Rechtbank DEN HAAG Team belastingrecht zaaknummer: SGR 16/8861 uitspraak van de meervoudige kamer van 11 april 2018 in de zaak tussen [B.V. X] , gevestigd te [vestigingsplaats] , eiseres (gemachtigde: mr. J.P.A. Dresen), en de inspecteur van de Belastingdienst/Belastingen, kantoor [plaats] , verweerder. Procesverloop Verweerder heeft aan eiseres voor het jaar 2011 een aanslag vennootschapsbelasting opgelegd naar een belastbare winst van € 1.651.124 en, na verrekening van verliezen ten bedrage van € 268.291, een belastbaar bedrag van € 1.382.833 (de aanslag). Daarbij is voor € 6.188 een aftrek elders belast toegepast en bij separate beschikking € 25.253 aan heffingsrente in rekening gebracht. Verweerder heeft bij uitspraak op bezwaar van 29 september 2016 de aanslag en daarbij gegeven beschikkingen gehandhaafd. Eiseres heeft daartegen beroep ingesteld. Verweerder heeft een verweerschrift ingediend. Eiseres heeft vóór de zitting nadere stukken ingediend. Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 12 september 2017. Eiseres is vertegenwoordigd door [persoon 1] en [persoon 2] , bijgestaan door de gemachtigde en [persoon 3] . Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door [persoon 4] , [persoon 5] en [persoon 6] . Na afloop van de zitting is de rechtbank tot het oordeel gekomen dat het onderzoek in deze procedure niet volledig is geweest. Daarop heeft de rechtbank het onderzoek heropend. Eiseres heeft desgevraagd nadere stukken en inlichtingen verstrekt. Verweerder heeft op die nadere stukken gereageerd. De rechtbank heeft vervolgens op 9 januari 2018 [getuige] als getuige gehoord. Van het getuigenverhoor is een proces-verbaal opgemaakt dat aan partijen is verzonden. Verweerder heeft schriftelijk gereageerd op het van het getuigenverhoor opgemaakte proces-verbaal. Van de zijde van eiseres is geen reactie ontvangen. Geen van beide partijen heeft verzocht om een nadere zitting. De rechtbank heeft vervolgens het onderzoek gesloten. Overwegingen Feiten Renteaftrek (Correctie I) 1. Eiseres maakt als houdstermaatschappij onderdeel uit van [groep] , een familiebedrijf gespecialiseerd in de ontwikkeling, productie en verkoop van aluminiumprofielen. Tot 18 december 2007 hield [persoon 7] ( [persoon 7] ), thans woonachtig in [buitenland] , via zijn (indirecte) houdstervennootschap [B.V. 1] 100% van de aandelen in [B.V. 2] ( [B.V. 2] ), destijds de houdstermaatschappij van [groep] . 2. Eind 2007 heeft [persoon 7] in het kader van bedrijfsopvolging een belangrijk gedeelte van zijn belang in [groep] overgedragen aan zijn neef, [neef] ( [neef] ). In verband met deze overname is eiseres opgericht. De aandelen in eiseres worden (al dan niet indirect) gehouden door [B.V. 3] (76%) en [B.V. 4] (24%). 3. Eiseres heeft op 18 december 2007 alle aandelen in [B.V. 2] gekocht. Deze overname werd gefinancierd door middel van een agiostorting, bankleningen en een lening van [B.V. 1] . De lening van [B.V. 1] betreft een 4,5% rentedragende achtergestelde lening van € 10.000.000 (de Lening). 4. De Lening is op 1 september 2008 door [B.V. 1] gecedeerd aan [persoon 7] in privé. 5. In 2008 is het resultaat van eiseres ten opzichte van voorgaande jaren sterk verminderd en in 2009 en 2010 heeft zij aanzienlijke verliezen geleden. Hierdoor is de liquiditeitspositie van eiseres verslechterd, wat tevens consequenties had voor het nakomen van de renteverplichtingen. Door deze verslechterde positie is eiseres vanaf het jaar 2009 onder toezicht van de afdeling bijzonder beheer bij ABN AMRO komen te staan. 