RECHTBANK DEN HAAG Bestuursrecht zaaknummer: SGR 17/5913 uitspraak van de enkelvoudige kamer van 3 april 2018 in de zaak tussen [eiser], te [plaats], eiser (gemachtigde: mr. M.A. Billiet-de Jonge), en de Minister van Defensie, verweerder (gemachtigde: A. Verkroost). Procesverloop Bij besluit van 29 november 2016 (het primaire besluit) heeft verweerder eiser medegedeeld dat hij niet doorstroomt naar fase 3 van het Flexibel Personeelssysteem (FPS). Tegen dit besluit heeft eiser bezwaar gemaakt. Bij besluit van 18 juli 2017 (het bestreden besluit) heeft verweerder het bezwaar van eiser ongegrond verklaard. Tegen dit besluit heeft eiser beroep ingesteld. Verweerder heeft de op de zaak betrekking hebbende stukken overgelegd en een verweerschrift ingediend. Het beroep is op 23 februari 2018 ter zitting behandeld. Eiser is in persoon verschenen, bijgestaan door zijn gemachtigde. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde. Overwegingen 1.1 Ingevolge artikel 29c, eerste lid, van het Algemeen militair ambtenarenreglement (AMAR) bedraagt voor korporaals bij de Koninklijke marine, sergeanten, wachtmeesters alsmede sergeanten/wachtmeesters der 1e klasse bij de Koninklijke landmacht, luchtmacht en marechaussee de maximum looptijd in rang in fase een en twee in totaal tien jaren. Ingevolge artikel 29c, derde lid, van het AMAR wordt, voor een onderofficier bedoeld in het eerste lid en een officier bedoeld in het tweede lid, uiterlijk drie jaar voor het verstrijken van de periode van de maximum looptijd in rang, een besluit genomen over zijn mogelijkheden tot doorstroom naar fase drie. Ingevolge artikel 30, eerste lid, van het AMAR kan Onze Minister met inachtneming van artikel 29a, derde lid, 29b, derde lid, en 29c, een militair voordragen voor doorstroom naar fase drie. 1.2 Ingevolge artikel 30, tweede lid, van het AMAR wordt, wanneer een militair op verzoek van de commandant van het operationeel commando zijn voorkeur kenbaar maakt voor een of meerdere, door de commandant van het operationeel commando bepaalde functies en dit leidt tot een functietoewijzing, die gepaard gaat met een doorstroom naar fase drie, dit aangemerkt als een voordracht, bedoeld in het eerste lid. Wanneer geen functietoewijzing plaatsvindt, wordt het kenbaar maken van de voorkeur door de militair niet aangemerkt als een aanvraag, bedoeld in het derde lid. Ingevolge artikel 30, derde lid, van het AMAR kan onverminderd het eerste en tweede lid, de militair in fase een of twee zelf maximaal drie maal een aanvraag voor doorstroom naar fase drie bij Onze Minister indienen. Ingevolge artikel 30, vierde lid, van het AMAR informeert onze Minister de militair tijdig over de mogelijkheid, bedoeld in het derde lid. 1.3 Ingevolge artikel 31, eerste lid, van het AMAR besluit onze Minister in beginsel binnen uiterlijk zes weken na ontvangst van de voordracht, genoemd in artikel 30, eerste lid, of de aanvraag, genoemd in artikel 30, derde lid, op basis van: a. de beschikbare functies; b. het aantal militairen dat een bepaalde rang mag bekleden, genoemd in artikel 29 en c. de geschiktheid van de militair voor functievervulling in fase drie. Ingevolge artikel 31, tweede lid, van het AMAR worden bij de bepaling van de geschiktheid van de militair, bedoeld in het eerste lid, onder c ten minste in beschouwing genomen: a. het verloop van het gevolgde loopbaanpad; b. de uitkomst van functioneringsgesprekken en beoordelingen; c. de gevolgde opleidingen; d. de uitkomst van loopbaangesprekken; e. de mate waarin de militair voldoet aan de eisen voor functievervulling in fase
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.