23:19 uur vertrok de snorfiets naar de Schoonhovenseweg en stond vier minuten stil bij het Esso benzinestation. Verbalisant merkt hierbij op dat [verdachte] samen met een onbekende man op de camerabeelden van het benzinestation te zien is. Daarna reed de snorfiets weer naar de Watergangpolderweg te Gouda en stond daar tot 00:09 uur stil. Vanaf 00:09 uur verplaatst de snorfiets zich in verschillende wijken in Gouda-Oost. In vier woningen in Gouda-Oost is deze nacht ingebroken (3 pogingen en 1 voltooide inbraak). Bij enkele inbraken hebben getuigen of aangevers verklaard dat zij een scooter hebben gehoord. De locaties waar de snorfiets heeft bewogen en stilgestaan komen overeen met de tijdstippen van de vier genoemde inbraken. Tussen 00:22 en 00:23 uur stond de snorfiets stil op de Verdistraat. Hierna reed de snorfiets weer terug naar het Watergangpolderplein (00:25 uur tot 00:28 uur). Vervolgens reed de snorfiets weer naar de Verdistraat waar deze weer kort stilstond (00:31 uur tot 00:32 uur). Verbalisant merkt op dat de aangeefster van de poging tot woninginbraak aan de Verdistraat 2 om 00:25 uur een bonkend geluid, gevolgd door het geluid van een wegrijdende scooter heeft gehoord. Baliemolenerf 6 in Gouda (zaaksdossier 9) [aangever 5] heeft verklaard dat hij op 30 september 2016 omstreeks 20:30 uur zijn woning aan het Baliemolenerf 6 te Gouda heeft verlaten. Op 1 oktober 2016 hebben buren gezien dat bij de woning gepoogd werd in te breken. Toen aangever bij de woning kwam zag hij dat het groene houten bovenlicht boven de achterdeur braakschade had; hij zag daar moeten. Op de eerste verdieping aan de achterzijde, bij het openslaande raam links, zag hij ook braakschade, namelijk een moet in het kozijn aan de onderzijde bij de sluitnaad. De schuttingdeur van de achtertuin was ook beschadigd ter hoogte van het slot. Er zijn geen goederen weggenomen. Uit sporenonderzoek blijkt dat op het glazen dak van de uitbouw aan de achterzijde van de woning schoensporen stonden. De schoensporen liepen naar het meest linker raam van de woning. In het kozijn van dit raam werd een werktuigspoor waargenomen. Verbalisant zag dat men met de spijkertrekkerzijde van een breekijzer had geprobeerd het raam open te breken. [getuige 4] heeft met betrekking tot de inbraak verklaard dat zij twee mannen heeft gezien. De man die in de tuin liep was 1.70 tot 1.80 meter lang, had een zwart jasje aan en zijn haar was kortgeschoren, vermoedelijk zwart. De andere man stond in de poort en had ook vermoedelijk donker haar tot net boven zijn oren. [getuige 4] is aan de achterzijde van haar woning blijven kijken omdat ze daar zicht had in de tuin van de buren. Haar man is naar beneden gegaan, naar de voorzijde van de woning, en hij heeft toen een brommer horen rijden in de richting van het Walmolenerf. Uit de peilzendergegevens blijkt dat de snorfiets tussen 01:04 uur en 01:20 uur stil heeft gestaan op het Baliemolenerf. De snorfiets reed een klein rondje en stond vervolgens tussen 01:20 uur en 01:24 uur stil op de Wipmolen (nabij het Baliemolenerf). Verbalisant merkt op dat door een getuige van de poging tot woninginbraak aan het Baliemolenerf 6 om 01:24 uur melding werd gemaakt van deze inbraak. Snuifmolenerf 33 in Gouda (zaaksdossier 10) [aangever 6] heeft verklaard dat hij op 30 september 2016 om 15:15 uur de woning aan het Snuifmolenerf 33 te Gouda heeft verlaten. Toen hij op 1 oktober 2016 om 12:00 uur weer bij de woning kwam zag hij dat er braakschade bij het keukenraam zat. Hij zag dat de lamellen waren opgeschoven zodat de daders door het keukenraam binnen konden komen. Als je via het keukenraam naar binnen klimt, kom je direct in de keuken. In de keuken stond een eettafel waar een beeldscherm lag die bij het camerasysteem hoort. Dit beeldscherm is weggenomen. Aangever wist dat de daders ook op de eerste etage zijn geweest omdat de bewegingssensor daar is afgegaan. Hij had het vermoeden dat de daders zijn geschrokken door het alarmsysteem dat in de woning is afgegaan. Tijdens het sporenonderzoek werden breektuigsporen op het keukenraam aan de linkerzijde van de voorzijde van de woning waargenomen. Er was drie keer met een breed en twee keer met een smaller breekwerktuig tussen het raam en het kozijn gestoken. Door de ontstane kracht die de breekwerktuigen uitoefenden op de hefboompjes aan de binnenzijde van het raam is de schoot van de onderste hefboom afgebroken. De schoothouder van de bovenste hefboom was verbogen en de schroeven waren iets uit het hout getrokken. Hierdoor ging het bovenste deel open. Uit de peilzendergegevens blijkt dat de snorfiets tussen 04:09 uur en 04:16 uur stil heeft gestaan op het Snuifmolenerf te Gouda. De minuten ervoor reed de snorfiets door de wijk. Omstreeks 04:18 uur was door een getuige melding gemakt van een alarm van een woning dat afging en een scooter die was weggereden. Nadat de snorfiets was weggereden vanaf de Snuifmolenerf reed de scooter naar het Watergangpolderplein en stond daar tussen 04:19 uur en 04:22 uur stil. Hierna reed de scooter naar de Baljuwslag te Gouda. Baljuwslag 23 in Gouda (zaaksdossier 11) [buurman van aangever 7] heeft namens [aangever 7] aangifte gedaan van een poging tot inbraak in de woning aan de Baljuwslag 23, omdat de bewoner op vakantie was. Op 1 oktober 2016 omstreeks 04:45 uur werd [buurman van aangever 7] wakker van een geluid dat zij kan omschrijven als bonken. Zij is naar beneden gelopen en zag dat het bovenlicht van de keuken openstond. Zij vermoedde dat de daders haar gehoord hebben want zij hoorde een scooter wegrijden. Vervolgens zag zij dat de poortdeur en het draairaam aan de achterzijde van de woning van de buurman openstonden. De politie verklaarde dat alle kamers netjes waren en de daders dus vermoedelijk niet in de woning waren geweest. Uit sporenonderzoek blijkt dat men geprobeerd had het naar buiten opengaande raam aan de achterzijde van de woning open te breken. Het hout van het raamkozijn was niet in een beste conditie en erg versplinterd. Men had naar alle waarschijnlijk twee keer met de beitelzijde van een breekijzer in de ondernaad van het raam gestoken. Verder werden nog drie verschillende tegendruksporen in de sluitnaad waargenomen. Naar alle waarschijnlijkheid waren deze tegendruksporen afkomstig van schroevendraaiers van 10,4 mm, 23,5 en 15,1 mm breed. [getuige 5] heeft verklaard dat hij op 1 oktober 2016 tussen 03:30 uur en 04:00 uur wakker werd en dat hij buiten, nabij de woning, stemmen hoorde die op fluisterende toon praatten. Ook hoorde hij een geluid dat leek op een accuboormachine. Toen hij naar buiten keek zag hij voor de woning aan de Baljuwslag 23 een jongen achter het stuur van een zwarte scooter zitten. Hij keek steeds om zich heen. Even later kwam een andere jongen uit de voortuin van Baljuwslag 23 gelopen. Hij liep naar de scooter toe en stapte achterop. Deze jongen had iets van een schroevendraaier of iets dergelijks in zijn hand. De scooter reed linksaf de Kameraarslag op waar hij werd neergezet op een parkeervak. Vervolgens stapten de jongens van de scooter en liepen de poort in achter het huizenblok waar ook Baljuwslag 23 is gelegen. Ze bleven dertig seconden tot een minuut uit het zicht, waarna ze rennend de poort uit kwamen, naar de scooter liepen en wegreden verder de Kameraarslag op in de richting van de Gaarderslag. Uit de peilzendergegevens blijkt dat de snorfiets tussen 04:29 uur en 04:50 uur stil heeft gestaan op verschillende locaties rondom de Baljuwslag. Omstreeks 04:47 uur werd melding gemaakt van een inbraak bij de buren. De getuige zag twee personen in de straat lopen (Kameraarslag) en wegrijden op een brommertje. Na de poging inbraak reed de snorfiets weg in de richting van de Gaarderslag en werd om 04:51 uur, na een korte achtervolging door de politie, achtergelaten op de Kwartslag. Zaaksdossiers 8 tot en met 11 De volgende processen-verbaal – met uitzondering van de ontvangst van het rijbewijs van [verdachte] – zijn in alle vier de zaaksdossiers gevoegd. Camerabeelden Esso tankstation Uit de peilzendergegevens blijkt dat de scooter van [verdachte] op 30 september 2016 tussen 23:23 uur en 23:26 uur heeft stilgestaan op de Schoonhovenseweg 2 te Gouda. Deze locatie betreft een Esso benzinestation. Op de camerabeelden van het benzinestation van dat tijdstip is te zien dat een scooter met daarop twee mannen komt aanrijden. Er wordt getankt, waarna één van de mannen het tankstation binnengaat. Deze man was de bestuurder van de scooter. [verbalisant 9] heeft deze persoon herkend als [verdachte] . [verbalisant 10] heeft de persoon achterop de scooter herkend als [medeverdachte 3 ] . Achtervolging snorfiets Verbalisanten [verbalisant 11] en [verbalisant 12] hadden op 1 oktober 2016 al verschillende meldingen van inbraken meegekregen waarbij steeds sprake was van twee jongens die op een scooter wegreden. Om 04:45 uur hebben verbalisanten op de Tristanstraat de auto stilgezet om te horen of zij een scooter voorbij hoorden rijden. Na 2 minuten hoorden zij via de meldkamer dat was ingebroken aan de Baljuwslag 28. Daarna hoorden verbalisanten dat de jongens op de scooter richting de Gaardeslag reden. Verbalisanten zijn toen de Baljuwslag en vervolgens de Kameraarslag op gereden. Aan het einde van de straat zagen zij een scooter met daarop twee personen. Zij hebben hierop de achtervolging ingezet en het stop-transparant aan de voorzijde van het dienstvoertuig aangezet. Zowel de bestuurder als de bijrijder keken achterom. De scooter bleef – ondanks de stop-transparant – van links naar rechts slingeren, de verbalisanten hadden de indruk dat ze dit deden zodat ze