Rechtbank DEN HAAG Meervoudige kamer Rekestnummer: HA RK 17-221 Zaaknummer: C/09/531669 Datum beschikking: 8 maart 2018 Beschikking in de zaak waarin de Hoge Raad der Nederlanden een beschikking heeft gegeven op 21 april 2017, waarbij de beschikking van 17 december 2015 van deze rechtbank is vernietigd en de zaak ter verdere behandeling en beslissing is teruggewezen, inzake het op 18 april 2014 ingekomen verzoekschrift van: [verzoekster] verzoekster, wonende te Cyprus, advocaat mr. J. Luscuere te Rotterdam. Als belanghebbende wordt aangemerkt: DE STAAT DER NEDERLANDEN, (Ministerie van Veiligheid en Justitie, Immigratie- en Naturalisatiedienst, verder te noemen “de IND”), zetelende te ’s-Gravenhage, vertegenwoordigd door mr. R.Y. Reckers. Procedure De rechtbank heeft kennisgenomen van de stukken, waaronder: - de beschikking van de Hoge Raad van 21 april 2017; - de brief van 3 juli 2017 van verzoekster; - de brief van 15 september 2017, met bijlagen, van de IND; - de conclusie van de officier van justitie van 15 december 2017; - twee faxen van 24 januari 2018, met bijlagen, van verzoekster. Ook heeft de rechtbank opnieuw kennis genomen van de stukken in de procedure waarin op 17 december 2015 een beschikking is gewezen. Op 25 januari 2018 is de zaak ter terechtzitting van deze rechtbank behandeld. Hierbij zijn verschenen: de advocaat van verzoekster, alsmede mr. R.Y. Reckers namens de IND. Van de zijde van de IND is een pleitnota overgelegd. De officier van justitie heeft schriftelijk medegedeeld geen behoefte te hebben aan het bijwonen van de mondelinge behandeling. Feiten Bij beschikking van deze rechtbank van 17 december 2015 is vastgesteld dat verzoekster vanaf 13 maart 1996 in het bezit is van de Nederlandse nationaliteit. Tegen deze beschikking heeft de Staat beroep in cassatie ingesteld. Bij beschikking van 21 april 2017 heeft de Hoge Raad de beschikking van 17 december 2015 vernietigd en teruggewezen naar deze rechtbank ter verdere behandeling en beslissing. Beoordeling De Hoge Raad heeft in zijn beschikking van 21 april 2017 de beschikking van deze rechtbank van 17 december 2015 vernietigd en de zaak naar deze rechtbank teruggewezen ter verdere behandeling en beslissing. De Hoge Raad heeft vastgesteld dat in de eerdere beschikking van de rechtbank onvoldoende is gemotiveerd dat verzoekster in de relevante periode feitelijk behoorde tot het gezin van [naam] en [naam] (de grootouders) in de zin van artikel 47 lid 1 Vreemdelingenbesluit (oud). Verzoekster stelt naar aanleiding van de uitspraak van de Hoge Raad dat zij vanaf haar aankomst in Nederland in 1991 tot haar huwelijk in 2012 bij haar grootouders heeft gewoond. Verzoekster is niet met haar moeder meegegaan toen deze na haar huwelijk het huis van de grootouders verliet. Omdat verzoekster tijdens de relevante periode tussen de twee en zeven jaar oud was heeft zij zelf geen bewijzen kunnen verzamelen of vastleggen omtrent haar feitelijke verblijfplaats in die jaren. Verzoekster is daarom afhankelijk van gegevens die zijn bewaard door derden, zoals familie en instanties. Verzoekster stelt dat zij blijkens gegevens van de basisregistratie personen (BRP) haar hele jeugd bij haar grootouders ingeschreven heeft gestaan. Verzoekster stelt daarom primair dat van deze gegevens moet worden uitgegaan. Subsidiair biedt verzoekster aan bewijs te leveren door middel van verklaringen van haar grootouders, leerkrachten van de basisschool en buren. De IND stelt zich op het standpunt dat verzoekster nooit heeft behoord tot het gezin van haar grootouders, maar altijd heeft behoord tot het gezin van haar ouders [naam] en [naam] . Aan verzoekster zou bij bekendheid van de juiste gegevens nooit verblijf in Nederland zijn toegestaan. Verzoekster heeft niet op enig moment de status als bedoeld in artikel 10 lid 2 Vreemdelingenwet (oud) bezeten en heeft nooit op andere gronden een geldig verblijfsrecht in Nederland gehad. Verzoekster is niet met haar moeder [naam] meegenaturaliseerd op 13 maart
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.