vonnis RECHTBANK DEN HAAG Team handel zaaknummer / rolnummer: C/09/522968 / HA ZA 16-1354 Vonnis van 24 januari 2018 in de zaak van 1. de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid CSU CLEANING SERVICES B.V., gevestigd te Uden, 2. de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid GOM SCHOONHOUDEN B.V., gevestigd te Schiedam, 3. de commanditaire vennootschap HECTAS FACILITY SERVICES C.V., gevestigd te Duiven, 4. de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid ICS GROEP B.V., gevestigd te Eindhoven, 5. de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid DOLMANS FACILITAIRE DIENSTEN B.V., gevestigd te IJselsteijn, 6. de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid ASITO B.V., gevestigd te Almelo, 7. de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid VAN LEEUWEN SCHOONMAAK VLS B.V., gevestigd te Rotterdam, 8. de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid GCA EVENTS B.V., gevestigd te Amsterdam, 9. de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid ISS NEDERLAND B.V., gevestigd te Utrecht, eiseressen, advocaat mr. B.J.M.P. Cremers te Breda, tegen de publiekrechtelijke rechtspersoon DE STAAT DER NEDERLANDEN, zetelend te Den Haag, gedaagde, advocaat mr. M. van Rijn te Den Haag. Eiseressen zullen hierna de schoonmaakbedrijven worden genoemd en gedaagde zal worden aangeduid als de Staat. 1. De procedure 1.1. Het verloop van de procedure blijkt uit: - de dagvaarding van 8 november 2016; - de akte overleggen producties van de schoonmaakbedrijven met producties 1 tot en met 22; - de conclusie van antwoord van 1 maart 2017 met één productie; - het tussenvonnis van 29 maart 2017 waarbij een comparitie van partijen is bevolen; - het buiten aanwezigheid van partijen opgemaakte proces-verbaal van de ten overstaan van de meervoudige kamer op 26 oktober 2017 gehouden comparitie van van partijen en de daarin genoemde stukken, te weten de producties 23 tot en met 31 van de zijde van de schoonmaakbedrijven en de ter zitting door de advocaten van partijen overgelegde spreekaantekeningen. 1.2. Ter comparitie is een datum voor vonnis bepaald. 1.3. Van de gelegenheid om opmerkingen te maken over het zojuist genoemde proces-verbaal heeft de Staat gebruik gemaakt bij brief van 21 november 2017. Deze brief wordt aan het proces-verbaal gehecht en het proces-verbaal zal met inachtneming van de in deze brieven opgenomen opmerkingen worden gelezen. 2De feiten 2.1. De schoonmaakbedrijven hebben de afgelopen jaren alle overeenkomsten met de Rijksoverheid gesloten betreffende de schoonmaak van overheidsgebouwen. 2.2. In het regeerakkoord “Bruggen slaan” van 29 oktober 2012 wordt onder meer de positie van medewerkers in lage loonschalen aan de orde gesteld: “Door openstelling van de laagste loonschalen kunnen flexwerkers aan de onderkant van de arbeidsmarkt, zoals schoonmakers en cateringmedewerkers, gewoon weer in dienst worden genomen. De rijksoverheid zal op dit punt het goede voorbeeld geven”. 