de scooter niet in konden halen. [verbalisant 11] zag dat de kenteken van de scooter [---] was en heeft dit aan de meldkamer doorgegeven. Op de Kwartslag moest de scooter keren. Op dat moment sprong de bijrijder van de scooter af. Verbalisanten hebben de scooter aangetikt waarna de bestuurder met de scooter ten val kwam. [verbalisant 11] zag de bestuurder toen in zijn gezicht. Hij zag dat het een blanke jongen met blond kort geknipt/opgeschoren haar was. Vervolgens is de jongen weggerend. Sporenonderzoek Piaggio Aan de zwarte Piaggio Original met kenteken [---] werd sporenonderzoek verricht. Dactyloscopisch onderzoek aan de brommer leverde een spoor aan de rechter buitenspiegel op. Dit betrof een vingerafdruk ( [---] ). In de buddyseat werd onder meer een rijbewijs aangetroffen. De vingerafdruk leverde een hit op met [verdachte] . Het in de buddyseat aangetroffen rijbewijs stond op naam van [verdachte] en is teruggegeven aan [verdachte] . De moeder van [verdachte] heeft verklaard dat het kenteken van haar scooter [---] is en dat de scooter door haar, door [verdachte] en haar man wordt gebruikt. Ook [verdachte] heeft ter terechtzitting van 8 maart 2018 verklaard dat hij van die scooter gebruik maakte. Tapgesprekken Op 30 september 2016 om 16:56 uur belt [verdachte] naar [medeverdachte 1] en zegt tegen [medeverdachte 1] dat hij niet steeds moet verplaatsen. [medeverdachte 1] zegt: “jij staat daar met je kankerscooter beneden”. Om 19:21 uur belt [medeverdachte 3 ] naar [naam] . [naam] zegt: “Neem die koffie mee.” Daarna zegt hij: “Neem die kopje mee”. De politie heeft aangegeven dat met [naam] vermoedelijk [naam ] , de broer van [medeverdachte 3 ] , wordt bedoeld. Om 19:57 uur belt [verdachte] naar [medeverdachte 1] . [medeverdachte 1] zegt: “Jij gaat toch naar Gouda?”, waarop [verdachte] zegt: “Ja maar eh… ik ga ook eerst hier wat doen.” Om 22:07 uur zegt [naam ] in een gesprek met [medeverdachte 3 ] dat hij die ‘koe’ moet meenemen. De politie merkt dat koffie/koe/kopje vermoedelijk codewoorden voor koevoet zijn. Op 1 oktober 2016 om 07:02 uur vraagt [verdachte] of [naam ] hem misschien kan komen ophalen. [naam ] zegt: “Mijn broertje is ook gevlucht he hij is net thuis gekomen”. Om 07:05 uur belt [naam ] naar [verdachte] en zegt: “Luister dan geef die ding gestolen op he”. Om 07:12 uur belt [verdachte] naar zijn moeder en zegt dat zijn scooter weg is. Zijn moeder zegt dat ze hem komt halen. Conclusie Uit het voorgaande leidt de rechtbank het volgende af. Uit de tapgesprekken blijkt dat [verdachte] de avond van 30 september 2016 naar Gouda ging. Uit de peilzendergegevens blijkt dat de snorfiets waar [verdachte] regelmatig gebruik van maakte zich van zijn woonadres [adres verdachte] naar Gouda verplaatste. Verder blijkt uit de peilzendergegevens dat de snorfiets om 23:19 uur naar de Schoonhovenseweg ging en stilstond bij het Esso benzinestation. Op de camerabeelden van het Esso benzinestation wordt waargenomen dat [verdachte] de bestuurder van de scooter was. [verdachte] was die avond dus in Gouda en reed op de scooter. Vervolgens werden die nacht (1 oktober 2016) drie pogingen tot woninginbraak en één voltooide inbraak gepleegd. De tijdstippen waarop de scooter zich volgens de peilzendergegevens nabij die woningen bevond komen overeen met de door getuigen genoemde tijdstippen. Verder hebben getuigen in drie van de vier zaken een scooter gehoord dan wel gezien. De scooter verliet omstreeks 04:50 uur de locatie Baljuwslag waar zojuist was geprobeerd in te breken en werd daarna na een korte achtervolging door de politie aangetroffen. In de buddyseat werd vervolgens een rijbewijs op naam van [verdachte] aangetroffen en op de rechter buitenspiegel werd een vingerafdruk van [verdachte] aangetroffen. Een paar uur later belde [verdachte] naar [naam] met de vraag of [naam] hem kon ophalen. Nadat bleek dat [naam] hem niet kon ophalen, belde [verdachte] zijn moeder en zei dat hij de scooter kwijt was. De rechtbank is van oordeel dat de voorgaande redengevende feiten en omstandigheden, waaronder de tapgesprekken voor en na de pogingen tot inbraak en de voltooide inbraak en de peilzendergegevens in combinatie met de getuigenverklaringen, om een verklaring vragen. [verdachte] heeft geen aannemelijke verklaring hiervoor gegeven. Hoewel de omstandigheid dat een verdachte weigert een verklaring af te leggen of een bepaalde vraag te beantwoorden op zichzelf, mede gelet op het bepaalde in artikel 29, eerste lid, van het Wetboek van Strafvordering, niet tot het bewijs kan bijdragen, kan de rechter, indien een verdachte voor een omstandigheid die op zichzelf of in samenhang met de verdere inhoud van de bewijsmiddelen beschouwd redengevend moet worden geacht voor het bewijs van het aan hem ten laste gelegde feit, geen redelijke, die redengevendheid ontzenuwende, verklaring heeft gegeven, zulks in zijn overwegingen omtrent het gebezigde bewijsmateriaal betrekken. De rechtbank zal het zwijgen van verdachte dan ook op die grond meenemen in haar overwegingen. Op grond van voornoemde redengevende feiten en omstandigheden acht de rechtbank dan ook bewezen dat [verdachte] samen met een ander naar die woningen is gegaan en ook samen handelingen met die ander heeft verricht, gericht op het voltooien van de inbraken. Hierbij is van belang dat sprake is van een gezamenlijke “strooptocht” met een inwisselbare rolverdeling, in die zin dat niet gesteld kan worden dat de één of de ander een ondergeschikte rol inneemt. De ene keer benaderen ze samen een woning, de andere keer blijft één op de scooter op de uitkijk staan, echter steeds als onderdeel van een min of meer gelijkwaardig team. Er heeft aldus een nauwe en bewuste samenwerking tussen verdachte en zijn medeverdachte bestaan. Derhalve kan het onderdeel medeplegen eveneens bewezen worden verklaard. Dit betekent dat de rechtbank het medeplegen van de onder 6, 7 en 9 ten laste gelegde pogingen tot woninginbraak en de onder 8 ten laste gelegde woninginbraak wettig en overtuigend bewezen zal verklaren. 3.4.5 Feit 10; zaaksdossier 15 (Herbarenerf 11 in Waddinxveen) Ten aanzien van [verdachte] is de rechtbank van oordeel dat er onvoldoende aanknopingspunten in het dossier zijn om de betrokkenheid van [verdachte] bij deze woninginbraak vast te kunnen stellen. Verbalisant Dhondt heeft verklaard dat hij één van de mannen op de beelden herkent als [verdachte] . Deze herkenning is evenwel onvoldoende om te komen tot wettig en overtuigend bewijs voor het tenlastegelegde. Daarbij betrekt de rechtbank dat op de foto slechts een stukje van een gezicht te zien is, zodat naar het oordeel van de rechtbank op basis hiervan niet gesteld kan worden dat de beelden voldoende duidelijk zijn voor een evidente herkenning. Dat verdachte over een “The North Face”-jas beschikt zoals op de beelden te zien is, is onvoldoende specifiek. Voor het overige zijn er weliswaar aanwijzingen dat [verdachte] in de avond voorafgaand aan de inbraak contact heeft met onder andere [medeverdachte 3 ] over “aan het werk gaan” en dat hij “die dingen” nodig heeft en wordt in de tapgesprekken, waar het gaat om de herkenningen, gesproken over “die Hollander”, maar deze omstandigheden zijn naar het oordeel van de rechtbank evenwel onvoldoende om daaruit af te kunnen leiden dat het verdachte is geweest die zich schuldig heeft gemaakt aan (het medeplegen van) een woninginbraak. 3.4.6 Feit 1; zaaksdossier 1 (criminele organisatie) De rechtbank acht een aantal strafbare feiten, te weten een aantal (poging tot) woninginbraken, binnen de ten laste gelegde periode wettig en overtuigend bewezen. Zij ziet zich vervolgens voor de vraag gesteld of ook kan worden bewezen dat verdachte tezamen en in vereniging met een ander, heeft deelgenomen aan een organisatie die tot oogmerk het plegen van misdrijven heeft. Juridisch kader Deelneming aan een criminele organisatie is strafbaar gesteld in artikel 140 van het Wetboek van Strafrecht (hierna: Sr). Aan deze strafbaarstelling ligt de gedachte ten grondslag dat de openbare orde beschermd dient te worden tegen organisaties die beogen misdrijven te plegen. Deze strafbaarstelling heeft betrekking op de persoonlijke betrokkenheid van een verdachte bij een "criminele organisatie" (vgl. HR 4 april 2017, ECLI:NL:HR:2017:575). Gedragingen van een verdachte kunnen zowel medeplichtigheid aan enig misdrijf waarop het oogmerk van een criminele organisatie is gericht als deelneming aan die organisatie in de zin van artikel 140 Sr opleveren (HR 21 december 2010, ECLI:NL:HR:2010:BM4415). Organisatie Van een organisatie is sprake als vaststaat dat een gestructureerd en duurzaam samenwerkingsverband bestaat tussen twee of meer personen, dus tussen verdachte en tenminste één ander persoon. Om als deelnemer aan die organisatie te kunnen worden aangemerkt, is niet vereist dat komt vast te staan dat een persoon heeft samengewerkt met, althans bekend is geweest met alle andere personen die deel uitmaken van de organisatie of dat de samenstelling van het samenwerkingsverband steeds dezelfde is (HR 2 februari 2010, ECLI:NL:HR:2010:BK5193). Aanwijzingen voor het bestaan van een dergelijk samenwerkingsverband kunnen bijvoorbeeld zijn gemeenschappelijke regels, het voeren van overleg, gezamenlijke besluitvorming, een taakverdeling en een bepaalde hiërarchie en/of geledingen. Dit zijn echter geen constitutieve vereisten om van een samenwerkingsverband te kunnen spreken (HR 15 mei 2007, ECLI:NL:HR:2007:BA0502). Oogmerk tot het plegen van misdrijven Als kan worden vastgesteld dat sprake is van een organisatie dan is voor een bewezenverklaring van artikel 140 Sr daarnaast vereist