6. Na afloop van het boekjaar 2009 heeft [persoon 7] de over dat jaar op de Lening verschuldigde rente kwijtgescholden. 7. Op 6 december 2010 hebben [persoon 7] en eiseres een allonge (de Allonge) bij de leningsovereenkomst ondertekend op basis waarvan de rente winstafhankelijk is gemaakt. Op grond van artikel B van de Allonge wordt de rente over de Lening als volgt bepaald: “a. over de hoofdsom van de lening of hetgeen daarvan na aflossing nog resteert zal rente worden vergoed naar tijdsgelang. Met ingang van 7 januari 2010 zal de hoogte van het rentepercentage jaarlijks opnieuw worden vastgesteld en zal afhankelijk zijn van de winst van [eiseres] over het boekjaar waarop de rente betrekking heeft en zal als volgt worden bepaald: i. 0% (nul procent) bij een ‘Winst’ lager dan of gelijk aan € 500.000 (vijfhonderdduizend euro). ii. 4,5% (vier en half procent) bij een ‘Winst’ van meer dan € 500.000 (vijfhonderdduizend euro). iii. 6% (zes procent) bij een ‘Winst’ van meer dan of gelijk aan € 2.000.000 (twee miljoen euro).” In de Allonge zijn partijen ook overeengekomen dat onder het begrip ‘Winst’ het volgende moet worden verstaan: “b. Onder “Winst” als hiervoor bedoeld wordt verstaan het resultaat uit gewone bedrijfsuitoefening van [eiseres] na belastingen over een bepaald boekjaar als blijkende uit de vastgestelde geconsolideerde jaarrekening van [eiseres] over het betreffende boekjaar maar vóór aftrek van de rente over de (10 mio-)lening verschuldigd over dat betreffende boekjaar.” 8. Tijdens het opstellen van de conceptjaarrekening 2011 werd uitgegaan van een resultaat uit gewone bedrijfsuitoefening voor belastingen van € 466.000 en een resultaat uit gewone bedrijfsuitoefening na belastingen van € 826.000. In het resultaat na belastingen was mede begrepen een incidentele bate vennootschapsbelasting ten bedrage van € 360.000. Deze incidentele bate had betrekking op een toekomstige belastingvermindering die zou ontstaan door verliesverrekening met verwachte toekomstige resultaten van eiseres (toevoeging latentie € 65.000) en haar dochtervennootschap [dochtervennootschap 1] ( [dochtervennootschap 1] ) (toevoeging latentie € 295.000). 9. Omdat de onder 8 genoemde incidentele belastingbate pas in een toekomstig jaar tot een daadwerkelijke belastingvermindering zou leiden, hebben eiseres en [persoon 7] na onderling overleg besloten dat deze incidentele bate niet tot het begrip ‘Winst (na belasting)’ moest worden gerekend voor het bepalen van de verschuldigde rente op basis van de Allonge. Daarom zijn [persoon 7] en eiseres overeengekomen dat de rentevergoeding over 2011 dient te worden gebaseerd op het resultaat exclusief deze incidentele bate. [persoon 7] heeft dit in een aan eiseres gericht faxbericht van 2 juli 2012 (het faxbericht) vastgelegd. Het faxbericht luidt – voor zover hier van belang – als volgt. “Hierbij bevestig ik onze afspraken met betrekking tot de rente 2011 over de lening van € 10.000.000 die ik heb verstrekt aan [eiseres]: [Eiseres] en ik zijn destijds overeengekomen dat [eiseres] rente betaalt volgens een staffel die is vastgelegd in een door ons ondertekende overeenkomst. Dat betekende dat voor het jaar 2011 bij een resultaat van € 466.000 voor belastingen geen rente verschuldigd zou zijn. Nu doet zich het feit voor dat vanwege