2.3. In de bij brief van 22 mei 2013 aan de Tweede Kamer gezonden Hervormingsagenda Rijksdienst is onder meer opgenomen: “Slagvaardige rijksdienst Om in de taakuitoefening richting burgers, bedrijven en andere overheden slagvaardig te kunnen optreden, dient de rijksdienst meer als één concern te functioneren. Historisch gezien heeft de rijksdienst zich ontwikkeld langs departementale lijnen: ieder departement zijn eigen beleidsontwikkeling, zijn eigen uitvoeringsorganisaties, zijn eigen inspectie en zijn eigen bedrijfsvoering […] Deze ontwikkeling heeft met zich gebracht dat in de rijksdienst op meerdere plaatsen vergelijkbaar werk werd gedaan […] Er is de laatste jaren al een sterke beweging gaande binnen de rijksdienst gericht op sterkere samenwerking tussen de ministeries […] Om de beweging die in gang is gezet verder te versterken heeft dit kabinet de volgende gemeenschappelijke uitgangspunten voor de organisatie-inrichting van de rijksdienst benoemd. Bij de organisatie-inrichting redeneren we vanuit het ene concern Rijk. Belangrijke organisatiefuncties en –voorzieningen dienen daarom binnen het rijk aanwezig te zijn, maar niet noodzakelijkerwijs binnen elk departement. Elk organisatieonderdeel van de rijksdienst is flexibel inzetbaar en beschikbaar om werkzaamheden te verrichten voor andere onderdelen binnen de rijksdienst. Dubbelingen kunnen zo worden voorkomen door organisaties in te richten naar werksoorten en naar maatschappelijke doelgroepen”. 2.4. De minister voor Wonen en Rijksdienst heeft de Tweede Kamer bij brief van 11 oktober 2013 geïnformeerd over de uitwerking van het regeerakkoord: “Het doel van de passage uit het regeerakkoord over lage loonschalen is om de zwakke positie van deze groep medewerkers op de arbeidsmarkt te verbeteren. Het kabinet zal investeren in deze groep mensen en hen een perspectief geven waarbinnen ze zich kunnen blijven ontwikkelen. We willen hiermee duidelijk maken dat deze medewerkers een belangrijke bijdrage leveren aan de samenleving en het succes van onze organisatie. Ik ben me er van bewust dat het Rijk niet alleen een grote werkgever is, maar ook een grote opdrachtgever. Ik vind het dan ook belangrijk om zowel binnen de rijksoverheid zelf als in de situaties dat het werk aan marktpartijen wordt uitbesteed, nadrukkelijk aandacht te hebben voor deze specifieke groep medewerkers. Het doel is dat medewerkers in de lage loonschalen voldoende baanzekerheid en gezonde arbeidsomstandigheden wordt geboden. Dat doel wordt bereikt door medewerkers in dienst van de rijksoverheid te nemen en door te bewerkstelligen dat medewerkers werkzaam bij bedrijven aan wie de rijksoverheid dienstverlening heeft uitbesteed, in vaste dienst komen”. 2.5. De minister voor Wonen en Rijksdienst heeft de Tweede Kamer voorts bij brief van 23 juni 2014 als volgt bericht: “Met deze brief wil ik uw Kamer, mede namens de minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid, informeren over de nadere uitwerking van de inbesteding van schoonmaakwerkzaamheden […] De schoonmaakwerkzaamheden bij het Rijk zullen worden ondergebracht in een nog op te richten organisatie […] Aandachtspunten bij inbesteding Respecteren van bestaande contracten De huidige schoonmaak van Rijksgebouwen is uitbesteed aan marktpartijen […] schoonmaakpercelen [worden] conform het aanbestedingsrecht op basis van meerjarige contracten op de markt gebracht. In mijn brief van 11 oktober 2013 heb ik toegezegd dat het Rijk bij inbesteding van de schoonmaak de vaste looptijd van de huidige contracten zal respecteren. De lopende contracten eindigen op verschillende momenten. Dat betekent dat de inbesteding fasegewijs zal plaatsvinden […] Synchroniseren met de masterplannen kantoorhuisvesting De masterplannen kantoorhuisvesting, die eind 2013 zijn vastgesteld, laten een aanzienlijke daling van het aantal Rijkskantoren zien. Dit betekent dat bij de voorbereiding van de inbesteding rekening moet worden gehouden met een afname van het aantal