dat de organisatie het oogmerk moet hebben om misdrijven te plegen. Het oogmerk ziet op het feitelijke en gewenste doel van de organisatie. Het is evenwel niet vereist dat de organisatie bestaat om uitsluitend misdrijven te plegen; het plegen van misdrijven mag ook het naaste doel zijn (HR 15 juni 2010, ECLI:NL:HR:2010:BK6148). Daarbij is voor een bewezenverklaring voldoende dat het plegen van misdrijven wordt beoogd, zodat nog geen aanvang hoeft te zijn gemaakt met het daadwerkelijke plegen daarvan. Voor bewijs van het bestanddeel "oogmerk" zal onder meer betekenis kunnen toekomen aan misdrijven die in het kader van de organisatie reeds zijn gepleegd, aan het meer duurzaam of gestructureerde karakter van de samenwerking – zoals daarvan kan blijken uit de onderlinge verdeling van werkzaamheden of onderlinge afstemming van activiteiten van deelnemers binnen de organisatie met het oog op het bereiken van het gemeenschappelijke doel van de organisatie – en, meer algemeen, aan de planmatigheid of stelselmatigheid van de met het oog op dit doel verrichte activiteiten van deelnemers binnen de organisatie. Het oogmerk op het plegen van één misdrijf is dan ook onvoldoende (HR 15 mei 2007, ECLI:NL:HR:2007:BA0502). Deelneming aan een organisatie De rechtbank stelt voorop dat van deelneming aan een organisatie als bedoeld in artikel 140 Sr slechts dan sprake kan zijn, indien verdachte behoort tot het samenwerkingsverband en een aandeel heeft in gedragingen, dan wel deze ondersteunt, die strekken tot of rechtstreeks verband houden met de verwezenlijking van het in dat artikel bedoelde oogmerk (HR 10 februari 2015, ECLI:NL:HR:2015:264 en HR 14 maart 2017, ECLI:NL:HR:2017:413). Elke dergelijke bijdrage, ook wel deelnemingshandeling genoemd, aan een organisatie kan strafbaar zijn. Een deelnemingshandeling kan bestaan uit het (mede)plegen van enig misdrijf, maar ook uit het verrichten van hand- en spandiensten en (dus) het verrichten van handelingen die op zichzelf niet strafbaar zijn, zolang van hiervoor bedoeld aandeel of ondersteuning kan worden gesproken (HR 3 juli 2012, ECLI:NL:HR:2012:BW5132). Voorbeelden daarvan zijn het verlenen van geldelijke of andere stoffelijke steun aan alsmede het werven van gelden of personen ten behoeve van de organisatie. Voor deelname is dus voldoende dat verdachte weet dat de organisatie het oogmerk heeft op het plegen van misdrijven. Niet vereist is dat hij wetenschap heeft van één of meer concrete misdrijven die door de organisatie worden beoogd of zijn gepleegd of dat zijn opzet is gericht op het plegen van die misdrijven (zie HR 18 november 1997, ECLI:NL:HR:1997:ZD0858, HR 8 oktober 2002, ECLI:NL:HR:2002:AE5651 en HR 5 september 2006, ECLI:NL:HR:2006:AV4122). Het gaat hier om een zelfstandig strafbaar feit. Het doet er niet toe of de misdrijven waarop de organisatie het oogmerk heeft, zijn gepleegd dan wel pogingen daartoe zijn ondernomen of zelfs maar strafbare voorbereidingen daartoe zijn getroffen. Evenmin is van belang of een verdachte heeft deelgenomen aan misdrijven welke door andere deelnemers uit de organisatie zijn gepleegd (of zijn gepoogd te plegen of voorbereid). Een persoon is dan ook reeds strafbaar vanwege zijn vastgestelde deelneming aan een criminele organisatie. Beoordeling Organisatie Uit vorenstaande bewijsmiddelen, zowel degene die zijn genoemd bij de hiervoor afzonderlijk beschreven (pogingen tot) woninginbraken als degene die zijn opgenomen in het kader van dit feit, leidt de rechtbank af dat in de ten laste gelegde periode veelvuldig telefonisch contact is geweest tussen onder meer tussen [verdachte] , [medeverdachte 1] , [medeverdachte 3 ] , [medeverdachte 2 ] en [medeverdachte 4 ] . Op grond van de inhoud van de telefoongesprekken, WhatsApp-gesprekken en sms-berichten kan naar het oordeel van de rechtbank vastgesteld worden, mede gelet op de context van de bewezen verklaarde woninginbraken ten aanzien van deze verdachten, dat zij afspraken maakten over het plannen en uitvoeren van woninginbraken, waaronder het uitvoeren van verkenningen ten behoeve van mogelijke inbraken door geschikte adressen te lokaliseren en te bepalen of de bewoners al dan niet thuis waren, en over het verkopen dan wel verdelen van de buit. Uit het dossier komt verder naar voren dat ook andere personen dan deze verdachten deelnamen aan strafbare feiten dan wel dat andere personen verdachten van informatie hebben voorzien door bijvoorbeeld in de gaten te houden of ergens politie in de buurt was en of bewoners thuis waren. Dit alles duidt naar het oordeel van de rechtbank op een gedegen gezamenlijke voorbereiding, vaak gevolgd door een daadwerkelijke uitvoering. Uit de telefoongesprekken en sms-berichten volgt voorts dat (deels) in versluierde taal werd gesproken. De rechtbank volgt de door de politie in het proces-verbaal gegeven “vertaling” van de door verdachten gebruikte termen. Deze “vertaling” past binnen de context van de gesprekken en is door verdachten ook niet weersproken. Zo werd onder meer gesproken over ‘vis’ en ‘stok’, waarvan de politie heeft aangegeven dat hiermee waarschijnlijk inbreekwerktuigen worden bedoeld. Ook werd gesproken over dat het ‘heet’ werd of was en over ‘ibahesh’. Met ‘heet’ wordt volgens de politie en [getuige 4] bedoeld dat politie in de buurt was of dat teveel mensen in de buurt waren. De letterlijke vertaling van ‘ibahesh’ is insecten en bekend is dat daar politie mee wordt bedoeld. Ook werd meermalen gezegd dat bepaalde dingen niet over de telefoon besproken moesten worden en ‘de telefoon afgebrand is’ wat volgens de politie betekent dat de telefoon afgeluisterd wordt. Hieruit kan worden opgemaakt dat verdachten er dus kennelijk rekening mee hielden dat de telefoons van verdachten afgeluisterd werden. De rechtbank is van oordeel dat deze contacten gaan over het voorbereiden dan wel plegen van woninginbraken en in voorkomende gevallen het verdelen van de buit. Bij dat oordeel betrekt de rechtbank het feit dat geen van de verdachten een verklaring heeft afgelegd waaruit zou kunnen blijken dat deze contacten over iets anders zouden gaan. Deze contacten, bezien in samenhang met de voor iedere verdachte afzonderlijke bewezenverklaarde daadwerkelijke inbraken en pogingen daartoe, rechtvaardigen naar het oordeel van de rechtbank dan ook de conclusie dat in de ten laste gelegde periode sprake was van een gestructureerd samenwerkingsverband met een zekere organisatiegraad tussen meerdere personen, dat het plegen van woninginbraken tot oogmerk had. Het georganiseerd verband was duurzaam van aard, aangezien de genoemde contacten en de hiervoor bewezenverklaarde feiten – in ieder geval – gedurende de onder 1 ten laste gelegde periode hebben plaatsgevonden. Deelname aan de organisatie De planmatige werkwijze, zoals deze uit de bewijsmiddelen blijkt, getuigt van een hechte en intensieve samenwerking van de leden van het samenwerkingsverband, waarbij in wisselende samenstellingen veelal volgens een vast patroon werd gehandeld. Tot de taken van het samenwerkingsverband behoorden – naast inbreken en naar binnen gaan – ook het plannen van de inbraak, het uitvoeren van verkenningen, het regelen van de noodzakelijke inbrekerswerktuigen, het op de uitkijk staan, het waarschuwen voor en in de gaten houden van eventuele aanwezigheid van politie en het verdelen of verkopen van buitgemaakte goederen. De rollen die elk van de verdachten heeft vervuld, zijn naar het oordeel van de rechtbank onderling inwisselbaar geweest. Er kan in dit opzicht dan ook gesproken worden van een zekere gelijkwaardigheid tussen verdachten. Daar komt bij dat wanneer een verdachte ten behoeve van een beoogde inbraak in het bijzonder één (of meer) van de hierboven genoemde taken op zich nam hij bij een geslaagde inbraak ook meedeelde in de bemachtigde buit. Conclusie Op grond van het voorgaande is de rechtbank van oordeel dat verdachte heeft behoord tot een, op het plegen van woninginbraken gericht, samenwerkingsverband en dat hij een aandeel heeft gehad in gedragingen dan wel gedragingen heeft ondersteund die mede strekten tot/verband hielden met de verwezenlijking van het binnen dat samenwerkingsverband bestaande oogmerk. De rechtbank is daarmee van oordeel dat wettig en overtuigend bewezen kan worden dat [verdachte] in de periode van 1 juli 2016 tot en met 6 december 2016 heeft deelgenomen aan een criminele organisatie van meerdere personen, waaronder in ieder geval [medeverdachte 1] , [medeverdachte 2 ] , [medeverdachte 3 ] en [medeverdachte 4 ] . 