RECHTBANK DEN HAAG Bestuursrecht zaaknummer: SGR 17/7734 uitspraak van de enkelvoudige kamer van 12 april 2018 in de zaak tussen [eiser], te [plaats], eiser en de directie van de RDW, verweerster (gemachtigde: mr. C.B.J. Maenhout). Procesverloop Bij besluit van 28 maart 2017 (het primaire besluit) heeft verweerster de tenaamstelling van het voertuig met kenteken [kenteken] per 28 maart 2017 vervallen verklaard. Het kentekenbewijs is hierdoor niet meer geldig. Bij besluit van 6 oktober 2017 (het bestreden besluit) heeft verweerster het bezwaar van eiser ongegrond verklaard. Eiser heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld. Verweerster heeft een verweerschrift ingediend. Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 21 maart 2018. Eiser is verschenen, samen met zijn vader, [vader]. Verweerster heeft zich laten vertegenwoordigen door haar gemachtigde. Overwegingen 1.1 Op 1 november 2000 is een voertuig (merk Land Rover, kleur groen, datum eerste toelating 12 maart 1973) ter inschrijving in het Nederlands kentekenregister aangeboden bij verweerster. In het kader van de inschrijving van het voertuig in het Nederlands kentekenregister heeft verweerster vastgesteld dat het voertuig is voorzien van voertuigidentificatienummer (VIN) [VIN]. Op 8 november 2000 heeft verweerster ten behoeve van het voertuig een Nederlands kentekenbewijs voor het kenteken [kenteken] afgegeven. 1.2 Naar aanleiding van een signalering of onderzoek door het Landelijk Informatiecentrum Voertuigcriminaliteit (LIV) is bij verweerster twijfel ontstaan over de juistheid van het VIN van het voertuig met kenteken [kenteken] (hierna: het voertuig). Derhalve heeft verweerster de vorige eigenaar of houder van het voertuig bij brief van 30 december 2016 opgeroepen om binnen vier weken een afspraak te maken om het voertuig voor een identiteitsonderzoek aan te bieden. Hieraan is geen gehoor gegeven. 1.3 Per 14 januari 2017 is eiser eigenaar of houder van het voertuig. Bij brief van 17 januari 2017 heeft verweerster eiser opgeroepen een afspraak te maken voor een identiteitsonderzoek en medegedeeld dat hij niet langer met het voertuig op de openbare weg mag rijden, nu de vorige eigenaar of houder aan eerdergenoemde oproep geen gevolg heeft gegeven. 1.4 Op 16 maart 2017 is door een deskundige van het Permanent Auto Team van de politie (het PAT) onderzoek gedaan naar de identiteit van het voertuig. De deskundige heeft geconstateerd dat het een samengesteld voertuig betreft en dat alle onderdelen nieuwer zijn dan 1973. De aandrijflijn is van 1997, de body/carrosserie van 1993 en het chassis van een nieuwer type, vermoedelijk van 1988. Verder heeft de deskundige geconstateerd dat het handmatige VIN op 40 centimeter van de vooras staat, terwijl dit bij de keuring in 2000 op 20 centimeter van de vooras werd aangetroffen. Volgens de deskundige is vermoedelijk een nieuw chassis gebruikt en het geheel gepoedercoat, ‘zodat evt nummers, ook op de assen niet leesbaar te maken zijn’. 1.5 Gelet op de bevindingen van de deskundige van het PAT heeft verweerster bij het primaire besluit de tenaamstelling vervallen verklaart. Verweerster heeft aan het besluit ten grondslag gelegd dat zij niet kan vaststellen dat het door eiser getoonde kentekenbewijs bij het onderzochte voertuig hoort, omdat het chassis, de aandrijflijn en de carrosserie niet te identificeren zijn. Daarom kan verweerster geen VIN vaststellen en geen kentekenbewijs afgeven. 