vonnis RECHTBANK DEN HAAG Team handel zaaknummer / rolnummer: C/09/527162 / HA ZA 17-184 Vonnis in incident tot vrijwaring van 14 maart 2018 in de zaak van 1. de vennootschap naar Frans recht SOCIÉTÉ EN COMMANDITE SIMPLE MHCS, gevestigd te Epernay (Frankrijk), 2. de vennootschap naar Frans recht SOCIÉTÉ JAS HENNESSY & CO, gevestigd te Cognac (Frankrijk), 3. de vennootschap naar Pools recht POLMOS ZYRARDOW SP. ZO. O., gevestigd te Zyrardow (Polen), 4. de vennootschap naar het recht van het Verenigd Koninkrijk MACDONALD & MUIR LIMITED, gevestigd te Edinburgh (Schotland), eiseressen in de hoofdzaak, verweersters in het incident, advocaat mr. N.W. Mulder te Amsterdam, tegen 1. de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid F. LOENDERSLOOT INTERNATIONALE EXPEDITIE B.V., gevestigd te Roosendaal, gedaagde in de hoofdzaak, niet verschenen, 2. de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid FLINT LOGISTICS B.V., gevestigd te Roosendaal, gedaagde in de hoofdzaak, niet verschenen, 3. de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid FLINT WAREHOUSING B.V., gevestigd te Roosendaal, gedaagde in de hoofdzaak, niet verschenen, 4. de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid LLOGS B.V., gevestigd te Roosendaal, gedaagde in de hoofdzaak, niet verschenen, 5 [gedaagde sub 5] , wonende te [woonplaats 1] ( [land] ), gedaagde in de hoofdzaak, advocaat mr. H. Lebbing te Rotterdam 6. de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid PURE HANDLING B.V., gevestigd te Rotterdam, gedaagde in de hoofdzaak, advocaat mr. R.M.T. van den Bosch te Rotterdam, 7. de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid VCKG B.V., gevestigd te Amsterdam, gedaagde in de hoofdzaak, advocaat mr. J.A. Dullaart te Naaldwijk, 8. de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid VCE COMPANIES B.V., gevestigd te Leiden, gedaagde in de hoofdzaak, advocaat mr. J.A. Dullaart te Naaldwijk, 9. de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid JMN B.V., gevestigd te Leiden, gedaagde in de hoofdzaak, advocaat mr. J.A. Dullaart te Naaldwijk, 10. de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid DELICASEA B.V., gevestigd te Amsterdam, gedaagde in de hoofdzaak, advocaat mr. J.A. Dullaart te Naaldwijk, 11. de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid L.B. 11 B.V., gevestigd te Amsterdam, gedaagde in de hoofdzaak, advocaat mr. J.A. Dullaart te Naaldwijk, 12. de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid BEST FOR DRINKS (BFD) B.V., gevestigd te Soest, gedaagde in de hoofdzaak, advocaat mr. J.A. Dullaart te Naaldwijk, 13. de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid BRANDS COLLECTION B.V., gevestigd te Amsterdam, gedaagde in de hoofdzaak, advocaat mr. J.A. Dullaart te Naaldwijk, 14. de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid KFW B.V., gevestigd te Amsterdam, gedaagde in de hoofdzaak, advocaat mr. J.A. Dullaart te Naaldwijk, 15. [gedaagde sub 15] , wonende te [woonplaats 2] ( [land] ), gedaagde in de hoofdzaak, eiser in het incident tot vrijwaring, advocaat mr. E.J. Eijsberg te Rotterdam, 16. [gedaagde sub 16] , wonende te [woonplaats 3] , gedaagde in de hoofdzaak, eiser in het incident tot vrijwaring, advocaat mr. E.J. Eijsberg te Rotterdam. Eiseressen in de hoofdzaak, verweersters in het incident, zullen hierna Hennessy c.s. worden genoemd. Eisers in het vrijwaringsincident, gedaagde sub 15 en gedaagde sub 16 in de hoofdzaak, worden hierna ook [gedaagde sub 15] en [gedaagde sub 16] genoemd. Gedaagden sub 1 t/m 5 worden tezamen aangeduid als het Loendersloot-concern., gedaagden sub 7 tot en met 16 als het Van Caem-concern. 1De procedure 1.1. Het verloop van de procedure blijkt uit: het vonnis in (het bevoegdheids)incident van 6 december 2017 (hierna: het tussenvonnis); de incidentele conclusie tot vrijwaring van [gedaagde sub 15] en [gedaagde sub 16] van 27 december 2017; de incidentele conclusie van antwoord in het vrijwaringsincident van Hennessy c.s. van 10 januari 2018. 1.2. Vonnis in het incident tot vrijwaring is nader bepaald op heden. 2. Het geschil in de hoofdzaak en het bij dagvaarding ingestelde incident tot het treffen van provisionele vorderingen 2.1. Het geschil in de hoofdzaak ziet in de kern op gestelde merkinbreuk door gedaagden op verschillende Unie- en Benelux-merken van Hennessy c.s. voor onder meer alcoholische dranken (hierna: de Hennessy-Merken) en op daaruit voortvloeiende vorderingen tot niet-inbreuk, schadevergoeding, winstafdracht en nevenvorderingen, zowel in de hoofdzaak, als (deels) bij wijze van provisionele voorzieningen. Verwezen wordt naar hetgeen hieromtrent in het tussenvonnis in r.o. 2.1 t/m r.o. 2.3.5 is opgenomen. 