3.4.7 Feit 11; zaaksdossier 19 (bezit nabootsing vuurwapen) Op 1 juni 2016 kwam een onbekend gebleven persoon aan de balie van bureau Waddinxveen. Hij vertelde dat [verdachte] van de [adres verdachte] gevaarlijk is en dat hij een vuurwapen heeft, een P22. Op een Facebooksite genaamd ‘ [---] ’ zou een foto te zien zijn van [verdachte] met een enkelband en daarnaast lag het wapen. Het is [verbalisant 2] ambtshalve bekend dat met ‘ [verdachte] ’ [verdachte] wordt bedoeld die woonachtig is op de [adres verdachte] . Tijdens een doorzoeking op 3 juni 2016 van de woning [adres verdachte] werd een balletjesgeweer gelijkend op een MP5 in beslag genomen. Dit balletjesgeweer werd in de slaapkamer van [verdachte] aangetroffen. De vader van [verdachte] gaf aan dat [verdachte] dit wapen al jaren in bezit had en dat hij hiervan op de hoogte was. Het wapen is vervolgens door de Forensische Opsporing onderzocht. Het betreft een veerdrukwapen, type MP5 A7, zwart van kleur en kaliber 6 mm bb. Het wapen is geschikt voor be- en afdreiging en betreft geen speelgoedvoorwerp als bedoeld in de Richtlijn 2009/48/EG. Het wapen vertoont voor wat betreft vorm en afmetingen een sprekende gelijkenis met een vuurwapen van het merk Heckler & Koch, model MP 5 K. Het wapen is derhalve een voorwerp in de zin van artikel 2 lid 2, categorie I sub 7 van de Wet wapens en munitie, gelet op artikel 3 onder a van de Regeling wapens en munitie. De rechtbank stelt voorop dat voor een veroordeling wegens het voorhanden hebben van een wapen in de zin van de Wet wapens en munitie is vereist dat sprake is geweest van een meerdere of mindere mate van bewustheid bij verdachte omtrent de aanwezigheid daarvan. Gelet op de verklaring van zijn vader wist [verdachte] dat het wapen op zijn slaapkamer lag. Uit detentiegegevens blijkt dat [verdachte] ten tijde van het aantreffen van het wapen gedetineerd was. De rechtbank overweegt dat het gegeven dat verdachte zich in detentie bevond niet zonder meer meebrengt hij geen enkele beschikkingsmacht meer had over het wapen. Hij had het wapen reeds enige jaren in bezit en het lag op zijn slaapkamer. De rechtbank acht dan ook wettig en overtuigend bewezen dat [verdachte] het wapen op 3 juni 2016 voorhanden heeft gehad. Dagvaarding II: 09/818058-16 3.4.8 Feit 1; zaaksdossier 12 (Waterlelie 32 in Boskoop) Op 27 mei 2016 omstreeks 15:15 uur kwam [aangever 8] de woning van zijn ouders aan de Waterlelie 32 te Boskoop binnen. Bij het openen van de voordeur merkte hij dat de deur niet slotvast was afgesloten, maar hij zag verder geen verbrekingen of braakschade aan de deur. In de woning riep hij “Hoi”. Hij kreeg geen reactie, maar hoorde wel gerommel op de eerste verdieping. Toen hij nogmaals riep hoorde hij een vreemde hoge stem iets terug roepen; het klonk alsof iemand een vrouwenstem probeerde te imiteren. [aangever 8] zette twee stappen op de trap en zag toen twee jonge mannen in de tuin van de woning landen. Eén droeg een witte broek en de ander een zwarte broek. Hierop is hij naar de achterdeur gerend en zag beide mannen in de sloot achter het huis springen. [aangever 8] is toen naar de voorzijde gegaan. De man met de witte broek rende hard weg achter de Aldi langs. Hij rende naar de man in het zwart toe, pakte hem vast en heeft hem tegen de grond gedrukt. Na een aantal minuten lukte het de man om zijn arm los te krijgen. [aangever 8] voelde dat de man hem in het gezicht sloeg, waardoor hij pijn voelde. Hij merkte dat de binnenzijde van zijn mond door de klap kapot ging. Hij voelde en proefde dat zijn wang bloedde. Vervolgens kwam een buurman die heeft geholpen de man onder controle te houden tot de politie kwam. [aangever 8] weet door de zwarte broek en het feit dat de man kletsnat was zeker dat de man die hij heeft vastgehouden de man is die hij uit het raam heeft zien springen. Toen hij terugging naar de woning zag hij dat diverse kasten en spullen doorzocht waren. [aangever 8] heeft geen andere personen gezien. Later bleek dat de vader van aangever zijn sleutelbos was verloren. Ter plaatse hebben verbalisanten de jongen in het zwart vastgepakt en hem verteld dat hij was aangehouden voor een woninginbraak. Verdachte bleek [verdachte] te zijn. [verbalisant 13] zag en voelde dat de kleding van [verdachte] van top tot teen kletsnat en vies was. [getuige 6] liep op de dijk aan de achterzijde van de Waterlelie toen zij een schreeuw hoorde van een persoon, die later de bewoner van het huis waar is ingebroken bleek te zijn. Zij zag twee jongens uit de tuin van het huis, waar de bewoner ze had overlopen, komen en de sloot in vluchten. Eén van de jongens was in het zwart gekleed, de ander droeg een blauw shirt en een witte trainingsbroek. Vervolgens klommen de jongens over het hek van de schapenwei. De bewoners renden om en achter het terrein bij de Aldi had hij beide jongens ingesloten. De jongen met de witte broek kon ontkomen en rende in de richting van de Puttelaan. De jongen in het zwart gekleed werd door de bewoners in bedwang gehouden. De jongen in het zwart is door de politie geboeid en in de politieauto gezet. Getuigenverklaringen ten aanzien van het geweld [getuige 7] zag man 1, de bewoner van de Waterlelie, vechten met man 2, een onbekend persoon. Man 1 hield man 2 vast en man 2 gebruikte behoorlijk wat geweld ten opzichte van man 1 om los te komen. Man 2 deelde met zijn vuist stompen en slagen uit op het hoofd van man 1. [getuige 8] zag twee mannen vechten. Man 1 droeg een zwart vest en man 2 had een T-shirt aan. Haar vader, [getuige 7] , herkende de man met het T-shirt als de bewoner van de Waterlelie. Man 2 hield man 1 vast en man 1 probeerde los te komen. Dat ging met nogal wat geweld. Zij zag man 1 slaan en stompen op het hoofd van man 2 en dat hij met zijn vuist op het hoofd en voorhoofd raakte. Op een gegeven moment kwam een buurman helpen. [getuige 9] hoorde iemand roepen: “bel 112”. Toen hij uit het raam keek zag hij dat zijn buurjongen [aangever 8] een jongen van ongeveer 20 jaar oud, stevig postuur, blond haar en donkere kleding, vasthield. Die jongen maakte met zijn vuist een maaiende beweging terwijl [aangever 8] hem vasthield en hij raakte [aangever 8] in het gelaat. Verklaring [verdachte] heeft bij de politie verklaard dat hij in de woning is geweest. Hij heeft verklaard dat hij met een jongen was die hem vroeg mee te lopen. Die jongen had de huissleutel en toen zij ze samen naar binnen gegaan. Toen zij boven waren hoorden zij iemand binnen komen. Zij wisten niet wat er aan de hand was en zijn gelijk via de achterdeur weggegaan. Daarna zijn zij via het raam op de eerste verdieping de achtertuin in gevlucht. Die man kwam de achtertuin in dus zijn zij door de sloot gevlucht en terug gerend naar de scooter die bij de Aldi stond. [verdachte] had de sleutel van die scooter, maar de scooter is van de jongen met hij was. Conclusie Vaststaat dat verdachte op de bovenverdieping in de woning is geweest. Verdachte heeft, gelet op alle hiervoor genoemde bewijsmiddelen, geen aannemelijke verklaring gegeven voor het feit dat hij zich (boven) in de woning bevond. Bij binnenkomst van [aangever 8] heeft [verdachte] of de andere persoon in eerste instantie getracht een vrouwenstem na te doen. Toen aangever de trap op wilde lopen zijn [verdachte] en de andere persoon uit de woning gevlucht. [aangever 8] is achter beide personen aangerend en heeft [verdachte] vervolgens vastgepakt. [verdachte] heeft [aangever 8] met een vuist in het gezicht dan wel op het hoofd geslagen om aan hem te ontkomen. De uiterlijke verschijningsvorm van deze gedragingen in combinatie met het feit dat volgens aangever de woning doorzocht is, laat naar het oordeel van de rechtbank geen andere conclusie toe dan dat deze gedragingen waren gericht op de voltooiing van de ten laste gelegde woninginbraak. Naar het oordeel van de rechtbank levert dit dan ook een poging tot woninginbraak op. De raadsman heeft met betrekking tot de geweldshandeling, het slaan in het gezicht of op het hoofd van aangever, bepleit dat dit niet kan worden bewezen nu verdachte geen opzet daarop heeft gehad. De rechtbank stelt vast dat [verdachte] uit het huis is gevlucht en daarbij alles in het werk heeft gesteld om te kunnen ontkomen. Toen hij werd vastgepakt door aangever is hij blijven worstelen om te kunnen ontkomen. Hij heeft toen met zijn vuist richting het gezicht dan wel het hoofd van aangever geslagen of gemaaid en aangever daarbij geraakt. De rechtbank is dan ook – anders dan de raadsman – van oordeel dat [verdachte] met deze gedragingen naar de uiterlijke verschijningsvorm minst genomen voorwaardelijk opzet had op het slaan van aangever teneinde aan hem te kunnen ontkomen. Ook de tenlastegelegde geweldshandeling is daarmee wettig en overtuigend bewezen. Dagvaarding III: 09/852116-17 3.4.9 Feit 1; zaaksdossier 22 (openlijk geweld) Aangifte [aangever 9] Op 7 november 2016 deed [aangever 9] aangifte van mishandeling. Hij verklaarde dat hij op 29 oktober 2016 naar een feest ging dat werd gegeven aan de Sniepweg te Waddinxveen. Omstreeks 01:00 uur [de rechtbank begrijpt: op 30 oktober 2016] kwam een groep jongens binnen die hij niet kende; deze jongens waren niet uitgenodigd. Iets voor 03:00 uur hoorde hij dat iemand weggefietst was met een bierkrat. Die kratten stonden namelijk buiten in een aanhanger. [vriendin van aangever 9] , ging naar buiten en zij ging in discussie met de groep jongens over de kratten bier. Er stonden meerdere van de ongenode jongens om [vriendin van aangever 9] heen. Een jongen, waarvan aangever later hoorde dat hij [broer van verdachte] zou heten, zei tegen [vriendin van aangever 9] “ik ga je klappen geven”. Aangever sprong toen tussen [vriendin van aangever 9] en [broer van verdachte] in en zei: “Doe even normaal, je gaat haar geen klappen geven”. Aangever wist niet precies te vertellen wat direct daarna is gebeurd. Het volgende dat moment dat hij zich kon herinneren, lag hij op de grond. Hij voelde dat er bloed uit zijn ogen en neus kwam. Het viel aangever op dat hij een stuk verderop op de grond lag dan de plek welke hij zich het laatst herinnerde, namelijk bij de aanhanger. Hij voelde erge pijn aan zijn kaak en een wond boven zijn linkeroog. Aangever is toen het clubgebouw ingelopen om het bloeden te stelpen. Later is hij naar huis gebracht en naar bed gegaan met pijn in zijn kaak. Toen hij wakker werd deed het nog meer pijn en is hij naar de tandarts gegaan die hem gelijk heeft doorverwezen naar de kaakchirurg. Daar bleek dat de kaak en rechteroogkas van aangever waren gebroken. Achteraf denkt aangever dat hij door meerdere jongens tegelijk is geslagen; dit kan volgens hem haast niet anders omdat hij binnen de kortste keren knock-out op de grond lag en zoveel