REchtbank DEN Haag Bestuursrecht zaaknummer: SGR AWB 18/1605 uitspraak van de voorzieningenrechter van 29 maart 2018 op het verzoek om een voorlopige voorziening van [verzoeker], te [plaats], verzoeker (gemachtigde: mr. J.G.F.M. Hoffmans), tegen het college van Burgemeester en Wethouders van Westland, verweerder (gemachtigden: W. IJzeren en M. van der Sloot). Procesverloop Bij een reorganisatie in 2014 is verzoeker aangewezen als herplaatsingskandidaat. Bij besluit van 24 maart 2016 is verzoeker door verweerder tijdelijk, voor de duur van het project tot 1 maart 2017, voorlopig geplaatst in de functie van [functie 1]. De status van herplaatsingskandidaat van verzoeker is daarbij tijdelijk opgeheven. Daarbij is vastgelegd dat verzoeker, om vast op de functie te worden geplaatst, uiterlijk 1 februari 2017 het diploma [diploma] (hierna: diploma) moet behalen. Bij besluit van 17 februari 2017 (verzonden 27 februari) heeft verweerder verzoeker voorlopig geplaatst in de functie [functie 2] met als generieke functie [functie 3]. Bij besluit van 6 november 2017 (verzonden 10 november) heeft verweerder verzoeker met terugwerkende kracht vanaf 1 januari 2017 voorlopig geplaatst in de functie [functie 4]. Op 14 december 2016 heeft verzoeker van verweerder uitstel gekregen voor het behalen van het diploma tot 1 augustus
- Later werd uitstel gegeven tot 14 januari
- Tegen geen van bovengenoemde beslissingen heeft verzoeker bezwaar gemaakt, zodat die in rechte vast staan. Verzoeker heeft het diploma niet behaald. Op 8 januari 2018 is verzoeker door verweerder medegedeeld dat zijn herplaatsingsstatus vanwege het niet behalen van het diploma, per 1 april 2018 gaat herleven. Dit is bevestigd bij besluit van 19 februari 2018 (het bestreden besluit). Verzoeker heeft tegen dit besluit bezwaar gemaakt. Hij heeft tevens de voorzieningenrechter verzocht om een voorlopige voorziening te treffen. Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 22 maart
- Verzoeker is verschenen, bijgestaan door zijn gemachtigde. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigden. Overwegingen
- Het oordeel van de voorzieningenrechter heeft een voorlopig karakter en bindt de rechtbank in een (eventueel) bodemgeding niet. 2 Hoewel aan verzoeker tweemaal uitstel is verleend voor de datum waarop hij het diploma uiterlijk had moeten behalen, is niet gebleken dat verweerder op enigerlei wijze is teruggekomen van het besluit om als voorwaarde voor vaste plaatsing te stellen dat verzoeker genoemd diploma vóór een bepaalde datum zou moeten hebben behaald. De besluiten van 17 februari 2017 en 6 november 2017 bevatten geen uitdrukkelijke herroeping van de diploma-eis. Beide besluiten vermelden dat de rechtspositie van verzoeker niet wijzigt. De voorzieningenrechter overweegt dat het terugkomen van een in rechte onaantastbaar besluit een bevoegdheid betreft en dat de wijze waarop van die bevoegdheid gebruik wordt gemaakt door de rechter slechts terughoudend kan worden getoetst. Ten overvloede wijst de voorzieningenrechter er op dat ter zitting is gebleken dat verzoeker nog immer de mogelijkheid heeft binnen (zeer) korte termijn het diploma te behalen. Het is aan verweerder om, indien verzoeker hierin slaagt voordat de beslissing op bezwaar wordt genomen, dit al dan niet bij deze beslissing te betrekken en daarbij de vraag te beantwoorden of verzoeker zich er van bewust moet zijn geweest dat na 14 januari 2018 geen nader uitstel zou worden verleend. 3 De voorzieningenrechter ziet geen aanleiding voor het treffen van een voorlopige voorziening. 4 Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding Beslissing De voorzieningenrechter wijst het verzoek om voorlopige voorziening af. Deze uitspraak is gedaan door mr. G.P. Kleijn, voorzieningenrechter, in aanwezigheid van mr. H.G. Egter van Wissekerke, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 29 maart
- Rechtsmiddel Tegen deze uitspraak staat geen rechtsmiddel open.