← Nederland

ECLI:NL:RBDHA:2018:4003

RECHTBANK DEN HAAG Zittingsplaats Middelburg Bestuursrecht zaaknummer: NL18.2623 uitspraak van de enkelvoudige kamer van 22 maart 2018 in de zaak tussen [eiser], eiser (gemachtigde: mr. N. van Bremen), en de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid, verweerder (gemachtigde: mr. A. Hadfy-Kovacs). Procesverloop Eiser heeft beroep ingesteld tegen het in de algemene asielprocedure genomen besluit van 1 februari 2018 (het bestreden besluit). Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 8 maart

  1. Eiser en zijn gemachtigde zijn, met bericht van verhindering, niet verschenen. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde. Overwegingen
  2. Eiser is geboren op [geboortedatum] en bezit de Surinaamse nationaliteit. Hij heeft op 20 mei 2016 een aanvraag om een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd ingediend.
  3. Eiser heeft aan zijn asielaanvraag ten grondslag gelegd dat hij homoseksueel is en dat hij hierdoor binnen zijn familie problemen heeft ondervonden. Eiser heeft verklaard door zijn ouders en andere familieleden te zijn mishandeld en bedreigd. Eiser verblijft thans bij zijn Nederlandse partner.
  4. Bij het bestreden besluit heeft verweerder de aanvraag afgewezen als ongegrond op grond van artikel 31, eerste lid, van de Vreemdelingenwet 2000 (Vw). Verweerder heeft zich op het standpunt gesteld dat eisers verklaringen geloofwaardig zijn, maar dat zijn problemen onvoldoende zwaarwegend zijn om in aanmerking te komen voor een verblijfsvergunning asiel op grond van artikel 29, eerste lid, aanhef en onder a of b, van de Vw. Eiser kan de bescherming van de Surinaamse autoriteiten inroepen. Niet is gebleken dat de autoriteiten deze bescherming niet kunnen of willen bieden. Van een situatie zoals bedoeld in artikel 3 van het Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden (EVRM) is geen sprake. Er is evenmin aanleiding om ambtshalve een verblijfsvergunning regulier op grond van artikel 8 van het EVRM te verlenen, aldus verweerder.
  5. Eiser kan zich niet verenigen met het bestreden besluit. Op wat hij in beroep heeft aangevoerd zal hierna – voor zover van belang – nader worden ingegaan.
  6. Zoals verweerder in het bestreden besluit, onder verwijzing naar het US Department of State Human Rights Report van 2016 (lees: Country Reports on Human Rights for 2016), terecht heeft overwogen, heeft eiser onvoldoende inspanningen verricht om hulp dan wel bescherming te krijgen in zijn land van herkomst. Zo had eiser bijvoorbeeld tegen het gedrag van de politieagenten die hij benaderd heeft een klacht kunnen indienen bij het ‘Personnel Investigation Department’. Niet worden ingezien dat eiser zich tot geen enkele instantie in zijn land van herkomst heeft kunnen wenden om zijn situatie te verbeteren.
  7. Naar het oordeel van de rechtbank heeft eiser in beroep niet onderbouwd waarom hij bij terugkeer een reëel risico loopt op ernstige schade of een behandeling in strijd met artikel 3 van het EVRM. Het beroep van eiser op artikel 15c van Richtlijn 2001/95/EU is evenmin onderbouwd.
  8. Het beroep van eiser op artikel 8 van het EVRM faalt eveneens, nu slechts wordt verwezen naar de eerder ingediende zienswijze waarop verweerder reeds in het bestreden besluit afdoende heeft gereageerd.
  9. Naar het oordeel van de rechtbank heeft verweerder de asielaanvraag van eiser niet ten onrechte afgewezen als ongegrond en terecht bepaald dat eiser niet in aanmerking komt voor een verblijfsvergunning regulier voor bepaalde tijd.
  10. Het beroep is ongegrond.
  11. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding. Beslissing De rechtbank verklaart het beroep ongegrond. Deze uitspraak is gedaan door mr. C. van Boven-Hartogh, rechter, in aanwezigheid van mr. J. Loonstra, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 22 maart
  12. griffier rechter Afschrift verzonden of digitaal ter beschikking gesteld aan partijen op: RechtsmiddelTegen deze uitspraak kan hoger beroep worden ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State binnen een week na de dag van verzending van deze uitspraak of na de dag van plaatsing daarvan in het digitale dossier. Als hoger beroep is ingesteld, kan bij de voorzieningenrechter van de hogerberoepsrechter worden verzocht om het treffen van een voorlopige voorziening.

🔗 Naar officiële bron

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.