letsel had. Aangifte [aangever 10] Op 14 november 2016 deed [aangever 10] aangifte van mishandeling. Hij was vanaf 29 oktober 2016 om 23:00 uur aanwezig bij het feestje dat werd gegeven bij de handbalvereniging aan de Sniepweg te Waddinxveen. Op 30 oktober 2016 omstreeks 03:00 uur was hij even naar buiten gelopen. Hij zag [vriendin van aangever 9] staan praten met een aantal jongens die niet waren uitgenodigd voor het feest. Vervolgens zag hij dat zijn broer, [aangever 9] , richting [vriendin van aangever 9] en de jongens liep. Hij hoorde [aangever 9] tegen de jongens zeggen dat ze even rustig moesten doen tegen [vriendin van aangever 9] . Vervolgens zag hij dat [aangever 9] opeens bijna achterover viel. Hij kon echter niet zien waardoor dit kwam omdat [vriendin van aangever 9] ervoor stond. Aangever is vervolgens ook naar de groep gelopen en er tussen gesprongen. Hij kreeg direct een vuistslag op zijn kin, voelde een hevige pijn en proefde bloed in zijn mond. Vervolgens zag hij [aangever 9] tegen een net hangen, dat achter een doel hangt. Het zag er naar uit dat [aangever 9] buiten bewustzijn was, maar dit bleek niet het geval te zijn. Aangever en [vriendin van aangever 9] hebben [aangever 9] overeind en naar binnen geholpen. Binnen hoorde aangever [aangever 9] zeggen dat hij onwijs veel last had van zijn kaak, aldus aangever. Geneeskundige verklaring In een geneeskundige verklaring d.d. 15 november 2016 betreffende [aangever 9] is vermeld dat bij hem op 31 oktober 2016 een breuk in de bodem van de rechteroogkas en een breuk in de linkerhoek van de kaak is vastgesteld en dat de geschatte genezingsduur zes weken bedraagt. Op 14 november 2016 heeft [aangever 9] telefonisch contact opgenomen met de politie waarbij hij heeft aangegeven dat vier schroeven in zijn kaak zijn gezet, die met elastiekjes bij elkaar worden gehouden, dat hij nog geen vast voedsel kan eten en dat hij nog dagelijks hoofdpijn heeft. Ook heeft hij aangegeven dat hij vaak bezweet wakker wordt en de mishandeling weer terugziet. [getuige 10] heeft bij de politie een verklaring afgelegd waarin hij heeft aangegeven dat hij aanwezig was bij het eerdergenoemde feestje in het clubgebouw van de handbalvereniging gevestigd aan de Sniepweg te Waddinxveen. De groep onuitgenodigde jongens die erbij kwam, bestond uit zes of zeven man. De getuige heeft een aantal van deze jongens herkend, te weten [broer van verdachte] , [medeverdachte 1] , [verdachte] en ene [naam] . Hij wist dat ze uit Waddinxveen komen en bij de zogenaamde ‘Zuidplasgroep’ horen. [vriendin van aangever 9] stond op enig moment te praten met die groep jongens en zei dat ze van het bier af moesten blijven. Ook de vriend van [vriendin van aangever 9] , de voor getuige bekende [aangever 9] , kwam naar buiten. Getuige hoorde de groep vloeken en tieren en vond dat ze zich agressief uitlieten. Hij zag dat [aangever 9] van het ene op het andere moment werd belaagd door deze groep. Hij werd meegetrokken naar het stukje speelveld achter het doel. [broer van verdachte] sloeg [aangever 9] ; hij gaf meerdere klappen met zijn vuisten tegen het hoofd van [aangever 9] . [aangever 9] wankelde daardoor naar achteren en viel tegen het vangnet, dat zich achter het doel bevond. Toen trokken [broer van verdachte] , [verdachte] en [medeverdachte 1] [aangever 9] weer overeind. Hij zag toen dat [verdachte] en [medeverdachte 1] [aangever 9] begonnen te slaan en dat [verdachte] [aangever 9] meerdere vuistslagen op/tegen zijn hoofd gaf. [medeverdachte 1] deed dit ook. In het clubgebouw heeft getuige gezien dat de wenkbrauw van [aangever 9] een sneetje vertoonde en dat hij een bloedneus had. Ook hoorde hij van [aangever 9] dat zijn kaak pijn deed, aldus [getuige 10] . Telefoongesprek [medeverdachte 1] De telefoon in gebruik bij [medeverdachte 1] met het nummer eindigend op - [---] is – zoals reeds eerder is genoemd – afgeluisterd gedurende het onderzoek Kotter. Op 30 oktober 2017 om 17:03 uur belt [medeverdachte 1] naar ene [naam] en dan volgt het volgende gesprek: “[…] [naam] : […] wat had je gisteren gedaan dan [ [medeverdachte 1] ]: ik ben daar nog gebleven, was je ook naar dat Corbus [de rechtbank begrijpt: “Korbis” nu uit algemene bron blijkt dat er een korfbalvereniging met deze naam in hetzelfde Sportpark als de genoemde handbalvereniging is gevestigd] […] [naam] : ja ik wou daar niet eens heen joh Corbus wat was daar dan? [ [medeverdachte 1] ]: feest, chaos, vechten alles (lacht) […] [verdachte] had weer op iemand uitgehaald.” Conclusie De rechtbank stelt voorop dat van het "in vereniging" plegen van geweld sprake is, indien de betrokkene een voldoende significante of wezenlijke bijdrage levert aan het geweld, zij het dat deze bijdrage zelf niet van gewelddadige aard behoeft te zijn. De enkele omstandigheid dat iemand aanwezig is in een groep die openlijk geweld pleegt is niet zonder meer voldoende om hem te kunnen aanmerken als iemand die "in vereniging" geweld pleegt. Beoordeeld zal moeten worden of de door de verdachte geleverde – intellectuele en/of materiële – bijdrage aan het delict van voldoende gewicht is. [verdachte] heeft zich bij de politie en ter terechtzitting op zijn zwijgrecht beroepen. Ter terechtzitting heeft niet ter discussie gestaan dat door meerdere personen geweld is gepleegd waarbij [aangever 10] een vuistslag op zijn gezicht heeft gehad en [aangever 9] meerdere vuistslagen in het gezicht dan wel tegen het hoofd heeft gehad, met als gevolg het letsel zoals blijkt uit de hierboven weergegeven geneeskundige verklaring. De raadsman heeft het standpunt ingenomen dat niet kan worden vastgesteld of [verdachte] hierbij betrokken is geweest en dat zelfs in het geval die betrokkenheid wél wordt aangenomen, niet duidelijk is welke rol hij heeft gehad. De rechtbank stelt vast dat aangevers weliswaar niet goed hebben kunnen zien wie hen hebben geslagen, maar dat dit onverlet laat dat [getuige 10] een gedetailleerde verklaring heeft afgelegd, niet lang na het incident, die strookt met de verklaringen van aangevers als het gaat om de plek waar [aangever 9] terecht is gekomen en het feit dat het daarbij gaat om een andere plek dan waar de vechtpartij begon. Tevens past de verklaring van [getuige 10] – die het heeft over meerdere vuistslagen tegen het hoofd door meerdere mensen uit de door hem beschreven groep – bij het letsel dat bij [aangever 9] is geconstateerd. De rechtbank ziet geen aanleiding aan deze getuigenverklaring te twijfelen. De stelling van de raadsman dat de getuige kennelijk bevooroordeeld is doordat hij de groep aanduidt als “de Zuidplasgroep” en hij de meest heftige en belastende verklaring heeft afgelegd, volgt de rechtbank niet. Deze gevolgtrekking kan niet zonder meer worden gemaakt en de raadsman heeft hier verder geen onderbouwing bij gegeven. De betrokkenheid van [verdachte] bij het geweld wordt bevestigd door het opgenomen telefoongesprek van [medeverdachte 1] later op diezelfde dag, dat gelet op de context en de inhoud van het gesprek naar het oordeel van de rechtbank gaat over deze vechtpartij. Gelet op de hierboven weergegeven bewijsmiddelen – in onderlinge samenhang bezien – heeft [verdachte] een voldoende significante en wezenlijke bijdrage geleverd aan het geweld. Hij heeft [aangever 9] meermalen met de vuisten op het hoofd geslagen. Weliswaar staat niet vast dat [verdachte] degene is geweest die de klap aan [aangever 10] heeft uitgedeeld, maar dit is niet nodig nu wel vaststaat dat deze klap is gevallen in dezelfde vechtpartij zodat deze klap ook aan [verdachte] kan worden toegerekend. Gelet op het voorgaande acht de rechtbank het primair tenlastegelegde feit wettig en overtuigend bewezen. 3.5 De bewezenverklaring De rechtbank verklaart bewezen dat: Ten aanzien van parketnummer 09/808327-16 (dagvaarding I) 1. zaaksdossier 1 (criminele organisatie) hij in de periode van 1 juli 2016 tot 9 augustus 2016 in Nederland, heeft deelgenomen aan een organisatie, bestaande uit een samenwerkingsverband van natuurlijke personen, te weten (onder andere) [medeverdachte 2 ] en/of [medeverdachte 4 ] en/of [medeverdachte 3 ] en/of [medeverdachte 1] , welke organisatie tot oogmerk had het plegen van misdrijven, te weten (woning)inbraken; 2. Zaaksdossier 2 (Kromme Esse 4) hij op of omstreeks 24 juli 2016 te Waddinxveen tezamen en in vereniging met anderen, met het oogmerk van wederrechtelijke toeëigening in/uit een woning gelegen aan de Kromme Esse 4 heeft weggenomen - een brandkast en - geheugenschijfjes en - accu's en - fietsdisplays en - pensioenoverzichten en - belastingpapieren en - fotonegatieven en - cd's en/of dvd's en - harde schijven en - een boormachine en - laptops en - een fotocamera geheel of ten dele toebehorende aan [slachtoffer 1] , zulks na zich de toegang tot de plaats des misdrijfs te hebben verschaft door middel van braak, te weten door een raam van voornoemde woning open te wrikken/te forceren en het cilinderslot van een deur in voornoemde woning af te breken/te forceren; 3. Zaaksdossier 3 (Jupiterlaan 1) hij in de periode van 23 augustus 2016 tot en met 25 augustus 2016 te Waddinxveen ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om tezamen en in vereniging met anderen, met het oogmerk van wederrechtelijke toe-eigening in/uit een woning gelegen aan de Jupiterlaan 1 weg te nemen een kluis en/of geld en/of goederen van hun gading, geheel of ten dele toebehorende aan [naam] , en zich daarbij de toegang tot de plaats van het misdrijf te verschaffen door middel van braak, zich met zijn mededaders naar voornoemde woning heeft begeven en een raam van voornoemde woning heeft opengebroken/geforceerd en