vierkante meters schoon te maken vloeroppervlak […] Beperking van de verstoring van de marktwerking Het in eigen beheer uitvoeren van de schoonmaak zal via de weg van de geleidelijkheid lopen, afhankelijk van de uitfasering van bestaande contracten en het tempo van de opbouw van de schoonmaakorganisatie van het Rijk. De schoonmaaksector krijgt daarmee de gelegenheid om zich voor te bereiden op de nieuwe situatie van inbesteding. Dit betekent dat er per aflopend contract in een vroeg stadium nauwe afstemming moet plaatsvinden met de contracthoudende schoonmaakbedrijven over de overdracht en de beëindiging van de werkzaamheden. Gevolgen voor schoonmaakmedewerkers Het uitgangspunt bij het besluit tot inbesteding is dat de werknemer die nu werkzaam is in de schoonmaakbranche en als gevolg van de inbesteding het werk volgt, in principe geen financieel nadeel mag hebben van een eventuele overstap naar een dienstverband bij de Rijksoverheid […] Inzet van arbeidsbeperkte werknemers In het Sociaal Akkoord van april 2013 zijn afspraken gemaakt om meer mensen met een arbeidsbeperking in te zetten in het arbeidsproces […] De inbesteding van de schoonmaak biedt de Rijksoverheid een goede gelegenheid om aan de uitvoering van die afspraken een substantiële bijdrage te leveren […] Ik [ga] in deze brief ook in op de gevolgen voor bedrijven van het besluit tot inbesteding door het Rijk. De totale marktomvang voor schoonmaakdiensten bedraagt in Nederland […] ongeveer 4,2 miljard, waarvan 3,6 miljard is uitbesteed aan schoonmaakbedrijven. Door het in eigen beheer uitvoeren van de reguliere schoonmaakwerkzaamheden voor het Rijk, Defensie en Nationale Politie krimpt deze markt met ongeveer 65 miljoen, dat is circa 1,8%. Het effect op macro niveau is betrekkelijk gering. Het effect op het niveau van de afzonderlijke onderneming wordt ondervangen door bestaande conctracten uit te laten faseren […] De algemene verantwoordelijkheid voor het kabinetsvoornemen om lage loonschalen open te stellen, inclusief de rapportage van de Kamer daarover, is de verantwoordelijkheid van de minister voor Wonen en Rijksdienst […] Het opzetten en uitbouwen van een schoonmaakorganisatie voor het Rijk is de verantwoordelijkheid van de minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid […] De inrichting van de governance van de schoonmaakorganisatie van het rijk wordt nog uitgewerkt binnen de rijksbrede governance voor de gehele bedrijfsvoering […] Met bovenstaande uitwerking handelt het Kabinet in overeenstemming met hetgeen in het regeerakkoord is afgesproken over het openstellen van lage loonschalen bij de Rijksoverheid”. 2.6. Nadat de Tweede Kamer akkoord was gegaan met de plannen van het kabinet, is in december 2015 het Definitief Organisatiebesluit Rijksschoonmaakorganisatie vastgesteld. In dit besluit wordt over de Rijksschoonmaakorganisatie (hierna: RSO) opgemerkt dat “de RSO opereert als een rijksbrede shared service organisatie” en “De RSO bouwt gedurende de fase tot 2021 de dienstverlening zodanig uit dat uiteindelijk de gehele rijksdienst is aangesloten”. Voorts is in dit besluit opgenomen dat “de RSO functioneert in een governancestructuur die aansluit op de denkbeelden over de governance van rijksbreed opererende dienstverlenende organisaties”. In paragraaf 3.2 van dit besluit wordt het governancemodel van de RSO als volgt beschreven: “Wat betreft de inrichting van de governance van de RSO sluiten wij zo veel mogelijk aan op het gedachtegoed dat […] Rijksbreed is ontwikkeld en vastgelegd […] Eigenaar In de fase van opbouw en uitbouw van de RSO is de pSG SZW waarnemend eigenaar van de RSO. Hij is eindverantwoordelijk voor (de continuïteit van) de RSO en is, samen met de directeur van de RSO, aanspreekbaar op kwaliteit en kosten van de geleverde dienstverlening. De eigenaar stelt de tarieven vast, alsmede de Producten- en Diensten Catalogus (PDC) en de dienstverleningsafspraken (DVA). Ontwikkelingen op het gebied van de organisatie en de inrichting van de Rijksbrede bedrijfsvoering maken het mogelijk dat de RSO op termijn binnen het ministerie van BZK wordt gepositioneerd. Op dat moment wordt opnieuw bezien hoe de rol van Eigenaar het beste kan worden ingevuld. Opdrachtgever Het eindbeeld […] voorziet in een centraal opdrachtgever die budgethouder is en de afnemers vertegenwoordigt richting de RSO en de eigenaar. Namens de afnemers houdt de centrale opdrachtgever tevens toezicht op de kwaliteit en de kosten van de dienstverlening […] Vooralsnog zien wij de [Concerndienstverleners (CDV’s)] (en de afnemers die nog niet zijn aangesloten bij een CDV) als onze opdrachtgevers […] Bestuurlijk overleg […] In het kader van de voorbereiding en de ontwikkeling van de RSO functioneert sinds begin 2015 een Stuurgroep RSO. Deze Stuurgroep is verantwoordelijk voor het op hoofdlijnen richting geven aan de inhoudelijke opzet en uitvoering van het programma ‘Ontwikkeling RSO’ en adviseert de Eigenaar over te nemen besluiten. De samenstelling van de Stuurgroep is afgeleid van de wijze waarop Bestuurlijk Overleggen zijn ingericht, dat wil zeggen dat de hierboven beschreven rollen vertegenwoordigd zijn. Bovendien hebben wij de Stuurgroep RSO aangevuld met afnemers, die in 2016 al eerste hun schoonmaakactiviteiten bij de RSO onderbrengen […]”. 2.7. De RSO is op 1 januari 2016 van start gegaan. Inmiddels wordt de schoonmaak van de gebouwen van onder meer het ministerie van Economische Zaken, de Belastingdienst en de Raad voor de Kinderbescherming niet meer door de schoonmaakbedrijven verzorgd, maar door de RSO. 2.8. Bij brief van 1 juni 2016 hebben de schoonmaakbedrijven de Staat aansprakelijk gesteld voor de schade die zij (zullen) lijden ten gevolge van het volgens hen onrechtmatig bij de RSO onderbrengen van schoonmaakwerkzaamheden die voorheen door hen werden verricht. 3Het geschil 3.1. De schoonmaakbedrijven vorderen bij voor zover mogelijk uitvoerbaar bij voorraad te verklaren vonnis: 1. een verklaring voor recht inhoudende dat het onderbrengen van de schoonmaakwerkzaamheden voor de Rijksoverheid bij de RSO, welke werkzaamheden voorheen door aanbesteding in de markt werden gezet, in strijd is met de Aanbestedingswet 2012, Richtlijn 2004/18/EG en Richtlijn 2014/24/EU en om die reden onrechtmatig is; 2. een verklaring voor recht inhoudende dat de oprichting van de RSO en daarmee het onderbrengen van de schoonmaakwerkzaamheden voor de Rijksoverheid bij de RSO in strijd is met de maatschappelijke zorgvuldigheid en om die reden onrechtmatig is; 3. een verklaring voor recht inhoudende dat de oprichting van de RSO en daarmee de (economische) ondersteuning van de RSO een ongeoorloofde steunmaatregel is in de zin van artikel 107, eerste lid, van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie (VWEU) die aan de Europese Commissie gemeld had moeten worden en bij gebreke daarvan in strijd met artikel 108, derde lid, VWEU is uitgevoerd en om die reden onrechtmatig is; 4. een verklaring voor recht