boekhoudkundige regels, dat wil zeggen betere toekomstperspectieven voor [ [dochtervennootschap 1] ] en [eiseres], een incidentele bate vennootschapsbelasting is opgenomen van € 360.000. Dat zou betekenen dat er volgens het door ons opgestelde contract, op basis van een winst na belastingen van € 826.000, over het jaar 2011 toch rente verschuldigd zou zijn. Wij zijn het er over eens dat deze incidentele bate niet een bate is die wij bij het opstellen van ons contract voor ogen hadden. Daarom hebben [eiseres] en ik met betrekking tot de rentebetaling over het jaar 2011 in goed onderling overleg besloten dat deze incidentele bate niet meetelt voor de hoogte van de rentevergoeding over het jaar 2011. De rente 2011 bedraagt derhalve nihil. Nu wordt de incidentele bate van 2011 in de komende jaren waarschijnlijk gevolgd door hogere belastinglasten, te weten in de jaren dat [eiseres] en/of [ [dochtervennootschap 1] ] de fiscale verliezen daadwerkelijk compenseren. Dat is dus als zij fiscale winst maken. Ik verbind aan de goedkeuring de volgende voorwaarde: de last vennootschapsbelasting voor de berekening van de hoogte van de rente (derhalve niet de aflossing) in een volgend jaar, wordt dan als volgt berekend: een belastinglast bij [eiseres] tot aan een bedrag van € 65.000 maximaal en hij [ [dochtervennootschap 1] ] tot aan een bedrag van € 295.000 maximaal, wordt niet als last in aanmerking genomen bij de berekening van de netto winst voor de bepaling van de hoogte van de rente.” 10. Na de vastlegging van de afspraak op 2 juli 2012, maar nog voor het vaststellen van de jaarrekening 2011, is gebleken dat een herrekening van de belastingpositie over voorgaande jaren leidde tot een hogere incidentele belastingbate over 2011. Het ‘resultaat uit gewone bedrijfsuitoefening na belastingen’ kwam daarmee uit op € 973.000. 11. In de commerciële jaarrekening 2011 is geen rente over de lening van [persoon 7] ten laste van het resultaat gekomen. 12. Met dagtekening 8 augustus 2016 hebben eiseres en [persoon 7] een verklaring ondertekend (de Verklaring) waarin het volgende is opgenomen: “De Overeenkomst is onder de volgende overweging tot stand gekomen: o De eerste overweging was dat het vooruit nemen van toekomstige baten o.b.v. een verwachte winst in het volgende boekjaar, niet als een resultaat in de zin van de totstandkoming van de afspraken omtrent de rentevergoeding d.d. 6 december 2010 dient te worden gezien, mede daar deze een ‘verwachte winst’ weergeven, en geen ‘harde’ realisatie is. o De tweede overweging was, dat de fiscale correctie over de voorgaande openstaande jaren/posities tot en met 2011, i.t.t, de eerste overweging, betrekking heeft op ‘harde’ realisatie, ofwel realisatie/afwikkeling van gedane zaken. • Deze twee overwegingen hebben geleid tot de overeenstemming tussen partijen dat 1. de in de eerste overweging uiteengezette bate van € 295.000 NIET tot het tot renteplicht gerekende resultaat gezien behoort te worden, 2. de in de tweede overweging uiteengezette fiscale correctie van € 212.000 daarentegen WEL. • Tevens zijn de Leninggever en Leningnemer overeengekomen in bovenstaand overleg, dat ondanks de onderlinge vaststelling dat het 2011 jaarresultaat inclusief de fiscale correctie van € 212.000 wel zou leiden tot de verplichting om over 2011 een bedrag van € 450.000 te betalen, deze rente, kwijtgescholden wordt. De reden hiervoor is enerzijds dat de druk op de