voornoemde woning heeft betreden, terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid; 4. Zaaksdossier 5 (Akkerwinde 57) hij op 30 september 2016 te Waddinxveen tezamen en in vereniging met anderen met het oogmerk van wederrechtelijke toeëigening in/uit een woning gelegen aan de Akkerwinde 57 heeft weggenomen camera's en/of een spaarvarken en/of sieraden en/of een laptop, geheel of ten dele toebehorende aan [aangever 2] , zulks na zich de toegang tot de plaats des misdrijfs te hebben verschaft door middel van braak, te weten door een deur van voornoemde woning open te breken/te forceren; 6. zaaksdossier 8 (Verdistraat 2) hij op 1 oktober 2016 te Gouda ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om tezamen en in vereniging met een ander met het oogmerk van wederrechtelijke toe-eigening in/uit een woning gelegen aan de Verdistraat 2 weg te nemen geld en/of goederen van hun gading, geheel of ten dele toebehorende aan [aangever 4] , en zich daarbij de toegang tot de plaats van het misdrijf te verschaffen door middel van braak, zich met zijn mededader naar voornoemde woning heeft begeven en/of (vervolgens) een raam van voornoemde woning heeft getracht open te breken/te forceren terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid; 7. zaaksdossier 9 (Baliemolenerf 6) hij op 1 oktober 2016 te Gouda ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om tezamen en in vereniging met een ander met het oogmerk van wederrechtelijke toe-eigening in/uit een woning gelegen aan het Baliemolenerf 6 weg te nemen geld en/of goederen van hun gading, geheel of ten dele toebehorende aan [aangever 5] , en zich daarbij de toegang tot de plaats van het misdrijf te verschaffen door middel van braak, zich met zijn mededader naar voornoemde woning heeft begeven en/of (vervolgens) een raam van en/of poortdeur bij voornoemde woning heeft getracht open te breken/te forceren terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid; 8. Zaaksdossier 10 (Snuifmolenerf 33) hij op 1 oktober 2016 te Gouda tezamen en in vereniging met een ander met het oogmerk van wederrechtelijke toeëigening in/uit een woning gelegen aan het Snuifmolenerf 33 heeft weggenomen een beeldscherm, geheel of ten dele toebehorende aan [aangever 6] , zulks na zich de toegang tot de plaats des misdrijfs te hebben verschaft door middel van braak, te weten door een raam van voornoemde woning open te wrikken/te forceren; 9. Zaaksdossier 11 (Baljuwslag 23) hij op 1 oktober 2016 te Gouda ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om tezamen en in vereniging met een ander met het oogmerk van wederrechtelijke toe-eigening in/uit een woning gelegen aan de Baljuwslag 23 weg te nemen geld en/of goederen van hun gading, geheel of ten dele toebehorende aan [aangever 7] , en zich daarbij de toegang tot de plaats van het misdrijf te verschaffen door middel van braak, zich met zijn mededader naar voornoemde woning heeft begeven en/of (vervolgens) een raam van voornoemde woning heeft getracht open te breken/te forceren terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid 11. Zaaksdossier 19 (bezit nabootsing vuurwapen) hij op 3 juni 2016 te Waddinxveen een wapen van categorie I onder 7°, te weten plastic (balletjes)geweer, zijnde een voorwerp dat voor wat betreft zijn vorm en afmetingen een sprekende gelijkenis vertoonde met een vuurwapen voorhanden heeft gehad; Ten aanzien van parketnummer 09/818058-16 (Dagvaarding II) zaaksdossier 12 (Waterlelie 32) hij op 27 mei 2016 te Boskoop, gemeente Alphen aan den Rijn, ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om met een ander met het oogmerk van wederrechtelijke toeëigening in/uit een woning gelegen aan de Waterlelie 32 weg te nemen goederen en/of geld van zijn/hun gading, geheel of ten dele toebehorende aan [ouder van aangever 8] , zich met zijn mededader de toegang tot die woning heeft verschaft, terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid, welke poging tot diefstal werd gevolgd van geweld tegen [aangever 8] , gepleegd met het oogmerk om bij betrapping op heterdaad aan zichzelf de vlucht mogelijk te maken, welk geweld bestond uit het slaan (met gebalde vuist) van [aangever 8] tegen zijn hoofd/gezicht; Ten aanzien van parketnummer 09/852116-17 (Dagvaarding III) zaaksdossier 22 (openlijk geweld) hij op 30 oktober 2016 te Waddinxveen, openlijk, te weten, op een voor het publiek toegankelijke plaats, in vereniging geweld heeft gepleegd tegen personen, te weten [aangever 9] en [aangever 10] door - die [aangever 9] meermalen tegen het hoofd te stompen en/of slaan en/of - die [aangever 10] tegen het hoofd te stompen en/of slaan. Voor zover in de tenlastelegging type- en taalfouten voorkomen, zijn deze in de bewezenverklaring verbeterd. Blijkens het verhandelde ter terechtzitting is verdachte daardoor niet in de verdediging geschaad. 4De strafbaarheid van het bewezenverklaarde Het bewezenverklaarde is volgens de wet strafbaar, omdat er geen feiten of omstandigheden aannemelijk zijn geworden die de strafbaarheid van de feiten uitsluiten. 5De strafbaarheid van verdachte Verdachte is eveneens strafbaar, omdat er geen feiten of omstandigheden aannemelijk zijn geworden die zijn strafbaarheid uitsluiten. 6De strafoplegging 6.1 De vordering van de officier van justitie De officier van justitie heeft gevorderd dat verdachte ter zake van de onder 1, 2, 3, 4, 5, 6, 7, 8, 9, 10 en 11 onder parketnummer 09/808327-16 ten laste gelegde feiten, het onder 1 onder parketnummer 09/818058-16 ten laste gelegde feit en het onder 1 onder parketnummer 09/852116-17 ten laste gelegde feit zal worden veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van 5 jaren. De officier van justitie ziet geen aanleiding om bijzondere voorwaarden op te leggen. 6.2 Het standpunt van de verdediging De raadsman heeft verzocht rekening te houden met de persoonlijke omstandigheden van [verdachte] , waaronder het feit dat [verdachte] jong is, twee betrokken en liefdevolle ouders heeft en zich aan alle schorsingsvoorwaarden heeft gehouden. Verder wil de raadsman een onderzoek van neuropsycholoog Jesse Meijers onder de aandacht brengen waaruit blijkt dat na drie maanden detentie al negatieve gevolgen voor de betrokkene optreden. 6.3 Het oordeel van de rechtbank Na te melden straf is in overeenstemming met de ernst van de gepleegde feiten, de omstandigheden waaronder deze zijn begaan en gegrond op de persoon en de persoonlijke omstandigheden van verdachte, zoals daarvan tijdens het onderzoek ter terechtzitting is gebleken. De rechtbank neemt hierbij in het bijzonder het volgende in aanmerking. Ernst van de feiten Verdachte heeft drie woninginbraken en vier pogingen daartoe, allen samen met een ander of anderen, gepleegd. Ook heeft hij zich schuldig gemaakt aan een poging tot inbraak gevolgd door geweld, door iemand te slaan die wilde voorkomen dat hij zou vluchten. Woninginbraken veroorzaken schade en overlast voor de bewoners van de woningen waar is ingebroken. Voor de bewoners is het ontzettend naar dat iemand in hun persoonlijke ruimte is binnengedrongen. Een woning is een plek waar een persoon zich veilig zou moeten voelen. De ervaring leert dat de slachtoffers van een inbraak zich nog lange tijd onveilig voelen in hun eigen woning. Verdachte heeft met zijn handelen blijk gegeven geen respect voor het eigendomsrecht van anderen te hebben. Een aantal van de gestolen goederen heeft tevens een emotionele waarde en is onvervangbaar. Ook worden door woninginbraken de gevoelens van onrust en onveiligheid in de samenleving versterkt. Als daarnaast geweld gebruikt wordt, is deze invloed op de slachtoffers en de samenleving des te heftiger. Daarnaast heeft verdachte deelgenomen aan een criminele organisatie die zich bezig hield met woninginbraken. Verdachte heeft diverse werkzaamheden binnen de organisatie verricht. Georganiseerde misdaad zorgt eveneens voor veel overlast en onrust in de maatschappij. Ook heeft verdachte zich schuldig gemaakt aan een openlijke geweldpleging waarbij het slachtoffer ernstig letsel, te weten een gebroken kaak en rechteroogkas, heeft opgelopen. Verdachte heeft hiermee een ernstige inbreuk op de lichamelijke integriteit van het slachtoffer gemaakt. Dit feit vond plaats tijdens een feestje waar veel jongeren aanwezig waren. Dergelijke feiten veroorzaken doorgaans gevoelens van onveiligheid bij omstanders die van het geweld getuige zijn geweest. Tot slot had verdachte een nepvuurwapen in bezit dat niet te onderscheiden is van een echt vuurwapen. Het ongecontroleerde bezit van dit soort voorwerpen is onwenselijk nu deze gebruikt kunnen worden voor bedreiging, afdreiging of andere criminele activiteiten. Documentatie De rechtbank heeft gezien op het strafblad van verdachte van 15 januari 2018 dat verdachte eerder met politie en justitie in aanraking is gekomen. Verdachte is eerder voor een diefstal met geweld en bedreiging met geweld en een openlijke geweldpleging veroordeeld. Persoon van verdachte De rechtbank heeft kennisgenomen van het reclasseringsadvies betreffende verdachte van 16 maart 2017, opgemaakt en getekend door [reclasseringsmedewerker] , en de inhoud van het reclasseringsadvies van 6 juli 2017 betreffende verdachte, opgemaakt en getekend door [reclasseringsmedewerker] . Hieruit blijkt – kort gezegd – het volgende. Verdachte heeft een vmbo-opleiding niveau kader afgerond. Daarna startte hij met een mbo niveau 4 opleiding. Vervolgens deed hij een niveau 2 opleiding autotechniek, maar heeft dit niet kunnen afronden door detentie en een gebrek aan inzet. In 2015 heeft verdachte toezicht vanuit de jeugdreclassering gehad en sinds eind 