2. Bij het bestreden besluit heeft verweerster eisers bezwaar ongegrond verklaard. Verweerster betoogt – samengevat – dat uit het door eiser in bezwaar aangevoerde niet blijkt dat hetgeen door de deskundige van het PAT is vastgesteld onjuist is. Het VIN-nummer bevindt zich op 40 centimeter van de vooras, terwijl dit zich in 2000 op 20 centimeter van de vooras bevond. Ook indien vanuit het hart/midden van het VIN-nummer wordt gemeten, komt de in 2017 gemeten afstand niet overeen met de afstand die in 2000 gemeten is, aldus verweerster. Verder is door een technisch medewerker van verweerster opgemerkt dat het chassis van het voertuig, gezien de uiterlijke kenmerken in combinatie met de ophanging, afwijkt van een chassis uit 1973. Gelet hierop en op hetgeen door de deskundige van het PAT is vastgesteld is het nummer [VIN] volgens verweerster door een derde onbevoegd op het chassis aangebracht en kan de identiteit van het chassis dus niet worden vastgesteld. De technisch medewerker van verweerster heeft in een e-mailbericht van 6 oktober 2017 bevestigd dat het handmatig ingeslagen VIN niet overeen komt met het register. Verder heeft de technisch medewerker opgemerkt dat de carrosserie blauw is en gelet op de uiterlijke kenmerken uit de jaren ’90 stamt, dat het bouwjaar van het motorblok 1997 is en dat het chassis afwijkt van een chassis uit 1973. Gelet hierop en op hetgeen is vastgesteld door de deskundige van het PAT zijn ook de carrosserie en de aandrijflijn niet de identificeren, aldus verweerster. Omdat verweerster hierdoor niet het VIN kan vaststellen dat voor het voertuig is opgenomen in het kentekenbewijs en het kentekenregister, is eiser volgens verweerster opgehouden eigenaar van dit voertuig te zijn. Daarom heeft verweerster de tenaamstelling voor het kenteken [kenteken] vervallen verklaard. 3. Eiser kan zich met het bestreden besluit niet verenigen en voert – samengevat – het volgende aan. Eiser stelt dat het vertrouwensbeginsel is geschonden. In 2000 is het samengestelde voertuig, in zijn huidige staat, officieel ingevoerd en door verweerster goedgekeurd. Nadien hebben ook apk-keuringen en een steekproef plaatsgevonden. In januari 2017 heeft eiser het voertuig voorts in goed vertrouwen en tegen een marktconforme prijs gekocht, nadat hij bij verweerster navraag had gedaan naar de status van het kenteken van het voertuig en hem was medegedeeld dat er geen problemen waren. Eiser mocht daarom erop vertrouwen dat het kenteken van het voertuig niet vervallen zou worden verklaard. Eiser verwijst naar de door hem overgelegde volledige documentatie van 2000 tot en met 2017, waarin alle reparaties en aanpassingen voor en na invoer in Nederland zijn opgenomen en welke hij van de vorige eigenaar van het voertuig heeft ontvangen. Verweerster ontkent ten onrechte dat eiser bij verweerster navraag heeft gedaan naar de status van het voertuig. Ook betoogt verweerster ten onrechte dat de persoon aan wie eiser stelt deze vraag te hebben gesteld, niet bevoegd is om de tenaamstelling van het kenteken vervallen te verklaren. Eiser vraagt zich af wat hij meer had kunnen doen. Eiser stelt verder dat er, in tegenstelling tot wat verweerster betoogt, niet met het voertuig en meer in het bijzonder het VIN, is gesjoemeld/geknoeid. Volgens eiser zijn er nieuwe onderdelen op het voertuig geplaatst om dit zo goed mogelijk in oorspronkelijke staat te houden met behulp van de meest correcte en gelegitimeerde oorspronkelijke fabrieksonderdelen. Dat er onderdelen zijn vervangen betekent niet dat deze gestolen, technisch onjuist of ondeugdelijk zijn. Hoewel verweerster suggereert dat adequaat onderzoek is gedaan, speelt verweerster volgens eiser in feite slechts met zijn eigen specificaties en onduidelijkheden. Het VIN staat volgens eiser voorts wel degelijk op de juiste plek en verweersters standpunt dat het logisch is dat vanuit het hart/midden van het VIN wordt gemeten, is volgens eiser onjuist. Eiser voert verder aan dat de door verweerder aangehaalde uitspraak de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (de Afdeling) van 31 december 2014, ECLI:NL:RVS:2014:4760, in casu niet relevant is. In die zaak was sprake van een samengesteld voertuig met aanwijsbaar gestolen onderdelen. Dat sprake is van gestolen onderdelen is in eisers geval zelfs niet gesuggereerd. 