2.2. In de procedures tussen Hennessy c.s. enerzijds en [gedaagde sub 15] en [gedaagde sub 16] anderzijds, zijn de vorderingen beperkt tot – samengevat en voor zover hier van belang – het volgende: een verklaring voor recht dat [gedaagde sub 15] en [gedaagde sub 16] onrechtmatig jegens Hennessy c.s. hebben gehandeld vanwege het onbehoorlijk besturen van de rechtspersonen waaraan zij feitelijk leiding geven en/of (indirect) bestuurder zijn, een gebod aan [gedaagde sub 15] en [gedaagde sub 16] om deze rechtspersonen de inbreuken op de Hennessy-Merken te (doen) staken en gestaakt te (doen) houden (tevens bij wijze van provisionele voorziening voor de duur van de procedure); hoofdelijke veroordeling van gedaagden sub 7 tot en met 16 (waaronder [gedaagde sub 15] en [gedaagde sub 16] ) tot afdracht van nettowinst en een verklaring voor recht dat gedaagden 7 t/m 16 hoofdelijk aansprakelijk zijn voor de schade die Hennessy c.s. hebben geleden ten gevolge van hun inbreukmakend c.q. onrechtmatig handelen; een en ander met hoofdelijke veroordeling van de gedaagden in de overeenkomstig artikel 1019h Rv te begroten proceskosten in de hoofdzaak en in het incident tot het treffen van provisionele voorzieningen. 2.3. Kort samengevat en voor zover in het kader van het thans te beoordelen incident van belang, leggen Hennessy c.s. aan deze vorderingen het volgende ten grondslag. [gedaagde sub 16] en [gedaagde sub 15] zijn (indirect) bestuurder en/of feitelijk beleidsbepaler van gedaagden sub 7 t/m 14 (hierna ook: de Van Caem-vennootschappen). [gedaagde sub 15] en [gedaagde sub 16] zijn/waren op de hoogte van de inbreukmakende en onrechtmatige activiteiten van de Van Caem-vennootschappen en gelet op hun positie zijn/waren zij in staat en verplicht om die activiteiten te voorkomen. Nu zij dit hebben nagelaten, hebben zij in strijd gehandeld met de maatschappelijke zorgvuldigheid die zij jegens Hennessy c.s. in acht dienen te nemen, hetgeen onrechtmatig is. Dit heeft tot gevolg dat zij hoofdelijk aansprakelijk zijn voor het inbreukmakende en onrechtmatige handelen door de Van Caem-vennootschappen. [gedaagde sub 15] en [gedaagde sub 16] zijn ook hoofdelijk aansprakelijk voor de ten gevolge van die activiteiten door Hennessy c.s. geleden schade, voor door de Van Caem-vennootschappen af te dragen winst en voor de proceskosten waarin de Van Caem-vennootschappen veroordeeld worden. 3Het geschil in het vrijwaringsincident 3.1. [gedaagde sub 15] en [gedaagde sub 16] vorderen in dit incident dat hen wordt toegestaan gedaagden 1 t/m 14 in vrijwaring op te roepen, met veroordeling van Hennessy c.s. in de kosten van het incident. Aan deze vordering leggen zij ten grondslag dat zij bij een voor hen veroordelend vonnis mogelijk een (regres)vordering hebben op gedaagden 1 t/m 14. Voorts vorderen [gedaagde sub 15] en [gedaagde sub 16] dat hen wordt toegestaan ook elkaar in vrijwaring op te roepen. Zij verzoeken tot slot om ter voorkoming van mogelijke betekeningsperikelen aan hen een termijn van drie maanden toe te staan. 3.2. Hennessy c.s. refereert zich voor wat betreft de oproeping in vrijwaring aan het oordeel van de rechtbank, met dien verstande dat zij heeft aangevoerd dat daarbij zo kort mogelijke termijnen moeten worden bepaald en gehandhaafd. Ter onderbouwing hiervan heeft zij erop gewezen dat [gedaagde sub 15] en [gedaagde sub 16] al sinds 22 november 2016 in het bezit zijn van de inleidende dagvaarding en zich al op 29 maart 2017 hebben gesteld. Er zijn in de hoofdzaak geen nieuwe feiten of nieuwe partijen opgekomen, zodat er geen reden was om negen maanden te wachten met het nemen van een incidentele conclusie tot vrijwaring. 4De beoordeling in het incident 4.1. De rechtbank stelt voorop dat een vordering tot oproeping van een derde in vrijwaring in beginsel toewijsbaar is, indien voldoende gemotiveerd en concreet wordt gesteld dat men krachtens een rechtsverhouding met die derde recht en belang heeft om de nadelige gevolgen van een ongunstige afloop van de hoofdzaak geheel of gedeeltelijk op die derde te verhalen, dit in een zoveel mogelijk tegelijkertijd met de hoofdzaak te behandelen vrijwaringszaak. Er is geen aanleiding om voor het oproepen in vrijwaring van medegedaagden, zoals hier aan de orde, een andere maatstaf te hanteren. 4.2. [gedaagde sub 15] en [gedaagde sub 16] hebben aangevoerd dat de interne aansprakelijkheid anders kan liggen dan de externe aansprakelijkheid, zodat zij de nadelige gevolgen van een voor hen ongunstige afloop van de hoofdzaak mogelijk op (een) medegedaagde(
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.