2016 heeft hij contact met de volwassenenreclassering. Binnen een eerder toezicht was sprake van de strikte Harde Kern-aanpak waarbij verdachte werd gedwongen buiten werktijden thuis te zijn. In het kader van een schorsing is door het gezin in die tijd ook een multifunctionele familietherapie bij het Palmhuis gevolgd. Verdachte heeft tijdens alle trajecten inzet getoond en is zijn afspraken nagekomen. De reclassering ziet geen doorslaggevende redenen om het jeugdstrafrecht toe te passen. De jeugdreclassering heeft verdachte aan de volwassenenreclassering overgedragen omdat de mogelijkheden binnen de begeleiding van de jeugdreclassering op raakten. Voorts heeft de rechtbank kennisgenomen van de inhoud van het voortgangsverslag van 29 januari 2018, opgemaakt en getekend door [reclasseringsmedewerker] , waaruit het volgende blijkt. De reclassering heeft verdachte eens in de twee weken gesproken. Er is tijdens het toezicht sprake geweest van een overtreding van het contactverbod waarvoor verdachte berispt is. Daarna zijn er geen overtredingen geweest. Verdachte heeft zinvolle dagbesteding gevonden. Hij is werkzaam bij [bedrijfsnaam] in Boskoop en werkt daar naar volle tevredenheid van de eigenaar. Hij is werkzaam in de bediening, in de keuken en in de bezorging. Verdachte werkt hier 5 á 6 avonden in de week van 16.45 uur tot ongeveer 23.00 uur. Jeugdstrafrecht Met de officier van justitie en conform het advies van Reclassering Nederland is de rechtbank van oordeel dat er onvoldoende aanleiding is om toepassing te geven aan het jeugdstrafrecht. Straf De rechtbank houdt bij het bepalen van de strafsoort en de hoogte van de straf rekening met de oriëntatiepunten voor straftoemeting van het Landelijk Overleg Vakinhoud Strafrecht (LOVS). Verder houdt de rechtbank rekening met de eis van de officier van justitie, alsook met de persoonlijke omstandigheden van verdachte. Gelet op alle hiervoor genoemde omstandigheden, waaronder de ernst van de feiten en de hoeveelheid, acht de rechtbank enkel een onvoorwaardelijke gevangenisstraf passend en geboden. De rechtbank zal echter, mede gelet op het feit dat de rechtbank de feiten 5 en 10 niet bewezen acht, een lagere gevangenisstraf opleggen dan door de officier van justitie is gevorderd. Gelet op hetgeen naar voren komt uit het reclasseringsadvies en het procesdossier ziet de rechtbank geen aanleiding een gedeelte van deze gevangenisstraf voorwaardelijk op te leggen. Aan verdachte is op meerdere manieren hulp aangeboden en verschillende trajecten zijn ingezet. Deze hebben er niet voor gezorgd dat verdachte niet meer met politie en justitie in aanraking is gekomen. Voorlopige hechtenis Met inachtneming van het voorgaande is rechtbank van oordeel dat de schorsing van de voorlopige hechtenis met ingang van de datum van de uitspraak dient te worden opgeheven. Gezien de aard en ernst van de bewezenverklaarde feiten, de wijze waarop deze feiten hebben plaatsgevonden en de bij dit vonnis bepaalde strafoplegging, zijn de persoonlijke belangen die verdachte bij het voortduren van de schorsing heeft, ondergeschikt aan de strafvorderlijke belangen en het belang dat de samenleving heeft bij het hervatten van de voorlopige hechtenis. 7De vordering van de benadeelde partij(
- en)[slachtoffer 1] heeft zich met betrekking tot zaaksdossier 2 (feit 2, parketnummer 09/808327‑16) als benadeelde partij gevoegd ter zake van de vordering tot schadevergoeding, groot € 5.0945,83, bestaande uit € 4.814,83 materiële schade en € 280,- immateriële schade, te vermeerderen met de wettelijke rente en met toepassing van de schadevergoedingsmaatregel. [vrouw van slachtoffer 1] heeft zich met betrekking tot zaaksdossier 2 (feit 2, parketnummer 09/808327‑16) als benadeelde partij gevoegd ter zake van de vordering tot schadevergoeding, groot € 280, bestaande uit immateriële schade, te vermeerderen met de wettelijke rente en met toepassing van de schadevergoedingsmaatregel. [aangever 8] heeft zich met betrekking tot zaaksdossier 12 (feit 1, parketnummer 09/818058-16) als benadeelde partij gevoegd ter zake van de vordering tot schadevergoeding, groot € 425, bestaande uit immateriële schade, te vermeerderen met de wettelijke rente en met toepassing van de schadevergoedingsmaatregel. [aangever 11] heeft zich met betrekking tot zaaksdossier 15 (feit 9, parketnummer 09/808327‑16) als benadeelde partij gevoegd ter zake van de vordering tot schadevergoeding, groot € 750,-, bestaande uit immateriële schade, te vermeerderen met de wettelijke rente en met toepassing van de schadevergoedingsmaatregel. [aangever 9] heeft zich met betrekking tot zaaksdossier 22 (feit 1, parketnummer 09/852116-17) als benadeelde partij gevoegd ter zake van de vordering tot schadevergoeding, groot € 4.952,41, bestaande uit € 452,41 materiële schade en € 4.500,- immateriële schade, te vermeerderen met de wettelijke rente en met toepassing van de schadevergoedingsmaatregel. Tot slot zijn proceskosten gevorderd ten bedrage van € 25,38. 7.1 De vordering van de officier van justitie De officier van justitie heeft geconcludeerd tot hoofdelijke toewijzing van alle vorderingen, te vermeerderen met de wettelijke rente en met toepassing van de schadevergoedingsmaatregel. 7.2 Het standpunt van de verdediging De raadsman heeft verzocht de benadeelde partijen [slachtoffer 1] en [vrouw van slachtoffer 1] (feit 2; 09/808327-16), [aangever 8] (feit 1; 09/818058-16) en [aangever 9] (feit 1; 09/852116-17), gelet op de bepleite vrijspraken, niet-ontvankelijk te verklaren. 7.3 Het oordeel van de rechtbank [slachtoffer 1] en [vrouw van slachtoffer 1] (zaaksdossier 2; Kromme Esse 4) Materiële schade [slachtoffer 1] Uit het onderzoek ter terechtzitting is vast komen te staan dat de benadeelde partij rechtstreeks schade heeft geleden als gevolg van het bewezenverklaarde feit. De vordering is voorts voldoende onderbouwd. De rechtbank wijst de vordering tot schadevergoeding van de benadeelde partij [slachtoffer 1] hoofdelijk toe, voorzover deze ziet op het materiële gedeelte en veroordeelt verdachte hoofdelijk om tegen behoorlijk bewijs van kwijting te betalen aan [slachtoffer 1] , een bedrag van € 4.814,83, vermeerderd met de gevorderde wettelijke rente daarover vanaf 24 juli 2016 tot aan de dag van de algehele voldoening. Dit brengt mee, dat verdachte dient te worden veroordeeld in de kosten die de benadeelde partij tot aan deze uitspraak in verband met zijn vordering heeft gemaakt, welke kosten de rechtbank tot op heden begroot op nihil, en de kosten die de benadeelde partij ten behoeve van de tenuitvoerlegging van deze uitspraak nog moet maken. Nu verdachte jegens het slachtoffer naar burgerlijk recht aansprakelijk is voor de schade die door het bewezenverklaarde strafbare feit is toegebracht en verdachte voor dit feit zal worden veroordeeld, zal de rechtbank aan verdachte de verplichting opleggen tot betaling aan de Staat van een bedrag groot € 4.814,83, vermeerderd met de wettelijke rente daarover vanaf 24 juli 2016 tot aan de dag waarop deze vordering is voldaan, ten behoeve van het slachtoffer genaamd [slachtoffer 1] . Nu de verdachte de strafbare feiten ter zake waarvan schadevergoeding zal worden toegekend samen met mededaders heeft gepleegd, zijn zij daarvoor ieder hoofdelijk aansprakelijk. Hetzelfde geldt voor de toegewezen proceskosten. Daarbij geldt dat de verdachte, indien en voor zover een van de mededaders de benadeelde partij betaalt, in zoverre jegens de benadeelde partij van deze betalingsverplichting is bevrijd. Immateriële schade [slachtoffer 1] en [vrouw van slachtoffer 1] De rechtbank zal de vordering van de benadeelde partijen voor zover deze zien op het immateriële gedeelte afwijzen en de rechtbank overweegt daartoe het volgende. Bewezen is verklaard dat de benadeelde partij het slachtoffer is geworden van een diefstal met braak. Dat is een vermogensdelict. Artikel 6:95 BW bepaalt dat de schade die op grond van een wettelijke verplichting tot schadevergoeding moet worden vergoed, bestaat in vermogensschade en ander nadeel, dit laatste voor zover de wet op vergoeding hiervan recht geeft. Artikel 6:106 BW geeft hiervoor een nadere regeling. Het eerste lid luidt, voor zover hier relevant: 1. Voor nadeel dat niet in vermogensschade bestaat, heeft de benadeelde recht op een naar billijkheid vast te stellen schadevergoeding: a. indien de aansprakelijke persoon het oogmerk had zodanig nadeel toe te brengen; b. indien de benadeelde lichamelijk letsel heeft opgelopen, in zijn eer of goede naam is geschaad of op andere wijze in zijn persoon is aangetast. Gesteld noch gebleken is dat hiervan in het onderhavige geval sprake is. Voor wat betreft de in lid 1 onder a genoemde mogelijkheid moet naar het oordeel van de rechtbank worden vastgesteld dat uit het verhandelde ter terechtzitting niet blijkt dat verdachte het oogmerk had om de benadeelde partij in een persoonlijkheidsrecht aan te tasten. Verdachte heeft zich zo een aantasting niet tot doel gesteld. Voor wat betreft de in lid 1 onder b genoemde mogelijkheid vormt de omstandigheid dat de benadeelde partij door het optreden van verdachte in zijn woongenot is aangetast onvoldoende grond voor het aannemen van een verplichting tot het betalen van een immateriële schadevergoeding. Hetgeen ter onderbouwing van de gestelde schade (voorts) is aangevoerd ten aanzien van de psychische gevolgen van de inbraak is onvoldoende om te kunnen concluderen dat sprake is van geestelijk letsel. Nu de benadeelde partij op grond van artikel 6:106 lid 1 van het Burgerlijk Wetboek niet in aanmerking komt voor deze vergoeding zal de vordering tot immateriële