4. De van toepassing zijnde wet- en regelgeving is opgenomen in de bijlage bij deze uitspraak. 5. De rechtbank overweegt als volgt. 5.1 Vooropgesteld wordt dat in het bestuursrecht algemeen is aanvaard, dat verweerster mag uitgaan van de juistheid van een deskundigenonderzoek, in dit geval het onderzoek door de deskundige van het PAT. Dit is slechts anders indien er concrete aanknopingspunten bestaan voor twijfel aan de juistheid of volledigheid ervan. Van dergelijke concrete aanknopingspunten is in eisers geval, bij het uitblijven van een contra-expertise, geen sprake. Verweerster heeft daarom haar besluit op voornoemd onderzoek mogen baseren. 5.2 Eisers standpunt dat het voertuig in 2000 in zijn huidige vorm is ingevoerd en goedgekeurd en de door eiser in dit verband overgelegde stukken, waarin, naar hij stelt, alle reparaties en aanpassingen voor en na invoer in Nederland zijn opgenomen, geeft geen reden om aan de juistheid of volledigheid van de bevindingen van het PAT te twijfelen. Eiser heeft een factuur overgelegd van 14 augustus 2000, betreffende de aankoop van een motorblok met nummer [motorblok]. Ook heeft hij overgelegd een factuur van 27 juni 2010 aangaande de aanschaf van een Landrover-body, type 90, kleur wit. Daarnaast heeft hij overgelegd een factuur van 17 oktober 2000 betreffende diverse werkzaamheden, waaronder de inbouw van een motor met nummer [motorblok] en de plaatsing van een Landrover-body, type 90, op een meegebracht chassis met VIN [VIN]. Nu het motornummer dat in 2017 door het PAT is aangetroffen, [nummer], afwijkt van het op de facturen vermelde motornummer, en nu het voertuig bij invoer in november 2000 niet wit was (of blauw zoals ten tijde van het onderzoek door het PAT in 2017) maar groen, vormen de facturen geen bewijs voor eisers stelling dat het voertuig in 2000 in zijn huidige vorm is ingevoerd. 5.3 Eisers standpunt dat niet met het VIN-nummer is geknoeid/gesjoemeld is en dat dit nummer wel degelijk op de juiste plek staat, slaagt evenmin. Zowel de deskundige alsook de technisch medewerker van verweerster hebben geconstateerd dat het chassis niet van modeljaar 1973 is, maar van een afwijkend, nieuwer modeljaar, vermoedelijk 1988. Nu het door de fabrikant toegekende chassisnummer [VIN] correspondeert met modeljaar 1973, zoals in het verweerschrift is toegelicht, kan het voertuig onmogelijk dit VIN-nummer (met datum eerste toelating 21 maart 1973) hebben verkregen. 5.4 Eisers standpunt dat verschillende technici van verschillende autofabrikanten zullen bevestigen dat het nu en in het verleden niet logisch is/was dat vanuit het hart van het VIN-nummer wordt gemeten, zoals door verweerster is gesteld, geeft geen reden om te twijfelen aan de conclusie van het PAT dat het VIN in 2000 op een andere plek stond dan in 2017. Verweerster betoogt terecht dat de locatie van het VIN en de wijze waarop deze in 2000 is gemeten niet door een willekeurige autofabrikant maar door verweerster zelf is bepaald. De rechtbank stelt verder vast dat de technisch medewerker van verweerster bij het onderzoek door het PAT in 2017 heeft geassisteerd en in zijn e-mail van 6 oktober 2017 heeft bevestigd dat de plaats van het handmatig ingeslagen VIN niet overeenkomt met het register. Naar het oordeel van de rechtbank mag ervan uit worden gegaan dat verweerster in 2000 dezelfde meetwijze hanteerde als in 2017. 5.5 Verder volgt uit bij het verweerschrift gevoegde informatie dat van de aandrijflijn uitsluitend aan de hand van het tussenbaknummer ([tussenbaknummer]) kan worden vastgesteld dat deze van fabriekswege afkomstig is van een voertuig waarvoor 18 november 1993 het Nederlands kentekenbewijs [kentekenbewijs] is afgegeven. Op 1 feb 1995 is op dat kenteken een diefstalmelding geplaatst. Verweerster heeft blijkens de bij het verweerschrift gevoegde informatie voorts geen informatie ontvangen waaruit blijkt bij welk(
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.