inhoudende dat de oprichting van de RSO en daarmee het overhevelen van de schoonmaakwerkzaamheden voor de Rijksoverheid door de Schoonmaakbedrijven aan de RSO waardoor de RSO met uitsluiting van anderen gerechtigd is schoonmaakwerkzaamheden voor de Rijksoverheid te verlenen, een maatregel is die onrechtmatig is vanwege strijd met artikel 106, eerste lid, juncto artikel 102 VWEU, althans artikel 4, derde lid, van het Verdrag betreffende de Europese Unie (VEU) juncto artikel 102 VWEU; 5. een gebod aan de Staat om, na ommekomst van de periode van een maand na betekening van het in deze te wijzen vonnis, de reeds aan de markt onttrokken schoonmaakwerkzaamheden te staken en gestaakt te houden alsmede een verbod voor de Staat om (verdere) uitvoering te geven aan de RSO, een en ander op straffe van verbeurte van een dwangsom van € 5.000.000 per overtreding, te vermeerderen met een bedrag van € 100.000 per dag waarop een overtreding voortduurt; 6. veroordeling van de Staat tot vergoeding van de schade die de schoonmaakbedrijven hebben geleden en zullen lijden als gevolg van het onrechtmatig handelen van de Staat, op te maken bij staat en te vereffenen volgens de wet; 7. veroordeling van de Staat in de (na)kosten van dit geding, te vermeerderen met wettelijke rente. 3.2. De schoonmaakbedrijven leggen aan hun vorderingen ten grondslag dat de gedwongen overgang van de schoonmaakwerkzaamheden voor de Rijksoverheid naar de RSO onrechtmatig is om de navolgende redenen. 3.2.1. Het zonder voorafgaande aanbesteding laten verrichten van de schoonmaak-werkzaamheden voor de Rijksoverheid door de RSO is volgens de schoonmaakbedrijven in strijd met het aanbestedingsrecht. Het betreft immers aanbestedingsplichtige overheidsopdrachten. Er is geen sprake van inbesteden en evenmin van quasi-inbesteden. De ministeries en de overige Rijksoverheids-instanties vallen volgens de schoonmaakbedrijven namelijk niet binnen dezelfde gezagsstructuur, terwijl de RSO (slechts) onder het gezag valt van het ministerie van SZW. De ministeries en rijksoverheidsinstanties zijn rechtens van elkaar te onderscheiden entiteiten; het betreffen namelijk, getuige onder meer hun vermelding in Bijlage IV bij Richtlijn 2004/18/EG en Bijlage I bij Richtlijn 2014/24/EU, alle centrale overheidsinstanties die volgens deze richtlijnen aanbestedende diensten zijn. De schoonmaakbedrijven wijzen in dat verband op de inhoud van een tweetal adviezen van de Commissie van Aanbestedingsexperts (CvAE): advies 198 van 20 maart 2015 en Advies 255 van 17 december 2015. Voorts betogen zij dat tot deze uitkomst leiden zowel een taalkundige uitleg (onder meer gegrond op de definitie van aanbestedende diensten uit artikel 2, eerste lid onder 1, van Richtlijn 2014/24/EU: “de staats-, regionale en lokale overheidsinstanties …”) als een, mede op het bestuursrecht geënte, functionele (enge) uitleg van het begrip Staat (de minister en staatsecretaris van SZW als bestuursorgaan). 3.2.2. De Staat verleent door de oprichting en financiële ondersteuning van de RSO volgens de schoonmaakbedrijven ongeoorloofde staatsteun aan de RSO die bovendien ten onrechte niet aan de Europese Commissie is gemeld. De RSO dient te worden beschouwd als een onderneming en zij verkrijgt een met staatsmiddelen bekostigd, niet-marktconform voordeel. Zo wordt de RSO geheel gefinancierd door overheidsgeld en ontvangt zij niet-marktconforme prijzen voor haar diensten, terwijl de overheadkosten veel hoger zijn dan die van de