liquiditeit van de Groep te groot zou worden, alsmede dit nu ‘opeisen’ van de rentevergoeding niet zou stroken met de eerst genoemde verklaring van partijen omtrent m.n. het ‘bedrijfsbelang’. Het in 2011 een duidelijk winstcijfer tonen werd op langere termijn gezien als een zakelijker groter belang voor zowel de onderneming als de Leninggever. • Leninggever en Leningnemer verklaren, dat ten tijde van de vaststelling van de jaarrekening 2011 de situatie betreffende de bepaling van het tot stand komen van het bedrijfsresultaat na belastingen en de bovenstaande gemaakte afspraken omtrent renteverplichtingen onderling nogmaals zijn besproken, waarna de Jaarrekening 2011 is bekrachtigd door de AvA.” 13. In de aangifte vennootschapsbelasting 2011 van eiseres is ter zake van de Lening een renteaftrek in aanmerking genomen van € 450.000 met daartegenover in verband met de kwijtschelding voor hetzelfde bedrag een (informele) kapitaalstorting. Verweerder heeft deze renteaftrek niet geaccepteerd. Milieuvoorziening (Correctie II) 14. Eiseres is sinds 1973 eigenaar van het perceel [adres] in [plaats] . Deze locatie is de bedrijfslocatie van [dochtervennootschap 2] ( [dochtervennootschap 2] ), een dochtervennootschap die is gevoegd in de fiscale eenheid met eiseres. In 1995 is een bodemonderzoek verricht op deze locatie (de bedrijfslocatie). Tijdens het onderzoek zijn zowel in de grond als in het grondwater sterke verontreinigingen met minerale oliën aangetoond. De resultaten van het onderzoek zijn vastgelegd in een onderzoeksrapport op 21 juni 1995, dat is ingediend bij stichting [stichting] ( [stichting] ). [stichting] heeft naar aanleiding van dit onderzoek bepaald dat een nader bodemonderzoek diende te worden uitgevoerd vóór 24 augustus 2010. 15. Eiseres heeft naar aanleiding van dit bodemonderzoek in 1997 wegens toekomstige milieukosten in de jaarrekening en aangifte vennootschapsbelasting een voorziening opgenomen (de milieuvoorziening). Ultimo 2000 bedroeg de milieuvoorziening ƒ 530.220. 16. Eiseres en de Belastingdienst hebben met dagtekening 1 november 2002 een vaststellingsovereenkomst gesloten waarin met betrekking tot de milieuvoorziening het volgende is opgenomen: “[Eiseres] heeft in 1995 een bodemonderzoek laten uitvoeren op [de bedrijfslocatie] (bedrijfsterrein van [eiseres]). Het onderzoek is uitgevoerd door [bedrijf] conform de richtlijnen van [stichting] en was gericht op het eventueel aanwezig zijn van verontreiniging van grond en grondwater. Er is vastgesteld dat de aanwezige persen olie lekken en dat hierdoor de bodem ernstig is verontreinigd, maar dat geen sprake is van urgentie. De conclusie die [stichting] heeft getrokken is dat binnen 15 jaar (dus uiterlijk in 2010) een nader onderzoek moet plaatsvinden. Door [eiseres] is een milieuvoorziening gevormd. Deze bedraagt ultimo 2000 ƒ 530.220. Bij brief van 10 juli 2002 heeft [eiseres] verzocht de milieuvoorziening ultimo 1999 op ƒ 2.250.000 te stellen. Met [eiseres] is afgesproken dat de milieuvoorziening vanaf 2000 wordt bevroren op ƒ 250.000. Onder de volgende voorwaarden kan de milieuvoorziening in de toekomst worden gemuteerd: - indien door de bevoegde overheidsinstanties aan [eiseres] de verplichting (saneringsbevel) is opgelegd om te saneren of - indien uit gedragingen van [eiseres] is gebleken dat zij het stellige voornemen tot saneren heeft. Indien [eiseres] de milieuvoorziening muteert zal dit uitdrukkelijk en duidelijk worden aangegeven bij de betreffende aangifte vennootschapsbelasting. Indien echter duidelijk is dat er niet gesaneerd hoeft te worden (bijvoorbeeld naar aanleiding van het nader onderzoek in 2010 of eerder) zal de milieuvoorziening vrijvallen ten gunste van het resultaat.” 