schadevergoeding van beide partijen worden afgewezen. [aangever 8] (zaaksdossier 12; Waterlelie 32) Immateriële schade [aangever 8] Ter zake van de gevorderde immateriële schade zal de rechtbank, gelet op hetgeen de benadeelde partij ter toelichting heeft aangevoerd, naar billijkheid een bedrag van € 250,- toewijzen, nu is komen vast te staan dat de benadeelde partij rechtstreeks schade heeft geleden als gevolg van het onder 09/818058-16 bewezenverklaarde feit. De rechtbank zal de gevorderde wettelijke rente toewijzen, nu vast is komen te staan dat de schade met ingang van 27 mei 2016 is ontstaan. De rechtbank zal de vordering van de benadeelde partij voor het overige afwijzen, aangezien het bestaan van de gestelde schade onvoldoende is onderbouwd en het naar het oordeel van de rechtbank hoogst onwaarschijnlijk is dat de benadeelde partij in een later stadium nog stukken ter verdere onderbouwing zal kunnen verschaffen. Dit brengt mee, dat de verdachte dient te worden veroordeeld in de kosten die de benadeelde partij tot aan deze uitspraak in verband met zijn vordering heeft gemaakt, welke kosten de rechtbank tot op heden begroot op nihil, en de kosten die de benadeelde partij ten behoeve van de tenuitvoerlegging van deze uitspraak nog moet maken. Nu verdachte jegens het slachtoffer naar burgerlijk recht aansprakelijk is voor de schade die door het bewezenverklaarde strafbare feit is toegebracht en verdachte voor dit feit zal worden veroordeeld, zal de rechtbank aan verdachte de verplichting opleggen tot betaling aan de Staat van een bedrag groot € 250,-, vermeerderd met de wettelijke rente daarover vanaf 27 mei 2016 tot aan de dag waarop deze vordering is voldaan, ten behoeve van het slachtoffer genaamd [aangever 8] . [aangever 11] (zaaksdossier 15; Herbarenerf 11) Immateriële schade [aangever 11] De rechtbank zal de vordering van de benadeelde partij ter vergoeding van de immateriële gedeelte afwijzen en de rechtbank overweegt daartoe het volgende. Bewezen is verklaard dat de benadeelde partij het slachtoffer is geworden van een diefstal met braak. Dat is een vermogensdelict. Artikel 6:95 BW bepaalt dat de schade die op grond van een wettelijke verplichting tot schadevergoeding moet worden vergoed, bestaat in vermogensschade en ander nadeel, dit laatste voor zover de wet op vergoeding hiervan recht geeft. Artikel 6:106 BW geeft hiervoor een nadere regeling. Het eerste lid luidt, voor zover hier relevant: 1. Voor nadeel dat niet in vermogensschade bestaat, heeft de benadeelde recht op een naar billijkheid vast te stellen schadevergoeding: a. indien de aansprakelijke persoon het oogmerk had zodanig nadeel toe te brengen; b. indien de benadeelde lichamelijk letsel heeft opgelopen, in zijn eer of goede naam is geschaad of op andere wijze in zijn persoon is aangetast. Gesteld noch gebleken is dat hiervan in het onderhavige geval sprake is. Voor wat betreft de in lid 1 onder a genoemde mogelijkheid moet naar het oordeel van de rechtbank worden vastgesteld dat uit het verhandelde ter terechtzitting niet blijkt dat verdachte het oogmerk had om de benadeelde partij in een persoonlijkheidsrecht aan te tasten. Verdachte heeft zich zo een aantasting niet tot doel gesteld. Voor wat betreft de in lid 1 onder b genoemde mogelijkheid vormt de omstandigheid dat de benadeelde partij door het optreden van verdachte in zijn woongenot is aangetast onvoldoende grond voor het aannemen van een verplichting tot het betalen van een immateriële schadevergoeding. Hetgeen ter onderbouwing van de gestelde schade (voorts) is aangevoerd ten aanzien van de psychische gevolgen van de inbraak is onvoldoende om te kunnen concluderen dat sprake is van geestelijk letsel. Nu de benadeelde partij op grond van artikel 6:106 lid 1 van het Burgerlijk Wetboek niet in aanmerking komt voor deze vergoeding zal de vordering tot immateriële schadevergoeding van beide partijen worden afgewezen. [aangever 9] (zaaksdossier 22; openlijk geweld) De rechtbank zal het materiële gedeelte van de vordering van de benadeelde partij toewijzen nu deze namens de verdachte niet inhoudelijk is betwist en door de benadeelde partij voldoende is onderbouwd. Uit het onderzoek ter terechtzitting is vast komen te staan dat de benadeelde partij rechtstreeks schade heeft geleden als gevolg van het onder 1 met parketnummer 09/852116-17 bewezenverklaarde feit. Ter zake van de gevorderde immateriële schade zal de rechtbank, gelet op hetgeen de benadeelde partij ter toelichting heeft aangevoerd, naar billijkheid een bedrag van € 4.500,- toewijzen, nu is komen vast te staan dat de benadeelde partij rechtstreeks schade heeft geleden als gevolg van het onder 1 met parketnummer 09/852116-17 bewezenverklaarde feit. De rechtbank zal derhalve de vordering toewijzen tot een bedrag van € 4.952,41. De rechtbank zal de gevorderde wettelijke rente toewijzen, nu vast is komen te staan dat de schade met ingang van 30 oktober 2016 is ontstaan. Nu de verdachte voor het onder 1 met parketnummer 09/852116-17 bewezenverklaarde strafbare feit zal worden veroordeeld en hij jegens het slachtoffer naar burgerlijk recht aansprakelijk is voor de schade die door dit feit is toegebracht, zal de rechtbank aan de verdachte de verplichting opleggen tot betaling aan de Staat van een bedrag van € 4.952,41, vermeerderd met de wettelijke rente daarover vanaf 30 oktober 2016 tot aan de dag van de algehele voldoening. De rechtbank zal de gevorderde proceskosten afwijzen, nu de kosten voor het reizen naar Slachtofferhulp en het aldaar parkeren, niet als proceskosten kunnen worden aangemerkt. 8De inbeslaggenomen goederen 8.1 De vordering van de officier van justitie T.a.v. 09/808327-16 De officier van justitie heeft voorts gevorderd dat het op de lijst van inbeslaggenomen voorwerpen onder 1 genummerde voorwerp zal worden verbeurdverklaard. T.a.v. 09/858058-16 De officier van justitie heeft voorts gevorderd dat het op de lijst van inbeslaggenomen voorwerpen onder 1 genummerde voorwerp zal worden verbeurdverklaard. 8.2 Het standpunt van de verdediging De raadsman heeft geen verweer met betrekking tot de inbeslaggenomen voorwerpen gevoerd. 8.3 Het oordeel van de rechtbank T.a.v. 09/808327-16 De rechtbank zal het op de beslaglijst onder 1 genummerde voorwerp, verbeurdverklaren. Dit voorwerp is voor verbeurdverklaring vatbaar, aangezien dit voorwerp door verdachte gebruikt werd en met behulp van dit voorwerp meerdere bewezenverklaarde feiten zijn begaan of voorbereid en degene aan wie het voorwerp toebehoort bekend was met het gebruik daarvan. T.a.v. 09/858058-16 De rechtbank zal het op de beslaglijst onder 1 genummerde voorwerp, verbeurdverklaren. Dit voorwerp is voor verbeurdverklaring vatbaar, aangezien dit voorwerp bij verdachte is aangetroffen en met behulp van dit voorwerp meerdere bewezenverklaarde feiten zijn begaan of voorbereid. 9De vorderingen tenuitvoerlegging 9.1 De vordering van de officier van justitie Ten aanzien van 09/857377-15: De officier van justitie heeft gepersisteerd bij de vordering tot tenuitvoerlegging van de bij vonnis van de meervoudige kamer in deze rechtbank d.d. 7 december 2015 voorwaardelijk opgelegde jeugddetentie, te weten jeugddetentie voor de duur van 109 dagen. Ten aanzien van 09/174758-14: De officier van justitie heeft gepersisteerd bij de vordering tot tenuitvoerlegging van de bij vonnis van de kinderrechter in deze rechtbank d.d. 8 juni 2015 voorwaardelijk opgelegde werkstraf, te weten werkstraf voor de duur van 20 uren. 9.2 Het standpunt van de verdediging De raadsman heeft geen verweer met betrekking tot de vorderingen tenuitvoerlegging gevoerd. 9.3 Het oordeel van de rechtbank Ten aanzien van 09/857377-15: De rechtbank acht termen aanwezig voor toewijzing van de vordering van de officier van justitie van 14 maart 2017 tot tenuitvoerlegging van de voorwaardelijk opgelegde jeugddetentie, waartoe verdachte werd veroordeeld bij onherroepelijk geworden vonnis in deze rechtbank d.d. 7 december 2015, nu uit het onderzoek ter terechtzitting is gebleken dat verdachte de algemene voorwaarde niet heeft nageleefd, doordat deze zich voor het einde van de proeftijd die bij voormeld vonnis was opgelegd, wederom heeft schuldig gemaakt aan strafbare feiten. Ten aanzien van 09/174758-14 De rechtbank acht termen aanwezig voor toewijzing van de vordering van de officier van justitie van 14 maart 2017 tot tenuitvoerlegging van de voorwaardelijk opgelegde werkstraf, waartoe verdachte werd veroordeeld bij onherroepelijk geworden vonnis van de kinderrechter in deze rechtbank d.d. 8 juni 2015, nu uit het onderzoek ter terechtzitting is gebleken dat verdachte de algemene voorwaarde niet heeft nageleefd, doordat deze zich voor het einde van de proeftijd die bij voormeld vonnis was opgelegd, wederom heeft schuldig gemaakt aan strafbare feiten. 10De toepasselijke wetsartikelen De op te leggen straf is gegrond op de artikelen: - 33, 33 a, 36f, 45, 47, 57, 140, 141, 311 en 312 van het Wetboek van Strafrecht; - 13 en 55 van de Wet wapens en munitie. Deze voorschriften zijn toegepast, zoals zij golden ten tijde van het bewezenverklaarde. 11De beslissing De rechtbank: verklaart niet wettig en overtuigend bewezen dat verdachte de bij dagvaarding I met parketnummer 09/808327-16 onder 5 en 10 tenlastegelegde feiten heeft begaan en spreekt verdachte daarvan vrij; verklaart wettig en overtuigend bewezen, dat verdachte de bij dagvaarding I met parketnummer 09/808327-16 onder 1, 2, 3, 4, 6, 7, 8, 9 en 11 tenlastegelegde feiten en het bij dagvaarding II met parketnummer 09/818058-16 onder 1 tenlastegelegde feit en het onder dagvaarding III onder parketnummer 09