schoonmaakbedrijven. Voorts ontvangt de RSO een transitiebudget van 3 miljoen euro en hoeft zij, anders dan de schoonmaakbedrijven, geen vennootschapsbelasting en BTW te betalen. Deze voordelen leiden tot een (dreigende) vervalsing van de mededinging, aldus nog steeds de schoonmaakbedrijven. Enerzijds wordt een deel van de markt voor de schoonmaakbedrijven afgesloten, anderzijds dienen de schoonmaakbedrijven bijvoorbeeld in het geval van de Hoge Colleges van Staat - die een vrije keuze blijven houden tussen de RSO en particuliere schoonmaakbedrijven - en de Rechtspraak te concurreren met de RSO. De steun kan de tussenstaatse handel negatief beïnvloeden; gewezen wordt onder meer op het bestaan van Unie-breed opererende schoonmaakbedrijven. 3.2.3. De oprichting van de RSO is volgens de schoonmaakbedrijven voorts een maatregel in strijd met het verbod op misbruik van machtspositie op de interne markt en in strijd met de gemeenschapstrouw. De Staat ontneemt aan de mededingingsregels het nuttig effect door de openbare onderneming RSO (op termijn) een alleenrecht te verlenen op de (relevante) markt voor het verrichten van schoonmaakdiensten voor de Rijksoverheid. Deze maatregel kan de tussenstaatse handel negatief beïnvloeden. 3.2.4. Ten slotte is de oprichting van de RSO en daarmee het onderbrengen van de schoonmaakwerkzaamheden voor de Rijksoverheid bij de RSO volgens de schoonmaakbedrijven in strijd met het zorgvuldigheids-, het evenredigheids- en het vertrouwensbeginsel. Het is volgens de schoonmaakbedrijven maatschappelijk onzorgvuldig om commerciële diensten die niet de uitoefening van een publieke taak betreffen uit de markt te halen en vervolgens door een overheidsorganisatie te laten verrichten. Dit klemt in dit geval temeer nu de schoonmaakbranche in samenspraak met de Staat sociale maatregelen heeft doorgevoerd. Bovendien heeft de Staat het vertrouwen gewekt dat hij de in de schoonmaakovereenkomsten opgenomen verlengingsoptie zou inroepen bij goed presteren door de schoonmaakbedrijven. Er bestaat volgens de schoonmaakbedrijven voorts geen evenredigheid tussen het door de Staat aangevoerde belang van verbetering van de positie van schoonmakers enerzijds en de verstrekkende nadelige financiële gevolgen voor de schoonmaakbedrijven anderszijds. De schoonmaakbedrijven stellen in dat verband dat 87% van de werknemers van de commerciële schoonmaakbedrijven een vast arbeidscontract heeft en de schoonmaakbedrijven de Code Verantwoordelijk Marktgedrag naleven. De schoonmaakbedrijven stellen voorts dat anderzijds de RSO niet alle werknemers overneemt (waaronder niet de arbeidsongeschikte werknemers), de RSO uitzendkrachten inzet, de RSO haar zogenaamde social return-doelstelling naar beneden heeft moeten bijstellen van 10% tot (de aanbestedingsrechtelijke norm van) 5% en de Staat contracten met de schoonmaakbedrijven betreffende op korte termijn af te stoten locaties verlengt, teneinde de op die locaties werkzame werknemers uiteindelijk niet te hoeven overnemen. 3.3. De Staat voert verweer. 3.4. Op de stellingen van partijen zal hierna, voor zover van belang, nader worden ingegaan. 4De beoordeling 4.1. De schoonmaakbedrijven betogen dat de oprichting van de RSO en het onderbrengen van de schoonmaakwerkzaamheden ten behoeve van de Rijksoverheidsinstellingen bij de RSO om verschillende redenen onrechtmatig is. De rechtbank zal achtereenvolgens beoordelen of sprake is van strijd met (
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.