17. In de jaren 2006 en 2007 is in opdracht van eiseres een nader bodemonderzoek uitgevoerd. Dit bodemonderzoek is uitgevoerd door ‘ [bedrijf] ’ ( [bedrijf] ), een bedrijf dat is aangesloten bij de Vereniging Kwaliteitsborging Bodemonderzoek. De resultaten van dit onderzoek zijn in een onderzoeksrapport van 26 januari 2007 uiteengezet (het Rapport 2007). 18. Vervolgens heeft [bedrijf] op verzoek van eiseres een plan tot bodemsanering opgesteld, gedagtekend 19 juni 2007 (het Saneringsplan). In het Saneringsplan is een viertal saneringsvarianten met bijbehorende kostenberamingen uiteengezet, oplopende van € 82.000 (goedkoopste variant) tot € 504.000 (duurste variant). 19. Naar aanleiding van het Rapport 2007 en het saneringsplan heeft eiseres besloten de milieuvoorziening te muteren en deze te baseren op de duurste saneringsvariant uit het saneringsplan, zijnde de variant die volgens eiseres de meeste kans van slagen heeft. Als gevolg daarvan heeft eiseres in zowel haar jaarrekening 2007 als in de aangifte vennootschapsbelasting 2007 de milieuvoorziening verhoogd van € 113.000 (per 1 januari 2007) naar € 504.000 (per 31 december 2007). 20. In opdracht van eiseres heeft [B.V. 5] , een internationaal advies- en ingenieursbureau gespecialiseerd in onder andere milieuadvies, vanaf 2007 meerdere metingen uitgevoerd aan de bodem. Met dagtekening 24 april 2015 heeft [B.V. 5] in dit verband een onderzoeksrapport opgesteld (het Rapport 2015). 21. Het Rapport 2015 heeft eiseres bij de Omgevingsdienst Haaglanden ingediend. De Omgevingsdienst Haaglanden heeft naar aanleiding van dit rapport op 26 mei 2015 vastgesteld dat een nader onderzoek diende plaats te vinden om te kunnen vaststellen of een acute sanering noodzakelijk is. 22. Vervolgens heeft [B.V. 5] een nader bodemonderzoek uitgevoerd. De Omgevingsdienst Haaglanden heeft naar aanleiding van dit onderzoek in haar brief van 30 mei 2016 vastgesteld dat (nog steeds) sprake is van ernstige bodemvervuiling en heeft eiseres geadviseerd een beschikking aan te vragen waarin de spoedeisendheid tot sanering formeel wordt vastgelegd. Dat eiseres een dergelijke beschikking heeft aangevraagd is niet gebleken. 23. Vanaf het jaar 2007 heeft eiseres tevens onderzoek verricht om haar twee extrusiepersen te vervangen. In verband daarmee heeft eiseres vervolgens diverse partijen, waaronder [B.V. 5] , gevraagd een stappenplan op te stellen voor het gelijktijdig met de vervanging van de extrusiepersen uit te voeren saneringstraject. Op verzoek van eiseres heeft [B.V. 5] vervolgens met dagtekening 15 april 2011 een plan van aanpak opgesteld voor eiseres waarin de verschillende saneringsstappen zijn uiteengezet (het stappenplan 2011). In het stappenplan 2011 wordt een gefaseerde aanpak voorgesteld voor het vervangen van de extrusiepersen en sanering van de grond. 24. [dochtervennootschap 2] heeft op 5 april 2011 een bod uitgebracht op een (gebruikte) extrusiepers en in diezelfde maand een offerte opgevraagd voor een andere (gebruikte) extrusiepers. Tot aanschaf van een (of meer) vervangende extrusiepers(
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.